Gerecht EU 26 februari 2025, T-498/22, ECLI:EU:T:2025:180

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)

26 februari 2025 (*)

„ Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – Bevriezing van tegoeden – Beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren en die onderworpen zijn aan beperkingen inzake de toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Plaatsing en vervolgens handhaving van verzoeksters naam op de lijst – Begrip ‚betrokkenheid’ – Artikel 2, lid 1, in fine, van besluit 2014/145/GBVB – Exceptie van onwettigheid – Beoordelingsfout – Fundamentele rechten – Evenredigheid ”

In zaak T‑498/22,

Aleksandra Melnichenko, wonende te St. Moritz (Zwitserland), vertegenwoordigd door A. Miron, D. Müller, H. Bajer Pellet, R. Pieri, A. Beauchemin, advocaten, en C. Zatschler, SC,

verzoekster,

ondersteund door

EuroChem Group AG, gevestigd te Zug (Zwitserland),

en door

Siberian Coal Energy Company AO (SUEK), gevestigd te Moskou (Rusland),

vertegenwoordigd door N. Montag, L. Engelen en S. Bonifassi, advocaten,

interveniënten,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen en J. Rurarz als gemachtigden, bijgestaan door B. Maingain en S. Remy, advocaten,

verweerder,

ondersteund door

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Van Regemorter en L. Van den Broeck als gemachtigden,

interveniënt,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: R. Mastroianni, waarnemend voor de president, M. Brkan, I. Gâlea, T. Tóth en S. L. Kalėda (rapporteur), rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 9 juli 2024,

het navolgende

Arrest (1)

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Aleksandra Melnichenko, nietigverklaring van de volgende handelingen, voor zover daarbij haar naam op de lijsten in de bijlagen bij die handelingen (hierna: „betrokken lijsten”) is geplaatst en gehandhaafd:

– ten eerste, besluit (GBVB) 2022/883 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 153, blz. 92) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/878 van de Raad van 3 juni 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 153, blz. 15) (hierna samen: „oorspronkelijke handelingen”);

– ten tweede, besluit (GBVB) 2022/1530 van de Raad van 14 september 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 149) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 van de Raad van 14 september 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van september 2022”);

– ten derde, besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van maart 2023”), alsmede besluit (GBVB) 2023/811 van de Raad van 13 april 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 101, blz. 67), en uitvoeringsverordening (EU) 2023/806 van de Raad van 13 april 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 101, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van april 2023” en, samen met de oorspronkelijke handelingen, de handelingen van september 2022 en de handelingen van maart 2023, „bestreden handelingen”).

[omissis]

Conclusies van partijen

27 Verzoekster, daarin ondersteund door EuroChem Group en SUEK, verzoekt het Gerecht:

– artikel 2, lid 1, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, niet van toepassing verklaren, voor zover deze handelingen verwijzen naar de personen die „verbonden” zijn met op de betrokken lijsten vermelde personen en entiteiten;

– de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover zij haar betreffen;

– de Raad te verwijzen in de kosten.

28 De Raad, ondersteund door het Koninkrijk België, verzoekt het Gerecht:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

29 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster in wezen vijf middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een „kennelijke beoordelingsfout”, het tweede aan schending van de motiveringsplicht, het derde aan schending van het evenredigheidsbeginsel en van de grondrechten, het vierde aan een exceptie van onwettigheid van het criterium dat is vastgesteld in artikel 2, lid 1, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, en in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, betreffende natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen die verbonden zijn met een persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn op grond van een van de criteria voor plaatsing op de lijst van artikel 2, lid 1, onder a) tot en met h), van dat besluit en artikel 3, lid 1, onder a) tot en met h), van deze verordening (hierna: „criterium van het hebben van banden met het regime”), en het vijfde aan schending van het recht om te worden gehoord.

[omissis]

Derde middel: schending van de grondrechten

[omissis]

105 Verzoekster, ondersteund door EuroChem Group en SUEK, voegt daaraan toe dat, aangezien zij nooit banden heeft gehad met de Russische besluitvormers, het feit dat zij wordt bestraft geenszins bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstellingen van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, namelijk druk uitoefenen op de Russische autoriteiten, en in strijd is met het beleid van de Unie om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen. Het handhaven van deze beperkende maatregelen jegens haar is dus noch noodzakelijk, noch passend.

106 De Raad, ondersteund door het Koninkrijk België, betwist de argumenten van verzoekster.

107 Er zij aan herinnerd dat het recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie, het recht op eigendom en het recht van de burgers van de Unie om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, respectievelijk zijn vastgelegd in de artikelen 7, 17 en 45 van het Handvest.

108 Wat in de eerste plaats de in de artikelen 7 en 17 van het Handvest verankerde grondrechten betreft, vormen de betrokken beperkende maatregelen in casu conservatoire maatregelen, die niet tot doel hebben aan de betrokken personen hun recht op eigendom en hun recht op eerbiediging van het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de communicatie te ontnemen. Met uitzondering van het recht op eerbiediging van de communicatie, waarvoor geen beperking is aangetoond, leiden de betrokken maatregelen in de onderhavige zaak echter ontegenzeglijk tot een beperking van die grondrechten (zie in die zin en naar analogie arrest van 12 maart 2014, Al Assad/Raad, T‑202/12, EU:T:2014:113, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Volgens vaste rechtspraak genieten de in de artikelen 7 en 17 van het Handvest verankerde grondrechten in het Unierecht echter geen absolute bescherming, maar moeten zij in relatie tot hun maatschappelijke functie worden beschouwd (zie arrest van 12 maart 2014, Al Assad/Raad, T‑202/12, EU:T:2014:113, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110 In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest „[b]eperkingen op de uitoefening van de in [het] Handvest erkende rechten en vrijheden [...] bij wet [moeten] worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden [moeten] eerbiedigen” en „[m]et inachtneming van het evenredigheidsbeginsel [...] slechts beperkingen [kunnen] worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

111 Om in overeenstemming met het Unierecht te zijn, moet een beperking van de uitoefening van de grondrechten en fundamentele vrijheden dus aan vier voorwaarden voldoen. Ten eerste moet de beperking „bij wet worden gesteld”, in die zin dat de instelling van de Unie die maatregelen neemt die de grondrechten van een natuurlijke persoon of rechtspersoon kunnen inperken, daarvoor over een rechtsgrondslag moet beschikken. Ten tweede moet de beperking de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen. Ten derde moet zij een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang nastreven. Ten vierde moet zij evenredig zijn (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad, T‑125/22, EU:T:2022:483, punten 145 en 222 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112 In casu zijn deze vier voorwaarden vervuld.

113 Ten eerste moet worden geoordeeld dat de beperkingen op de uitoefening door verzoekster van haar recht op eerbiediging van haar privéleven, haar familie- en gezinsleven en haar woning en haar recht op eigendom „bij wet [zijn] gesteld”, aangezien zij zijn neergelegd in handelingen die met name van algemene strekking zijn, namelijk besluit 2014/145, zoals gewijzigd, en verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, en een duidelijke rechtsgrondslag hebben in het recht van de Unie, namelijk respectievelijk artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU.

114 Ten tweede zijn de in punt 113 hierboven bedoelde beperkingen tijdelijk en omkeerbaar, aangezien de bestreden handelingen voor een periode van zes maanden gelden en voortdurend worden geëvalueerd, zoals is bepaald in artikel 6 van besluit 2014/145, zoals gewijzigd. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat zij geen inbreuk maken op de wezenlijke inhoud van verzoeksters recht op eerbiediging van haar privéleven, haar familie- en gezinsleven en haar recht op eigendom. Bovendien voorzien de bestreden handelingen in de mogelijkheid om afwijkingen van de toegepaste beperkende maatregelen toe te staan. Wat in het bijzonder de bevriezing van tegoeden betreft, voorzien artikel 2, leden 3 en 4, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, en artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, in de mogelijkheid om enerzijds toe te staan dat bevroren tegoeden worden gebruikt om in essentiële behoeften te voorzien of bepaalde verplichtingen na te komen, en anderzijds specifieke machtigingen te verlenen om bevroren tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen vrij te geven.

115 Ten derde wordt met de in punt 113 genoemde beperkingen beoogd druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten om een einde te maken aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren. Dit is immers een doelstelling van algemeen belang die binnen de werkingssfeer valt van de doelstellingen die in het kader van het GBVB worden nagestreefd en waarnaar wordt verwezen in artikel 21, lid 2, onder b) en c), VEU, zoals consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het volkenrecht, alsmede handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid en de bescherming van de burgerbevolking (zie naar analogie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 176).

116 Wat ten vierde het evenredigheidsbeginsel betreft, moet in herinnering worden gebracht dat dit beginsel, als algemeen beginsel van het Unierecht, vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet dus die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en mogen de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doeleinden (zie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117 Aangaande de vraag of de in punt 113 hierboven bedoelde beperkingen passend zijn in het licht van doelstellingen van algemeen belang die zo fundamenteel zijn voor de internationale gemeenschap als die welke in de bestreden handelingen worden genoemd, moet worden opgemerkt dat deze beperkingen als zodanig niet als ongeschikt kunnen worden aangemerkt. Voorts zij er met betrekking tot de vraag of zij noodzakelijk zijn op gewezen dat alternatieve en minder belastende maatregelen, zoals een stelsel van voorafgaande toestemming, niet even doeltreffend zijn om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Bovendien gaat het om tijdelijke en omkeerbare beperkingen waarvoor afwijkingen mogelijk zijn. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de aan verzoekster berokkende nadelen niet onevenredig zijn aan het belang van het met deze handelingen nagestreefde doel.

118 Wat verder verzoeksters argument betreft dat de in punt 113 hierboven bedoelde beperkingen niet evenredig zijn wegens de gevaren die zij met zich meebrengen voor de mondiale voedselzekerheid, moet worden geoordeeld dat dit argument irrelevant is en dient te worden verworpen, aangezien het geen enkel verband houdt met het eigendomsrecht van verzoekster, noch met haar recht op eerbiediging van haar privéleven, gezinsleven en woning.

119 Hieruit volgt dat de in punt 113 hierboven bedoelde beperkingen niet onevenredig zijn aan de doelstellingen die met de beperkende maatregelen worden nagestreefd.

120 Wat in de tweede plaats verzoeksters argument betreft aangaande de schending van haar recht om zich vrij te verplaatsen binnen het grondgebied van de lidstaten, zoals gewaarborgd door artikel 45, lid 1, van het Handvest, dient te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 52, lid 2, ervan de door het Handvest erkende rechten waarvoor in de Verdragen bepalingen zijn opgenomen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die daarin zijn vastgesteld. Zoals blijkt uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17), stemt het in artikel 45, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht overeen met het recht dat wordt gegarandeerd door artikel 20, lid 2, onder a), VWEU. De draagwijdte van dit recht wordt verduidelijkt in artikel 21 VWEU.

121 Daarbij dient te worden benadrukt dat artikel 21, lid 1, VWEU bepaalt dat het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven wordt uitgeoefend onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden die in de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Aangezien met betrekking tot deze voorwaarde in de tweede zinsnede van artikel 21, lid 1, VWEU wordt verwezen naar de Verdragen, in het meervoud, omvat zij ook het VEU en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen. Hieruit volgt dat de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf van de burgers van de Unie dat is neergelegd in artikel 45, lid 1, van het Handvest, op het gebied van het GBVB kan worden beperkt door op grond van artikel 29 VEU vastgestelde handelingen, zoals de bestreden handelingen (zie in die zin arresten van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punten 195 en 196, en 4 december 2015, Sarafraz/Raad, T‑273/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:939, punten 194 en 195).

122 Zoals in punt 111 hierboven in herinnering is gebracht, moeten beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest neergelegde rechten, om in overeenstemming te zijn met het Unierecht, voldoen aan de voorwaarden die worden opgesomd in artikel 52, lid 1, van het Handvest, te weten: bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen, een als zodanig door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang nastreven en niet onevenredig zijn. Dat geldt ook voor de door het Handvest erkende rechten die het voorwerp uitmaken van bepalingen in de Verdragen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Delvigne, C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 46, en conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2021:855, punt 60). De beperkingen op de uitoefening van het in artikel 45, lid 1, van het Handvest neergelegde recht die worden vastgesteld in het kader van de uitvoering van het GBVB, moeten dus aan die voorwaarden voldoen.

123 Ten eerste zijn de uit de bestreden handelingen voortvloeiende beperkingen van verzoeksters recht van vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten in casu „bij wet [...] gesteld”, aangezien zij zijn geformuleerd in handelingen die met name een algemene strekking hebben, te weten besluit 2014/145, zoals gewijzigd, en verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, en die een duidelijke rechtsgrondslag hebben in het Unierecht, te weten respectievelijk artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU.

124 Wat ten tweede de vraag betreft of de in punt 123 hierboven bedoelde beperkingen de „wezenlijke inhoud” van verzoeksters recht van vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten eerbiedigen, moet worden gekeken naar de aard en de omvang van de betrokken beperkende maatregelen (zie in die zin arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad, T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 153).

125 In dit verband moet worden vastgesteld dat de in punt 123 hierboven bedoelde beperkingen de „wezenlijke inhoud” van het recht van verzoekster om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen, eerbiedigen. Om te beginnen eerbiedigen deze beperkingen overeenkomstig artikel 1, lid 2, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, immers het beginsel van internationaal recht dat een staat zijn eigen onderdanen niet het recht mag ontzeggen om zijn grondgebied binnen te komen en daar te verblijven. Vervolgens worden de betrokken lijsten krachtens artikel 6 van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, periodiek herzien, zodat de namen van de personen die niet meer aan de criteria voor plaatsing op een lijst voldoen, worden geschrapt. Ten slotte doen deze beperkingen geen afbreuk aan dit recht als zodanig, aangezien zij ertoe leiden dat het recht van bepaalde personen om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen tijdelijk wordt geschorst, onder specifieke voorwaarden en wegens hun individuele situatie, voor zover voornoemde voorwaarden nog steeds zijn vervuld (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 oktober 2015, Delvigne, C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 48).

126 Ten derde dienen de in punt 123 hierboven bedoelde beperkingen de in punt 115 hierboven vermelde doelstelling van algemeen belang.

127 Wat ten vierde de gepastheid van de in punt 123 hierboven bedoelde beperkingen betreft, moet worden opgemerkt dat zij geschikt zijn om de in punt 115 hierboven vermelde doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken, aangezien zij bijdragen tot de verwezenlijking ervan.

128 Wat de vraag betreft of de in punt 123 bedoelde beperkingen noodzakelijk zijn, moet worden vastgesteld dat verzoekster er niet in is geslaagd om aan te tonen dat de Raad minder belastende maar even passende maatregelen had kunnen overwegen. Bovendien gaat de toepassing van de betrokken beperkende maatregelen gepaard met een uitzonderingsregeling waarin is voorzien in artikel 1, lid 6, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, waarmee de lidstaten vrijstelling van de opgelegde maatregelen kunnen verlenen, met name voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden.

129 Daarnaast moet worden vastgesteld dat de in punt 123 hierboven bedoelde beperkingen, gelet op het belang van de met die maatregelen nagestreefde doelstellingen, niet kennelijk onevenredig zijn, ook al moet worden erkend dat de betrokken beperkende maatregelen zoals verzoekster deze heeft omschreven, een aantal negatieve gevolgen voor haar hebben (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 71).

130 Bovendien draagt verzoekster geen enkel concreet gegeven aan waaruit de vermeende ernst van de negatieve gevolgen van de toepassing van de betrokken beperkende maatregelen blijkt. Voor zover zij verwijst naar de onmogelijkheid om zich naar de gezinswoning in Zwitserland te begeven, is dit element niet relevant in het kader van de analyse van haar argument waarmee zij schending aanvoert van haar recht om vrij binnen de Unie te reizen.

131 Hieruit volgt dat de in punt 123 hierboven bedoelde beperkingen voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

132 Wat verzoeksters argument betreft dat de toepassing naar analogie van het arrest van 19 oktober 2004, Zhu en Chen (C‑200/02, EU:C:2004:639, punt 46), haar krachtens artikel 21 VWEU het afgeleide recht verleent om in een lidstaat te verblijven wanneer dit noodzakelijk is om het genot van het verblijfsrecht van haar jonge kinderen, burgers van de Unie, te waarborgen, moet worden vastgesteld dat de overwegingen uit dat arrest niet kunnen worden toegepast in de onderhavige zaak, aangezien verzoekster als burger van de Unie een autonoom recht heeft om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Dat recht is echter niet absoluut en uit de voorgaande overwegingen volgt dat de beperking van verzoeksters recht van vrij verkeer binnen de Unie wordt geacht gerechtvaardigd te zijn.

133 Voor zover verzoekster verder ook verwijst naar het afgeleide recht van haar echtgenoot, onderdaan van een derde land, om zich op het grondgebied van de lidstaten binnen de Unie te verplaatsen en er te verblijven, moet dit argument worden afgewezen als niet ter zake dienend, aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat inbreuk zou zijn gemaakt op het recht van verzoekster op vrij verkeer binnen de Unie.

134 Aangaande verzoeksters verwijzing naar het recht van haar minderjarige kinderen om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 24, lid 2, van het Handvest bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen.

135 In casu moet er enerzijds evenwel op worden gewezen dat verzoekster zowel in haar schriftelijke stukken als ter terechtzitting duidelijk heeft gemaakt dat zij geen schending aanvoert van het recht van haar kinderen om zich vrij binnen de Unie te verplaatsen en er autonoom te verblijven. Voor zover verzoekster anderzijds naar de situatie van haar kinderen verwijst om aan te tonen dat haar eigen recht op vrij verkeer binnen de Unie op onevenredige wijze wordt beperkt, moet worden geconstateerd dat dit argument niet is onderbouwd. Verzoekster voert immers louter aan dat de haar opgelegde beperkende maatregelen haar kinderen verplichten het grondgebied van de Unie te verlaten. Toen zij hierover ter terechtzitting is ondervraagd, heeft zij overigens slechts in algemene termen verklaard dat het haar gezinsleden wordt belet samen te leven in hun woonplaats in de Unie en in Zwitserland, en heeft zij enkel gewezen op het feit dat de familiebanden van haar kinderen met hun in Europa wonende grootouders zijn verbroken en op onderbreking van hun opvoeding. Daarbij moet echter worden opgemerkt worden dat enerzijds de betrokken beperkende maatregelen niet gelden voor verzoeksters kinderen en zij anderzijds geen beperking meebrengen van verzoeksters recht om het grondgebied van de lidstaat van de Unie waarvan zij onderdaan is, vrij te betreden en er vrij te verblijven. Verzoekster stelt dus ten onrechte dat haar kinderen wegens die maatregelen verplicht zijn om dit grondgebied te verlaten. Er zij trouwens aan herinnerd dat artikel 1, lid 6, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd, de lidstaten toestaat om af te wijken van de betrokken maatregelen, met name voor reizen van een persoon die gerechtvaardigd zijn wegens dringende humanitaire noden, waarbij deze bepaling, gelet op artikel 24, lid 2, van het Handvest, moet worden uitgelegd en toegepast rekening houdend met het belang van het kind.

136 Gelet op een en ander moet het derde middel worden afgewezen en dient het beroep dus in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

137 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten.

[omissis]

HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Aleksandra Melnichenko wordt verwezen in de kosten.

3) EuroChem Group AG, Siberian Coal Energy Company AO (SUEK) en het Koninkrijk België zullen hun eigen kosten dragen.

Mastroianni Brkan Gâlea

Tóth Kalėda

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 februari 2025. .

ondertekeningen

* Procestaal: Engels.

1 Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken