Gerecht EU 10 november 2021, T-612/17, ECLI:EU:T:2021:763
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
10 November 2021 ( *1 )
„Mededinging – Misbruik van een machtspositie – Algemene en gespecialiseerde productzoekopdrachten op het internet – Besluit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst – Misbruik door hefboomwerking – Mededinging die gebaseerd is op verdienste of mededingingsbeperkende praktijk – Voorwaarden voor toegang van concurrenten tot een dienst van een onderneming met een machtspositie waarvan het gebruik niet daadwerkelijk kan worden vervangen – Bevoorrechte weergave door de onderneming met een machtspositie van de resultaten van haar eigen gespecialiseerde zoekdienst – Gevolgen – Noodzaak om een contrafeitelijk scenario vast te stellen – Geen – Objectieve rechtvaardigingsgronden – Geen – Mogelijkheid om een geldboete op te leggen in het licht van bepaalde omstandigheden – Richtsnoeren voor de berekening van het bedrag van de geldboeten – Volledige rechtsmacht”
In zaak T‑612/17,
Google LLC, voorheen Google Inc., gevestigd te Mountain View, Californië (Verenigde Staten),
Alphabet, Inc., gevestigd te Mountain View,
vertegenwoordigd door T. Graf, R. Snelders, C. Thomas, K. Fountoukakos-Kyriakakos, advocaten, R. O’Donoghue, M. Pickford, QC, en D. Piccinin, barrister,
verzoeksters,
ondersteund door
Computer & Communications Industry Association, gevestigd te Washington, DC (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door J. Killick en A. Komninos, advocaten,
interveniënte,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Christoforou, N. Khan, A. Dawes, H. Leupold en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller, S. Heimerl en S. Costanzo als gemachtigden,
door
Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, vertegenwoordigd door C. Zatschler en C. Simpson als gemachtigden,
door
Bureau européen des unions de consommateurs (BEUC), gevestigd te Brussel, vertegenwoordigd door A. Fratini, advocaat,
door
Infederation Ltd, gevestigd te Crowthorne (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. Morfey, S. Gartagani, L. Hannah, A. D’heygere, K. Gwilliam, solicitors, en T. Vinje, advocaat,
door
Kelkoo, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door J. Koponen en B. Meyring, advocaten,
door
Verband Deutscher Zeitschriftenverleger eV, gevestigd te Berlijn (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Höppner, professor, P. Westerhoff en J. Weber, advocaten,
door
Visual Meta GmbH, gevestigd te Berlijn, vertegenwoordigd door T. Höppner, professor, en P. Westerhoff, advocaat,
door
BDZV – Bundesverband Digitalpublisher und Zeitungsverleger eV, voorheen Bundesverband Deutscher Zeitungsverleger eV, gevestigd te Berlijn, vertegenwoordigd door T. Höppner, professor, en P. Westerhoff, advocaat,
en door
Twenga, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door L. Godfroid, S. Hautbourg en S. Pelsy, advocaten,
interveniënten,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU, primair, tot nietigverklaring van besluit C(2017) 4444 final van de Commissie van 27 juni 2017 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.39740 – Google Search (Shopping)], en, subsidiair, tot intrekking of verlaging van de aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise (rapporteur), R. da Silva Passos, K. Kowalik-Bańczyk en C. Mac Eochaidh, rechters,
griffier: E. Artemiou, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12, 13 en 14 februari 2020,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Context
1 Google LLC, voorheen Google Inc., is een Amerikaanse onderneming die gespecialiseerd is in aan internetgebruik gerelateerde producten en diensten. Zij is vooral bekend om haar zoekmachine, die internetgebruikers (hierna ook, afhankelijk van de context: „gebruikers” of „consumenten”) in staat stelt om met de browser die zij gebruiken en door middel van hyperlinks websites te vinden en te bereiken die aan hun behoefte voldoen. Sinds 2 oktober 2015 is Google LLC een volledige dochteronderneming van Alphabet, Inc., moedermaatschappij van de groep (hierna samen: „Google”).
2 Googles zoekmachine, die toegankelijk is op www.google.com, of op soortgelijke adressen met een nationalel extensie, levert zoekresultaten op die worden gepresenteerd op pagina’s die op de schermen van internetgebruikers verschijnen. Deze resultaten worden door genoemde zoekmachine geselecteerd op grond van algemene criteria en zonder dat de sites waarnaar zij verwijzen Google betalen om te verschijnen (hierna: „algemene zoekresultaten” of „generieke resultaten”), of geselecteerd volgens een gespecialiseerde logica voor het specifieke type zoekopdracht dat wordt uitgevoerd (hierna: „gespecialiseerde zoekresultaten”). Gespecialiseerde zoekresultaten kunnen naargelang het geval op dezelfde pagina verschijnen als de algemene zoekresultaten [hierna: „algemene resultatenpagina(’s)”], indien de internetgebruiker geen specifieke actie onderneemt, of zij kunnen afzonderlijk verschijnen als gevolg van een verzoek van de gebruiker vanaf een gespecialiseerde pagina van Googles zoekmachine of na het activeren van links in bepaalde delen van haar algemene resultatenpagina’s. Google heeft verschillende gespecialiseerde zoekdiensten ontwikkeld, bijvoorbeeld voor nieuws, voor lokale informatie en commerciële aanbiedingen, voor vliegreizen of voor de aankoop van producten. Het is laatstgenoemde categorie die in de onderhavige zaak aan de orde is.
3 Gespecialiseerde zoekdiensten voor de aankoop van producten (hierna: „productvergelijkingsdiensten” of „productvergelijkers”) verkopen zelf geen producten, maar vergelijken en selecteren aanbiedingen van onlineverkopers die het gezochte product aanbieden. Deze verkopers kunnen rechtstreekse verkopers zijn of verkoopplatforms die aanbiedingen van een groot aantal verkopers bundelen en waar het gewenste product onmiddellijk besteld kan worden (eBay, Amazon, PriceMinister of Fnac behoren tot de bekendste).
4 Net als bij algemene zoekresultaten het geval is kan het bij gespecialiseerde zoekresultaten gaan om resultaten, soms „natuurlijke” resultaten genoemd, die onafhankelijk zijn van betalingen van de websites waarnaar zij verwijzen, zelfs wanneer het webshops betreft. De volgorde van presentatie van deze natuurlijke resultaten op de resultatenpagina’s staat eveneens los van betalingen.
5 Googles resultatenpagina’s, net als die van andere zoekmachines, tonen ook resultaten die wél gekoppeld zijn aan betalingen van de websites waarnaar zij verwijzen. Deze resultaten, doorgaans „advertenties” genoemd (afgekort „ads” in het Engels), houden eveneens verband met de door de internetgebruiker uitgevoerde zoekopdracht en onderscheiden zich van de natuurlijke algemene of gespecialiseerde zoekresultaten, bijvoorbeeld door de woorden „advertentie” of „gesponsord”. Zij verschijnen in specifieke gebieden van de resultatenpagina’s of tussen de andere resultaten. Het kan gaan om gespecialiseerde zoekresultaten en sommige van Googles gespecialiseerde zoekdiensten zijn inderdaad gebaseerd op een systeem van betaalde opneming. De weergave ervan is gekoppeld aan betalingsverplichtingen waartoe adverteerders zich hebben verbonden in het kader van biedingen. In voorkomend geval worden aanvullende selectiecriteria gehanteerd. Adverteerders betalen Google wanneer een internetgebruiker met een muisklik de in hun advertentie opgenomen hyperlink activeert die naar hun eigen website leidt.
6 Googles algemene resultatenpagina’s kunnen alle in de punten 2 tot en met 5 hierboven besproken soorten resultaten bevatten of hebben deze bevat. Zoals ook in punt 2 hierboven is uiteengezet, kunnen gespecialiseerde zoekresultaten, ongeacht of het natuurlijke of op advertenties gebaseerde resultaten betreft, ook afzonderlijk op een pagina met gespecialiseerde resultaten verschijnen als gevolg van een verzoek van een internetgebruiker vanaf een gespecialiseerde zoekpagina in Googles zoekmachine of na het activeren van links in bepaalde delen van haar algemene resultatenpagina’s.
7 Andere zoekmachines dan Google bieden algemene zoekdiensten en gespecialiseerde zoekdiensten aan of hebben dit gedaan, zoals Alta Vista, Yahoo, Bing of Qwant. Ook bestaan er specifieke zoekmachines voor productvergelijking, zoals Bestlist, Nextag, IdealPrice, Twenga, Kelkoo of Prix.net.
8 Volgens de door Google verstrekte toelichting, die niet wordt betwist, is zij in 2002, na of parallel aan andere zoekmachines zoals Alta Vista, Yahoo, AskJeeves of America On Line (AOL), begonnen met het aanbieden van een productvergelijkingsdienst aan internetgebruikers. Deze initiatieven zouden een reactie zijn op de vaststelling dat de tot dan toe door de zoekmachines gebruikte processen niet noodzakelijkerwijs de meest relevante resultaten opleverden voor bepaalde zoekopdrachten, zoals die naar nieuws of te kopen producten. Zo heeft Google vanaf eind 2002 in de Verenigde Staten resultaten van productvergelijkingen (hierna: „productresultaten”) aangeboden, en vervolgens, ongeveer twee jaar later, geleidelijk in bepaalde landen in Europa. Deze resultaten waren niet afkomstig van de gebruikelijke algemene zoekalgoritmen die Google toepast op informatie die op websites is terug te vinden en die eerst werden geëxtraheerd door het zogenaamde crawlproces – bestaande in een activiteit waarbij de content van het internet door Google wordt doorzocht met het oog op indexering –, vervolgens geselecteerd voor opname in Googles „webindex” en ten slotte gesorteerd op relevantie om te verschijnen in antwoord op de vraag van de gebruiker, maar waren de resultaten van specifieke algoritmen die worden toegepast op informatie in een databank die door de verkopers zelf wordt gevoed, de „productindex” genoemd. Deze resultaten werden aanvankelijk verstrekt via een gespecialiseerde zoekpagina, Froogle genaamd, die gescheiden was van de algemene zoekpagina van de zoekmachine, en vervolgens, vanaf 2003 in de VS en 2005 in sommige Europese landen, ook via de algemene zoekpagina van de zoekmachine. In het laatste geval verschenen de productresultaten gebundeld binnen de algemene resultatenpagina’s in wat de Product OneBox werd genoemd, onder of naast de advertenties aan de boven- of zijkant van de pagina en boven de algemene zoekresultaten, zoals blijkt uit het volgende door Google gegeven voorbeeld met bijschrift:
9 Indien de internetgebruiker de algemene zoekpagina gebruikte om een vraag over een product te stellen, omvatte de door de zoekmachine gegeven antwoorden immers zowel de antwoorden die het resultaat waren van de gespecialiseerde zoekopdracht als die welke het resultaat waren van de algemene zoekopdracht. Wanneer de gebruiker op de link in een Product OneBox-resultaat klikte, werd hij rechtstreeks naar de relevante pagina op de website van de verkoper van het gezochte product geleid, zodat het product kon worden gekocht. Bovendien maakte een speciale link in de Product OneBox het mogelijk om naar een Froogleresultatenpagina met een uitgebreide selectie van productspecifieke resultaten te worden geleid. Google verklaart dat de resultaten van Froogle evenwel nooit in de algemene zoekresultaten werden opgenomen, terwijl resultaten van andere gespecialiseerde zoekmachines voor productvergelijking wel daarin konden zijn opgenomen.
10 Google verklaart dat zij vanaf 2007 de manier heeft veranderd waarop productresultaten worden samengesteld.
11 Samen met deze veranderingen heeft Google de naam van haar gespecialiseerde zoek- en resultatenpagina’s voor productvergelijking veranderd van Froogle in Product Search.
12 Wat de productresultaten betreft die via de algemene zoekpagina op de algemene resultatenpagina’s werden getoond, heeft Google ten eerste de inhoud van de Product OneBox verrijkt door er foto’s aan toe te voegen. Google illustreert dit aan de hand van het volgende voorbeeld van het eerste type toevoeging van foto’s:
13 Google heeft ook de mogelijke resultaten van het klikken op een link naar een resultaat gediversifieerd: naargelang van het geval werd de internetgebruiker zoals voorheen rechtstreeks doorverwezen naar de relevante pagina van de website van de verkoper van het gezochte product, waar hij het product kon kopen, of werd hij doorverwezen naar de gespecialiseerde resultatenpagina Product Search om meer aanbiedingen van hetzelfde product te ontdekken. De Product Onebox werd in de verschillende landen geleidelijk omgedoopt tot Product Universal (hierna: „Product Universal”) (bijvoorbeeld in 2008 in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland), terwijl hij ook aantrekkelijker werd gemaakt. Google geeft het volgende voorbeeld, met toegevoegde bijschriften, van de twee varianten van de Product Universal:
14 Ten tweede heeft Google een mechanisme ingevoerd, Universal Search genaamd, dat het mogelijk maakt om, wanneer een zoekopdracht voor de aankoop van een product wordt geïdentificeerd, op de algemene resultatenpagina voorrang te geven aan de producten die vallen onder de Product Onebox, en vervolgens aan die welke vallen onder de Product Universal, boven de algemene zoekresultaten.
15 Wat de aan betalingen gekoppelde productresultaten die op haar resultatenpagina’s verschijnen betreft, heeft Google vanaf september 2010 in Europa een verbeterde opmaak ingevoerd in vergelijking met de zuivere tekstadvertenties (text ads in het Engels; hierna: „tekstadvertenties”) die tot dan verschenen. De adverteerder kon ervoor kiezen dat de internetgebruiker, door op de tekstadvertentie te klikken, foto’s van de gezochte producten kon zien in vergroot formaat vergeleken met de oorspronkelijke tekstadvertentie, alsmede de prijzen ervan zoals die door de adverteerder werden aangeboden. Google geeft een voorbeeld, met toegevoegd bijschrift, van een tekstadvertentie die op deze manier was uitgewerkt:
16 Vanaf november 2011 heeft Google dit systeem van vergroting van tekstadvertenties in Europa aangevuld met de rechtstreekse presentatie op haar algemene resultatenpagina’s van groepen advertenties van verschillende adverteerders, met foto’s en prijzen, die zij „lijsten met productadvertenties” of „productadvertenties” heeft genoemd (hierna: „productadvertenties”), en die hetzij rechts hetzij bovenaan de resultatenpagina verschenen. Door op een advertentie in de groep te klikken, werd de gebruiker naar de website van de adverteerder geleid. Google geeft de volgende illustratie van een productadvertentie:
17 Vervolgens is Google gestopt met de gezamenlijke weergave van natuurlijke resultaten voor gebundelde gespecialiseerde productzoekopdrachten (Product Universal), gebundelde productadvertenties (product ads), tekstadvertenties (tekst ads), eventueel uitgebreid, en algemene zoekresultaten op haar algemene resultatenpagina’s, omdat zij het niet wenselijk achtte deze situatie voort te zetten. Google heeft in 2013 dan ook een einde gemaakt aan Product Universal en uitgebreide tekstadvertenties op haar algemene resultatenpagina’s in Europa. Als gevolg daarvan werden alleen nog gebundelde productadvertenties, omgedoopt tot „Shopping Commercial Units” of „Shopping Units” (hierna: „Shopping Units”), tekstadvertenties en algemene zoekresultaten weergegeven. Google geeft het volgende voorbeeld, met toegevoegd bijschrift, van een Shopping Unit, voorafgaand aan tekstadvertenties en een algemeen zoekresultaat:
18 Internetgebruikers die op een advertentie in een Shopping Unit klikten, werden dus altijd naar de verkoopwebsite van de adverteerder geleid. Alleen als zij op een specifieke link boven aan de Shopping Unit of op een link in het algemene navigatiemenu (Shopping-tabblad) klikten, kregen zij via de algemene resultatenpagina toegang tot de gespecialiseerde zoek- en resultatenpagina met Googles productvergelijking en meer advertenties.
19 Google wijst erop dat bij de selectie van advertenties voor de Shopping Unit niet alleen het in punt 5 hierboven bedoelde biedmechanisme werd toegepast, maar ook criteria van dezelfde orde als die welke zij gebruikte om haar natuurlijke productresultaten als vermeld in punt 8 hierboven te verstrekken. Zij verklaart, zonder te zijn tegengesproken, dat de selectie er eventueel toe kon leiden dat de tekstadvertenties in de volgorde van presentatie op de algemene resultatenpagina voorrang kregen boven de Shopping Unit, of omgekeerd, of zelfs, indien het aantal kwalitatieve advertenties onvoldoende was, dat de Shopping Unit helemaal niet werd gepresenteerd.
20 Op hetzelfde moment dat Google Product Universal van haar algemene resultatenpagina heeft verwijderd, is zij ook gestopt met de weergave van natuurlijke productresultaten op haar gespecialiseerde resultatenpagina Product Search, die is geëvolueerd tot een pagina met alleen advertenties, genaamd Google Shopping. Google geeft het volgende voorbeeld van een Google-Shoppingpagina:
B. Administratieve procedure
21 De onderhavige zaak vloeit voort uit verschillende klachten die vanaf november 2009 bij de Europese Commissie zijn ingediend door ondernemingen, bedrijfsverenigingen en consumentenorganisaties, alsmede uit zaken die door nationale mededingingsautoriteiten (met name het Bundeskartellamt, de Duitse federale mededingingsautoriteit) zijn doorverwezen naar de Commissie.
22 Op 30 november 2010 heeft de Commissie tegen Google een procedure ingeleid krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102] VWEU van het Verdrag (PB 2004, L 123, blz. 18).
23 Op 13 maart 2013 heeft de Commissie een voorlopige beoordeling vastgesteld overeenkomstig artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), met het oog op de eventuele aanvaarding van toezeggingen van Google die tegemoet zouden komen aan haar bezwaren. In haar voorlopige beoordeling was de Commissie onder meer van mening dat de voorkeursbehandeling door Google van links naar haar eigen gespecialiseerde zoekdiensten op haar algemene resultatenpagina’s in vergelijking met links naar concurrerende gespecialiseerde zoekdiensten waarschijnlijk een inbreuk vormde op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).
24 Ofschoon Google aangaf het niet eens te zijn met de juridische analyse in de voorlopige beoordeling en de stelling betwistte dat de door de Commissie beschreven praktijken een inbreuk vormden op artikel 102 VWEU, heeft zij drie reeksen toezeggingen ingediend, de eerste op 3 april 2013, de tweede op 21 oktober 2013 en de derde op 31 januari 2014.
25 Tussen 27 mei 2014 en 11 augustus 2014 heeft de Commissie op grond van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 773/2004 brieven gezonden aan de klagers die vóór 27 mei 2014 een klacht hadden ingediend, waarin zij hun meedeelde dat zij voornemens was hun klachten af te wijzen. In de brieven werd de voorlopige beoordeling van de Commissie uiteengezet volgens welke de derde reeks door Google ingediende toezeggingen de mededingingsbezwaren die in de voorlopige beoordeling waren geuit, kon wegnemen.
26 In antwoord op deze brieven hebben 19 klagers opmerkingen ingediend. Na analyse van deze opmerkingen heeft de Commissie Google op 4 september 2014 te kennen gegeven dat zij uiteindelijk geen besluit in de zin artikel 9 van verordening nr. 1/2003 kon vaststellen waarbij toezeggingen werden aanvaard.
27 Op 15 april 2015 heeft de Commissie de inbreukprocedure van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voortgezet en heeft zij een tot Google gerichte mededeling van punten van bezwaar vastgesteld waarin zij tot de voorlopige slotsom kwam dat de kwestieuze praktijken misbruik van een machtspositie vormden en derhalve inbreuk maakten op artikel 102 VWEU.
28 Op 27 april 2015 heeft de Commissie Google toegang verleend tot het dossier.
29 Tussen juni en september 2015 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar gezonden aan 24 klagers en 10 belanghebbenden. In totaal hebben 20 klagers en 7 belanghebbenden opmerkingen ingediend.
30 Op 27 augustus 2015 heeft Google haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend.
31 Tussen oktober en november 2015 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van het antwoord op de mededeling van punten van bezwaar gezonden aan 23 klagers en 9 belanghebbenden. 14 klagers en 7 belanghebbenden hebben opmerkingen ingediend.
32 Op 14 juli 2016 heeft de Commissie een aanvullende mededeling van punten van bezwaar vastgesteld.
33 Op 27 juli 2016 heeft de Commissie Google opnieuw toegang verleend tot het dossier.
34 Tussen september en oktober 2016 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van de aanvullende mededeling van punten van bezwaar gezonden aan 20 klagers en 6 belanghebbenden. 9 klagers en 3 belanghebbenden hebben over de aanvullende mededeling van punten van bezwaar opmerkingen ingediend.
35 Op 3 november 2016 heeft Google haar antwoord op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar ingediend.
36 Op 28 februari 2017 heeft de Commissie Google een „Letter of Facts” gestuurd waarin zij de aandacht van Google vestigde op bewijsmateriaal dat in de mededeling van punten van bezwaar en de aanvullende mededeling van punten van bezwaar niet specifiek was ingeroepen, maar dat na analyse van het dossier eventueel relevant zou kunnen zijn ter ondersteuning van de voorlopige slotsom waartoe zij op grond van deze stukken was gekomen.
37 Op 1 maart 2017 heeft de Commissie Google opnieuw toegang verleend tot het dossier.
38 Op 18 april 2017 heeft Google geantwoord op de „Letter of Facts”.
39 Op 27 juni 2017 heeft de Commissie besluit C(2017) 4444 final vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.39740 – Google Search (Shopping)] (hierna: „bestreden besluit”).
C. Bestreden besluit
40 Na de verschillende fasen van de procedure die tot de vaststelling van het besluit hebben geleid te hebben uiteengezet en Googles kritiek op het verloop van deze procedure te hebben weerlegd, heeft de Commissie in het bestreden besluit allereerst de relevante markten afgebakend, in de zin van de mededingingsregels.
41 De Commissie herinnert er in het besluit aan dat zij in het kader van de vaststelling van een mogelijke machtspositie van een onderneming op een markt niet alleen rekening moet houden met de kenmerken van de betrokken producten of diensten, maar ook met de structuur van vraag en aanbod, teneinde de relevante markt of markten te bepalen. Zij benadrukt dat de vraag of producten of diensten in dit verband onderscheidend zijn, moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van de consumentenvraag.
42 De Commissie is van mening dat de relevante productmarkten de markt voor algemene onlinezoekdiensten en de markt voor onlineproductvergelijkingsdiensten zijn.
43 Wat in de eerste plaats de markt voor algemene onlinezoekdiensten betreft, geeft de Commissie aan dat het aanbieden van een dergelijke dienst een economische activiteit is, aangezien de internetgebruikers, ofschoon zij kosteloos gebruikmaken van de dienst, aanvaarden dat de exploitant van de zoekmachine gegevens over hen verzamelt die hij vervolgens kan valoriseren, met name bij adverteerders die op de resultatenpagina’s advertenties willen laten zien. In het algemeen kan worden gesteld dat bij „tweezijdige” platforms de kosteloze zijde voor het ene type gebruiker (in dit geval de internetgebruiker), als deze goed werkt, de vraag naar de andere zijde, die tegen betaling is voor het betrokken type gebruiker (in dit geval de adverteerder die zo veel mogelijk internetgebruikers wenst te bereiken), versterkt. In die zin concurreren de verschillende algemene onlinezoekdiensten om door de kwaliteit van hun zoekmachine zowel internetgebruikers als adverteerders aan te trekken.
44 Voorts meent de Commissie dat er, uit het oogpunt van de vraag van de internetgebruikers, slechts een geringe substitueerbaarheid bestaat tussen algemene zoekdiensten en andere op het internet aangeboden diensten.
45 Met name gespecialiseerde zoekdiensten zijn weinig substitueerbaar met algemene zoekdiensten, aangezien zij elk slechts hun gespecialiseerde gebied bestrijken. Bovendien hebben zij meestal alleen betrekking op commerciële aanbiedingen, terwijl algemene zoekdiensten verwijzen naar elk soort dienst op het internet. De manier waarop deze verschillende zoekdiensten antwoorden geven, is ook verschillend, al was het maar wat betreft de samenstelling van hun databanken. Hun financiële modellen verschillen eveneens, waarbij algemene zoekdiensten uitsluitend worden gefinancierd door betaling voor het tonen van advertenties op de resultatenpagina’s, en gespecialiseerde zoekdiensten aanvullend worden gefinancierd door betalingen van de ondernemingen waarvan de sites in de zoekresultaten worden vermeld wanneer internetgebruikers op deze vermelding ingaan (betalingen per klik of voor latere transacties). Concrete voorbeelden, waaronder dat van Google, bevestigen die verschillen. Aldus bieden veel ondernemingen die gespecialiseerde zoekdiensten aanbieden, zoals Shopzilla (productvergelijker) of Kayak (vergelijker van reistarieven), geen algemene zoekdienst aan. Google zelf maakt onderscheid tussen de twee soorten zoekdiensten en heeft systematisch specifieke zoekpagina’s en resultatenpagina’s voor haar gespecialiseerde zoekdiensten. Analisten uit de sector maken ook onderscheid tussen de twee soorten diensten. De Commissie wijst op nog andere verschillen met betrekking tot de functionaliteiten of het gebruik van de twee soorten diensten, ook al kunnen deze soms elk een antwoord geven op hetzelfde verzoek.
46 Ook wat de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde betreft, wijst de Commissie erop dat algemene zoekdiensten en andere op het internet aangeboden diensten slechts in geringe mate substitueerbaar zijn. Zij baseert zich dienaangaande op het bestaan van drempels voor toegang tot algemene zoekdiensten voor aanbieders van andere internetdiensten waaruit blijkt dat deze op korte termijn moeilijk met de huidige aanbieders van algemene zoekdiensten kunnen concurreren zonder aanzienlijke kosten of risico’s te moeten dragen.
47 Volgens de Commissie wordt een aanbieder van internetdiensten die een nieuwe algemene zoekdienst wil aanbieden, in wezen geconfronteerd met zeer aanzienlijke investeringen. Verschillende grote internetbedrijven hebben naar verluidt gewezen op het bestaan van ernstige toetredingsdrempels in dat verband. Om een algemene zoekdienst goed en duurzaam te laten functioneren, moet deze een aanzienlijk volume zoekopdrachten ontvangen. Aangezien de kwaliteit van de antwoorden op de zoekopdrachten van internetgebruikers aanzienlijk is verbeterd, is het vandaag niet meer waarschijnlijk dat marktposities gaan wankelen zoals dat in het verleden het geval was toen Google de vroegere leidende zoekmachines Alta Vista en Lycos overvleugelde. De stijging van reclame op de algemene resultatenpagina’s speelt ook in het voordeel van de marktleider, die meer adverteerders aantrekt gezien het aantal gebruikers dat van zijn algemene zoekdienst gebruikmaakt. Dit maakt de opkomst van nieuwe aanbieders des te moeilijker en sinds 2007 is juist vastgesteld dat sommige aanbieders hun activiteiten hebben stopgezet of zich hebben beperkt tot één nationale markt of één taalgebied. Alleen Microsoft is in staat geweest deze activiteit op significante wijze uit te oefenen met zijn zoekmachine Bing, die echter in geen enkel EER-land een marktaandeel van meer dan 10 % heeft.
48 Daarnaast is de Commissie van mening dat er tussen algemene onlinezoekdiensten geen onderscheid mag worden gemaakt naargelang internetgebruikers daarvan gebruikmaken via computers of andere terminals zoals tablets of smartphones. Zij komt derhalve tot de slotsom dat er een productmarkt was voor algemene onlinezoekdiensten.
49 Wat in de tweede plaats de markt voor onlineproductvergelijkingsdiensten betreft, onderbouwt de Commissie het bestaan van deze markt als volgt. Productvergelijkingsdiensten verschillen van andere gespecialiseerde onlinezoekdiensten. Aan de vraagzijde behandelen alle gespecialiseerde zoekdiensten zoekopdrachten die op een bepaald soort onderwerp zijn toegespitst en geven zij alleen antwoorden in verband met dat onderwerp, zodat de verschillende gespecialiseerde zoekdiensten niet onderling substitueerbaar zijn. Aan de aanbodzijde zijn de criteria voor de selectie van de antwoorden, de inhoud van de databanken, de aard en de omvang van de exploitanten van de websites waarnaar een gespecialiseerde zoekdienst kan verwijzen en de contractuele betrekkingen met deze exploitanten zó verschillend naargelang het soort gespecialiseerde zoekopdracht, dat het voor de aanbieder van een gespecialiseerde zoekdienst moeilijk is om op korte termijn en zonder aanzienlijke extra kosten een gespecialiseerde zoekdienst van een ander type aan te bieden en dus op dat punt te concurreren. Derhalve is er tussen de verschillende soorten gespecialiseerde zoekdiensten evenmin sprake van substitueerbaarheid aan de aanbodzijde.
50 Diensten voor de weergave van algemene advertenties op algemene resultatenpagina’s (online search advertising platforms in het bestreden besluit) zijn om verschillende redenen ook niet erg substitueerbaar met productvergelijkingsdiensten. Dienaangaande voert de Commissie hoofdzakelijk redenen aan die verband houden met de wijze waarop de twee soorten diensten zijn opgezet en functioneren, met name het feit dat de internetgebruiker niet specifiek naar de advertenties zoekt, terwijl hij een aanbieder van productvergelijkingen welbewust om resultaten verzoekt.
51 De diensten van rechtstreekse onlineverkopers zijn ook weinig substitueerbaar met productvergelijkingsdiensten. In dit verband benadrukt de Commissie in wezen dat rechtstreekse verkopers hun aandacht richten op de producten of diensten die zij zelf te koop aanbieden en dat het feit dat de internetgebruiker bij dergelijke verkopers kunnen kopen zonder het stadium van een opzoeking door een productvergelijkingsdienst te doorlopen, niet inhoudt dat sprake is van substitueerbaarheid tussen de twee soorten diensten, die erg van elkaar verschillen.
52 De diensten van onlineverkoopplatforms, zogenaamde shoppingplatforms, zijn zelf weinig substitueerbaar met productvergelijkingsdiensten. Dienaangaande presenteert de Commissie, met name in antwoord op de verschillende door Google aangevoerde tegenargumenten, een grondige analyse van wat volgens haar de verschillen tussen de twee soorten diensten zijn met betrekking tot met name het feit dat deze twee soorten diensten haars inziens beantwoorden aan andere behoeften van internetgebruikers en onlineverkopers, waaronder het feit dat productvergelijkingsdiensten, in tegenstelling tot deze platforms, geen producten verkopen en dus niet allerlei aan verkoop gerelateerde taken of verplichtingen hebben.
53 Wat de geografische omvang van de relevante markten betreft, concludeert de Commissie dat het bij zowel de algemene als de gespecialiseerde zoekmarkten voor productvergelijking om nationale markten ging. Ondanks de mogelijkheid om van om het even waar een website te raadplegen, hebben factoren die verband houden met de nationale opdeling, met name van taalkundige aard, en het bestaan van „nationale” zoekmachines tot deze slotsom geleid, die overigens niet wordt betwist door Google.
54 Vervolgens zet de Commissie uiteen dat Google sinds 2008 in elk EER-land een machtspositie op de algemene zoekmarkt inneemt, behalve in Tsjechië, waar dat pas sinds 2011 het geval is. De Commissie baseert zich in dit verband op een aantal factoren. Zij onderstreept de zeer hoge en stabiele marktaandelen van Google in termen van volume, zoals vastgesteld in verschillende studies, die sinds 2008 bijna altijd boven 80 % liggen, behalve in Tsjechië, waar Google niettemin de onbetwiste leider is geworden sinds januari 2011 met een marktaandeel van op dat moment meer dan 70 %. De Commissie benadrukt de lage marktaandelen van Googles concurrenten, zoals Bing en Yahoo. Zij herhaalt de overwegingen inzake toetredingsdrempels die zij reeds in haar analyse inzake de marktafbakening had uiteengezet en wijst er ook op dat weinig internetgebruikers meerdere algemene zoekmachines gebruiken, dat Google een sterke reputatie heeft en dat van elkaar onafhankelijke internetgebruikers geen compenserende afnemersmacht vormen. Zij verwerpt Googles argument dat het kosteloze karakter van de dienst voor de internetgebruikers de situatie verandert en wijst erop dat Google zowel voor desktopzoekopdrachten als die via mobiele apparaten over een machtspositie beschikt.
55 Daarop stelt de Commissie vast dat Google vanaf verschillende tijdstippen die teruggaan tot uiterlijk januari 2008, misbruik heeft gemaakt van haar bestaande machtspositie op dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten binnen de EER, door het verkeer van haar algemene resultatenpagina’s naar concurrerende productvergelijkers te doen dalen en dit verkeer naar haar eigen productvergelijker te doen stijgen, hetgeen mogelijk of waarschijnlijk mededingingsbeperkende gevolgen heeft teweeggebracht op de overeenkomstige dertien nationale markten voor gespecialiseerde zoekopdrachten voor productvergelijkingen, maar ook op de genoemde markten voor algemene zoekopdrachten. De betrokken landen zijn België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Polen, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen.
56 De Commissie omschrijft het aan Google verweten misbruik als volgt. Wat de hier geldende beginselen betreft, legt de Commissie uit dat de verbodsbepalingen van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst niet alleen betrekking kunnen hebben op de gedragingen van een onderneming die haar positie op de markt waarop zij reeds een machtspositie inneemt, nog wil versterken, maar ook op de gedragingen van een onderneming met een machtspositie op een bepaalde markt die ertoe strekt haar positie naar een verwante markt uit te breiden door de mededinging te verstoren. De Commissie herinnert eraan dat misbruik van een machtspositie verboden is ongeacht de daartoe gebruikte middelen of procedures en onafhankelijk van enige schuld, en dat de betrokken onderneming haar gedrag evenwel kan rechtvaardigen door aan te tonen dat het objectief noodzakelijk was of dat het daaruit voortvloeiende uitsluitingseffect kan worden gecompenseerd door voordelen in de vorm van efficiëntieverbeteringen die ook de consument ten goede komen.
57 De Commissie wijst er in punt 7.2 van het bestreden besluit op dat het in casu vastgestelde misbruik bestaat in een prominentere positionering en aantrekkelijkere presentatie van de eigen productvergelijker op Googles algemene resultatenpagina’s, in vergelijking met concurrerende productvergelijkers.
58 In de eerste plaats beschrijft de Commissie, ten bewijze dat deze praktijken misbruik opleveren en afwijken van op verdienste gebaseerde mededinging, in punt 7.2.1 van het bestreden besluit op welke manier Google haar eigen productvergelijker prominenter positioneert en aantrekkelijker presenteert dan concurrerende productvergelijkers. De Commissie onderzoekt daarbij om te beginnen op welke manier concurrerende productvergelijkers worden gepositioneerd en gepresenteerd binnen Googles generieke resultaten, en daarna op welke manier Googles productvergelijker wordt gepositioneerd en gepresenteerd binnen haar algemene resultatenpagina’s.
59 Wat ten eerste de positionering van concurrerende productvergelijkers betreft, stelt de Commissie vast dat deze in de generieke resultaten verschijnen in de vorm van links naar hun resultatenpagina’s die waarschijnlijk aan de zoekopdracht beantwoorden, terwijl zij in de rangschikking van de generieke resultaten op een lagere plaats konden terechtkomen door de zogenaamde aanpassingsalgoritmen voor deze resultaten, met name het zogenaamde Panda-algoritme, onder meer wegens de kenmerken van de productvergelijkers, en meer bepaald wegens hun gebrek aan originele content. De Commissie wijst er met name op dat de algoritmen in kwestie sinds de invoering ervan zijn toegepast op de overgrote meerderheid van de 361 productvergelijkers die Google in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft geïdentificeerd (hierna: „361 door Google geïdentificeerde concurrerende productvergelijkers”) en dat in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje de zichtbaarheid van concurrerende productvergelijkers op Googles algemene resultatenpagina’s, die eind 2010 en begin 2011 het grootst was, na de lancering van het Panda-algoritme abrupt is gedaald in de periode van 2 augustus 2010 tot 2 december 2016, zonder dat er nadien herstel is opgetreden.
60 Wat ten tweede de presentatie van concurrerende productvergelijkers betreft, merkt de Commissie op dat genoemde productvergelijkers enkel als generieke resultaten op Googles algemene resultatenpagina’s kunnen verschijnen, dat wil zeggen als eenvoudige blauwe links, en dus niet kunnen worden weergegeven in een formaat dat is verrijkt met afbeeldingen en aanvullende informatie over producten, prijzen en de verkoper, terwijl dergelijke informatie de klikfrequentie (link activation rate) verhogen. De Commissie verwijst naar een aantal elementen om deze stelling te staven, waaronder studies en experimenten.
61 Vervolgens onderzoekt de Commissie op welke manier Googles productvergelijker op de algemene resultatenpagina’s wordt gepositioneerd en gepresenteerd. Wat de positionering betreft, heeft de Commissie twee verschillen vastgesteld met de positionering van concurrerende productvergelijkers, namelijk ten eerste dat voor de rangschikking van Googles productvergelijker niet dezelfde mechanismen worden toegepast, en met name geen aanpassingsalgoritmen zoals Panda, en ten tweede dat Googles productvergelijker bij de weergave ervan in een „box” op een uiterst zichtbare plaats verschijnt. Wat de toepassing van de aanpassingsmechanismen betreft, merkt de Commissie op dat deze algoritmen niet worden gebruikt voor Googles productvergelijker, hoewel deze veel kenmerken gemeen heeft met concurrerende productvergelijkers en daardoor vatbaar zou zijn geweest voor dezelfde downgrade in de generieke resultaten. Wat de zichtbaarheid van Googles productvergelijker binnen de algemene resultatenpagina’s betreft, geeft de Commissie met name aan dat Google sinds de lancering van Product Universal in de meeste gevallen de resultaten van haar eigen productvergelijker hetzij boven alle generieke resultaten, hetzij ter hoogte van de eerste generieke resultaten plaatste, met als doel, volgens een interne e-mail van Google, om „het verkeer aanzienlijk te doen toenemen”. Nadat de Commissie de evolutie van Product Universal van 2007 tot 2012 heeft beschreven, onderzoekt zij de positionering van de Shopping Unit en wijst zij erop dat deze steeds boven Googles eerste generieke resultaten is terug te vinden. Dienaangaande wijst de Commissie, in antwoord op Googles argument dat het activeringspercentage (verschijningsfrequentie) van de Shopping Unit laag is, erop dat het activeringspercentage ervan in de meeste gevallen hoger ligt dan dat van de 361 door Google geïdentificeerde concurrerende productvergelijkers, zowel bij de eerste vier generieke resultaten als bij het eerste generieke resultaat. Tot staving van deze stelling verstrekt de Commissie cijfers voor de dertien relevante geografische markten.
62 Wat de presentatie van Googles productvergelijker betreft, stelt de Commissie vast dat het belangrijkste verschil in presentatie met concurrerende productvergelijkers zit in het feit dat Googles productvergelijker wordt gepresenteerd met rijkere grafische kenmerken, waaronder afbeeldingen en dynamische informatie. Deze verrijkte grafische kenmerken leiden volgens de Commissie tot een hogere klikfrequentie voor Google en dus tot hogere inkomsten. De Commissie somt in dat verband een aantal punten op die zij heeft gehaald uit de uitleg van Google zelf en uit de bijdrage van een andere onderneming aan de administratieve procedure.
63 Daarna antwoordt de Commissie op de argumenten die Google ter betwisting van de haar verweten bevoordeling heeft aangevoerd. De Commissie geeft met name verschillende redenen waarom de weergave en het gebruik van de Product Universals en de Shopping Units in het voordeel werken van Googles productvergelijker. Zij stelt ook dat het argument dat Google dezelfde relevantiecriteria toepast op de Product Universal en de generieke resultaten enerzijds en op de Shopping Unit en andere productadvertenties anderzijds, irrelevant is.
64 In de tweede plaats onderzoekt de Commissie, ten bewijze dat de litigieuze praktijken misbruik opleveren, in punt 7.2.2 van het bestreden besluit de waarde van het verkeersvolume voor productvergelijkingsdiensten. De Commissie merkt in dit verband op dat het verkeersvolume in vele opzichten belangrijk is voor het concurrentievermogen van een productvergelijker. Dienaangaande citeert de Commissie de eigenaar van verschillende productvergelijkers die heeft verklaard dat verkeer de belangrijkste troef van een gespecialiseerde zoekmachine is omdat, om een aantal redenen, de zoekdiensten relevanter worden naarmate er meer verkeer is, en bevestigt vervolgens, onder meer op basis van talrijke verklaringen, dat de relevantie van een gespecialiseerde zoekdienst is gekoppeld aan de omvang en het recente karakter van de verstrekte informatie. Een hoog verkeersniveau stelt de productvergelijkingsdiensten in staat de verkopers ervan te overtuigen hun meer gegevens over hun producten te verstrekken en aldus hun aanbod van productvergelijkingen op het internet, en dus hun inkomsten, te verhogen. Tevens merkt de Commissie – onder verwijzing naar talrijke verklaringen dienaangaande – op dat het verkeer leidt tot leereffecten die de relevantie van de zoekresultaten en dus het nut van de aan de internetgebruikers aangeboden productvergelijkingsdienst verhogen. Ten slotte verduidelijkt de Commissie dat het verkeer productvergelijkers in staat stelt experimenten uit te voeren om hun zoekdiensten te verbeteren en extra zoekopdrachten voor te stellen aan de internetgebruikers die deze raadplegen.
65 In de derde plaats zet de Commissie, ten bewijze dat de litigieuze praktijken misbruik opleveren, in punt 7.2.3 van het bestreden besluit uiteen dat deze praktijken het verkeer vanaf Googles algemene resultatenpagina’s naar concurrerende productvergelijkers doen dalen en het verkeer vanaf die pagina’s naar Googles productvergelijker doen stijgen. De Commissie onderbouwt deze bevinding met drie elementen. Om te beginnen komt zij, op basis van een analyse van het gebruikersgedrag, tot de bevinding dat generieke resultaten veel verkeer naar een website op gang brengen wanneer zij binnen de eerste drie tot vijf resultaten van de eerste algemene resultatenpagina gerangschikt staan, waarbij gebruikers weinig of geen aandacht besteden aan de daaropvolgende resultaten, die vaak niet meteen op het scherm verschijnen. De Commissie voegt daaraan toe dat de eerste tien resultaten goed zijn voor ongeveer 95 % van de kliks van internetgebruikers. Op basis van door Microsoft uitgevoerde studies geeft de Commissie aan dat de positie van een bepaalde link in de generieke resultaten een grote impact heeft op het klikpercentage voor die link, ongeacht de relevantie van de webpagina waarnaar de link verwijst, en dat een wijziging in de rangschikking van een zoekresultaat op Googles algemene resultatenpagina’s een grote impact had op het verkeer van algemene zoekopdrachten. Vervolgens merkt de Commissie op dat de litigieuze praktijken over een aanzienlijke periode hebben geleid tot een daling van het verkeer vanaf Googles algemene resultatenpagina’s naar bijna alle concurrerende productvergelijkers in elk van de 13 EER-landen waar zij werden toegepast. Ten slotte komt de Commissie tot de bevinding dat de litigieuze praktijken hebben geleid tot een stijging van Googles verkeer naar haar eigen productvergelijker. De Commissie beroept zich op verschillende elementen om deze bevindingen te staven. Zij verwerpt het argument dat Google heeft aangevoerd ter betwisting van de vastgestelde verkeersontwikkelingen en van het causale verband tussen haar gedragingen en die ontwikkelingen.
66 In de vierde plaats voert de Commissie, ten bewijze dat de litigieuze praktijken misbruik opleveren, in punt 7.2.4 van het bestreden besluit aan dat het verkeer dat door die praktijken wordt verlegd, een groot deel van het verkeer naar concurrerende productvergelijkers uitmaakt en niet daadwerkelijk kan worden vervangen door de andere verkeersbronnen waarover concurrerende productvergelijkers thans beschikken, namelijk AdWords-tekstadvertenties, mobiele apps, rechtstreeks verkeer, verwijzingen van andere partnerwebsites, sociale netwerken en andere algemene zoekmachines.
67 In de vijfde plaats geeft de Commissie, ten bewijze dat de litigieuze praktijken misbruik opleveren, in punt 7.3 van het bestreden besluit aan dat die praktijken potentieel mededingingsbeperkende gevolgen hebben voor de dertien nationale markten voor gespecialiseerde zoekopdrachten naar productvergelijkingen en op de dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten, waarnaar in punt 55 hierboven is verwezen. Wat de eerste categorie betreft, tracht de Commissie aan te tonen dat de litigieuze praktijken concurrerende productvergelijkers ertoe kan aanzetten hun activiteiten te beëindigen, dat zij een negatieve invloed kunnen hebben op innovatie en dat zij dus de kansen van consumenten om toegang te krijgen tot de meest performante diensten kan beperken. De mededingingsstructuur van deze markten wordt dan ook beïnvloed. Indien shoppingplatforms tot deze markten worden gerekend, treden volgens de Commissie dezelfde effecten op voor Googles naaste concurrenten, namelijk de concurrerende productvergelijkers. Wat de nationale markten voor algemene zoekopdrachten betreft, komen de mededingingsbeperkende effecten van de litigieuze praktijken volgens de Commissie voort uit het feit dat de extra middelen die Google via de algemene resultatenpagina’s uit haar productvergelijker haalt, haar in staat stellen haar algemene zoekdienst te versterken.
68 Samengevat heeft de Commissie in het bestreden besluit willen aantonen dat Google haar productvergelijker op haar algemene resultatenpagina’s prominenter positioneert en aantrekkelijker presenteert dan concurrerende productvergelijkers (punt 7.2.1 van het bestreden besluit), dat een hoog verkeersniveau, met andere woorden veel bezoekers, essentieel is voor productvergelijkers (punt 7.2.2 van het bestreden besluit), dat het gedrag van Google het verkeer naar haar productvergelijker doet stijgen en het verkeer naar concurrerende productvergelijkers doet dalen (punt 7.2.3 van het bestreden besluit), dat het verkeer dat afkomstig is van Googles algemene resultatenpagina’s een groot deel van het verkeer van die concurrerende productvergelijkers uitmaakt en niet daadwerkelijk kan worden vervangen door andere verkeersbronnen (punt 7.2.4 van het bestreden besluit), dat het litigieuze gedrag kan leiden tot de uitbreiding van Googles machtspositie tot andere markten dan die waarop zij reeds over die machtspositie beschikt, namelijk gespecialiseerde zoekmarkten voor productvergelijking (punt 7.3.1 van het bestreden besluit), dat zelfs indien de productvergelijkingsdiensten worden gerekend tot de ruimere markten die ook de diensten van onlineverkoopplatforms omvatten, dezelfde mededingingsbeperkende effecten optreden voor het segment van die markten voor productvergelijkingsdiensten (punt 7.3.2 van het bestreden besluit) en dat dit gedrag eveneens Googles machtspositie op de markten voor algemene zoekopdrachten beschermt (punt 7.3.3 van het bestreden besluit). Zij benadrukt met name de schade voor de consument die daaruit kan voortvloeien. Het tegen deze analyse opgeworpen argument van Google dat niet de juiste juridische criteria zijn gehanteerd (punt 7.4 van het bestreden besluit), wordt door de Commissie van de hand gewezen. De Commissie verwerpt tevens de rechtvaardigingsgronden die Google heeft aangevoerd om aan te tonen dat haar gedrag geen misbruik oplevert (punt 7.5 van het bestreden besluit) omdat dit gedrag objectief noodzakelijk is of omdat de eventuele daaruit voortvloeiende mededingingsbeperkingen worden gecompenseerd door efficiëntieverbeteringen ten voordele van de consument.
69 Zoals inzonderheid uit de overwegingen 344 en 512 van het bestreden besluit blijkt, bestaat het gedrag dat de Commissie specifiek als bron van het misbruik door Google aanwijst, er in wezen in dat Google haar productvergelijker op haar algemene resultatenpagina’s prominent en aantrekkelijk weergeeft in speciale „boxes”, zonder dat de voor algemene zoekopdrachten gebruikte aanpassingsalgoritmen erop worden toegepast, terwijl concurrerende productvergelijkers op deze pagina’s alleen kunnen verschijnen in de vorm van algemene zoekresultaten (blauwe links), die door de toepassing van deze aanpassingsalgoritmen doorgaans laag worden gerangschikt. In de overwegingen 440 en 537 van het bestreden besluit wijst de Commissie erop dat zij als zodanig niet de verschillende door Google gekozen – als relevantiecriteria aangemerkte – selectiecriteria betwist, maar wel het feit dat niet tegelijkertijd dezelfde criteria inzake positionering en presentatie golden voor zowel Googles productvergelijker als voor die van haar concurrenten. Evenzo geeft de Commissie in overweging 538 van het bestreden besluit aan dat zij niet opkomt tegen de valorisatie van door Google relevant geachte gespecialiseerde resultaten voor productvergelijkingen op zich, maar wel tegen het feit dat die valorisatie niet tegelijkertijd gold voor zowel haar eigen productvergelijker als voor die van haar concurrenten.
70 Na daarvan het bewijs te hebben geleverd verklaart de Commissie in artikel 1 van het bestreden besluit dat Google Inc., en Alphabet sinds de verwerving van de zeggenschap over Google Inc, inbreuk hebben gemaakt op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst in de dertien in punt 55 hierboven genoemde landen, die ofwel lidstaten van de Europese Unie zijn ofwel andere staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, en dit vanaf verschillende tijdstippen die samenvallen met de invoering van gespecialiseerde productresultaten of productadvertenties op de algemene resultatenpagina van Google.
71 Volgens de Commissie dient zij in het licht hiervan Google te gelasten binnen een termijn van 90 dagen een einde te maken aan het gelaakte gedrag en zich te onthouden van soortgelijk gedrag met eenzelfde doel of gevolg. Zij benadrukt dat, ofschoon Google op verschillende manieren aan dit bevel kan voldoen, bepaalde beginselen in acht moeten worden genomen, ongeacht of Google ervoor kiest de Shopping Units of andere groepen zoekresultaten voor productvergelijking op haar algemene resultatenpagina’s te handhaven of niet. Een van deze beginselen is in wezen de niet-discriminerende behandeling van Googles productvergelijker en concurrerende productvergelijkers. Het bevel tot beëindiging van het gelaakte gedrag is vervat in artikel 3 van het dispositief van het bestreden besluit.
72 Ten slotte is het volgens de Commissie gerechtvaardigd om Google een geldelijke sanctie op te leggen. Zij wijst erop dat zij krachtens artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 en artikel 5 van verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 305, blz. 6), een dergelijke sanctie kan opleggen aan ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst. Zij herinnert eveneens aan de algemene parameters voor de vaststelling van geldboeten van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003, namelijk de ernst en de duur van de inbreuk, en aan de wijze waarop zij die parameters toepast zoals aangegeven in haar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”).
73 De Commissie is dienaangaande van mening dat Google zich niet onbewust kon zijn van haar machtspositie op de nationale markten voor algemene zoekopdrachten, noch van het misbruikmakende karakter van haar gedrag, ook al waren bepaalde aspecten van de situatie nog niet onderzocht in eerdere zaken. Google heeft dus opzettelijk of uit onachtzaamheid gehandeld. Volgens de Commissie vormt het feit dat er in een bepaalde fase van de procedure besprekingen hebben plaatsgevonden om het vastgestelde mededingingsprobleem via toezeggingen van Google aan te pakken, geen belemmering voor de oplegging van een geldboete.
74 De Commissie wijst er bovendien op dat Alphabet, gelet op de zeggenschap die zij sinds 2 oktober 2015 over Google Inc. uitoefent, voor de periode vanaf die datum hoofdelijk aansprakelijk moet worden gesteld voor de betaling van de opgelegde geldboete.
75 Vervolgens bepaalt de Commissie, als uitgangspunt voor de berekening van de geldelijke sanctie, zoals deze in de punten 12 tot en met 19 van de richtsnoeren als „waarde van de verkopen” is gedefinieerd, de inkomsten die in 2016 in de dertien landen waarvoor zij het gelaakte gedrag heeft vastgesteld, zijn gegenereerd door de productadvertenties in de Shopping Units of op de gespecialiseerde Google-Shoppingpagina en door de tekstadvertenties die eveneens op die pagina waren opgenomen.
76 Gelet op het economische belang van de dertien nationale markten voor productvergelijkingsdiensten en het feit dat Google in de betrokken landen niet alleen een machtspositie innam op de markt voor algemene zoekdiensten maar ook qua marktaandeel ver voorlag op haar concurrenten, dient de coëfficiënt voor de ernst die moet worden toegepast om de in de punten 20 tot en met 23 van de richtsnoeren bedoelde geldelijke sanctie vast te stellen, volgens de Commissie 10 % van de in punt 75 hierboven vermelde grondslag te bedragen. Daarna vermenigvuldigt de Commissie dit bedrag, zoals bepaald in punt 24 van de richtsnoeren, voor elk van de dertien landen waarop de vaststelling van inbreuk betrekking heeft, met het aantal jaren gedurende welke sinds de lancering van de Product Universal of, bij gebreke daarvan, van de Shopping Unit, inbreuk is gepleegd. Daarbij neemt de Commissie tijdvakken variërend van 1305 tot 3435 dagen in aanmerking, afhankelijk van het land.
77 Om er in wezen voor te zorgen dat van de geldboete een afschrikkende werking uitgaat die met name gericht is op ondernemingen van dezelfde omvang en met dezelfde financiële draagkracht als Google – die in 2016 een totale omzet van 81597000000 EUR had – voegt de Commissie een extra bedrag toe, zoals bepaald in punt 25 van de richtsnoeren, dat overeenkomt met 10 % van de in punt 75 hierboven aangegeven grondslag, en past zij op het aldus berekende bedrag een vermenigvuldigingsfactor van 1,3 toe. Zij stelt geen verzwarende of verzachtende omstandigheden vast die een verhoging of een verlaging van de geldboete rechtvaardigen.
78 Aldus heeft de Commissie Google Inc. bij artikel 2 van het bestreden besluit een geldelijke sanctie opgelegd van 2424495000 EUR, waarvan 523518000 EUR hoofdelijk met Alphabet.
II. Procedure
79 Bij op 11 september 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Google het onderhavige beroep ingesteld.
80 Bij op 28 november 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft het Bureau européen des unions de consommateurs (BEUC) (Europese consumentenorganisatie) verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
81 Bij op 4 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte hebben Connexity Inc., Connexity UK Ltd, Connexity Europe GmbH en Pricegrabber.com verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
82 Bij op 7 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft Infederation Ltd (hierna: „Foundem”) verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
83 Bij op 11 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en Initiative for a Competitive Online Marketplace verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
84 Bij op 19 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft Prestige Gifting Ltd verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van Google.
85 Bij op 19 december 2017 ter griffie va het Gerecht neergelegde akte heeft Kelkoo verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
86 Bij op 20 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft Computer & Communication Industry Association (hierna: „CCIA”) verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van Google.
87 Bij op 20 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben Consumer Watchdog, Yelp Inc., het Verband Deutscher Zeitschriftenverleger eV (hierna: „VDZ”), Visual Meta GmbH, het BDZV – Bundesverband Digitalpublisher und Zeitungsverleger eV, voorheen het Bundesverband Deutscher Zeitungsverleger eV (hierna: „BDZV”), de Bondsrepubliek Duitsland, Open Internet Project (OIP) en Twenga verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
88 Bij op 21 december 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft FairSearch verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
89 Op 31 januari 2018 heeft de Commissie het verweerschrift neergelegd.
90 Bij op 20 maart 2018 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft StyleLounge GmbH verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie.
91 Bij brief van 23 maart 2018 hebben Google en de Commissie overeenkomstig artikel 144 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om bepaalde elementen van het dossier wegens de vertrouwelijkheid ervan niet aan interveniënten mee te delen. Google en de Commissie hebben in dit verband ten aanzien van alle verzoekers in interventie, met inbegrip van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, inhoudelijk identieke verzoeken geformuleerd.
92 Op 7 mei 2018 heeft Google de repliek neergelegd.
93 Bij beschikking van 16 mei 2018, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:292), heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht het verzoek van StyleLounge tot interventie in het geding aan de zijde van de Commissie afgewezen wegens tardiviteit.
94 Op 20 juli 2018 heeft de Commissie de dupliek neergelegd.
95 Naar aanleiding van een maatregel tot organisatie van de procesgang die het Gerecht heeft genomen om de reikwijdte van de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van stukken uit het dossier te beperken, hebben Google en de Commissie ten aanzien van alle verzoekers in interventie herziene verzoeken om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot het verzoekschrift en het verweerschrift ingediend op 28 september 2018, en vervolgens verzoeken om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot de repliek en de dupliek op 12 oktober 2018. Ook deze verzoeken zijn ten aanzien van alle verzoekers in interventie inhoudelijk identiek.
96 Bij beschikkingen van 7 december 2018, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:978), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:982), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:996), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1001)en Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1002), heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht de verzoeken om toelating tot interventie van respectievelijk Prestige Gifting, FairSearch, Consumer Watchdog, Yelp, Connexity, Connexity UK, Connexity Europe en Pricegrabber.com en Initiative for a Competitive Online Marketplace afgewezen op grond dat zij hun belang bij de beslechting van het geding niet hadden aangetoond.
97 Bij beschikkingen van 17 december 2018, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1007), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1008), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1009), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1010), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1011), Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1028) en Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1029), heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht respectievelijk het BEUC, Foundem, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie. Bij die beschikkingen is de beslissing omtrent de kosten van de interventies aangehouden.
98 Bij beschikking van 17 december 2018, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:1005), heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht het verzoek tot interventie van OIP afgewezen op grond dat zij haar belang bij de beslechting van het geding niet had aangetoond.
99 Bij de beschikkingen waarbij de verzoeken om toelating tot interventie zijn toegewezen, is de beslissing ten gronde over de verzoeken om vertrouwelijke behandeling aangehouden en is aan het BEUC, Foundem, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland een niet-vertrouwelijke versie van de processtukken meegedeeld in afwachting van hun eventuele opmerkingen over de verzoeken om vertrouwelijke behandeling.
100 Op 15 januari 2019 heeft Foundem de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van Google gedeeltelijk betwist.
101 Op 15 januari 2019, en nogmaals op 25 januari 2019, heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA verklaard dat zij de verzoeken van de Commissie en Google om vertrouwelijke behandeling geheel of gedeeltelijk irrelevant of ongegrond achtte wat haar betrof. Zij heeft niettemin aangegeven dat zij niet verzocht om haar de vertrouwelijke versies van de stukken uit het dossier ter beschikking te stellen.
102 Bij beschikking van 11 april 2019, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:250), heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht een aantal van de herziene verzoeken om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot in het verzoekschrift en in het verweerschrift vervatte informatie en een aantal van de verzoeken om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot in de repliek en in de dupliek vervatte informatie toegewezen. Hij heeft de verzoeken om vertrouwelijke behandeling afgewezen voor het overige. Dientengevolge is een termijn vastgesteld voor Google en de Commissie om nieuwe niet-vertrouwelijke versies van bepaalde stukken uit het dossier te verstrekken en voor Foundem om haar memorie in interventie te vervolledigen in het licht van de informatie waarvan de vertrouwelijke behandeling was opgeheven. In antwoord op de opmerkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die zich had beroepen op haar bijzondere positie in het kader van administratieve procedures die leiden tot besluiten van de Commissie, zoals het bestreden besluit, waarbij een inbreuk op de in de EER-Overeenkomst neergelegde mededingingsregels wordt vastgesteld, heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht aangegeven dat deze autoriteit in het kader van de voor het Gerecht toepasselijke gerechtelijke procedure aan dezelfde eisen dient te voldoen als de andere interveniënten en dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak geen gevolg kon worden gegeven aan haar opmerkingen.
103 Het BEUC, Foundem, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland hebben op 15 maart 2019 elk hun memorie in interventie neergelegd. Foundem heeft op 11 juni 2019 een aanvullende memorie in interventie neergelegd. De Commissie heeft op 20 mei 2019 opmerkingen ingediend over de memorie in interventie van CCIA, en Google op 21 juni 2019 over de memories in interventie van het BEUC, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland, en op 1 juli 2019 specifiek over die van Foundem.
104 Op voorstel van de Negende kamer heeft het Gerecht op 10 juli 2019 overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering besloten om de zaak te verwijzen naar een uitgebreide kamer.
105 Bij brieven van respectievelijk 9 en 23 augustus 2019 hebben de Commissie en Google verzocht om bepaalde elementen van de opmerkingen van Google over verschillende memories in interventie, om redenen van vertrouwelijkheid ervan, niet mee te delen aan het BEUC, Foundem, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland.
106 Op 5 en 10 september 2019 hebben respectievelijk het BEUC en Kelkoo een aantal van Googles verzoeken om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot haar opmerkingen over hun memories in interventie betwist.
107 Bij beschikking van 8 oktober 2019, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:770), heeft de president van de uitgebreide Negende kamer van het Gerecht geoordeeld dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over de in punt 105 hierboven bedoelde niet-betwiste verzoeken om vertrouwelijke behandeling en, wat de betwiste verzoeken betreft, een aantal ervan toegewezen ten aanzien van het BEUC, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland, een aantal andere ervan toegewezen behalve ten aanzien van Kelkoo, en nog een aantal andere afgewezen.
108 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Negende kamer – uitgebreid) besloten de mondelinge behandeling te openen en overeenkomstig artikel 89, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering de hoofdpartijen verzocht, schriftelijk of ter terechtzitting op een aantal vragen te antwoorden.
109 Op 21 en 22 januari 2020 hebben respectievelijk de Commissie en Google geantwoord op de vragen van het Gerecht die schriftelijk dienden te worden beantwoord. Google heeft verzocht om bepaalde elementen van haar antwoord wegens de vertrouwelijkheid ervan niet mee te delen aan het BEUC, Foundem, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland.
110 Op 5 februari 2020 heeft het BDZV een aantal van Googles verzoeken om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot haar schriftelijk antwoord op de vragen van het Gerecht, maar ook met betrekking tot bijlagen bij het verweerschrift en de repliek, betwist.
111 Bij beschikking van 10 februari 2020, Google en Alphabet/Commissie (T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:69), heeft de president van de uitgebreide Negende kamer van het Gerecht de door het BDZV ingediende verzoeken om opheffing van de vertrouwelijke behandeling met betrekking tot de bijlagen bij het verweerschrift en de repliek niet-ontvankelijk verklaard, geoordeeld dat niet hoefde te worden beslist over de in punt 109 hierboven bedoelde niet-betwiste verzoeken om vertrouwelijke behandeling, en de betwiste verzoeken toegewezen.
112 De terechtzitting heeft plaatsgevonden van 12 tot en met 14 februari 2020, nadat de hoofdpartijen, na een voorbereidende vergadering van de kamerpresident en de rechter-rapporteur die met hen op 15 januari 2020 heeft plaatsgevonden volgens artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, hebben aanvaard om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde elementen van het dossier op te heffen ten aanzien van het BEUC, Foundem, CCIA, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo, de Bondsrepubliek Duitsland en het publiek.
III. Conclusies van partijen
113 Google verzoekt het Gerecht: – primair, het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, de geldboete in te trekken of te verlagen; – de Commissie hoe dan ook te verwijzen in de kosten; – het BEUC, Foundem, het VDZ, het BDZV, Visual Meta, Twenga, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, Kelkoo en de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de aan hun interventie verbonden kosten.
114 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – Google te verwijzen in de kosten; – CCIA te verwijzen in de voor haar interventie gemaakte kosten.
115 CCIA verzoekt het Gerecht het bestreden besluit nietig te verklaren en de Commissie te verwijzen in de aan haar interventie verbonden kosten.
116 De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.
117 Het BEUC verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen en Google te verwijzen in de aan zijn interventie verbonden kosten.
118 Foundem, Kelkoo, het VDZ, Visual Meta, het BDZV en Twenga verzoeken het Gerecht het beroep te verwerpen en Google te verwijzen in de kosten.
IV. In rechte
A. Inleidende overwegingen
119 Meteen moet erop worden gewezen dat Google niet betwist dat zij een machtspositie inneemt op de dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten die overeenkomen met de landen waar zij volgens de Commissie misbruik van die positie heeft gemaakt. Alle hiernavolgende analysen zijn op dit uitgangspunt gebaseerd.
1. Volgorde van behandeling van de middelen en de argumenten in de onderhavige zaak
120 Google voert zes gronden tot nietigverklaring van het bestreden besluit aan, die zij als volgt uiteenzet: „Uit het eerste en het tweede middel blijkt dat in het besluit ten onrechte tot de slotsom wordt gekomen dat Google haar productvergelijkingsdienst bevoordeelt door de weergave van de Product Universals en de Shopping Units. Met het derde middel wordt uitgelegd waarom het besluit onjuist is, voor zover daarin wordt aangenomen dat de positionering en de weergave van de Product Universals en de Shopping Units Googles zoekverkeer hebben verlegd. Met het vierde middel zal worden aangetoond dat de speculaties in het besluit over mededingingsbeperkende gevolgen ongegrond zijn. Uit het vijfde middel blijkt dat het besluit kwalitatieve verbeteringen die een op verdienste gebaseerde mededinging vormen, ten onrechte als misbruiken kwalificeert. Met het zesde middel wordt aangetoond dat de redenen waarom bij het besluit een geldboete is opgelegd, ongegrond zijn.”
121 Het Gerecht merkt op dat Googles betoog talrijke feitelijke en technische elementen bevat, alsmede juridische punten van kritiek die telkens terugkomen tot staving van verschillende middelen. Het Gerecht zal de middelen en argumenten van Google in de hiernavolgende volgorde behandelen.
122 Onder titel B van het onderhavige deel, betreffende de primaire conclusies, zal het Gerecht allereerst in punt 1 de argumenten onderzoeken waarmee Google aanvoert dat de door de Commissie gelaakte praktijken in feite kwalitatieve verbeteringen van haar onlinezoekdienst zijn (vijfde middel), waaruit in de eerste plaats volgt dat Google geen misbruik kan hebben gemaakt omdat de Commissie niet heeft aangetoond dat die verbeteringen elementen bevatten die afwijken van op verdienste gebaseerde mededinging, en in de tweede plaats dat de Commissie, omdat zij deze elementen niet heeft kunnen isoleren, Google in feite een leveringsverplichting heeft opgelegd, zonder te voldoen aan de strikte voorwaarden van het arrest van 26 november 1998, Bronner, (C‑7/97, EU:C:1998:569). Dienaangaande meent Google dat de Commissie haar meer bepaald heeft verplicht haar concurrenten toegang tot haar diensten te verlenen, alsof het ging om „essentiële faciliteiten” die voor hen onontbeerlijk waren, zonder aan te tonen dat was voldaan aan de daartoe in de rechtspraak van het Hof gestelde voorwaarden. In het kader van Googles betoog over de op verdienste gebaseerde mededinging zal ook het argument worden onderzocht dat Google met de invoering van de in deze zaak aan de orde zijnde gespecialiseerde resultaten in wezen geen mededingingsbeperkende doelstelling heeft nagestreefd aangezien zij kwalitatieve verbeteringen van haar zoekdienst vormen. Dit argument, dat in het eerste onderdeel van het eerste middel wordt aangevoerd, zal ook worden behandeld onder titel B, punt 1.
123 Aldus zal het Gerecht onder titel B, punt 1, onderzoeken of de juridische kwalificatie van door de Commissie krachtens artikel 102 VWEU vastgestelde bevoordeling wettig is, alsmede de vraag of een dergelijk begrip van misbruik, waarbij een onderneming met een machtspositie er in wezen van wordt beschuldigd haar eigen dienst te bevoordelen ten koste van die van haar concurrenten, terecht kon worden toegepast door de Commissie.
124 Vervolgens zal het Gerecht onder titel B, punt 2, van het onderhavige deel de echtheid onderzoeken van het verschil in behandeling dat aan die kwalificatie ten grondslag ligt, namelijk de vraag of Google al dan niet ten voordele van haar eigen gespecialiseerde zoekdienst heeft gediscrimineerd voor de periode die overeenstemt met de invoering van de Product Universal (eerste middel) respectievelijk voor de periode die overeenstemt met de invoering van de Shopping Unit (tweede middel).
125 Daarna zal het Gerecht onder titel B, punt 3, van het onderhavige deel het derde en het vierde middel onderzoeken, waarmee Google aanvoert dat het gelaakte gedrag geen mededingingsbeperkende gevolgen heeft teweeggebracht.
126 Ten slotte zal het Gerecht onder titel B, punt 4, van het onderhavige deel het derde onderdeel van het eerste en van het tweede middel van Google onderzoeken, volgens welke het verweten gedrag objectief gerechtvaardigd was en bijgevolg niet in strijd was met artikel 102 VWEU.
127 Nadat het Gerecht onder titel B, punt 5, van het onderhavige deel een conclusie ten gronde zal hebben getrokken, zal het onder titel C van het onderhavige arrest het zesde middel onderzoeken, waarmee Google betoogt dat de geldelijke sanctie in elk geval ongerechtvaardigd en op zijn minst te hoog is.
2. Omvang van de toetsing door het Gerecht in de onderhavige zaak
128 Ter inleiding herinnert het Gerecht aan de omvang van de toetsing door de Unierechter van door de Commissie op grond van artikel 102 VWEU vastgestelde besluiten.
129 De rechterlijke toetsing door het Gerecht omvat de toetsing van de wettigheid van de handelingen van de instellingen zoals artikel 263 VWEU daarin voorziet, in voorkomend geval aangevuld, krachtens artikel 261 VWEU, met een volledige rechtsmacht ten aanzien van de opgelegde sancties (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 71).
130 Zoals het Hof heeft gepreciseerd, heeft de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betrekking op alle aspecten van de in procedures op grond van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, welke door het Gerecht grondig, zowel juridisch als feitelijk, worden getoetst op basis van de door verzoekers aangevoerde middelen en rekening houdende met alle door hen aangedragen informatie, ongeacht of het gaat om informatie van vóór of na het vastgestelde besluit en of die informatie reeds in de administratieve procedure dan wel pas in het bij het Gerecht ingestelde beroep wordt overgelegd, voor zover sprake is van informatie die relevant is voor de toetsing van de wettigheid van het besluit van de Commissie (arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72; zie in die zin ook arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 48).
131 Het Hof heeft geoordeeld dat de Commissie weliswaar een beoordelingsmarge heeft wat economische vraagstukken betreft, maar dat dit niet wegneemt dat de Unierechter de interpretatie door de Commissie van economische gegevens mag toetsen. De Unierechter moet met name immers niet slechts nagaan of de bewijselementen waarop de Commissie zich baseert materieel juist, betrouwbaar en coherent zijn, maar ook of deze elementen het relevante feitenkader vormen dat voor de beoordeling van een ingewikkelde situatie in aanmerking moet worden genomen, en of zij de eraan verbonden conclusies kunnen dragen (arresten van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval, C‑12/03 P, EU:C:2005:87, punt 39; 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 54, en 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 54). Wanneer de Commissie voor de kwalificatie van een praktijk ten aanzien van de bepalingen van artikel 102 VWEU daadwerkelijk belang hecht aan een economische analyse, is de Unierechter verplicht om alle argumenten die de gesanctioneerde onderneming met betrekking tot deze analyse heeft geformuleerd, te onderzoeken (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 141‑144).
132 Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het op het gebied van het mededingingsrecht aan de Commissie staat om in het geval van een geschil over het bestaan van een inbreuk de door haar vastgestelde inbreuken aan te tonen en de bewijzen te leveren waaruit rechtens genoegzaam blijkt dat de feiten die een inbreuk vormen, daadwerkelijk zijn gepleegd. Eventuele twijfel die bij de rechter leeft, dient in het voordeel te spelen van de onderneming waaraan het besluit houdende vaststelling van een inbreuk is gericht (arresten van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punten 71 en 72, en 16 februari 2017, Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb/Commissie, C‑90/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:123, punten 17 en 18).
133 Ofschoon het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels moet worden geleverd door de autoriteit die de inbreuk aanvoert, moet de onderneming die verweer voert tegen een vastgestelde inbreuk op die regels, het bewijs leveren dat dit verweermiddel dient te worden aanvaard, zodat die autoriteit zich dan op andere bewijselementen uit het bestreden besluit zal moet baseren. Bovendien, ook al rust de bewijslast volgens die beginselen dus ofwel op de Commissie ofwel op de betrokken onderneming, kunnen de door een partij aangevoerde feiten van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij gebreke waarvan mag worden geconcludeerd dat is voldaan aan de regels inzake de bewijslast (zie in die zin arrest van 17 juni 2010, Lafarge/Commissie, C‑413/08 P, EU:C:2010:346, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
134 Indien de Commissie zich baseert op bewijs dat in beginsel toereikend is om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, kan de enkele verwijzing door de betrokken onderneming naar het zich mogelijkerwijs voorgedaan hebben van een omstandigheid die de bewijskracht van dit bewijs kan aantasten, er dan ook niet toe leiden dat de Commissie het tegenbewijs moet leveren dat deze omstandigheid de bewijskracht van dat bewijs niet kon aantasten. De betrokken onderneming moet integendeel rechtens genoegzaam aantonen dat de door haar aangevoerde omstandigheid zich inderdaad heeft voorgedaan en dat deze omstandigheid afbreuk doet aan de bewijskracht van het bewijs waarop de Commissie zich baseert, tenzij een dergelijk bewijs niet kan worden geleverd ten gevolge van het gedrag van de Commissie zelf (arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 76).
135 Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat het Hof en het Gerecht bij het uitvoeren van de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU hun eigen motivering met betrekking tot de feitenbeoordeling niet in de plaats mogen stellen van die van de instelling die de bestreden handeling heeft vastgesteld (arresten van 27 januari 2000, DIR International Film e.a./Commissie, C‑164/98 P, EU:C:2000:48, point 38; 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 89, en 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 73). Aangezien de toetsing van de wettigheid van het bestreden besluit betrekking heeft op de motivering van dat besluit, kan de rechter niet op eigen initiatief of op verzoek van de administratie redenen toevoegen aan die welke in dat besluit zijn aangevoerd.
B. Primaire conclusies tot nietigverklaring van het bestreden besluit
1. Vijfde middel en het eerste onderdeel van het eerste middel, ontleend aan het feit dat de litigieuze praktijken in overeenstemming zijn met op verdienste gebaseerde mededinging
136 Zoals in de punten 122 en 123 hierboven is aangegeven, betoogt Google in het eerste onderdeel van het vijfde middel allereerst dat in het bestreden besluit, wat de wijze betreft waarop zij kwalitatieve verbeteringen aan haar onlinezoekdienst aanbrengt, geen elementen worden aangeduid die afwijken van op verdienste gebaseerde mededinging.
137 Vervolgens stelt Google in het tweede onderdeel van het vijfde middel dat het in het bestreden besluit gelaakte gedrag in werkelijkheid een leveringsweigering vormt, aangezien de Commissie haar verwijt dat zij de resultaten van concurrerende productvergelijkers geen toegang heeft verleend tot haar „technologieën en designs”, en meer bepaald tot de „boxes” die bovenaan haar algemene resultatenpagina’s staan. De Commissie had voor de vaststelling dat een dergelijke handelwijze in strijd was met artikel 102 VWEU evenwel moeten aantonen dat de voorwaarden van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), waren vervuld, hetgeen zij niet heeft gedaan. Met de vaststelling dat sprake was van bevoordeling heeft de Commissie dus in werkelijkheid getracht de voorwaarden voor de leveringsweigering te omzeilen en heeft zij in haar besluit blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
138 Ten slotte betoogt Google in het eerste onderdeel van het eerste middel dat de redenen voor de invoering van gespecialiseerde productresultaten verkeerd worden voorgesteld in het bestreden besluit. Google heeft de productresultaatgroepen immers niet ingevoerd om verkeer naar haar eigen productvergelijker te leiden, zoals de Commissie beweert, maar om de kwaliteit van haar resultaten en de presentatie ervan voor de gebruikers te verbeteren.
a) Eerste onderdeel van het vijfde middel: de litigieuze praktijken vormen kwalitatieve verbeteringen in het kader van op verdienste gebaseerde mededinging en kunnen niet worden aangemerkt als misbruik
1) Argumenten van partijen
139 Google voert in het eerste onderdeel van haar vijfde middel aan dat de gelaakte praktijken kwalitatieve verbeteringen vormen in het kader van op verdienste gebaseerde mededinging en niet als misbruik kunnen worden aangemerkt.
140 Wat het eerste aspect betreft verwijst Google met name naar de arresten van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie (85/76, EU:C:1979:36, punt 91), 3 juli 1991, AKZO/Commissie (C‑62/86, EU:C:1991:286, punt 70), en 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C‑280/08 P, EU:C:2010:603, punt 177), voor haar betoog dat het Hof met betrekking tot ondernemingen met een machtspositie een onderscheid maakt tussen mededingingsbeperkende misbruikpraktijken en mededingingsbevorderende gedragingen die onder „normale” of „op verdienste gebaseerde” mededinging vallen.
141 Centraal in alle zaken die tot de in punt 140 hierboven aangehaalde arresten hebben geleid, staat dus volgens Google dat ondernemingen het recht hebben gebruik te maken van alle „normale” middelen om te concurreren en marktaandeel te winnen. Dit impliceert dat Google het recht heeft om „beter te concurreren” door de kwaliteit van haar technologieën en gespecialiseerde zoekdiensten te verbeteren voor natuurlijke productresultaten en productadvertenties die beschikbaar zijn op haar algemene zoekpagina. CCIA wijst er in dit verband op dat het ontwikkelen en verbeteren van het „design” van een website deel uitmaakt van het mededingingsproces. Deze ontwikkelingen beantwoorden immers aan de verwachtingen van zowel consumenten als adverteerders. De kwaliteit van een website is een essentiële parameter om te concurreren op de digitale markten. CCIA voegt hieraan toe dat in de huidige economie verticale integratie alomtegenwoordig is en in de regel uit economisch oogpunt positief is.
142 Volgens Google duidt de in het bestreden besluit naar voren gebrachte theorie op geen enkel gegeven aan de hand waarvan haar praktijken zouden kunnen worden onderscheiden van op verdienste gebaseerde mededinging. De stelling dat Google partijen heeft bevoordeeld en de veronderstelling van mogelijke gevolgen veranderen niets aan het feit dat de gebundelde productresultaten en -advertenties de kwaliteit van haar algemene zoekdienst hebben verhoogd. Door dergelijke „designs” op haar algemene resultatenpagina’s weer te geven en de onderliggende innovatieve technologieën te ontwikkelen, heeft Google op basis van verdienste geconcurreerd op de algemene zoekmarkt.
143 Volgens Google tracht de Commissie dit gegeven te verdonkeremanen waar zij in overweging 334 van het bestreden besluit stelt dat de „praktijk van een onderneming met een machtspositie op een bepaalde markt” misbruik kan opleveren indien deze „ertoe strekt die positie uit te breiden tot een afzonderlijke, doch verwante markt”. Zij voert in overweging 652 van het bestreden besluit aan dat de toepassing van deze regel op de verbetering van producten en diensten strookt met de bestaande rechtspraak. Daarbij is de Commissie er volgens Google louter van uitgegaan dat haar gedrag erop was gericht haar machtspositie door middel van een „hefboomwerking” uit te breiden tot markten die verwant zijn met markten waarop zij die positie innam, zonder rekening te houden met het feit dat dit gedrag bestond in de verbetering van haar diensten en het niet afweek van een „normale” of „op verdienste gebaseerde” mededinging.
144 Uit de rechtspraak blijkt echter dat niet elk uitsluitingseffect noodzakelijkerwijs de mededinging aantast, aangezien op verdienste gebaseerde mededinging ertoe kan leiden dat minder efficiënte concurrenten van de markt verdwijnen of daarop een marginale plaats krijgen. Google baseert zich in dit verband op de arresten van 27 maart 2012, Post Danmark (C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 22), en 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 134). Dit geldt niet alleen wanneer een dergelijk effect zich voordoet op de markt waarop de machtspositie wordt ingenomen, maar ook wanneer dit zich voordoet op een andere markt. Het verbeteren van een dienst „immuniseert” uiteraard niet tegen de kwalificatie van misbruik van een machtspositie, maar in dit geval had de Commissie dit gedrag niet als misbruik mogen aanmerken zonder voor deze „hefboomwerking” een aanvullend mededingingsbeperkend element in Googles gedrag te identificeren.
145 Google, daarin gesteund door CCIA, stelt in dit verband dat de term „misbruik door hefboomwerking” een generiek „paraplubegrip” is dat verschillende types van misbruik omvat. Voor elk afzonderlijk type „misbruik door hefboomwerking” worden in de rechtspraak specifieke elementen geïdentificeerd die het betrokken gedrag onderscheiden van op verdienste gebaseerde mededinging en die maken dat sprake is van misbruik, zoals kwaliteitsvermindering, uitholling van marges of de weigering om een onontbeerlijke input te verstrekken. Op zichzelf kan een door een onderneming met een machtspositie toegepaste praktijk van lage prijzen dus niet als misbruik worden aangemerkt. Slechts indien een aanvullend element wordt geïdentificeerd dat afwijkt van op verdienste gebaseerde mededinging, kan die praktijk als het hanteren van wurgprijzen worden gekwalificeerd. Volgens CCIA maakt het ontbreken van een theoretische basis voor het door de Commissie vastgestelde misbruik door bevoordeling het dus niet mogelijk om inzicht te krijgen in de aanvullende factoren of rechtsbeginselen die maken dat deze – overigens volkomen natuurlijke – bevoordeling inbreuk maakt op artikel 102 VWEU, hetgeen een probleem van rechtszekerheid voor de gehele internetsector vormt.
146 De Commissie, daarin gesteund door de Bondsrepubliek Duitsland, verklaart dat de verbetering van een dienst niet uitsluit dat deze misbruik van een machtspositie oplevert, met name indien zij ertoe leidt dat een onderneming met een machtspositie haar eigen dienst bevoordeelt met andere middelen dan op verdienste gebaseerde mededinging en indien dit mededingingsbeperkende gevolgen kan teweegbrengen.
147 De Commissie wijst erop dat zij eveneens de verbetering van Googles algemene zoekdienst betwist. Ofschoon het inderdaad mogelijk is dat Google haar algemene zoekdienst verbetert door „een aantal” gebundelde resultaten op haar algemene resultatenpagina’s weer te geven, kan zij haar algemene zoekdienst niet verbeteren door „uitsluitend” gebundelde resultaten van haar eigen productvergelijker op haar algemene resultatenpagina’s weer te geven. Voorts herinnert de Commissie eraan dat Googles gedrag volgens haar niet kan worden gerechtvaardigd door enige objectieve reden in verband met de verbetering van de kwaliteit van haar algemene zoekdienst.
148 De Bondsrepubliek Duitsland betoogt dat Googles gelaakte gedrag geen op verdienste gebaseerde mededinging inhoudt, aangezien het de mededinging belemmert op het gebied van de kwaliteit van het algoritme voor gespecialiseerde productzoekopdrachten. De kwaliteit van het gespecialiseerde zoekalgoritme is de parameter waarop de betrokken ondernemingen concurreren. Google zet door haar gedrag gebruikers ertoe aan niet op de meest relevante resultaten te klikken, maar op de meest zichtbare resultaten, namelijk haar eigen resultaten, ongeacht de werkelijke relevantie ervan voor de gebruiker.
149 Het VDZ betoogt dat de vraag of Google haar dienst heeft verbeterd, irrelevant is. De enige vraag is of Google de nieuwe functies van haar diensten (Product Universals, Shopping Units, aanpassingsalgoritmen) heeft gebruikt als instrument om haar productvergelijker te promoten ten koste van concurrerende productvergelijkers. De verbeteringen van Googles productvergelijker kunnen hoogstens worden beoordeeld vanuit het oogpunt van efficiëntieverbeteringen. Google levert evenwel geen bewijs van dergelijke efficiëntieverbeteringen, zoals door de rechtspraak wordt vereist. Het VDZ voegt daaraan toe dat het in de onderhavige zaak gaat om een typisch geval van misbruik door hefboomwerking. De praktijken wijken in wezen af van op verdienste gebaseerde mededinging, omdat Googles gedrag op de primaire markt alleen economisch zinvol kan zijn om de mededinging op de secundaire markt te beperken. Googles gedrag dat erin bestaat haar eigen productvergelijker te bevoordelen ten opzichte van concurrerende productvergelijkers, leidt immers tot de uitsluiting van relevantere gespecialiseerde zoekresultaten van concurrenten, hetgeen economisch niet zinvol is.
2) Beoordeling door het Gerecht
150 Zoals blijkt uit vaste rechtspraak, rust op de onderneming met een machtspositie een bijzondere verantwoordelijkheid om met haar gedrag geen afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt (zie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
151 In dat verband ziet artikel 102 VWEU onder meer op gedragingen van een onderneming met een machtspositie die, ten nadele van de consument, de instandhouding of de ontwikkeling van de op deze markt aanwezige mededinging verhinderen door het gebruik van andere middelen dan die welke bij een normale, op ondernemersprestaties berustende mededinging gebruikelijk zijn (zie arrest van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 Daarom verbiedt artikel 102 VWEU een onderneming met een machtspositie onder meer praktijken toe te passen die leiden tot uitsluiting met behulp van andere middelen dan die welke berusten op een mededinging op basis van verdienste (zie in die zin arresten van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 136).
153 Artikel 102 VWEU ziet niet alleen op praktijken die de consument rechtstreeks kunnen benadelen, maar tevens op praktijken die hem kunnen benadelen door de mededinging te verstoren (arrest van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, T‑336/07, EU:T:2012:172, punt 171).
154 De lijst van misbruikpraktijken van artikel 102 VWEU is niet exhaustief, zodat deze bepaling geen uitputtende opsomming geeft van de wijzen waarop in strijd met het in het Unierecht neergelegde verbod misbruik van een machtspositie kan worden gepleegd (arresten van 21 februari 1973, Europemballage en Continental Can/Commissie, 6/72, EU:C:1973:22, punt 26; 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige, C‑52/09, EU:C:2011:83, punt 26, en 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, T‑336/07, EU:T:2012:172, punt 174).
155 Misbruik kan de vorm aannemen van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling (zie in die zin arresten van 17 juli 1997, GT-Link, C‑242/95, EU:C:1997:376, punt 41; 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C‑82/01 P, EU:C:2002:617, punt 114, en 7 oktober 1999, Irish Sugar/Commissie, T‑228/97, EU:T:1999:246, punt 140). In dat verband vereist het algemene gelijkheidsbeginsel, als algemeen beginsel van Unierecht, dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
156 Artikel 102 VWEU heeft echter geenszins tot doel een onderneming te beletten om door eigen verdienste een machtspositie op een markt te verwerven (zie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
157 Niet elk uitsluitingseffect tast dus noodzakelijkerwijs de mededinging aan. Op verdienste gebaseerde mededinging kan er per definitie toe leiden dat concurrenten die op het punt van de prijs, de keuze, de kwaliteit of de innovatie voor de consument minder interessant zijn, van de markt verdwijnen of daar een marginale plaats op krijgen (zie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
158 Google betoogt in wezen dat de in het bestreden besluit aan de orde zijnde praktijken bijdragen tot kwalitatieve verbeteringen van haar zoekdiensten en derhalve binnen het kader van op verdienste gebaseerde mededinging vallen. Google merkt in dit verband op dat de Commissie, in de praktijken waarvan deze haar beschuldigt, geen enkel element identificeert dat afwijkt van op verdienste gebaseerde mededinging. Kwalitatieve verbeteringen van een product of dienst zijn door de Unierechter nooit als mededingingsbeperkend beschouwd.
159 Met betrekking tot het feit dat de Commissie zou hebben verzuimd elementen aan te wijzen die de litigieuze praktijken onderscheiden van normale mededinging, die volgens haar is beperkt, dient erop te worden gewezen dat het loutere feit van een machtspositie van een onderneming, zelfs een zo grote als die van Google op het gebied van algemene zoekdiensten, niet kan worden veroordeeld op grond van artikel 102 VWEU.
160 Uit vaste rechtspraak blijkt immers dat de vaststelling van het bestaan van een machtspositie op zichzelf geen verwijt jegens de betrokken onderneming inhoudt (zie arrest van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 102 VWEU verbiedt „misbruik” van een machtspositie.
161 Het staat in dat verband aan de Commissie om voor de kwalificatie van een dergelijk „misbruik” na te gaan op welke wijze de betrokken onderneming, door gebruik te maken van haar machtspositie, andere middelen dan die welke bij een normale mededinging gebruikelijk zijn, heeft aangewend (zie punt 151 hierboven).
162 Dienaangaande kan de loutere uitbreiding van de machtspositie van een onderneming tot een verwante markt op zichzelf niet het bewijs vormen van gedrag dat afwijkt van een normale mededinging, ook al leidt een dergelijke uitbreiding ertoe dat concurrenten verdwijnen of worden gemarginaliseerd (zie in die zin arresten van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 22, en 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 134).
163 Zoals in wezen blijkt uit het arrest van 25 oktober 2002, Tetra Laval/Commissie (T‑5/02, EU:T:2002:264, punten 156, 158 en 217), is hefboomwerking bovendien een generieke term die betrekking heeft op de gevolgen die een op een markt vastgestelde praktijk kan hebben op een andere markt. Die term kan verwijzen naar een aantal verschillende praktijken die misbruik kunnen inhouden, onder meer koppelverkoop zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 september 2007, Microsoft/Commissie (T‑201/04, EU:T:2007:289), uitholling van marges zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (T‑336/07, EU:T:2012:172), of getrouwheidskortingen zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 30 september 2003, Michelin/Commissie (T‑203/01, EU:T:2003:250).
164 Opgemerkt zij dat ofschoon artikel 102 VWEU een onderneming met een machtspositie als zodanig niet verbiedt om gebruik te maken van hefboomwerking, dit artikel niettemin van toepassing is op dergelijke praktijken. Zonder dat in dit stadium uitspraak behoeft te worden gedaan over de voorwaarden voor een verbod ervan, dient erop te worden gewezen dat verschillende soorten hefboomwerking, zoals in punt 163 hierboven is aangegeven, reeds in strijd met artikel 102 VWEU zijn bevonden. Met name bij het arrest van 17 september 2007, Microsoft/Commissie (T‑201/04, EU:T:2007:289, punt 1344), heeft het Gerecht geoordeeld dat de praktijken in kwestie, namelijk koppelverkoop en de weigering om informatie inzake compatibiliteit te verstrekken, deel uitmaken van een inbreuk bestaande in het inzetten door Microsoft van een hefboomstrategie, namelijk het gebruik van haar machtspositie op de markt voor besturingssystemen voor client-pc’s (personal computers) om die uit te breiden tot twee andere verwante markten.
165 Voorts moet de materiële werkingssfeer van de bijzondere verantwoordelijkheid die op een onderneming met een machtspositie rust, worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van iedere zaak, waarin een verflauwde mededingingssituatie tot uiting komt (zie in die zin arrest van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige, C‑52/09, EU:C:2011:83, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
166 In casu heeft de Commissie, zoals blijkt uit het bestreden besluit en zij ter terechtzitting op goede gronden heeft opgemerkt, voor de slotsom dat artikel 102 VWEU was geschonden, niet louter naar hefboompraktijken verwezen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 25 maart 2021, C-152/19, ECLI:EU:C:2021:238
- Gerecht EU 18 november 2020, T-814/17, ECLI:EU:T:2020:545
- HvJ EU 15 september 2020, C-807/18, ECLI:EU:C:2020:708
- HvJ EU 30 januari 2020, C-307/18, ECLI:EU:C:2020:52
- Gerecht EU 12 december 2019, T-527/16, ECLI:EU:T:2019:856
- HvJ EU 29 juli 2019, C-654/17, ECLI:EU:C:2019:634
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- HvJ EU 26 september 2018, C-99/17, ECLI:EU:C:2018:773
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632
- HvJ EU 26 januari 2017, C-638/13, ECLI:EU:C:2017:53
- Gerecht EU 8 september 2016, T-472/13, ECLI:EU:T:2016:449
- HvJ EU 7 september 2016, C-101/15, ECLI:EU:C:2016:631
- HvJ EU 21 januari 2016, C-603/13, ECLI:EU:C:2016:38
- HvJ EU 22 oktober 2015, C-194/14, ECLI:EU:C:2015:717
- HvJ EU 6 oktober 2015, C-23/14, ECLI:EU:C:2015:651
- Gerecht EU 12 december 2014, T-551/08, ECLI:EU:T:2014:1081
- HvJ EU 12 november 2014, C-580/12, ECLI:EU:C:2014:2363
- HvJ EU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204
- HvJ EU 4 september 2014, C-408/12, ECLI:EU:C:2014:2153
- HvJ EU 10 juli 2014, C-295/12, ECLI:EU:C:2014:2062
Aangehaald in
- HvJ EU 18 april 2024, C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324
- HvJ EU 10 september 2024, C-48/22, ECLI:EU:C:2024:726
- Rb. Rotterdam 7 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:5481
- Gerecht EU 25 oktober 2023, T-136/19, ECLI:EU:T:2023:669
- Rb. Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8356
- CBb 18 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:81
- HvJ EU 5 december 2024, C-606/23, ECLI:EU:C:2024:1004