Gerecht EU 26 oktober 2017, T-704/14, ECLI:EU:T:2017:753
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
26 oktober 2017 ( *1 )
„Mededinging – Concentraties – Besluit waarbij een geldboete wordt opgelegd wegens de totstandbrenging van een concentratie voorafgaand aan de aanmelding en goedkeuring ervan – Artikel 4, lid 1, artikel 7, leden 1 en 2, en artikel 14 van verordening (EG) nr. 139/2004 – Onachtzaamheid – Beginsel ne bis in idem – Zwaarte van de inbreuk – Bedrag van de geldboete”
In zaak T‑704/14,
Marine Harvest ASA, gevestigd te Bergen (Noorwegen), vertegenwoordigd door R. Subiotto, QC,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Farley, C. Giolito en F. Jimeno Fernández als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2014) 5089 final van de Commissie van 23 juli 2014 tot oplegging van een geldboete voor het uitvoeren van een concentratie in strijd met artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (Zaak COMP/M.7184 – Marine Harvest/Morpol), en, subsidiair, nietigverklaring of verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. Dittrich (rapporteur), president, J. Schwarcz en V. Tomljenović, rechters,
griffier: C. Heeren, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 september 2016,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, Marine Harvest ASA, is een vennootschap naar Noors recht die aan de beurzen van Oslo (Noorwegen) en New York (Verenigde Staten) is genoteerd. Zij is actief op het gebied van de kweek en eerste verwerking van zalm in Canada, in Chili, op de Faeröer, in Ierland, in Noorwegen en in Schotland, en de kweek en eerste verwerking van witte heilbot in Noorwegen. Verzoekster is ook actief op het gebied van de tweede verwerking in België, Chili, Frankrijk, Ierland, Japan, Nederland, Noorwegen, Polen, Tsjechië en de Verenigde Staten.
A. Verwerving van Morpol door verzoekster
2 Op 14 december 2012 heeft verzoekster een aandelenkoopovereenkomst („Share Purchase Agreement”; hierna: „SPA”) gesloten met Friendmall Ltd en Bazmonta Holding Ltd, ter zake van de verkoop van de door die vennootschappen gehouden aandelen in het kapitaal van Morpol ASA.
3 Morpol is een Noorse kweker en verwerker van zalm. Zij produceert gekweekte zalm en biedt een brede waaier van uit zalm verkregen producten met toegevoegde waarde aan. Haar activiteiten op het gebied van de kweek en eerste verwerking van zalm bevinden zich in Noorwegen en Schotland. Zij is ook actief op het gebied van de tweede verwerking in Polen, het Verenigd Koninkrijk en Vietnam. Vóór haar verwerving door verzoekster was Morpol aan de beurs van Oslo genoteerd.
4 Friendmall en Bazmonta Holding waren besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid die in Cyprus waren opgericht en ingeschreven. Deze twee vennootschappen stonden onder zeggenschap van één persoon, de heer M., de oprichter en voormalig algemeen directeur van Morpol.
5 Dankzij de SPA heeft verzoekster een belang van ongeveer 48,5 % in het maatschappelijk kapitaal van Morpol verworven. De afronding (ook wel closing of completion) van deze acquisitie (hierna: „verwerving van december 2012”) heeft plaatsgevonden op 18 december 2012.
6 Op 17 december 2012 heeft verzoekster via een beursmededeling aangekondigd dat zij een openbaar bod zou uitbrengen voor de overname van de resterende aandelen van Morpol. Op 15 januari 2013 heeft verzoekster een dergelijk verplicht openbaar bod voor de overname van de resterende aandelen van Morpol, zijnde 51,5 % van de aandelen van de vennootschap, overeenkomstig de Noorse wet op de handel in effecten uitgebracht. Volgens de Noorse wet is de verwerver van meer dan een derde van de aandelen in een beursgenoteerde onderneming verplicht een bindend bod voor de resterende aandelen in die onderneming uit te brengen.
7 Op 23 januari 2013 heeft de raad van bestuur van Morpol een nieuwe algemeen directeur ter vervanging van M. benoemd, aangezien die in de tussentijd met ingang van 1 maart 2013 ontslag had genomen, naar aanleiding van een daartoe strekkende verbintenis in de SPA.
8 Na de afhandeling en uitvoering van het openbaar overnamebod op 12 maart 2013 hield verzoekster in totaal 87,1 % van de aandelen van Morpol. Dankzij het openbaar overnamebod heeft verzoekster bijgevolg aandelen verworven die ongeveer 38,6 % van het kapitaal van Morpol vertegenwoordigden, boven op de aandelen die ongeveer 48,5 % van het kapitaal van Morpol vertegenwoordigden, die zij via de verwerving van december 2012 had verkregen.
9 De verwerving van de resterende aandelen van Morpol is op 12 november 2013 tot stand gekomen. Op 15 november 2013 is tijdens een buitengewone algemene vergadering beslist om te verzoeken om schrapping van de notering van de aandelen aan de beurs van Oslo, het aantal leden van de raad van bestuur terug te brengen en het benoemingscomité op te heffen. Op 28 november 2013 was Morpol niet langer aan de beurs van Oslo genoteerd.
B. Fase voorafgaand aan de aanmelding
10 Op 21 december 2012 heeft verzoekster de Europese Commissie een verzoek om aanwijzing van een team voor de behandeling van haar dossier betreffende de verwerving van uitsluitende zeggenschap over Morpol toegezonden. In dat verzoek heeft verzoekster de Commissie laten weten dat de verwerving van december 2012 was afgerond en dat zij haar stemrechten niet zou uitoefenen vóór de vaststelling van het besluit van de Commissie.
11 De Commissie heeft verzocht om een teleconferentie met verzoekster, die op 25 januari 2013 heeft plaatsgevonden. Tijdens de teleconferentie heeft de Commissie verzocht om inlichtingen over de structuur van de transactie en om verduidelijkingen ten aanzien van de vraag of de verwerving van december 2012 verzoekster reeds zeggenschap over Morpol had kunnen verschaffen.
12 Op 12 februari 2013 heeft de Commissie verzoekster een verzoek om inlichtingen betreffende de eventuele verwerving van de facto zeggenschap over Morpol na de verwerving van december 2012 toegezonden. Ook heeft zij verzocht om de agenda en de notulen van de algemene vergaderingen van Morpol en de vergaderingen van de raad van bestuur van Morpol van de afgelopen drie jaar. Verzoekster heeft dit verzoek gedeeltelijk beantwoord op 19 februari 2013 en volledig op 25 februari 2013.
13 Op 5 maart 2013 heeft verzoekster een eerste concept van het aanmeldingsformulier, zoals dat is opgenomen in bijlage I bij verordening (EG) nr. 802/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2004, L 133, blz. 1) (hierna: „eerste concept van het formulier CO”), ingediend. Het eerste concept van het formulier CO had hoofdzakelijk betrekking op een wereldwijde markt die zowel de kweek als de eerste en de tweede verwerking van zalm van om het even welke oorsprong omvatte.
14 Op 14 maart 2013 heeft de Commissie verzoekster een verzoek om aanvullende inlichtingen betreffende het eerste concept van het formulier CO toegezonden. Verzoekster heeft op 16 april 2013 op dit verzoek om inlichtingen geantwoord. De Commissie meende dat dit antwoord onvolledig was en heeft andere verzoeken om inlichtingen toegezonden op 3 mei, 14 juni en 10 juli 2013. Verzoekster heeft op die verzoeken geantwoord op respectievelijk 6 juni en 3 en 26 juli 2013.
C. Aanmelding en besluit om de concentratie onder voorbehoud van de naleving van bepaalde verbintenissen goed te keuren
15 De transactie is op 9 augustus 2013 officieel bij de Commissie aangemeld.
16 Tijdens een vergadering over de stand van zaken die op 3 september 2013 is gehouden, heeft de Commissie verzoekster en Morpol ervan in kennis gesteld dat zij ernstige twijfels over de verenigbaarheid van de transactie met de interne markt had voor zover het een potentiële markt voor Schotse zalm betrof.
17 Teneinde de door de Commissie benoemde ernstige twijfels weg te nemen heeft verzoekster op 9 september 2013 verbintenissen voorgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 2004, L 24, blz. 1). De Commissie heeft met betrekking tot deze aanvankelijke verbintenissen een marktconsultatie gehouden. Na bepaalde wijzigingen is op 25 september 2013 een reeks definitieve verbintenissen ingediend. Verzoekster heeft zich ertoe verbonden om ongeveer drie kwart van de gezamenlijke kweekcapaciteit voor Schotse zalm van de partijen bij de concentratie af te stoten, waarmee de door de Commissie benoemde ernstige twijfels werden weggenomen.
18 Op 30 september 2013 heeft de Commissie besluit C(2013) 6449 (Zaak COMP/M.6850 – Marine Harvest/Morpol) (hierna: „goedkeuringsbesluit”) overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), en lid 2, van verordening nr. 139/2004 vastgesteld, waarbij de concentratie onder voorbehoud van de volledige nakoming van de voorgestelde verbintenissen is goedgekeurd.
19 In het goedkeuringsbesluit heeft de Commissie geconstateerd dat verzoekster reeds met de verwerving van december 2012 de uitsluitende zeggenschap over Morpol had verworven. Zij heeft verklaard dat niet kon worden uitgesloten dat de standstill-verplichting als voorzien in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 en de aanmeldingsplicht als voorzien in artikel 4, lid 1, van genoemde verordening niet waren nageleefd. Zij heeft er ook op gewezen dat zij in het kader van een afzonderlijke procedure zou kunnen onderzoeken of krachtens artikel 14, lid 2, van verordening nr. 139/2004 een sanctie moest worden opgelegd.
D. Bestreden besluit en procedure tot vaststelling daarvan
20 Bij brief van 30 januari 2014 heeft de Commissie verzoekster ervan in kennis gesteld dat een onderzoek naar eventuele schending van artikel 7, lid 1, en artikel 4, lid 1, van verordening nr. 139/2004 gaande was.
21 Op 31 maart 2014 heeft de Commissie verzoekster een mededeling van punten van bewaar overeenkomstig artikel 18 van verordening nr. 139/2004 (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”) toegezonden. In de mededeling van punten van bezwaar was de Commissie tot de voorlopige conclusie gekomen dat verzoekster opzettelijk of in elk geval uit onachtzaamheid artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 had geschonden.
22 Verzoekster heeft op 30 april 2014 geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar. Op 6 mei 2014 heeft verzoekster de argumenten in haar antwoord tijdens een hoorzitting gepresenteerd. Op 7 juli 2014 is het Adviescomité voor concentraties bijeengekomen.
23 Op 23 juli 2014 heeft de Commissie besluit C(2014) 5089 final vastgesteld, tot oplegging van een geldboete voor het uitvoeren van een concentratie in strijd met artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (Zaak COMP/M.7184 – Marine Harvest/Morpol) (hierna: „bestreden besluit”).
24 De eerste drie artikelen van het dispositief van het bestreden besluit luiden: „Artikel 1 [Verzoekster] heeft artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 139/2004 geschonden door in de periode van 18 december 2012 tot 30 september 2013 een concentratie met een communautaire dimensie tot stand te brengen voordat die was aangemeld en met de interne markt verenigbaar was verklaard. Artikel 2 Aan [verzoekster] wordt een geldboete van 10000000 EUR opgelegd wegens de in artikel 1 genoemde schending van artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 139/2004. Artikel 3 Aan [verzoekster] wordt een geldboete van 10000000 EUR opgelegd wegens de in artikel 1 genoemde schending van artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 139/2004.”
25 In het bestreden besluit is de Commissie allereerst tot het oordeel gekomen dat verzoekster de facto de uitsluitende zeggenschap over Morpol had verworven met de afronding van de verwerving van december 2012, aangezien verzoekster vrijwel de zekerheid had dat zij een meerderheid tijdens de algemene vergaderingen zou verkrijgen, gelet op de omvang van haar deelneming (48,5 %) en op hoe vaak de andere aandeelhouders op de algemene vergaderingen aanwezig waren in de jaren daarvoor.
26 De Commissie is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de verwerving van december 2012 niet in aanmerking kwam voor de vrijstelling in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 alleen van toepassing was op een openbaar overnamebod of een openbaar bod tot ruil of op transacties waarbij de zeggenschap in de zin van artikel 3 van verordening nr. 139/2004 wordt verworven „van meerdere verkopers” via een reeks transacties met effecten. Volgens de Commissie is de controlerende deelneming van één enkele verkoper verworven, namelijk M. via de tussenkomst van Friendmall en Bazmonta Holding, dankzij de verwerving van december 2012.
27 Volgens de Commissie was het niet de bedoeling dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 zou worden toegepast op situaties waarin een groot volume aandelen van één enkele verkoper wordt gekocht en waarin gemakkelijk aan de hand van de tijdens de voorafgaande gewone en buitengewone algemene vergaderingen uitgebrachte stemmen kan worden vastgesteld dat met dit volume aandelen de facto uitsluitende zeggenschap over de doelvennootschap is verkregen.
28 De Commissie heeft er bovendien op gewezen dat de verwerving van december 2012, die op 18 december 2012 was afgerond, geen onderdeel was van het openbaar overnamebod dat zij tussen 15 januari en 26 februari 2013 heeft gedaan. Zij was van oordeel dat het feit dat de verwerving van december 2012 voor verzoekster de verplichting om een openbaar overnamebod voor de verwerving van de resterende aandelen van Morpol kon doen ingaan, irrelevant was omdat reeds de facto zeggenschap was verkregen via één enkele verkoper.
29 De Commissie was voorts van mening dat de verwijzingen van verzoekster naar juridische bronnen waaruit blijkt dat „meerdere afzonderlijke stappen” als één enkele concentratie zijn beschouwd wanneer die de jure of de facto van elkaar afhankelijk waren, niet op hun plaats leken te zijn. Zij heeft benadrukt dat verzoekster de zeggenschap over Morpol had verworven via alleen de verwerving van 48,5 % van de aandelen van Morpol, en niet via meerdere deeltransacties betreffende aandelenblokken die uiteindelijk één enkele economische entiteit vormden.
30 De Commissie heeft opgemerkt dat volgens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 139/2004 rekening moet worden gehouden met de aard, de zwaarte en de duur van de inbreuk bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete.
31 Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat elke schending van artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 naar zijn aard een zware inbreuk is.
32 In het kader van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat verzoekster de inbreuk volgens haar uit onachtzaamheid had gepleegd, dat de concentratie in kwestie ernstige twijfels over haar verenigbaarheid met de interne markt deed rijzen en het feit dat er precedenten van procedurele inbreuken waren die op verzoekster en andere vennootschappen betrekking hadden.
33 Wat de duur van de inbreuk betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat schending van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 139/2004 eenmalig plaatsvindt en dat die hier op 18 december 2012 had plaatsgevonden, namelijk de datum waarop de concentratie tot stand is gebracht. Zij heeft daarnaast geoordeeld dat schending van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 op continue wijze plaatsvindt en dat die hier van 18 december 2012 tot 30 september 2013 had plaatsgevonden, namelijk van de datum waarop de verwerving van december 2012 tot stand was gekomen tot aan de datum van goedkeuring ervan. Volgens de Commissie was de periode van negen maanden en twaalf dagen bijzonder lang.
34 De Commissie heeft als verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen dat verzoekster haar stemrechten binnen Morpol niet had uitgeoefend en haar gedurende de concentratiecontroleprocedure als entiteit apart heeft gehouden van verzoekster.
35 Zij heeft ook als verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen dat verzoekster enkele dagen na de afronding van de verwerving van december 2012 een verzoek om aanwijzing van een team had ingediend.
36 De Commissie heeft daarentegen geen verzwarende omstandigheden in aanmerking genomen.
37 De Commissie is tot het oordeel gekomen dat het bedrag van de geldboete in het geval van een onderneming met een omvang als die van verzoekster, aanzienlijk moet zijn, wil het afschrikkend zijn. Dat is temeer het geval daar de concentratie in kwestie ernstige twijfels over haar verenigbaarheid met de interne markt deed rijzen.
II. Procedure en conclusies van partijen
38 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 oktober 2014, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
39 Bij afzonderlijke akte, die op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht is neergelegd, heeft verzoekster het Gerecht verzocht om overeenkomstig artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 uitspraak te doen volgens een versnelde procedure. Bij brief van 17 oktober 2014 heeft de Commissie haar opmerkingen over dat verzoek ingediend. Bij beslissing van 23 oktober 2014 heeft het Gerecht het verzoek om versnelde behandeling afgewezen.
40 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als voorzien in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht schriftelijk vragen gesteld aan de partijen en hun verzocht, bepaalde stukken over te leggen. Partijen hebben op de schriftelijk gestelde vragen geantwoord en de Commissie heeft de gevraagde stukken overgelegd.
41 Verzoekster concludeert tot: – nietigverklaring van het bestreden besluit; – subsidiair, nietigverklaring van de bij het bestreden besluit aan verzoekster opgelegde geldboeten; – meer subsidiair, substantiële verlaging van de bij het bestreden besluit aan verzoekster opgelegde geldboeten; – in elk geval verwijzing van de Commissie in de kosten; – vaststelling van elke andere maatregel die het Gerecht passend acht.
42 De Commissie concludeert tot: – verwerping van het beroep in zijn geheel; – verwijzing van verzoekster in de kosten.
III. In rechte
43 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. Het eerste middel betreft kennelijke schending van het recht en de feiten doordat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 niet-toepasselijk is geacht in het bestreden besluit. Het tweede middel is ontleend aan kennelijke schending van het recht en de feiten doordat in het bestreden besluit de conclusie is getrokken dat verzoekster onachtzaam is geweest. Met het derde middel wordt schending van het algemene beginsel ne bis in idem gesteld. Het vierde middel betreft kennelijke schending van het recht en de feiten doordat verzoekster geldboeten zijn opgelegd. Tot slot is het vijfde middel ontleend aan kennelijke schending van het recht en de feiten en het ontbreken van een motivering wat de vaststelling van de hoogte van de geldboeten betreft.
A. Eerste middel: kennelijke schending van het recht en de feiten doordat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 niet-toepasselijk is geacht in het bestreden besluit
44 Het eerste middel bestaat uit vier onderdelen. Het eerste is eraan ontleend dat het bestreden besluit rechtens en feitelijk onjuist is doordat de Commissie daarin het begrip één enkele concentratie niet heeft willen aanvaarden in het kader van de door haar gegeven uitlegging aan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Het tweede onderdeel betreft een onjuiste uitlegging, rechtens en feitelijk, van de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Het derde onderdeel ziet op een onjuiste uitlegging van de ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Tot slot wordt met het vierde onderdeel gesteld dat verzoekster zich aan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 heeft gehouden.
45 In de onderhavige zaak moeten de eerste drie onderdelen van het eerste middel tezamen worden onderzocht omdat die alle betrekking hebben op de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004.
1. Eerste drie onderdelen van het eerste middel
a) Opmerkingen vooraf
46 Allereest dient eraan te worden herinnerd dat in artikel 14, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 139/2004 in het volgende is voorzien: „De Commissie kan aan de in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde personen of aan de betrokken ondernemingen bij beschikking geldboeten van ten hoogste 10 % van de totale omzet van de betrokken onderneming, zoals bedoeld in artikel 5, opleggen, indien zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) nalaten een concentratie overeenkomstig artikel 4 of artikel 22, lid 3, vóór de totstandkoming ervan aan te melden, tenzij zij daartoe uitdrukkelijk zijn gemachtigd krachtens artikel 7, lid 2, dan wel bij een overeenkomstig artikel 7, lid 3, gegeven beschikking; b) een concentratie tot stand brengen zonder inachtneming van artikel 7.”
47 Volgens artikel 4, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 139/2004 „[moeten c]oncentraties met een communautaire dimensie in de zin van deze verordening [...] bij de Commissie worden aangemeld vóór de totstandbrenging ervan en na de sluiting van de overeenkomst, de aankondiging van het openbare overnamebod of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming”.
48 Volgens artikel 7, lid 1, van diezelfde verordening „[mag e]en concentratie met een communautaire dimensie [...] niet tot stand worden gebracht zolang zij niet is aangemeld en met de [interne] markt verenigbaar is verklaard bij een krachtens artikel 6, lid 1, onder b), of artikel 8, lid 1 of lid 2, gegeven beschikking, dan wel mag worden geacht verenigbaar te zijn verklaard overeenkomstig artikel 10, lid 6”.
49 Voorts luidt artikel 3, lid 1, van verordening nr. 139/2004: „1. Een concentratie komt tot stand indien er een duurzame wijziging van zeggenschap voortvloeit uit: [...] b) het verkrijgen, door één of meer personen die reeds zeggenschap over ten minste één onderneming bezitten, of door één of meer ondernemingen, van zeggenschap – door de verwerving van participaties in het kapitaal of vermogensbestanddelen, bij overeenkomst of op elke andere wijze –, rechtstreeks of middellijk, over één of meer andere ondernemingen of delen daarvan.”
50 Tot slot is in artikel 3, lid 2, van verordening nr. 139/2004 bepaald dat „de zeggenschap [berust] op rechten, overeenkomsten of andere middelen die, afzonderlijk of gezamenlijk, met inachtneming van alle feitelijke en juridische omstandigheden, het mogelijk maken een bepalende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming”.
51 In de onderhavige zaak moet meteen al worden vastgesteld dat verzoekster dankzij de verwerving van december 2012 een belang in Morpol heeft verkregen dat ongeveer 48,5 % van het maatschappelijk kapitaal van Morpol bedroeg.
52 Zoals de Commissie heeft geconstateerd in overweging 55 van het bestreden besluit, zonder op dit punt door verzoekster te zijn weersproken, was Morpol ten tijde van de verwerving van december 2012 een Noorse naamloze vennootschap. De stemrechten werden daarom toegekend volgens het beginsel „één aandeel geeft recht op één stem”. Een gewone meerderheid van de op de algemene vergaderingen aanwezige en stemmende aandelen volstond dus om een voorstel aan te nemen, behalve voor enkele verrichtingen waarvoor een tweederdemeerderheid was vereist.
53 De Commissie heeft er daarnaast in overweging 57 van het bestreden besluit terecht op gewezen dat een minderheidsaandeelhouder onder meer kan worden geacht de facto uitsluitende zeggenschap te hebben wanneer die vrijwel de zekerheid heeft dat hij op de algemene vergaderingen een meerderheid kan verkrijgen, gelet op de omvang van zijn deelneming en op hoe vaak hij heeft deelgenomen aan en de andere aandeelhouders aanwezig waren op de algemene vergaderingen in de voorbije jaren (zie in die zin arrest van 12 december 2012, Electrabel/Commissie, T‑332/09, EU:T:2012:672, punten 45‑48).
54 Vervolgens heeft de Commissie erop gewezen dat M. (via Friendmall en Bazmonta Holding) steeds een duidelijke meerderheid van de uitgebrachte stemmen heeft vertegenwoordigd tijdens de algemene vergaderingen en dat de rest van het kapitaal sterk versnipperd was, wat inhield dat de overige aandeelhouders niet in staat zouden zijn geweest om een blokkerende minderheid te vormen om de beslissingsmacht van M. te beteugelen, met name gezien het kleine aandeel van hen dat aan de algemene vergaderingen deelnam.
55 De Commissie is dan ook tot de conclusie gekomen, zonder dat verzoekster die heeft bestreden, dat M. vóór de verwerving van december 2012 de facto uitsluitende zeggenschap over Morpol had via zijn belangen in Friendmall en Bazmonta Holding.
56 Tot slot heeft de Commissie terecht beslist dat de verwerving van december 2012 aan verzoekster dezelfde rechten en dezelfde mogelijkheden verschafte om beslissende invloed op Morpol uit te oefenen als die waarover M. voorheen beschikte via Friendmall en Bazmonta Holding.
57 Uit een en ander volgt dat de Commissie in overweging 68 van het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat verzoekster na de afronding van de verwerving van december 2012 de zeggenschap over Morpol had verworven.
58 Verzoekster benadrukt meerdere malen, zij het in andere contexten, dat zij de stemrechten niet heeft uitgeoefend voordat de concentratie door de Commissie was goedgekeurd. In dat verband moet worden vastgesteld dat de zeggenschap volgens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 139/2004 berust op onder meer de rechten die het „mogelijk” maken een beslissende invloed uit te oefenen op de activiteiten van een onderneming. Het doorslaggevende feit is dus de verwerving van de zeggenschap in formele zin en niet de daadwerkelijke uitoefening van die zeggenschap (zie naar analogie arrest van 12 december 2012, Electrabel/Commissie, T‑332/09, EU:T:2012:672, punt 189). Aan het feit dat het bezit van de stemrechten verzoekster de facto de zeggenschap over Morpol verleenden, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat verzoekster haar stemrechten niet heeft uitgeoefend voor de goedkeuring van de concentratie.
59 Zoals de Commissie heeft opgemerkt in de overwegingen 72 en 73 van het bestreden besluit, lijkt in sommige artikelen van de SPA besloten te liggen dat verzoekster haar stemrechten in Morpol pas zou uitoefenen nadat zij goedkeuring van de mededingingsautoriteiten had verkregen. De SPA bevat echter geen bepaling die het verzoekster belet om haar stemrechten in afwachting van de goedkeuring uit te oefenen. Het had verzoekster dus vrijgestaan om op enig moment na de afronding van de verwerving van december 2012 haar stemrechten in Morpol uit te oefenen.
60 Overigens heeft verzoekster in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting bevestigd dat zij niet bestreed dat de verwerving van een deelneming van 48,5 % in Morpol haar de zeggenschap over Morpol had verleend in de zin van verordening nr. 139/2004.
61 Zoals de Commissie heeft opgemerkt in de overwegingen 8, 13 en 66 van het bestreden besluit heeft de afronding van de verwerving van december 2012 plaatsgevonden op 18 december 2012. Verzoekster erkent in punt 13 van het verzoekschrift dat de afronding van de SPA op 18 december 2012 heeft plaatsgevonden en dat de aandelen die M. in Morpol bezat, aan verzoekster zijn overgedragen.
62 Verzoekster bestrijdt niet dat de concentratie in kwestie een concentratie met een communautaire dimensie was.
63 Aangezien verzoekster dankzij de verwerving van december 2012 de zeggenschap over Morpol had verkregen, had zij deze concentratie in beginsel overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004, bij de Commissie moeten aanmelden vóór de totstandbrenging ervan en haar niet tot stand mogen brengen voordat zij door de Commissie met de interne markt verenigbaar was verklaard.
64 Uit het bovenstaande volgt dat de relevante vraag met het oog op het onderzoek van de eerste drie onderdelen van het eerste middel is of de uitzondering in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 in casu toepasselijk was.
b) Toepasselijkheid van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004
65 Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 bepaalt het volgende: „Lid 1 belet niet de tenuitvoerlegging van een openbaar overnamebod of van een reeks transacties met effecten, inclusief effecten converteerbaar in andere effecten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt, zoals een effectenbeurs, en waardoor zeggenschap in de zin van artikel 3 wordt verkregen van meerdere verkopers, mits a) de concentratie overeenkomstig artikel 4 onverwijld bij de Commissie wordt aangemeld en b) de verkrijger de aan de betrokken effecten verbonden stemrechten niet uitoefent dan wel slechts uitoefent om de volle waarde van zijn belegging te handhaven op basis van een door de Commissie overeenkomstig lid 3 verleende ontheffing.”
66 In artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 is dus in twee gevallen voorzien, waarvan het ene verband houdt met een openbaar overnamebod (eerste geval) en het andere met een reeks transacties met effecten (tweede geval).
67 In antwoord op een daarover ter terechtzitting gestelde vraag heeft verzoekster verduidelijkt dat zij haar redenering baseerde op het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
1) Feit dat de concentratie in kwestie niet onder de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 valt
68 Er dient aan te worden herinnerd dat in het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 „lid 1 [...] niet de tenuitvoerlegging van een openbaar overnamebod [belet]”, vooropgesteld dat de concentratie onverwijld wordt aangemeld en de verkrijger zijn stemrechten niet vóór de goedkeuring van de concentratie uitoefent.
69 In deze zaak moet erop wordt gewezen dat de Commissie niet heeft vastgesteld dat verzoekster artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 heeft geschonden door een openbaar overnamebod ten uitvoer te leggen. Zij heeft vastgesteld dat verzoekster artikel 7, lid 1, en artikel 4, lid 1, van verordening nr. 139/2004 heeft geschonden door de verwerving van december 2012. In herinnering zij gebracht dat het openbaar overnamebod op 15 januari 2013 is uitgebracht, na de afronding van de verwerving van december 2012.
70 Het feit dat lid 1 van artikel 7 van verordening nr. 139/2004 volgens lid 2 van dat artikel niet belet dat een openbaar overnamebod ten uitvoer wordt gelegd, is dus in beginsel irrelevant voor de onderhavige zaak.
71 In het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 wordt onder bepaalde voorwaarden toegestaan dat een openbaar bod vóór de aanmelding en goedkeuring daarvan ten uitvoer wordt gelegd, zelfs wanneer dat een concentratie met een communautaire dimensie vormt. Volgens de bewoordingen daarvan mag een particuliere verwerving dus niet op grond van deze bepaling ten uitvoer worden gelegd.
72 Bijgevolg moet worden vastgesteld het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 volgens de bewoordingen daarvan niet van toepassing is in de onderhavige zaak.
73 Hoewel verzoekster ter terechtzitting heeft uiteengezet dat zij zich op het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 baseerde, moet er nog op worden gewezen dat de concentratie in kwestie evenmin onder het tweede geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 valt.
74 Volgens het tweede geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 „[belet l]id 1 niet de tenuitvoerlegging van een reeks transacties met effecten, inclusief effecten converteerbaar in andere effecten, die ter verhandeling worden toegelaten tot een markt, zoals een effectenbeurs, en waardoor zeggenschap in de zin van artikel 3 wordt verkregen van meerdere verkopers”, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
75 Vastgesteld moet worden dat verzoekster de zeggenschap over Morpol in de onderhavige zaak van één enkele verkoper heeft verworven via één enkele transactie met effecten, te weten de verwerving van december 2012, zoals de Commissie heeft opgemerkt in overweging 101 van het bestreden besluit.
76 Aangezien M. destijds Friendmall en Bazmonta Holding controleerde, was hij immers de enige verkoper van de aandelen in Morpol.
77 Verzoekster heeft in dat verband ter terechtzitting te kennen gegeven dat de Commissie in haar beschikking van 26 februari 2007 (zaak LGI/Telenet – COMP/M.4521) (hierna: „LGI/Telenet-beschikking”), niet de vraag had gesteld wie de entiteiten die de aandelen van de vennootschap Telenet hadden verkocht, uiteindelijk controleerde. Volgens verzoekster werden die entiteiten, namelijk intercommunales, uiteindelijk gecontroleerd door het Vlaamse Gewest. Verzoekster heeft benadrukt dat de Commissie zich in de onderhavige zaak heeft gebaseerd op de omstandigheid dat Friendmall en Bazmonta Holding alle twee door M. werden gecontroleerd, zodat verzoekster de zeggenschap volgens de Commissie niet van meerdere verkopers had verworven. Diezelfde vraag heeft zij echter niet gesteld in de zaak die heeft geleid tot de LGI/Telenet-beschikking.
78 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat het Gerecht niet gebonden is aan de beslissingspraktijk van de Commissie. In de tweede plaats blijkt uit de tabel inzake de deelname aan de algemene vergaderingen van aandeelhouders in overweging 59 van het bestreden besluit, dat alleen al Friendmall tijdens al deze algemene vergaderingen een duidelijke meerderheid van de stemmen hield. Verzoekster heeft de uitsluitende zeggenschap over Morpol dus de facto verkregen door de verwerving van alleen al de aandelen die Friendmall in handen had. Zoals de Commissie bovendien heeft geconstateerd in overweging 63 van het bestreden besluit, heeft verzoekster in antwoord op een inlichtingenverzoek van de Commissie van 12 februari 2013 erkend dat Morpol onder de uitsluitende zeggenschap van Friendmall was komen te staan, gelet op de aandelen die zij tijdens de jaarlijkse en buitengewone algemene vergaderingen vertegenwoordigde. Het is dus niet nodig om in dit kader de aan de LGI/Telenet-beschikking ten grondslag liggende feiten in detail te bestuderen (zie punt 77 hierboven).
79 Zoals de Commissie heeft vastgesteld in overweging 66 van het bestreden besluit, is de verwerving van december 2012 afgerond op 18 december 2012.
80 Het openbaar overnamebod is pas op 15 januari 2013 uitgebracht, dus een datum waarop verzoekster reeds de uitsluitende zeggenschap over Morpol had.
81 Hoewel het juist is dat de verwerving door verzoekster van Morpol in haar geheel in meerdere stappen heeft plaatsgevonden en via meerdere verkopers, heeft de verwerving van de zeggenschap via één enkele transactie met één enkele koper plaatsgevonden. De zeggenschap is dus niet van meerdere verkopers verkregen en ook niet via een reeks transacties.
82 Hieruit volgt dat het tweede geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 volgens de bewoordingen ervan evenmin van toepassing is.
83 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verwerving van december 2012 volgens de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 niet onder die bepaling valt.
84 De redenering van verzoekster is erop gebaseerd dat sprake is van één enkele concentratie, in die zin dat de verwerving van december 2012 en het latere openbare overnamebod een eenheid vormen. Bijgevolg moet de gegrondheid van dat betoog worden onderzocht.
2) Verzoeksters betoog inzake het vermeende bestaan van één enkele concentratie
i) Opmerkingen vooraf
85 Verzoekster geeft te kennen dat in het bestreden besluit wordt voorbijgegaan aan de wezenlijke juridische band en de onderlinge afhankelijkheid tussen de verwerving van december 2012 en het openbaar bod. Volgens verzoekster wordt in het bestreden besluit een redenering gevolgd die in tegenstrijd is met verordening nr. 139/2004, de rechtspraak van het Gerecht, de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties op grond van verordening nr. 139/2004 (PB 2008, C 95, blz. 1; hierna: „geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties”), de beslissingspraktijk van de Commissie en de praktijk in de lidstaten.
86 Volgens verzoekster had de Commissie tot de conclusie moeten komen dat de verwerving van december 2012 en het latere openbaar overnamebod etappes van één enkele concentratie waren.
87 In dat kader moet eraan worden herinnerd dat verzoekster ter terechtzitting heeft verduidelijkt dat zij haar redenering baseerde op het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Daaruit volgt dat verzoekster in wezen aanvoert dat de verwerving van december 2012, hoewel die dateert van vóór het uitbrengen van het openbaar overnamebod, deel daarvan uitmaakte, zodat de Commissie volgens verzoekster in wezen een inbreuk bestaande in de tenuitvoerlegging van een openbaar overnamebod heeft vastgesteld, en dat terwijl uit het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 volgt dat artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 niet aan die tenuitvoerlegging in de weg stond.
88 Onderzocht moet worden of de verwerving van december 2012 en het openbaar overnamebod als één enkele concentratie kunnen worden beschouwd of niet.
89 Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat het begrip „één concentratie” niet voorkwam in verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1989, L 395, blz. 1), de voorganger van verordening nr. 139/2004.
90 De Commissie heeft zich in meerdere besluiten gebaseerd op het concept van „één concentratie” en het Gerecht heeft dit concept bekrachtigd in met name het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64).
91 Wat verordening nr. 139/2004 betreft, moet worden vastgesteld dat het begrip „één concentratie” alleen voorkomt in overweging 20, en niet in de artikelen van die verordening.
92 De derde volzin van overweging 20 van verordening nr. 139/2004 is als volgt verwoord: „Bovendien is het wenselijk om transacties die nauw verweven zijn, in die zin dat zij van elkaar afhangen of de vorm aannemen van een reeks effectentransacties die binnen een redelijk korte tijdspanne plaatsvinden, als één concentratie te behandelen.”
93 In de praktijk heeft de Commissie zich in twee gevallen op het concept van één concentratie gebaseerd.
94 Wat dat aangaat, is in punt 44 van de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties het volgende vermeld: „Het beginsel dat verschillende transacties onder deze voorwaarden als één enkele concentratie kunnen worden behandeld, geldt slechts indien het resultaat erin bestaat dat dezelfde perso(o)n(en) of onderneming(en) zeggenschap verkrijgen over één of meer ondernemingen. Dit is ten eerste het geval indien een bedrijf of onderneming via verschillende juridische transacties wordt verworven. Ten tweede kan ook de verkrijging van zeggenschap over verschillende ondernemingen – wat even zovele concentraties kan vormen – zodanig verbonden zijn dat er sprake is van één enkele concentratie.”
95 Er bestaan dus twee hypothesen, namelijk ten eerste de verwerving van een afzonderlijke activiteit of onderneming via verschillende juridische transacties en ten tweede de verwerving van zeggenschap over meerdere ondernemingen, wat even zovele afzonderlijke concentraties kan vormen.
96 Voorts worden in de derde volzin van overweging 20 van verordening nr. 139/2004 twee mogelijkheden vermeld om aan te tonen dat sprake is van één concentratie. De transacties moeten nauw met elkaar verweven zijn, die zin dat zij van elkaar afhangen, of de vorm aannemen van een reeks effectentransacties die binnen een redelijk korte tijdspanne plaatsvinden.
97 In antwoord op een daarover ter terechtzitting gestelde vraag heeft verzoekster bevestigd dat zij zich baseerde op de eerste mogelijkheid die in de derde volzin van overweging 20 van verordening nr. 139/2004 is genoemd, die met betrekking tot transacties die onderling van elkaar afhangen, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
98 Onderzocht moet dus worden of in casu het bestaan van één concentratie kan worden aangetoond op basis van de eerste mogelijkheid die is vermeld in de derde volzin van overweging 20 van verordening nr. 139/2004.
99 De concentratie die in de onderhavige zaak aan de orde is, valt duidelijk niet onder de tweede hypothese die hierboven in punt 95 is omschreven, namelijk de verkrijging van zeggenschap over meerdere ondernemingen.
100 Bijgevolg moet worden onderzocht of de concentratie in kwestie valt onder de eerste hypothese die hierboven in punt 95 is omschreven, namelijk die van de verwerving van een afzonderlijke onderneming via meerdere juridische transacties.
101 Verzoekster meent dat meerdere transacties één concentratie vormen wanneer die transacties onderling van elkaar afhangen, zodanig dat de ene niet zonder de andere tot stand kan worden gebracht. Zij stelt zich in wezen op het standpunt dat het feit dat er tussen meerdere transacties een voorwaardelijk verband bestaat, volstaat voor het oordeel dat zij deel uitmaken van één concentratie. Zo wijst zij erop dat de Commissie ervan had moeten uitgaan dat de verwerving van december 2012 en het openbaar bod zowel de jure als de facto een „eenheid” vormden, zodat zij tezamen hadden moeten worden onderzocht en beoordeeld, als bestanddelen van één concentratie.
102 De Commissie heeft er daarentegen in overweging 105 van het bestreden besluit op gewezen dat zij „het van geen belang [achtte] dat [verzoekster] de verwerving van december 2012 en de daarop volgende stappen in haar overname van Morpol [had] opgevat als economisch deel van dezelfde transactie”. Daarnaast heeft de Commissie in overweging 113 van het bestreden besluit opgemerkt dat „de verwijzingen van [verzoekster] naar juridische bronnen waaruit blijkt dat ‚meerdere afzonderlijke stappen’ als één enkele concentratie zijn beschouwd wanneer die feitelijk of juridisch van elkaar afhankelijk waren, niet op hun plaats [leken] te zijn”, hetgeen zij in detail heeft toegelicht in de overwegingen 114 tot en met 117 van het bestreden besluit. De Commissie heeft zich in het bestreden besluit niet uitgesproken over de vraag of de verwerving van december 2012 en het latere openbaar overnamebod de jure of de facto van elkaar afhingen.
103 Bijgevolg moet worden onderzocht of in het kader van de eerste hypothese, namelijk die van de verwerving van een afzonderlijke onderneming via meerdere juridische transactie, de omstandigheid dat feitelijk of rechtens sprake is van onderlinge afhankelijkheid volstaat voor de vaststelling dat sprake is van één concentratie, en dit zelfs wanneer de zeggenschap over de doelonderneming wordt verkregen via één enkele particuliere transactie voorafgaand aan het uitbrengen van een openbaar overnamebod.
104 In dat kader moet eerst worden ingegaan op verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties, ten tweede op verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met de rechtspraak van het Gerecht en de beslissingspraktijk van de Commissie, ten derde op verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met overweging 20 van verordening nr. 139/2004, ten vierde op verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met de praktijk in de lidstaten en ten vijfde op verzoeksters argumenten dat de Commissie de ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 verkeerd heeft uitgelegd.
ii) Verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met de geconsolideerde mededeling over bevoegdheidskwesties
105 Verzoekster meent dat het standpunt dat de Commissie in het bestreden besluit heeft ingenomen, in tegenstrijd is met de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties. Verzoekster stelt dat in punt 43 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties is uiteengezet dat „twee of meerdere transacties één concentratie vormen indien zij juridisch gezien verband houden, dat wil zeggen dat de overeenkomsten zelf verband houden door „wederzijdse voorwaarden”, of feitelijk [...]”.
106 Dit argument van verzoekster berust echter op een onjuiste lezing van punt 43 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties. Dit punt is als volgt verwoord: „De vereiste onderlinge afhankelijkheid impliceert dat geen van de transacties zou worden gesloten zonder dat de andere transacties worden gesloten, en dat zij derhalve één enkele verrichting vormen. Deze onderlinge afhankelijkheid komt normaal gesproken vast te staan indien de transacties juridisch gezien verband houden, dat wil zeggen dat de overeenkomsten zelf verband houden door wederzijdse voorwaarden. Indien de transacties feitelijk van elkaar afhangen en dit naar behoren kan worden aangetoond, volstaat dit om de transacties als één enkele concentratie te behandelen. Dit vereist een economische beoordeling van de vraag of elk van de transacties noodzakelijkerwijs afhangt van de sluiting van de andere transacties. Verdere aanwijzingen van de onderlinge samenhang van verschillende transacties kunnen de verklaringen van de partijen zelf zijn of de gelijktijdige sluiting van de relevante overeenkomsten. Het zal moeilijk zijn om te concluderen dat verschillende transacties feitelijk van elkaar afhangen, indien deze transacties niet gelijktijdig hebben plaatsgevonden. Indien transacties die juridisch gezien van elkaar afhangen echter zeer duidelijk niet gelijktijdig plaatsvinden, kan hun werkelijke onderlinge samenhang in twijfel worden getrokken.”
107 Wat het begrip „één concentratie” betreft, bevat dit punt slechts de vaststelling dat het feit dat transacties feitelijk van elkaar afhangen „kan” volstaan om de transactie als één concentratie te kunnen beschouwen. Uit die formulering volgt niet dat onderlinge afhankelijkheid altijd volstaat om meerdere transacties als één concentratie te beschouwen.
108 Er dient op te worden gewezen dat de eerste volzin van punt 45 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties als volgt is geformuleerd: „Er kan derhalve sprake zijn van één enkele concentratie indien de zeggenschap over één enkel bedrijf, dat wil zeggen één enkele economische eenheid, door dezelfde koper(s) wordt verkregen via verschillende juridische transacties die van elkaar afhangen.” (cursivering toegevoegd)
109 Zoals het opschrift ervan al duidelijk maakt, heeft dit punt betrekking op de „verkrijging van één enkel bedrijf” (dat wil zeggen de eerste hypothese die hierboven in punt 95 is omschreven). Volgens punt 45 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties is het voor het bestaan van één enkele concentratie in de eerste hypothese noodzakelijk dat de zeggenschap via meerdere juridische transacties wordt verkregen. In de onderhavige zaak is de zeggenschap echter via alleen de verwerving van december 2012 is verkregen, die is afgerond vóór het uitbrengen van het openbaar overnamebod voor de resterende aandelen van Morpol.
110 Verzoekster roept daarnaast punt 40 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties in, waarin in de eerste volzin is uiteengezet dat „transacties die samenhangen op grond van de economische doelstellingen die de partijen willen bereiken, uit hoofde van de [...]verordening [nr. 139/2004] ook in één procedure moeten worden geanalyseerd”. Er dient evenwel op te worden gewezen dat in de tweede volzin van punt 40 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties is verduidelijkt dat „[i]n die omstandigheden [...] de wijziging in de structuur van de markt immers door deze transacties samen teweeg [wordt] gebracht”. Punt 40 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties heeft dus betrekking op situaties waarin de wijziging in de structuur van de markt teweeg wordt gebracht door een geheel van transacties, en niet situaties waarin de wijziging in de structuur van de markt, namelijk de verwerving van zeggenschap over een afzonderlijke doelonderneming, via één enkele transactie plaatsvindt.
111 Wanneer de zeggenschap over één enkele onderneming via meerdere transacties wordt verkregen, kunnen deze transacties volgens de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties onder bepaalde voorwaarden als één enkele concentratie worden beschouwd. De verkrijging van zeggenschap via meerdere transacties is volgens de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties dus een voorwaarde om het concept van één concentratie te kunnen toepassen in de eerste hypothese die hierboven in punt 95 is omschreven, namelijk die van de verwerving van een afzonderlijke activiteit of onderneming via meerdere juridische transacties.
112 Verzoekster geeft in wezen te kennen dat de verwerving van december 2012 en het latere openbaar overnamebod één concentratie vormen omdat zij van elkaar afhangen, en leidt daar dan uit af dat zij de zeggenschap over Morpol via meerdere transacties heeft verworven.
113 De verwerving van zeggenschap over een afzonderlijke onderneming via meerdere transacties is volgens de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties echter een voorwaarde om meerdere transacties als één concentratie te kunnen beschouwen, en niet een gevolg van het feit dat deze transacties één concentratie vormen.
114 Aan die voorwaarde is in casu niet voldaan, aangezien de zeggenschap over Morpol niet via meerdere transacties is verkregen.
115 Ter terechtzitting heeft verzoekster ook punt 38 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties ingeroepen. Zij heeft benadrukt dat uit dit punt volgt dat bij de beoordeling van de vraag of meerdere transacties één concentratie vormen, de beslissende vraag is of het „eindresultaat” één concentratie is. Volgens verzoekster moet het „eindresultaat” worden gezien als de verwerving van 100 % van de aandelen van Morpol, zoals van het begin af aan verzoeksters intentie is geweest.
116 In dat verband moet worden benadrukt dat punt 38 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties in essentie een samenvatting is van de punten 104 tot en met 109 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), waarnaar wordt verwezen naar voetnoot 43 van die mededeling. Zoals volgt uit punt 128 hieronder, blijkt uit punt 104 van dat arrest dat de relevante vraag niet die naar het tijdstip van de verkrijging van alle aandelen van de doelonderneming is, maar die naar het tijdstip van de verkrijging van de zeggenschap. Punt 38 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat wanneer een onderneming van het begin af aan de intentie heeft om alle aandelen van de doelonderneming te verwerven, het „eindresultaat” dan moet worden gedefinieerd aan de hand van de verwerving van alle aandelen en niet aan de hand van de verwerving van de zeggenschap.
117 In de eerste volzin van punt 38 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties, evenals in punt 104 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), wordt juist duidelijk verwezen naar de definitie van een concentratie in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 139/2004, waarbij het resultaat „de verwerving van zeggenschap” over een of meerdere ondernemingen is. Volgens de derde volzin van punt 38 van de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties „moet derhalve worden nagegaan of het resultaat erin bestaat dat één of meer ondernemingen rechtstreeks of middellijk economische zeggenschap verkrijgen over de activiteiten van één of meer andere ondernemingen”, Die zin bevestigt dat het „resultaat” moet worden gedefinieerd aan de hand van de verkrijging van de zeggenschap over de doelonderneming.
118 Dat resultaat, namelijk de verwerving van de zeggenschap, is in de onderhavige zaak verkregen door alleen de verwerving van december 2012.
119 Anders dan verzoekster stelt, is het bestreden besluit dus in overeenstemming met de geconsolideerde mededeling inzake bevoegdheidskwesties.
iii) Verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met de rechtspraak van het Gerecht en de beslissingspraktijk van de Commissie
120 Verzoekster stelt daarnaast dat de redenering van de Commissie in het bestreden besluit in tegenstrijd is met de rechtspraak van het Gerecht en de beslissingspraktijk van de Commissie.
121 Wat dat betreft, moet op het volgende worden gewezen.
122 Verzoekster baseert zich in de eerste plaats op het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64).
123 In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, rees de vraag of meerdere groepen van transacties meerdere concentraties of één enkele concentratie vormden (arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie, T‑282/02, EU:T:2006:64, punten 8, 45 en 91). Deze zaak valt dus onder de tweede hypothese zoals omschreven in punt 95 hierboven, namelijk die van de verkrijging van de zeggenschap over meerdere ondernemingen, wat afzonderlijke concentraties kan vormen. Er dient aan te worden herinnerd dat de onderhavige zaak niet onder die tweede hypothese valt (zie punt 99 hierboven).
124 Het Gerecht heeft vastgesteld dat het aan de Commissie was om te beoordelen of meerdere transacties „een eenheid vorm[d]en zodat ze een enkele concentratie in de zin van artikel 3 van verordening nr. 4064/89 opleveren” (arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie, T‑282/02, EU:T:2006:64, punt 105). Voorts heeft het erop gewezen dat „om te bepalen of de betrokken transacties een eenheid vorm[d]en, [...] in elk concreet geval [moest] worden nagegaan of deze transacties onderling samenh[i]ngen, zodat de ene niet zonder de andere tot stand zou zijn gekomen” (arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie, T‑282/02, EU:T:2006:64, punt 107).
125 Verzoekster baseert zich op punt 107 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), en stelt dat daaruit volgt dat meerdere juridisch onderscheiden transacties een eenheid vormen en dus één concentratie op grond van verordening nr. 139/2004 indien „die transacties onderling samenhangen, zodat de ene niet zonder de andere tot stand zou zijn gekomen”.
126 Uit het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), kan echter niet worden afgeleid dat telkens wanneer meerdere transacties onderling samenhangen, zij noodzakelijkerwijs één concentratie vormen.
127 Er dient op te worden gewezen dat het Gerecht in punt 104 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), het volgende heeft vastgesteld: „Deze algemene en op het doel – namelijk zeggenschap verkrijgen over een of meer ondernemingen – gerichte definitie van een concentratie impliceert dat het van geen belang is of de zeggenschap rechtstreeks of middellijk, in een, twee of meer stappen en in een, twee of meer transacties is verkregen, voor zover dit een enkele concentratie als resultaat oplevert.” (cursivering toegevoegd)
128 Het door verzoekster ter terechtzitting aangevoerde argument dat uit punt 104 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), volgt dat de relevante vraag die is of de zeggenschap is verworven na een reeks transacties, waarbij het weinig uitmaakt op welk tijdstip de zeggenschap is verkregen, moet worden verworpen. In dat verband moet worden benadrukt dat punt 104 van dat arrest geen vermelding bevat van de verkrijging van de doelonderneming die in een of meerdere stappen kan plaatsvinden, maar de verkrijging van de zeggenschap die in een of meerdere stappen kan plaatsvinden. De relevante vraag is dus niet die naar het tijdstip waarop alle aandelen van een doelonderneming zijn verkregen, maar het tijdstip waarop de zeggenschap is verkregen. Er dient op te worden gewezen dat wanneer de facto uitsluitende zeggenschap over de enige doelonderneming wordt verkregen via één enkele eerste transactie, de latere transacties waarmee de verwerver aanvullende aandelen in die onderneming verkrijgt, niet langer relevant zijn voor de verwerving van de zeggenschap en dus voor de totstandbrenging van de concentratie.
129 In punt 108 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), heeft het Gerecht vastgesteld dat met de benaderingswijze die inhoudt dat wordt nagegaan of de transacties onderling samenhingen, werd beoogd „aan de ondernemingen die een concentratie aanmeld[d]en, rechtszekerheid te waarborgen voor alle transacties die deze concentratie tot stand [brachten]”.
130 In de onderhavige zaak is er geen geheel van transacties „die [de] concentratie tot stand brengen”, aangezien de concentratie met de enkele verwerving van december 2012 tot stand is gebracht.
131 Tot slot heeft het Gerecht er in punt 109 van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), op gewezen dat „zelfs dan sprake kan zijn van een concentratie [...] wanneer verschillende juridische transacties [waren] gesloten die formeel losst[onden] van elkaar, voor zover deze transacties onderling samenh[i]ngen, zodat de ene transactie niet zonder de andere tot stand k[o]n komen, en een of meer ondernemingen daardoor rechtstreeks of middellijk de economische zeggenschap over de activiteiten van een of meer andere ondernemingen verkr[e]gen”. (cursivering toegevoegd)
132 In dit punt van het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), wordt bevestigd dat het resultaat van „meerdere juridische transacties die formeel losstaan van elkaar” moet zijn dat economische zeggenschap over de activiteiten van een of meer ondernemingen wordt verkregen. In de onderhavige zaak is de verwerving van de zeggenschap het resultaat van één enkele transactie, namelijk de verwerving van december 2012, en niet verschillende transacties.
133 Uit een en ander volgt dat uit het arrest van 23 februari 2006, Cementbouw Handel & Industrie/Commissie (T‑282/02, EU:T:2006:64), niet kan worden afgeleid dat in een situatie waarin de zeggenschap over één enkele doelonderneming is verkregen via één enkele transactie, ervan moet worden uitgegaan dat die transactie deel uitmaakt van één enkele concentratie, wanneer de aandelenkoop die tot de verkrijging van de zeggenschap heeft geleid en het latere openbaar overnamebod onderling samenhangen.
134 In de tweede plaats baseert verzoekster zich op het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281), en de beschikking van de Commissie die aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid. Zij wijst erop dat Ryanair Holdings plc (hierna: „Ryanair”) in die zaak ongeveer 19 % van de aandelen van Aer Lingus Group plc en Aer Lingus Ltd (hierna tezamen: „Aer Lingus”) had verworven en daarna een openbaar overnamebod had uitgebracht, en dat de Commissie, daarin gevolgd door het Gerecht, deze twee transacties als één concentratie had beschouwd. Volgens verzoekster volgt daaruit dat een verwerving van aandelen voorafgaand aan een openbaar bod en het openbaar bod zelf als één concentratie moeten worden beschouwd.
135 Er dient op te worden gewezen dat uit punt 16 van het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281), blijkt dat de Commissie tot het volgende oordeel was gekomen in de beschikking waarbij de voorgenomen concentratie met de interne markt onverenigbaar was verklaard: „Daar Ryanair de eerste 19 % van het aandelenkapitaal van Aer Lingus minder dan tien dagen vóór het uitbrengen van het openbare overnamebod heeft verkregen en nog eens 6 % onmiddellijk daarna, en gelet op de toelichting van Ryanair bij het economische doel dat zij ten tijde van de transacties nastreefde, wordt de gehele transactie, bestaande in de verwerving van aandelen vóór en tijdens de looptijd van het openbare overnamebod en in het openbare overnamebod zelf, als één concentratie in de zin van artikel 3 van de concentratieverordening beschouwd.”
136 In die zaak had Ryanair de zeggenschap over Aer Lingus niet verworven via één enkele transactie voorafgaand aan het uitbrengen van het openbaar overnamebod. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, is het de verwerving van de eerste 19 % van het maatschappelijk kapitaal van Aer Lingus in combinatie met de aandelen die Ryanair door middel van het openbaar overnamebod hoopte te verkrijgen, die aan Ryanair de zeggenschap over Aer Lingus hebben toegekend. Ryanair heeft de zeggenschap over Aer Lingus echter nooit verworven, omdat het openbaar bod was verlopen nadat de Commissie had beslist om de procedure van artikel 6, lid 1, onder c), van verordening nr. 139/2004 in te leiden.
137 Bijgevolg kan uit die beschikking van de Commissie niet worden afgeleid dat zij heeft beslist dat de verwerving van een deel van het kapitaal van een onderneming door middel van een particuliere transactie en een openbaar bod voor de verwerving van de resterende aandelen, altijd als één concentratie moeten worden beschouwd, ook wanneer de verwerving van het deel van het kapitaal door middel van een particuliere transactie de koper uitsluitende zeggenschap over de doelonderneming heeft toegekend vóór het uitbrengen van het openbaar overnamebod.
138 In het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281), heeft het Gerecht zich evenmin uitgesproken over de vraag of de verwerving van de uitsluitende zeggenschap via één enkele particuliere transactie en een later verplicht openbaar bod als één concentratie moeten worden beschouwd.
139 Verzoekster meent dat wanneer de Commissie de redenering die is gevolgd in overweging 101 van het bestreden besluit, had toegepast op de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281), zij dan geen rekening zou hebben gehouden met de aandelen die Ryanair op grond van een particuliere overeenkomst had verworven vóór het uitbrengen van het openbaar bod, met name omdat dergelijke particuliere acquisities niet tot zeggenschap over de doelonderneming hebben geleid.
140 Dit argument kan niet worden overtuigen. Het is namelijk juist omdat de particuliere acquisitie in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281), niet had geleid tot de verwerving van de zeggenschap over de doelonderneming, dat de zeggenschap, indien die zou zijn verkregen, via meerdere transacties zou zijn verkregen.
141 In de derde plaats baseert verzoekster zich op de LGI/Telenet-beschikking.
142 Die zaak had echter geen betrekking op het geval van een eerste transactie waarmee de koper reeds de zeggenschap over een doelonderneming had verworven, gevolgd door een tweede transactie waarmee diezelfde koper aanvullende aandelen in diezelfde doelonderneming had verworven.
143 In de zaak die heeft geleid tot de LGI/Telenet-beschikking was de eerste transactie de „Telenet-transactie”, waarmee Telenet UPC Belgium heeft verworven. Die eerste transactie hoefde niet te worden aangemeld omdat de drempels niet werden gehaald (zie overweging 6 van de LGI/Telenet-beschikking). De tweede transactie was de „LGE-transactie”, waarmee LGE de uitsluitende zeggenschap over Telenet, met inbegrip van UPC Belgium had verworven (zie overweging 7 van de LGI/Telenet-beschikking). De Commissie was tot de conclusies gekomen dat die transacties, die feitelijk van elkaar afhingen, één concentratie vormden.
144 De feiten die ten grondslag lagen aan de zaak die heeft geleid tot de LGI/Telenet-beschikking verschilden dus volledig van de feiten die aan de onderhavige zaak ten grondslag liggen. Verzoekster kan zich dus niet met vrucht beroepen op het feit dat de Commissie in de zaak die heeft geleid tot de LGI/Telenet-beschikking, tot de conclusie is gekomen dat sprake was van één concentratie, of daar conclusies aan verbinden voor de onderhavige zaak.
145 In de vierde plaats roept verzoekster het besluit van de Commissie van 20 oktober 2011 (zaak COMP/M.6263, Aelia/Aéroports de Paris/JV) in. Verzoekster benadrukt dat de Commissie in die zaak de eerste twee stappen van de transactie als één concentratie had beschouwd.
146 Wat dat aangaat, moet worden vastgesteld dat die zaak geen betrekking had op een situatie waarin de eerste van die transacties volstond om een wijziging van zeggenschap over een doelonderneming teweeg te brengen en de latere transacties alleen inhielden dat aanvullende aandelen in diezelfde doelonderneming werden verworven. Het feit dat de Commissie in die zaak heeft geoordeeld dat de eerste twee transacties één concentratie vormden, betekent dus niet dat zij heeft geoordeeld dat de verkrijging van uitsluitende zeggenschap over een doelonderneming via één aandelenkoop van één verkoper en de latere koop van aanvullende aandelen in de doelonderneming één concentratie konden vormen.
147 Benadrukt moet worden dat verzoekster geen voorbeeld in de beslissingspraktijk van de Commissie of in de rechtspraak van de Unierechters aanwijst waarin zou zijn vastgesteld dat een particuliere acquisitie van één enkele verkoper die op zich al de uitsluitende zeggenschap over een doelonderneming met zich brengt, en een later openbaar bod voor de overname van de resterende aandelen van die doelonderneming, één concentratie vormden. Meer in het algemeen heeft zij geen voorbeeld aangevoerd waarin meerderde transacties betreffende de koop van aandelen van één enkele doelonderneming als één concentratie zijn beschouwd, wanneer de uitsluitende zeggenschap over de doelonderneming is verkregen via de eerste kooptransactie.
iv) Verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met overweging 20 van verordening nr. 139/2004
148 Verzoekster stelt voorts dat de redenering van de Commissie in het bestreden besluit in tegenstrijd is met overweging 20 van verordening nr. 139/2004. Zij benadrukt dat in die overweging is uiteengezet dat „het wenselijk [is] om transacties die nauw verweven zijn, in die zin dat zij van elkaar afhangen of de vorm aannemen van een reeks effectentransacties die binnen een redelijk korte tijdspanne plaatsvinden, als één concentratie te behandelen”. Volgens verzoekster kan in die overweging de bevestiging worden gevonden dat het de bedoeling van de wetgever was dat de Commissie rekening zou houden met het wezenlijke verband tussen de verschillende stappen waaruit een transactie bestaat, in plaats van alleen de formele structuur daarvan.
149 Er dient aan te worden herinnerd dat verzoekster zich baseert op de eerste mogelijkheid die is genoemd in de derde volzin van overweging 20 van verordening nr. 139/2004, inzake transacties die van elkaar afhangen (zie punt 97 hierboven).
150 Vastgesteld moet worden dat alleen de hierboven in punt 148 aangehaalde, zeer korte zin geen uitputtende definitie is van de voorwaarden waaraan twee transacties moeten voldoen om één concentratie te vormen. In dat verband dient erop te worden gewezen dat een overweging van een verordening weliswaar duidelijkheid kan geven over de uitlegging van een rechtsvoorschrift, maar zelf niet zo een voorschrift kan zijn (zie arrest van 11 juni 2009, X, C‑429/07, EU:C:2009:359, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak). De considerans van een Uniehandeling heeft geen bindende kracht (zie arrest van 19 juni 2014, Karen Millen Fashions, C‑345/13, EU:C:2014:2013, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak).
151 Indien de hierboven in punt 148 aangehaald zin zou worden beschouwd als een uitputtende definitie van de voorwaarden waaronder twee transacties één concentratie vormen, dan zou dat bovendien tot gevolg hebben dat alle transacties die van elkaar afhangen of de vorm aannemen van een reeks effectentransacties die binnen een redelijk korte tijdspanne plaatsvinden, als één concentratie zouden moeten worden behandeld, en dit zelfs wanneer die transacties, tezamen genomen, niet volstaan voor de overdracht van de zeggenschap over de doelonderneming, wat geen zin zou hebben.
152 Uit overweging 20 van verordening nr. 139/2004 volgt dat de wetgever het concept van één concentratie heeft willen bekrachtigen. Uit die overweging volgt echter niet dat de wetgever dit concept heeft willen verruimen.
153 Verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met overweging 20 van verordening nr. 139/2004, moeten dus worden afgewezen.
v) Verzoeksters argumenten dat het standpunt van de Commissie in tegenstrijd is met de praktijk in de lidstaten
154 Verzoekster meent dat de redenering van de Commissie in het bestreden besluit in tegenstrijd is met „de praktijk in de lidstaten”. Verzoekster stelt in dat verband dat „in de nationale wetten ook het beginsel tot uitdrukking komt dat een particuliere verwerving van een controlerend belang, gevolgd door een openbaar bod voor de resterende aandelen, als één concentratie moet worden behandeld”.
155 Het enige nationale recht waarnaar verzoekster concreet verwijst is het Franse recht. Zij wijst erop dat uit een brief van de Franse ministre de l’Économie, des Finances et de l’Industrie (minister van Economische Zaken, Financiën en Industrie) van 18 november 2002 aan de raadsman van de vennootschap Atria Capital Partenaires, inzake een concentratie in de sector van de kappersdiensten aan huis (zaak C2002‑39), volgt dat „de verwerving van een zogenoemd ‚controlerend’ belang door middel van een onderhandse overeenkomst, gevold door de verplichting om een [openbaar overnamebod] voor het resterende kapitaal uit te brengen” twee stappen van één en dezelfde concentratie vormden.
156 De Commissie benadrukt in dat verband dat de Franse autoriteiten hier commentaar gaven op de draagwijdte van artikel 6 van décret no 2002‑689, du 30 avril 2002, fixant les conditions d’application du livre IV du code de commerce relatif à la liberté des prix et de la concurrence (JORF van 3 mei 2002, blz. 8055) (wetsbesluit nr. 2002‑689 van 30 april 2002 tot vaststelling van de toepassingsvoorwaarden van boek IV van het wetboek van handelsrecht inzake de vrijheid van prijsvorming en de mededinging; hierna: „wetsbesluit”), dat een materieel veel ruimere draagwijdte heeft dan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004. Het feit dat de Franse autoriteiten zich op het standpunt hebben gesteld dat artikel 6 van het wetsbesluit van toepassing was op een verwerving van aandelen op een gereglementeerde markt overeenkomstig een particuliere overeenkomst die de verplichting deed ingaan om een openbaar bod uit te brengen, geen gevolgen heeft voor de uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004.
157 Verzoekster antwoordt hierop dat de ministre de l’Économie, des Finances et de l’Industrie in zijn brief van 18 november 2002 om te beginnen heeft vastgesteld dat de aanvankelijke verwerving en het verplichte openbaar bod dat daarop is gevolgd, één enkele concentratie vormden, en dat het onderzoek zich pas daarna op de draagwijdte van artikel 6 van het wetsbesluit heeft gericht.
158 Zij geeft daarnaast te kennen dat in de rechtspraak en met name het arrest van 7 november 2013, Romeo (C‑313/12, EU:C:2013:718, punt 22), is uiteengezet dat „de overgenomen bepalingen of begrippen van het Unierecht op uniforme wijze moeten worden uitgelegd wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor situaties die niet binnen de werkingssfeer van de betrokken Uniehandeling vallen, conformeert aan de in deze handeling gekozen oplossingen” en dat de onderliggende reden is „een gelijke behandeling te verzekeren van interne en Unierechtelijke situaties, ongeacht de omstandigheden waaronder de uit het Unierecht overgenomen bepalingen of begrippen toepassing moeten vinden”.
159 In dat verband moet erop worden gewezen dat punt 22 van het arrest van 7 november 2013, Romeo (C‑313/12, EU:C:2013:718), moet worden gelezen in het licht van punt 23 van datzelfde arrest, waaruit volgt „[d]at [dit] het geval [is] wanneer de betrokken Unierechtelijke bepalingen door het nationale recht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt op dergelijke situaties”.
160 Verzoekster voert niets aan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat dit in het onderhavige zaak het geval is. Zij vermeldt in punt 19 van de repliek alleen dat de Franse wetgever en de Franse mededingingsautoriteiten bepaalde inspanningen hebben gedaan om bepaalde begrippen die betrekking hebben op de zeggenschap in het kader van concentraties die in het Franse wetboek van koophandel zijn gebruikt, in lijn te brengen met de begrippen die in verordening nr. 139/2004 en in de verschillende door de Commissie gepubliceerde mededelingen worden gebruikt. Dergelijke inspanningen impliceren niet dat bepalingen van Unierecht op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk zijn gemaakt.
161 In elk geval kan het nationale recht of de beslissingspraktijk van een lidstaat de Commissie of de Unierechters niet binden. Volgens de rechtspraak worden de begrippen van de rechtsorde van de Unie namelijk principieel niet aan de hand van een of meer nationale rechtsstelsels gedefinieerd, tenzij zulks uitdrukkelijk is bepaald (zie arrest van 22 mei 2003, Commissie/Duitsland, C‑103/01, EU:C:2003:301, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).
162 Bovendien moet er in casu op worden gewezen dat het rechtskader zoals dat in Frankrijk bestaat, verschilt van dat in het Unierecht.
163 Artikel 6 van het wetsbesluit is namelijk als volgt verwoord. „Wanneer een concentratie plaatsvindt door de koop of ruil van effecten op een gereglementeerde markt, dan wordt zij daadwerkelijk tot stand gebracht in de zin van artikel L. 430‑4 van het wetboek van koophandel wanneer de aan die effecten verbonden stemrechten worden uitgeoefend. Genoemde effecten mogen ook zonder beslissing van de minister worden overgedragen.”
164 Het Franse recht wijkt op dit punt dus aanzienlijk af van het Unierecht. Volgens het Unierecht volstaat de overdracht van de effecten immers om de concentratie tot stand te brengen (zie punt 58 hierboven), terwijl zij naar Frans recht pas tot stand wordt gebracht op het moment waarop de aan die effecten verbonden stemrechten worden uitgeoefend.
165 Het standpunt dat in de brief van de ministre de l’Économie, des Finances et de l’Industrie français van 18 november 2002 is ingenomen, heeft dus niet tot gevolg dat het, via de toepassing van het concept van één concentratie, wordt toegestaan dat een ondernemer zonder voorafgaande goedkeuring de zeggenschap over een doelonderneming verwerft. Uit die brief volgt namelijk duidelijk dat „de opschorting van de daadwerkelijke totstandbrenging van de transactie in de zin van artikel 6 [...] van toepassing is op zowel de uitoefening van de stemrechten die zijn verbonden aan effecten die buiten de markt om zijn verworven als die van de stemrechten die zijn verbonden aan effecten die voorwerp van een openbaar bod zijn”.
166 In de onderhavige zaak baseert verzoekster zich echter juist op het begrip „één concentratie” om te betogen dat zij de verwerving van december 2012 zonder voorafgaande aanmelding en goedkeuring tot stand mocht brengen.
167 Verzoekster kan de in Frankrijk gevolgde praktijk dus niet met vrucht aanvoeren.
vi) Verzoeksters argumenten dat de Commissie de ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 verkeerd heeft uitgelegd
168 Verzoekster betoogt dat de Commissie in overweging 103 van het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat het niet de bedoeling was dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 werd toegepast in situaties waarin eenvoudig de facto zeggenschap kon worden vastgesteld.
169 In dat verband moet erop worden gewezen dat overweging 103 van het bestreden besluit als volgt is geformuleerd: „Daarentegen is het niet de bedoeling dat artikel 7, lid 2, van verordening [nr. 139/2004] wordt toegepast op situaties waarin een groot volume aandelen van slechts één verkoper wordt gekocht en waarin gemakkelijk aan de hand van de tijdens de voorafgaande gewone en buitengewone algemene vergaderingen uitgebrachte stemmen kan worden vastgesteld dat met dit volume aandelen de facto uitsluitende zeggenschap over de doelvennootschap is verkregen.”
170 De Commissie heeft dus niet verklaard dat het loutere feit dat de verwerving van zeggenschap vrij eenvoudig kan worden vastgesteld, in het algemeen de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 uitsluit. De Commissie heeft zich in overweging 103 van het bestreden besluit tevens gebaseerd op het feit dat de verwerving van een aanzienlijk aandelenpakket waarmee de facto uitsluitende zeggenschap over de doelonderneming is verkregen, met slechts één verkoper had plaatsgevonden.
171 Ook moet worden vastgesteld dat de Commissie er in overweging 102 van het bestreden besluit op heeft gewezen dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 bedoeld was „voor situaties waarin het een uitdaging is om te bepalen welke aandelen of aandelenpakketten die van meerdere voormalige aandeelhouders worden verworven, de koper in een situatie zullen brengen waarin hij de facto zeggenschap over de doelonderneming heeft” en dat dit tot doel had „om in geval van openbare biedingen of sluipende overnames voldoende rechtszekerheid te bieden, om zo de liquiditeit van aandelenmarkten te bewaren en de bieders ertegen te beschermen dat onbedoeld en onvoorzien de standstill-verplichting niet wordt nageleefd”.
172 Daarbij moet echter worden geoordeeld dat de Commissie daarmee niet heeft verklaard dat de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 moest worden beperkt tot situaties waarin het concreet lastig was om vast te stellen welke aandelen die van meerdere voormalige aandeelhouders waren gekocht, de koper in een situatie zouden brengen waarin hij de facto zeggenschap over de doelonderneming had. De Commissie heeft zich in het bestreden besluit niet alleen gebaseerd op de omstandigheid dat het vrij eenvoudig was vast te stellen dat verzoekster met de verwerving van december 2012 de facto uitsluitende zeggenschap over Morpol had verkregen, om de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 uit te sluiten.
173 Verzoekster voert meerdere voorbeelden aan om aan te tonen dat het zelfs in situaties waarin artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 van toepassing is, eenvoudig kan zijn om vast te stellen dat zeggenschap is verworven. Aangezien de Commissie echter in het bestreden besluit niet heeft verklaard dat het loutere feit dat de verwerving van zeggenschap vrij eenvoudig kan worden vastgesteld, de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 uitsluit, kunnen de in dat verband door verzoekster aangevoerde argumenten niet aantonen dat de Commissie in het bestreden besluit een fout heeft begaan.
174 Verzoekster geeft bovendien te kennen dat de werkelijke ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 overeenstemt met wat de Commissie zelf uitdrukkelijk heeft uiteengezet in punt 66 van de toelichting bij haar voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen [COM(2002) 711 definitief] (PB 2003, C 20, blz. 4) (hierna: „voorstel voor een verordening”). Daarin staat te lezen: „Overeenkomstig het Groenboek wordt voorgesteld het toepassingsgebied van de automatische ontheffing van artikel 7, lid 2 (ex artikel 7, lid 3) niet te beperken tot openbare biedingen, doch uit te breiden tot alle acquisities van verschillende verkopers aan de beurs, zoals de zogenaamde ‚[sluipende]’ overnames, en daarmee eventuele rechtsonzekerheid die door artikel 7, lid 1, met betrekking tot dergelijke verwervingen met zich zou kunnen brengen, weg te nemen.”
175 Uit dit voorstel volgt dat de Commissie de suggestie heeft gedaan om de werkingssfeer van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 uit te breiden tot sluipende overnames. In de onderhavige zaak is de overname van Morpol door verzoekster echter niet sluipend geweest. De verwerving van de zeggenschap over Morpol heeft immers niet in verschillende stappen plaatsgevonden. De zeggenschap is juist verkregen via één enkele transactie met één enkele verkoper, die is afgerond vóór het uitbrengen van het openbaar overnamebod voor de resterende aandelen van Morpol.
176 Daarnaast moet eraan worden herinnerd dat verzoekster heeft verduidelijkt dat zij haar redenering baseerde op het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004, namelijk dat in verband met een openbaar overnamebod (zie punten 66 en 67 hierboven). Uit punt 66 van de toelichting bij het voorstel voor een verordening blijkt echter dat de Commissie voorstelde om het tweede geval dat thans is opgenomen in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004, inzake reeksen van transacties met effecten, toe te voegen om eventuele rechtsonzekerheid weg te nemen. Gezien het feit dat de in geding zijnde concentratie volgens verzoekster binnen de werkingssfeer van het eerste geval in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 valt, is niet duidelijk welk argument verzoekster wil ontlenen aan het feit dat de Commissie heeft voorgesteld om het tweede geval toe te voegen om eventuele rechtsonzekerheid weg te nemen.
177 Verzoekster baseert zich ook op punt 134 van het Groenboek inzake de herziening van verordening nr. 4064/89 (COM/2001/0745 definitief) (hierna: „Groenboek”), dat als volgt is verwoord: „‚[Sluipende]’ overnames via de beurs zijn een ander voorbeeld van concentraties die meerdere transacties omvatten. Dergelijke transacties kunnen op verschillende, min of meer geavanceerde wijzen tot uitvoering worden gebracht, gaande van de relatief eenvoudige directe aankoop van aandelen van vorige aandeelhouders tot transactiestructuren waarbij een aantal financiële tussenpersonen betrokken zijn die gebruik maken van een scala financiële instrumenten. [...] In dergelijke gevallen is de veronderstelling dat de concentratie tot stand wordt gebracht via de verwerving van het specifieke aandeel of aandelenblok dat de verwerver (de facto) zeggenschap geeft over de doelonderneming doorgaans onpraktisch en kunstmatig. Vanuit het oogpunt van de betrokken partijen zal het daarentegen doorgaans duidelijk zijn dat een aantal juridisch afzonderlijke verwervingen van rechten uit economisch oogpunt een eenheid vormen en dat het de bedoeling is de zeggenschap over de doelonderneming te verwerven [...]”
178 Wat dat aangaat, moet om te beginnen worden opgemerkt dat een document van het type Groenboek slechts een document is dat bedoeld is om op Europees niveau tot overleg over een bepaald onderwerp te stimuleren.
179 Bovendien moet erop worden gewezen dat uit de eerste volzin van punt 134 van het Groenboek volgt dat dit punt betrekking heeft op sluipende overnames, die een „voorbeeld van concentraties die meerdere transacties omvatten” zijn. Er dient evenwel aan te worden herinnerd dat de concentratie in de onderhavige zaak niet sluipend was en dat de zeggenschap over Morpol is verworven via één enkele transactie en niet via meerdere transacties.
180 Bovendien is „de bedoeling [...] de zeggenschap over de doelonderneming te verwerven” in punt 134 van het Groenboek vermeld in samenhang met „een aantal juridisch afzonderlijke verwervingen van rechten”. In de onderhavige zaak is alleen de verwerving van december 2012 tot stand gebracht met de bedoeling om de zeggenschap over Morpol te verkrijgen. Het is juist dat verzoekster Morpol daarna volledig heeft overgenomen en dat daarvoor meerdere kooptransacties nodig waren, te weten de verwerving van december 2012 en de verwervingen van verschillende aandeelhouders van Morpol in het kader van het openbaar overnamebod. Aangezien verzoekster echter reeds de uitsluitende zeggenschap over Morpol had toen de verwerving van december 2012 eenmaal tot stand was gekomen, zijn de latere kooptransacties niet verricht met de bedoeling om de zeggenschap over de doelvennootschap te verkrijgen.
181 Ook moet worden vastgesteld dat er in het Groenboek terecht op wordt gewezen dat „[i]n dergelijke gevallen [...] de veronderstelling dat de concentratie tot stand wordt gebracht via de verwerving van het specifieke aandeel of aandelenblok dat de verwerver (de facto) zeggenschap geeft over de doelonderneming doorgaans onpraktisch en kunstmatig [is]”. Deze uiteenzetting heeft echter alleen betrekking op het scenario van een „sluipende” overname. Wanneer immers meerdere verwervingen van aandelen of aandelenblokken noodzakelijk zijn om de zeggenschap over de doelonderneming te verkrijgen, zou het kunstmatig zijn om de verwerving van het „beslissende” aandeel of aandelenblok geïsoleerd te beschouwen als een concentratie.
182 In een situatie als die in de onderhavige zaak, waarin de uitsluitende zeggenschap over één enkele doelonderneming is verworven van één enkele koper via één enkele transactie, is het geenszins kunstmatig om die transactie op zich als een concentratie te beschouwen.
183 Verzoekster betoogt voorts dat de uitbreiding van de afwijking in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 tot doel had om eventuele rechtsonzekerheid weg te nemen (zie punt 174 hierboven). Volgens haar volgt uit punt 134 van het Groenboek dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 zelfs op een eenvoudige transactiestructuur van toepassing moet zijn, om publieke biedingen en sluipende overnames te faciliteren.
184 In dat verband moet erop worden gewezen dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 inderdaad zelfs in geval van een eenvoudige transactiestructuur van toepassing kan zijn. In de onderhavige zaak is het echter niet de eenvoud van de transactie die de toepasselijkheid van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 op zich uitsluit, maar het feit dat de zeggenschap reeds was verkregen van één enkele verkoper via de eerste transactie.
185 Bovendien moet worden benadrukt dat de lidstaten er op grond van artikel 5 van richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB 2004, L 142, blz. 12), zorg voor moeten dragen dat een persoon die de zeggenschap over een vennootschap door middel van een verwerving van effecten verkrijgt, verplicht is een bod uit te brengen ter bescherming van de minderheidsaandeelhouders van die vennootschap. Dit bod moet tot alle houders van effecten worden gericht en op al hun effecten betrekking hebben. Dat betekent dat de verplichting voor een onderneming die dankzij een particuliere verwerving effecten heeft verkregen die de zeggenschap over een doelonderneming verlenen, om een openbaar bod te doen voor de resterende aandelen van de doelonderneming, betrekking heeft op alle lidstaten van de Unie.
186 Indien verzoeksters redenering zou worden gevolgd, namelijk dat een verwerving van zeggenschap via één enkele particuliere transactie gevolgd door een verplicht openbaar bod één enkele concentratie vormt, zou dat tot gevolg hebben dat de particuliere verwerving van effecten die zeggenschap verlenen, altijd door de uitzondering in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 zou zijn gedekt wanneer bij de concentratie in de lidstaten gevestigde beursgenoteerde vennootschappen zijn betrokken. De verplichting om een openbaar overnamebod te doen, die in de redenering van verzoekster deel uitmaakt van één enkele concentratie die de zeggenschap opleverende verwerving en het openbaar bod omvat, bestaat immers altijd. Dat zou tot gevolg hebben de werkingssfeer van de uitzondering in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 teveel wordt opgerekt.
187 Ten aanzien van verzoeksters argument dat de ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 erin is gelegen dat openbare biedingen en sluipende overnames worden gefaciliteerd, moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat de Commissie haar geen geldboete heeft opgelegd omdat zij het openbaar overnamebod tot stand heeft gebracht, maar de verwerving van december 2012. In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd dat de overname niet sluipend was, zoals hierboven in punt 175 is geconstateerd.
188 Niet is gebleken dat het standpunt dat de Commissie in het bestreden besluit heeft ingenomen, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zij aan herinnerd dat de situatie in de onderhavige zaak niet valt onder de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 (zie punten 68-83 hierboven). Het feit dat de Commissie de werkingssfeer van het concept van „één concentratie” niet zodanig heeft verruimd dat die ook situaties zou dekken waarin de zeggenschap over één enkele doelonderneming wordt verkregen via één enkele transactie, is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
189 Zelfs indien zou worden afgegaan op het Groenboek om de ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 te bepalen, zoals verzoekster heeft voorgesteld, blijkt niet dat het met de ratio van die bepaling in strijd is om een situatie waarin een onderneming de uitsluitende zeggenschap over één enkele doelonderneming verwerft via één enkele particuliere kooptransactie met één verkoper, ook al wordt die door een verplicht openbaar bod gevolgd, van de werkingssfeer daarvan uit te sluiten.
190 Verzoekster stelt dat de uitlegging die de Commissie in de overwegingen 102 en 103 van het bestreden besluit aan de ratio van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 heeft gegeven, onverenigbaar is met de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven in het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281, punt 83). Verzoekster wijst erop dat het Gerecht in dit arrest „de benadering van de Commissie [heeft] bevestigd, die inhoudt dat artikel 7, lid 2, van verordening [nr. 139/2004] wordt toegepast op de verwerving van een minderheidsdeelneming van 19 % in Aer Lingus die vóór het uitbrengen van een openbaar bod heeft plaatsgevonden, die het als een eenheid en als één concentratie heeft beschouwd, terwijl ongetwijfeld eenvoudig had kunnen worden beslist dat een dergelijk minderheidsbelang geen zeggenschap verleende”.
191 Wat dat aangaat, moet worden opgemerkt dat het Gerecht er in het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281, punt 83), op heeft gewezen dat „de verkrijging van een belang dat als zodanig geen zeggenschap verleent in de zin van artikel 3 van [...]verordening [nr. 139/2004], onder de werkingssfeer van artikel 7 van die verordening [kan] vallen”. Uit dit arrest blijkt alleen dat het mogelijk is dat de verwerving van een minderheidsbelang dat geen zeggenschap over de doelonderneming verleent, gevolgd door een openbaar overnamebod, deel uitmaakt van één concentratie die binnen de werkingssfeer van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 valt. Het Gerecht heeft zich echter niet uitgesproken over een situatie waarin reeds de eerste transactie zeggenschap over de doelonderneming verleent (zie punt 138 hierboven).
192 Vastgesteld moet worden dat in het geval van een verwerving van een minderheidsdeelneming die geen zeggenschap over de doelonderneming verleent, gevolgd door een openbaar overnamebod, beide transacties tot stand kunnen worden gebracht met de bedoeling om de zeggenschap over de doelonderneming te verwerven. Aangezien in het onderhavige geval reeds de eerste transactie de facto de uitsluitende zeggenschap over Morpol aan verzoekster heeft verleend, is het echter uitgesloten dat het openbaar overnamebod is uitgebracht met de bedoeling om de zeggenschap over Morpol te verwerven (zie punt 180 hierboven).
193 Bijgevolg moet verzoeksters betoog gebaseerd op het arrest van 6 juli 2010, Aer Lingus Group/Commissie (T‑411/07, EU:T:2010:281), worden afgewezen.
194 Verzoekster voert vervolgens aan dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 in haar voordeel moet worden uitgelegd, gezien het strafrechtelijke karakter van de geldboete in de zin van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”). Volgens haar wordt in het bestreden besluit voorbij gegaan aan het beginsel dat de strafwet niet op extensieve wijze ten nadele van de verdachte mag worden toegepast. De uitlegging die in het bestreden besluit aan artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 is gegeven, houdt het gebruik van dermate ruime begrippen en dermate vage criteria in dat de betrokken strafbepaling niet zodanig was dat die in termen van duidelijkheid en voorspelbaarheid van de gevolgen aan de vereisten van het EVRM voldeed.
195 De Commissie benadrukt dat de geldboeten die krachtens artikel 14, lid 4, van verordening nr. 139/2004 worden opgelegd, geen strafrechtelijk karakter hebben.
196 Er zij op gewezen dat zelfs wanneer de sancties voorzien in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 139/2004 een strafrechtelijk karakter zouden hebben, verzoeksters betoog moet worden afgewezen.
197 In de eerste plaats heeft verzoeksters argument dat de betrokken bepaling in termen van duidelijkheid en voorspelbaarheid van haar gevolgen niet zodanig is dat zij aan de vereisten van het EVRM voldoet, in essentie betrekking op de vermeende schending van het beginsel van de legaliteit van straffen en delicten, die verzoekster in het kader van het eerste onderdeel van het vierde middel aanvoert en die hierna in de punten 376 tot en met 394 zal worden onderzocht.
198 In de tweede plaats moet ten aanzien van verzoeksters argument dat in het bestreden besluit voorbij worden gegaan aan het beginsel dat de strafwet niet op extensieve wijze ten nadele van de verdachte mag worden toegepast, op het volgende worden gewezen.
199 Zoals de Commissie terecht doet opmerken, is verzoekster niet een geldboete opgelegd omdat zij artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 zou hebben overtreden. Haar is overeenkomstig artikel 14, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 139/2004 een geldboete opgelegd omdat zij artikel 4, lid 1, en artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 heeft overtreden.
200 Ook moet eraan worden herinnerd dat in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 een uitzondering op artikel 7, lid 1, van verordening nr. 139/2004 is opgenomen.
201 De Commissie wijst er terecht op dat uitzonderingen volgens vaste rechtspraak eng moeten worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 17 juni 2010, Commissie/France, C‑492/08, EU:C:2010:348, punt 35, en van 23 oktober 2014, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑302/13, EU:C:2014:2319, punt 27). Wat meer in het bijzonder het mededingingsrecht en dan met name de uitlegging van bepalingen in groepsvrijstellingsverordeningen betreft, heeft het Gerecht in punt 48 van het arrest van 8 oktober 1996, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie (T‑24/93–T‑26/93 en T‑28/93, EU:T:1996:139), bevestigd dat afwijkende bepalingen in een vrijstellingsverordening, gelet op het algemene beginsel dat mededingingsverstorende overeenkomsten verboden zijn, naar hun aard restrictief dienen te worden uitgelegd. Het enkele feit dat de Commissie zware sancties kan opleggen voor schending van een bepaling die onder het mededingingsrecht valt, doet er dus niet aan af dat afwijkende bepalingen restrictief moeten worden uitgelegd. Bovendien heeft het Hof in het arrest van 22 maart 1984, Paterson e.a. (90/83, EU:C:1984:123), dat betrekking had op prejudiciële vragen die in het kader van strafvervolgingen waren gesteld (zie punt 2 van dat arrest), in punt 16 vastgesteld dat een artikel, voor zover het afwijkingen van de algemene regels van een verordening toestaat, niet aldus mag worden uitgelegd dat zijn gevolgen verder reiken dan noodzakelijk is ter bescherming van de belangen die het moet vrijwaren. In dat arrest is bevestigd dat het beginsel dat uitzonderingen restrictief moeten worden uitgelegd, zelfs op het gebied van het strafrecht van toepassing is.
202 In elk geval moet erop worden gewezen dat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 volgens de bewoordingen ervan niet van toepassing is op situaties als aan de orde in deze zaak (zie punten 68-83 hierboven).
203 Verzoekster tracht in wezen de werkingssfeer van het concept van „één concentratie” te verruimen, om zo de werkingssfeer van de uitzondering in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 te verruimen.
204 Zelfs aangenomen dat de krachtens artikel 14 van verordening nr. 139/2004 opgelegde geldboeten een strafrechtelijk karakter hebben, kan in casu niet worden geoordeeld dat de Commissie de strafwet op extensieve wijze ten nadele van de verdachte heeft toegepast. De Commissie heeft immers alleen geweigerd om de werkingssfeer van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 verder dan de bewoordingen ervan op te rekken en het concept van „één concentratie” toe te passen op een situatie waarin de uitsluitende zeggenschap over de enige doelonderneming is verkregen via één enkele particuliere kooptransactie met één enkele verkoper, vóór het uitbrengen van een verplicht openbaar overnamebod.
205 Verzoeksters argument moet dus worden afgewezen.
206 Verzoekster stelt voorts nog dat het bestreden besluit onverenigbaar is met de doelstelling van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004, namelijk „het faciliteren van overnames en het bewaren van de liquiditeit van aandelenmarkten”. Het bestreden besluit heeft alleen negatieve gevolgen voor vennootschappen die een model voor corporate governance hebben dat gewoonlijk wordt gebruikt door vennootschappen die in continentaal Europa en Scandinavië zijn gevestigd, wat de facto leidt tot discriminatie van de vennootschappen die in die regio’s zijn gevestigd ten opzichte van vennootschappen die in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn gevestigd, doordat de verwerving van in continentaal Europa en Scandinavië gevestigde vennootschappen moeilijker wordt gemaakt en daarmee ook investeringen daarin worden belemmerd, en doordat de kapitaalmarkten en de in die regio’s gevestigde vennootschappen worden geschaad. De reden daarvoor is dat de in continentaal Europa en Scandinavië gevestigde vennootschappen gewoonlijk worden gekenmerkt door grote en geconcentreerde aandeelhouders, in tegenstelling tot in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde vennootschappen die meestal een meer versnipperde aandeelhoudersstructuur hebben. De weigering om in het bestreden besluit de vrijstelling voor openbare biedingen in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 139/2004 toe te passen op de aanvankelijke verwerving van een controlerend belang en op het verplichte openbaar bod dat daaruit is voortgekomen, is alleen relevant voor vennootschappen met „geconcentreerde” aandeelhouders.
207 Er dient op te worden gewezen dat verzoekster zich met haar betoog van discriminatie tussen de in continentaal Europa en Scandinavië gevestigde vennootschappen en de in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde vennootschappen, in wezen beroept op het beginsel van gelijke behandeling. Volgens vaste rechtspraak vereist het algemene beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij een verschil objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 11 juli 2007, Centeno Mediavilla e.a./Commissie, T‑58/05, EU:T:2007:218, punt 75en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 22 oktober 2015, C-194/14, ECLI:EU:C:2015:717
- Gerecht EU 26 november 2014, T-272/12, ECLI:EU:T:2014:995
- HvJ EU 23 oktober 2014, C-302/13, ECLI:EU:C:2014:2319
- HvJ EU 10 juli 2014, C-295/12, ECLI:EU:C:2014:2062
- HvJ EU 19 juni 2014, C-345/13, ECLI:EU:C:2014:2013
- HvJ EU 7 november 2013, C-313/12, ECLI:EU:C:2013:718
- HvJ EU 18 juni 2013, C-681/11, ECLI:EU:C:2013:404
- HvJ EU 22 november 2012, C-89/11, ECLI:EU:C:2012:738
- HvJ EU 19 april 2012, C-549/10, ECLI:EU:C:2012:221
- HvJ EU 14 februari 2012, C-17/10, ECLI:EU:C:2012:72
- HvJ EU 8 december 2011, C-272/09, ECLI:EU:C:2011:810
- HvJ EU 8 december 2011, C-386/10, ECLI:EU:C:2011:815
- Gerecht EU 5 oktober 2011, T-11/06, ECLI:EU:T:2011:560
- Gerecht EU 5 oktober 2011, T-39/06, ECLI:EU:T:2011:562
- Gerecht EU 15 september 2011, T-407/07, ECLI:EU:T:2011:477
- HvJ EU 21 juli 2011, C-150/10, ECLI:EU:C:2011:507
- Gerecht EU 13 juli 2011, T-144/07, ECLI:EU:T:2011:364
- Gerecht EU 15 december 2010, T-141/08, ECLI:EU:T:2010:516
- Gerecht EU 6 juli 2010, T-411/07, ECLI:EU:T:2010:281
- Gerecht EU 1 juli 2010, T-321/05, ECLI:EU:T:2010:266
Aangehaald in
- HvJ EU 4 maart 2020, C-10/18, ECLI:EU:C:2020:149
- Gerecht EU 17 mei 2023, T-312/20, ECLI:EU:T:2023:252
- Gerecht EU 18 november 2020, T-814/17, ECLI:EU:T:2020:545
- HvJ EU 9 november 2023, C-746/21, ECLI:EU:C:2023:836
- Gerecht EU 29 september 2021, T-342/18, ECLI:EU:T:2021:635
- Gerecht EU 22 september 2021, T-425/18, ECLI:EU:T:2021:607
- Gerecht EU 18 mei 2022, T-609/19, ECLI:EU:T:2022:299