Gerecht EU 12 juli 2011, T-132/07, ECLI:EU:T:2011:344
Tekst
Zaak T‑132/07
Fuji Electric Co. Ltd
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van projecten van gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Verdeling van markt – Bewijs van inbreuk – Toerekenbaarheid van inbreuk opleverende gedraging – Duur van inbreuk – Geldboeten – Verzachtende omstandigheden – Medewerking”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderneming – Begrip – Economische eenheid – Toerekening van inbreuken
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
2. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
3. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Omvang van bewijslast
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
4. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijslevering – Bundel aanwijzingen
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
5. Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs – Beoordeling van bewijswaarde van document – Criteria
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
6. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Vermoeden van onschuld – Mededingingsprocedure – Toepasselijkheid
(Europese Akte, Preambule; art. 6, lid 2, VEU; art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47)
7. Mededinging – Mededingingsregelingen – Deelneming aan vergaderingen die ertoe strekken mededinging te verstoren
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
8. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Verplichting om daarop te antwoorden – Geen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 18)
9. Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Natuurlijke of rechtspersonen – Erkenning in loop van administratieve procedure door onderneming waartoe mededeling van punten van bezwaar is gericht, van elementen rechtens of feitelijk die rechtvaardigen dat inbreuk aan haar wordt toegerekend – Beperking van uitoefening van recht van beroep – Schending van fundamentele beginselen van legaliteit en van eerbiediging van rechten van verdediging
(Art. 81 EG en art. 230, vierde alinea, EG; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47 en 52, lid 1)
10. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking houdende toepassing van mededingingsregels
(Art. 81 EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
11. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Schending van wezenlijke vormvoorschriften – Ambtshalve onderzoek door rechter
(Art. 81 EG en art. 230 EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
12. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuk gepleegd door dochteronderneming – Toerekening aan moedermaatschappij – Bewijslast rustend op Commissie
(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53)
13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Volledige rechtsmacht van Gerecht – Mogelijkheid om aanvullende informatie in aanmerking te nemen die niet is vermeld in beschikking waarbij geldboete is opgelegd
(Art. 263 VWEU en 264 VWEU; verordeningen van de Raad nr. 17, art. 15, lid 4, en nr. 1/2003, art. 23, lid 2, sub a)
14. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van punten van bezwaar – Overlegging van aanvullende bewijsstukken na toezending van mededeling van punten van bezwaar – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Art. 81, lid 1, EG)
15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Noodzaak van gedraging die vaststelling van inbreuk door Commissie heeft vergemakkelijkt
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punt 26)
1. Het in artikel 81, lid 1, EG aan ondernemingen opgelegde verbod, overeenkomsten te sluiten of deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, is gericht tot economische eenheden, bestaande in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële middelen, die op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en kan bijdragen tot het plegen van een in die bepaling bedoelde inbreuk.
Teneinde te kunnen worden toegepast en tenuitvoergelegd dienen beschikkingen gegeven krachtens artikel 81 EG evenwel te zijn gericht tot rechtspersonen. Wanneer de Commissie derhalve een beschikking geeft krachtens artikel 81, lid 1, EG, moet zij de natuurlijke of rechtspersonen identificeren die aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het gedrag van de betrokken onderneming en daarvoor kunnen worden bestraft. De beschikking zal tot deze personen worden gericht.
(cf. punten 56‑57)
2. Wanneer meerdere personen persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de deelname aan een inbreuk van één en dezelfde onderneming in mededingingsrechtelijke zin, moeten zij volgens de rechtspraak hoofdelijk aansprakelijk worden geacht voor deze inbreuk.
Voorts kunnen de persoon die rechtstreeks verantwoordelijk was voor of de rechtstreekse leiding had van de onderneming op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd, en de persoon die op dat tijdstip deze onderneming indirect leidde doordat hij daadwerkelijk zeggenschap over eerstgenoemde persoon uitoefende en diens marktgedrag bepaalde, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de deelname van deze ene onderneming aan de inbreuk.
Bijgevolg moet het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, op grond waarvan iemand slechts aansprakelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelingen, aldus worden opgevat dat het zowel betrekking heeft op de persoonlijke aansprakelijkheid van de persoon die de onderneming rechtstreeks leidde op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd, als op die van de persoon die deze onderneming in dezelfde periode indirect leidde.
(cf. punten 58‑59, 153)
3. Inzake de bewijslast geldt dat enerzijds de partij of de autoriteit die een inbreuk op de mededingingsregels aanvoert, het bewijs daarvan moet leveren door de feiten die een inbreuk opleveren rechtens genoegzaam te bewijzen, en anderzijds de onderneming die verweer voert tegen de vaststellingen van een inbreuk, het bewijs moet leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit ander bewijs moet aanvoeren.
De duur van de inbreuk vormt een bestanddeel van het begrip „inbreuk” in de zin van artikel 81, lid 1, EG, waarvan de bewijslast primair op de Commissie rust.
Deze verdeling van de bewijslast kan echter variëren, aangezien de door een partij aangevoerde feiten van dien aard kunnen zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd.
(cf. punten 84‑85)
4. Wat de bewijsmiddelen betreft die de Commissie in aanmerking kan nemen, geldt in het mededingingsrecht primair het beginsel van de vrije bewijslevering.
In de meeste gevallen moet het bestaan van een de mededinging verstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een reeks coïncidenties en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen vormen dat de mededingingsregels zijn geschonden. Dergelijke omstandigheden en aanwijzingen kunnen niet enkel uitsluitsel geven over het bestaan van de mededinging verstorende gedragingen of overeenkomsten, maar tevens over de duur van een voortgezette de mededinging verstorende gedraging of over het tijdvak waarin een in strijd met de mededingingsregels gesloten overeenkomst werd toegepast.
In elk geval dient de Commissie nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren voor het bestaan van de inbreuk. Niettemin hoeft niet elk door de Commissie aangevoerd bewijs noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door haar aangevoerde bundel aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.
Aangaande de duur van de inbreuk eist de rechtspraak dat de Commissie bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste bewijs aanvoert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd.
(cf. punten 86‑87)
5. Wat de bewijskracht van de verschillende in het kader van een inbreuk op de mededingingsregels verzamelde bewijzen betreft, is het enige relevante criterium voor de beoordeling van vrij aangevoerd bewijs de geloofwaardigheid ervan. Volgens de algemeen geldende bewijsregels hangt de geloofwaardigheid, en dus de bewijskracht, van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het is gericht en van de inhoud ervan. Met name dient groot belang te worden gehecht aan de omstandigheid dat een stuk rechtstreeks verband houdt met de feiten of is opgesteld door iemand die rechtstreeks getuige was van deze feiten. Documenten waaruit blijkt dat er contacten tussen verschillende ondernemingen hebben plaatsgehad en dat die contacten er juist op waren gericht bij voorbaat onzekerheid over het toekomstig marktgedrag van concurrenten uit te sluiten, bewijzen rechtens genoegzaam dat er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen. Bovendien moeten verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, in beginsel als bijzonder betrouwbaar bewijs worden beschouwd.
(cf. punt 88)
6. Indien de rechter bij wie op grond van artikel 230 EG beroep tot nietigverklaring is ingesteld tegen een beschikking van de Commissie waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht is vastgesteld en aan de adressaten geldboeten zijn opgelegd, twijfels heeft, dienen deze twijfels in het voordeel te werken van de adressaten van de beschikking, zodat de rechter niet kan vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond indien daarover bij hem nog twijfel bestaat. In dit laatste geval dient rekening te worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, dat deel uitmaakt van de grondrechten die volgens de rechtspraak van het Hof – die overigens is bevestigd in de preambule van de Europese Akte, in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – in de rechtsorde van de Unie worden beschermd. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties is het onschuldvermoeden met name van toepassing in procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden.
(cf. punt 89)
7. Een onderneming die zich niet publiekelijk distantieert van de gevolgen van een bijeenkomst die zij heeft bijgewoond, of van een overeenkomst waarbij zij partij was, blijft in beginsel volledig aansprakelijk voor haar deelname aan het kartel. Het zou al te gemakkelijk zijn voor ondernemingen om het risico van een zware geldboete tot een minimum te beperken, indien zij van een ongeoorloofde mededingingsregeling konden profiteren en vervolgens een vermindering van de geldboete konden verkrijgen omdat zij slechts een beperkte rol bij de tenuitvoerlegging van de inbreuk hebben gespeeld, terwijl hun houding andere ondernemingen ertoe heeft aangezet zich te gedragen op een wijze die schadelijker is voor de mededinging. Hieruit volgt dat, zelfs wanneer de betrokken onderneming niet alle in het kader van de mededingingsregeling gesloten overeenkomsten zou zijn nagekomen, deze omstandigheid bij ontbreken van bewijs dat zij zich publiekelijk heeft gedistantieerd van de andere leden van het kartel, niet voldoende zou zijn om haar te ontheffen van haar aansprakelijkheid voor haar deelname aan deze overeenkomsten en, via deze overeenkomsten, aan de inbreuk die is vastgesteld.
(cf. punt 100)
8. Het mededingingsrecht kan niet aldus worden uitgelegd dat de betrokken persoon verplicht zou zijn, in het kader van de administratieve procedure te antwoorden op de aan hem gerichte mededeling van de punten van bezwaar van de Commissie. Noch de bepalingen die de rechten en plichten van de ondernemingen in het kader van de in het mededingingsrecht voorziene administratieve procedure vastleggen, noch enig algemeen rechtsbeginsel verplichten deze ondernemingen immers tot iets anders dan de Commissie de inlichtingen te verschaffen die deze hun op grond van artikel 18 van verordening nr. 1/2003 heeft gevraagd. Een dergelijke verplichting zou, bij het ontbreken van een wettelijke basis, ook moeilijk te verenigen zijn met het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, aangezien een persoon die om welke reden ook niet heeft gereageerd op de mededeling van punten van bezwaar, daardoor voor moeilijkheden zou komen te staan wanneer hij een procedure voor de rechter van de Unie wil instellen.
Ook al kan de rechtmatigheid van de beschikking van de Commissie waarbij wordt vastgesteld dat een persoon het mededingingsrecht heeft geschonden en waarbij hem om die reden een boete wordt opgelegd, slechts worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand ten tijde waarop de beschikking is gegeven, volgt daaruit dus niet dat de betrokken persoon verplicht is, de Commissie reeds in de administratieve procedure alle bewijs te verstrekken dat hij zou willen aanvoeren in een bij de rechter van de Unie ingesteld beroep tot nietigverklaring van de aan het slot van de administratieve procedure gegeven beschikking.
(cf. punten 124, 158)
9. Wanneer de betrokken persoon in het kader van een procedure wegens inbreuk op de mededingingsregels vrijwillig besluit mee te werken en in de administratieve procedure expliciet of impliciet de juridische of feitelijke omstandigheden erkent die rechtvaardigen dat de inbreuk aan hem wordt toegerekend, wordt hij daardoor niet beperkt in de uitoefening van het recht van beroep waarover hij krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beschikt.
Zonder uitdrukkelijke rechtsgrondslag zou een dergelijke beperking in strijd zijn met de fundamentele beginselen van legaliteit en eerbiediging van de rechten van de verdediging. Voorts moet worden opgemerkt dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht wordt gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat volgens artikel 52, lid 1, van dit handvest beperkingen op de uitoefening van de erin erkende rechten en vrijheden bij wet moeten worden gesteld.
(cf. punt 159)
10. De motivering van een bezwarende beschikking moet de rechter van de Unie in staat stellen, de rechtmatigheid ervan doeltreffend te toetsen, en de betrokkene de noodzakelijke gegevens verschaffen om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is, en de aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde redenen en het belang dat de adressaten bij een verklaring kunnen hebben.
Om aan deze functies te voldoen, dient een toereikende motivering de redenering van de instantie van de Unie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking te brengen.
Voorts, moet wanneer een beschikking tot toepassing van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst meer dan één adressaat heeft en de vraag aan de orde stelt aan wie de inbreuk moet worden toegerekend, moet deze beschikking een toereikende motivering bevatten voor alle adressaten, in het bijzonder voor degenen die volgens de beschikking voor de inbreuk aansprakelijk zijn.
(cf. punt 162)
11. Het feit dat de verzoekende partij in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking houdende toepassing van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst een materieel middel inzake een kennelijke beoordelingsfout aanvoert en niet een motiveringsgebrek, dus een middel dat de schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 230 EG betreft, ontneemt de rechter niet de mogelijkheid een dergelijk punt ambtshalve aan de orde te stellen, aangezien het daarbij gaat om regels van openbare orde die hij ambtshalve kan en zelfs moet onderzoeken, onder voorbehoud van eerbiediging van het beginsel van tegenspraak.
(cf. punt 163)
12. Voor de toepassing van de mededingingsregels sluit de omstandigheid dat de dochteronderneming een eigen rechtspersoonlijkheid bezit, nog niet de mogelijkheid uit, dat haar gedrag aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt.
In die context staat het in beginsel aan de Commissie om aan te tonen dat de moedermaatschappij(en) daadwerkelijk een beslissende invloed op het marktgedrag van haar/hun dochteronderneming heeft/hebben uitgeoefend, en dit op basis van een geheel van feiten, waaronder in het bijzonder een eventuele bestuursbevoegdheid van de moedermaatschappij(en) om aan haar/hun dochteronderneming leiding te geven. In het algemeen kan een moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed op haar dochteronderneming, en in het bijzonder op het marktgedrag van deze onderneming, uitoefenen wanneer zij een meerderheidsparticipatie in het vennootschappelijk kapitaal van de dochteronderneming heeft.
Niettemin kan een moedermaatschappij met een minderheidsparticipatie daadwerkelijk een beslissende invloed op het marktgedrag van haar dochteronderneming uitoefenen, wanneer zij rechten heeft die verder gaan dan de rechten die normaal gesproken aan minderheidsaandeelhouders toekomen teneinde hun financiële belangen te beschermen, en die, bezien volgens de methode van de bundel van overeenstemmende juridische of economische aanwijzingen, kunnen aantonen dat er een beslissende invloed wordt uitgeoefend op het marktgedrag van de dochteronderneming. Het bewijs van daadwerkelijke uitoefening van een beslissende invloed kan derhalve door de Commissie worden geleverd aan de hand van een bundel aanwijzingen, ook indien elk van deze aanwijzingen afzonderlijk niet voldoende bewijskracht heeft.
De daadwerkelijke uitoefening van een bestuursbevoegdheid door de moedermaatschappij(en) over haar/hun dochterondernemingen kan rechtstreeks voortvloeien uit de implementatie van de toepasselijke wettelijke bepalingen of van een overeenkomstig deze wettelijke bepalingen gesloten overeenkomst tussen de moedermaatschappijen aangaande het bestuur van hun gezamenlijke dochteronderneming. Het belang van de betrokkenheid van de moedermaatschappij bij het bestuur van haar dochteronderneming kan ook worden bewezen door de aanwezigheid, in de top van de dochteronderneming, van veel personen die bestuursfuncties uitoefenen binnen de moedermaatschappij. Een dergelijke cumulatie van functies brengt de moedermaatschappij noodzakelijkerwijs in een positie waarin zij een beslissende invloed kan uitoefenen op het marktgedrag van haar dochteronderneming, aangezien de bestuursleden van de moedermaatschappij daardoor, in het kader van de uitoefening van hun leidinggevende functies in de dochteronderneming, erop kunnen toezien dat de gedragslijn van de dochteronderneming op de markt overeenstemt met het door de bestuursorganen van de moedermaatschappij uitgezette beleid. Dit vereist niet dat het lid of de leden van het personeel van de moedermaatschappij die een bestuursfunctie binnen de dochteronderneming vervult of vervullen, bestuursbevoegdheid in de moedermaatschappij bezit of bezitten. Tot slot kan de betrokkenheid van de moedermaatschappij(en) bij het bestuur van de dochteronderneming blijken uit de zakelijke betrekkingen tussen de eerstgenoemde(n) en de laatstgenoemde. Wanneer een moedermaatschappij tevens leverancier of klant is van haar dochteronderneming, heeft zij een bijzonder belang bij het sturen van de productie- of distributie-activiteiten van laatstgenoemde, teneinde volledig te kunnen profiteren van de toegevoegde waarde van de aldus gerealiseerde verticale integratie.
Bovendien is het voor de toerekening van handelingen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij geenszins vereist dat wordt bewezen dat deze moedermaatschappij rechtstreeks betrokken is geweest bij, of kennis heeft gehad van, de verweten gedragingen. Het is namelijk niet het feit dat de moedermaatschappij haar dochter heeft aangespoord de inbreuk te plegen, noch a fortiori, haar betrokkenheid bij die inbreuk, die de Commissie machtigt een boetebeschikking tot de moedermaatschappij van een groep van vennootschappen te richten, maar het feit dat de moedermaatschappij en haar dochteronderneming dezelfde gedragslijn op de markt volgden op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd.
(cf. punten 179‑184, 196)
13. Naast de eenvoudige rechtmatigheidstoetsing die wordt uitgeoefend in het kader van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU, waarbij het beroep tot nietigverklaring slechts kan worden verworpen of de aangevochten handeling nietig verklaard, zoals is bepaald in artikel 264 VWEU, is de rechter van de Unie op basis van zijn volledige rechtsmacht bevoegd om de aangevochten handeling, zelfs als deze niet nietig wordt verklaard, te wijzigen rekening houdend met alle feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld om de hoogte van de wegens inbreuk op de mededingingsregels opgelegde boete te wijzigen.
Hieruit volgt dat op gebieden waarop de Commissie een beoordelingsmarge heeft behouden – zoals het bepalen van de omvang van de verhoging van de geldboete wegens de duur van de inbreuk of ter afschrikking, of ook de beoordeling van de kwaliteit en het nut van de door een onderneming tijdens de administratieve procedure verleende medewerking, in het bijzonder in verhouding tot de medewerking van andere ondernemingen – de rechtmatigheidstoetsing in het kader van een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU weliswaar beperkt is tot het onderzoek van het ontbreken van een kennelijke beoordelingsfout, maar dat dit de rechter van de Unie in beginsel niet belet zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen.
In het kader van zijn volledige rechtsmacht is de rechter van de Unie bevoegd te beoordelen of het bedrag van geldboeten passend is, gelet op de criteria van, naar gelang het geval, artikel 15, lid 4, van verordening nr. 17 of artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003. Deze beoordeling kan de overlegging en inaanmerkingneming rechtvaardigen van aanvullende informatie die niet is genoemd in de beschikking van de Commissie waarbij de geldboete is opgelegd.
(cf. punten 208‑209)
14. De betrokkenen moeten uit de mededeling van punten van bezwaar daadwerkelijk kunnen opmaken welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Aan dit vereiste is voldaan wanneer in de eindbeschikking aan de betrokkenen geen andere dan in de mededeling van punten van bezwaar bedoelde inbreuken ten laste worden gelegd, en daarin slechts wordt uitgegaan van feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken.
De in een beschikking aan een onderneming ten laste gelegde inbreuken mogen weliswaar niet verschillen van die welke in de mededeling van de punten van bezwaar zijn genoemd, maar dit geldt niet voor de in aanmerking genomen feiten, aangezien het, wat deze feiten betreft, volstaat dat de beschuldigde ondernemingen de mogelijkheid hebben gehad om zich over alle te hunnen laste gelegde feiten uit te spreken. Geen enkele bepaling belet de Commissie immers om de partijen, na de mededeling van de punten van bezwaar, nieuwe stukken toe te zenden waarvan zij meent dat deze haar standpunt ondersteunen, mits aan de ondernemingen de nodige tijd wordt gegeven om hun opmerkingen ter zake kenbaar te maken.
(cf. punt 238)
15. Ook al is het tijdstip waarop het bewijsmateriaal aan de Commissie wordt overgelegd, van invloed op de kwalificatie ervan als van significant toegevoegde waarde, in die zin dat deze kwalificatie afhankelijk is van het bewijsmateriaal dat op het tijdstip van overlegging reeds in het dossier van de Commissie aanwezig was, betekent het feit alleen dat dit bewijs is overgelegd na de betekening van de mededeling van de punten van bezwaar, niet dat het, ook al bevindt de administratieve procedure zich in een gevorderd stadium, geen significant toegevoegde waarde kan hebben. Zo kan een onderneming zich in een verzoek op grond van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken, dat is ingediend na de betekening van de mededeling van de punten van bezwaar, concentreren op de feiten die naar haar mening niet rechtens genoegzaam zijn bewezen om een significant toegevoegde waarde te hebben ten opzichte van het bewijs waarover de Commissie reeds beschikte.
Bovendien bevat punt 26 van de mededeling inzake medewerking slechts een procedurele verplichting ten laste van de Commissie. Er is niet bepaald dat elke vorm van medewerking of samenwerking van een onderneming aan het leveren van het bewijs van de inbreuk zonder waarde is wanneer die pas wordt aangeboden na de betekening van de mededeling van de punten van bezwaar. Een dergelijke medewerking kan overigens zeer zinvol zijn wanneer het verstrekte materiaal in een eerder stadium door de Commissie is genegeerd en rechtstreeks de zwaarte of de duur van de vermoede inbreuk betreft.
(cf. punten 239‑240)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
12 juli 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor projecten van gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Marktverdeling – Bewijs van inbreuk – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Duur van inbreuk – Geldboeten – Verzachtende omstandigheden – Medewerking”
In zaak T‑132/07,
Fuji Electric Holdings Co. Ltd, gevestigd te Kawasaki (Japan),
Fuji Electric Systems Co. Ltd, gevestigd te Tokyo (Japan),
vertegenwoordigd door P. Chappatte en P. Walter, solicitors,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Arbault, vervolgens door X. Lewis, J. Bourke en F. Ronkes Agerbeek, en ten slotte door N. Khan en Ronkes Agerbeek als gemachtigden, bijgestaan door J. Holmes, barrister,
verweerster,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 6762 def. van de Commissie van 24 januari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 EER‑Overeenkomst (zaak COMP/F/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal), en tot vermindering van de aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová (rapporteur), president, K. Jürimäe en S. Soldevila Fragoso, rechters,
griffier: K. Andová, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 februari 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze voortvloeit uit de vaststellingen van de Commissie in beschikking C(2006) 6762 def. van 24 januari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) (hierna: „bestreden beschikking”) is als volgt.
1. Betrokken product
2 Gasgeïsoleerd schakelmateriaal (hierna: „GGS”) wordt gebruikt om de energiestroom in elektriciteitsnetwerken te controleren. Het is zwaar elektrisch materieel dat als belangrijk onderdeel voor kant en klaar opgeleverde elektriciteitsonderstations wordt gebruikt.
3 Onderstations zijn hulpcentrales die de elektrische stroom omzetten. Naast de transformator bevatten de onderstations controlesystemen, relais, batterijen, opladers en schakelmateriaal. De functie van het schakelmateriaal bestaat erin de transformator te beschermen tegen overbelasting en/of de stroomkring en een defecte transformator te isoleren.
4 Geïsoleerd schakelmateriaal kan gasgeïsoleerd, luchtgeïsoleerd of lucht‑ en gasgeïsoleerd zijn. In dit laatste geval worden beide technieken gecombineerd. GGS wordt in de gehele wereld verkocht als onderdeel van kant en klaar opgeleverde elektriciteitsonderstations of in losse vorm voor integratie in dergelijke onderstations. Het maakt ongeveer 30 tot 60 % van de totale prijs van deze onderstations uit.
5 De bestreden beschikking heeft betrekking op projecten inzake GGS dat geschikt is voor een spanning van ten minste 72,5 kV (hierna: „GGS‑projecten”), wat GGS als individueel product omvat, met inbegrip van alle daarmee verband houdende diensten (transport, installatie, tests, isolatie, enzovoort), alsook kant en klaar opgeleverde elektriciteitsonderstations met GGS, die dus naast GGS ook de andere onderdelen van het onderstation, zoals transformatoren, omvatten, alsook alle daarmee verband houdende diensten (transport, bekabeling, installatie, isolatie, enzovoort).
2. Betrokken ondernemingen
6 Fuji Electric Holdings Co. Ltd (voorheen Fuji Electric Co. Ltd; hierna: „FEH”) is de holdingmaatschappij van de Fuji‑groep, die leiding geeft aan vier operationele dochterondernemingen, waaronder Fuji Electric Systems Co. Ltd (hierna: „FES”). De Fuji‑groep vervaardigt en verkoopt een uitgebreid assortiment aan producten, waaronder GGS‑projecten. De activiteiten op het gebied van GGS van de Fuji‑groep werden in het bijzonder uitgevoerd door FEH en FES (hierna gezamenlijk: „verzoeksters”).
7 Op 1 oktober 2002 heeft de Fuji‑groep haar activiteiten op het gebied van GGS overgedragen aan Japan AE Power Systems Corp. (hierna: „JAEPS”), een joint venture waarin zij 30 % van het kapitaal bezit. Hitachi Ltd en Meidensha Corp. bezitten de overige aandelen, respectievelijk 50 % en 20 %.
3. Administratieve procedure
8 Op 3 maart 2004 heeft de vennootschap ABB Ltd de Commissie gewezen op het bestaan van mededingingsverstorende praktijken in de GGS‑sector en een mondeling clementieverzoek ingediend overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 19 februari 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „clementieregeling”).
9 De door ABB gelaakte praktijken bestonden in de wereldwijde coördinatie van de verkoop van GGS‑projecten. Het ging om de verdeling van markten, de toewijzing van quota en het behoud van de respectieve marktaandelen, de toewijzing van GGS‑projecten aan daartoe aangewezen producenten en de manipulatie van aanbestedingsprocedures (geknoei met offertes) om ervoor te zorgen dat de overeenkomsten aan deze producenten werden toegewezen, de vaststelling van prijzen via ingewikkelde akkoorden met betrekking tot de niet-toegewezen GGS‑projecten, de opzegging van licentieovereenkomsten met ondernemingen die geen lid waren van het kartel, en de uitwisseling van gevoelige informatie over de markt.
10 ABB heeft haar mondelinge clementieverzoek met name op 7 mei 2004 aangevuld met mondelinge opmerkingen en bewijsstukken. Op 25 april 2004 heeft de Commissie ABB voorwaardelijke immuniteit verleend.
11 De Commissie is op basis van de verklaringen van ABB een onderzoek gestart en heeft op 11 en 12 mei 2004 inspecties verricht in de kantoren van verschillende ondernemingen die in de GGS‑sector actief zijn.
12 Van 14 tot 25 mei 2004 heeft de Areva‑groep met de Commissie samengewerkt en haar overeenkomstig de clementieregeling verschillende bewijsstukken en inlichtingen verstrekt.
13 Op 30 juli 2004 heeft de groep waarvan VA Technologie de moedermaatschappij was (hierna: „VA Tech‑groep”), met de Commissie samengewerkt en haar overeenkomstig de clementieregeling verschillende bewijsstukken en inlichtingen verstrekt.
14 Vanaf 9 september 2004 hebben de vertegenwoordigers van de Hitachi‑groep of van JAEPS eveneens met de Commissie samengewerkt en haar overeenkomstig de clementieregeling verschillende bewijsstukken en inlichtingen verstrekt.
15 Op 4 oktober 2004 hebben verzoeksters geantwoord op een inlichtingenverzoek dat de Commissie tot hen had gericht krachtens artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 EG (PB L 1, blz. 1) (hierna: „antwoord van 4 oktober 2004 op het inlichtingenverzoek”). Op dezelfde dag heeft ABB eveneens een inlichtingenverzoek van de Commissie beantwoord.
16 Op 4 november 2004 heeft Mitsubishi Electric System Corp. (hierna: „Melco”) met betrekking tot haar „verslag van haar deelname aan bepaalde akkoorden inzake de GGS‑markt” bij de Commissie een verzoek ingediend op grond van de clementieregeling.
17 Op 5 november 2004 heeft de Areva‑groep geantwoord op een inlichtingenverzoek van de Commissie.
18 Op 20 april 2006 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, die niet alleen gericht was tot verzoeksters, maar ook tot ABB, Alstom SA, Areva SA, Areva T & D AG, Areva T & D Holding SA en Areva T & D SA (hierna samen: „ondernemingen van de Areva‑groep”), Hitachi en Hitachi Europe Ltd (hierna samen: „ondernemingen van de Hitachi‑groep”), JAEPS, Melco, Nuova Magrini Galileo SpA, Schneider Electric SA (hierna: „Schneider”), Siemens AG, Toshiba Corp. en aan vijf ondernemingen van de groep VA Tech, waaronder VA Technologie.
19 Op 30 juni 2006 hebben verzoeksters binnen de gestelde termijn hun opmerkingen over de mededeling van de punten van bezwaar bij de Commissie ingediend. Zij hebben bij hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar verschillende verklaringen en documenten gevoegd, waarvoor zij om vertrouwelijke behandeling hebben verzocht. ABB, Alstom, de ondernemingen van de Areva‑groep, de ondernemingen van de Hitachi‑groep of JAEPS, Melco, Schneider, Siemens AG Österreich, Siemens en Toshiba hebben eveneens binnen de gestelde termijnen schriftelijk geantwoord op de mededeling van de punten van bezwaar.
20 Bij brief van 12 juli 2006 hebben verzoeksters hun medewerking aan de Commissie aangeboden en haar overeenkomstig de clementieregeling verschillende bewijsstukken en inlichtingen verstrekt.
21 Op 14 juli 2006 heeft ABB de Commissie een „aanvullend antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar” gestuurd.
22 Op 18 en 19 juli 2006 heeft de Commissie de adressaten van de mededeling van de punten van bezwaar gehoord.
23 Op 25 augustus 2006 heeft de Commissie uittreksels van de niet‑vertrouwelijke versie van het antwoord van verzoeksters op de mededeling van de punten van bezwaar, het op 12 juli 2006 op grond van de clementieregeling ingediende verzoek van verzoeksters, het aanvullende antwoord van ABB op de mededeling van de punten van bezwaar, alsook andere aanvullende documenten ter beschikking gesteld van de partijen in de procedure, met het verzoek hierover hun opmerkingen in te dienen.
24 Op 11 september 2006 hebben verzoeksters hun opmerkingen over de het aanvullende antwoord van ABB op de mededeling van de punten van bezwaar ingediend.
25 Bij brief van 29 september 2006 hebben verzoeksters de Commissie een nieuwe verklaring verstrekt van een van hun voormalige medewerkers, de heer M. H.
26 Bij brief van 10 november 2006 hebben verzoeksters de Commissie hun opmerkingen meegedeeld over de reacties van de ondernemingen van de Hitachi‑groep of JAEPS in de brief van 29 september 2006 inzake het bestuur binnen JAEPS.
27 Bij brief van 14 december 2006 heeft de Commissie FEH en FES verzocht om aanvullende opmerkingen met betrekking tot verschillende bewijsstukken die huns inziens relevant waren voor de definitieve beschikking. Bij brief van 21 november 2006 hebben verzoeksters hierop geantwoord.
4. Bestreden beschikking
28 Op 24 januari 2007 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld. Een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van 10 januari 2008 (PB C 5, blz. 7). Deze beschikking is op 9 februari 2007 aan verzoeksters betekend.
29 De bestreden beschikking is niet alleen gericht tot verzoeksters, maar ook tot ABB, Alstom, de ondernemingen van de Areva‑groep, de ondernemingen van de Hitachi‑groep, JAEPS, Melco, Nuova Magrini Galileo, Schneider, Siemens, Siemens AG Österreich, Siemens Transmission & Distribution Ltd (hierna: „Reyrolle”), Siemens Transmission & Distribution SA, Toshiba en VA Tech Transmission & Distribution GmbH & Co. KEG.
30 In de punten 113 tot en met 123 van de bestreden beschikking heeft de Commissie opgemerkt dat de verschillende ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, de toewijzing van GGS‑projecten wereldwijd, behalve op bepaalde markten, volgens overeengekomen regels hebben gecoördineerd teneinde met name quota te handhaven die in verregaande mate hun geschatte historische marktaandelen weerspiegelden. Zij heeft gepreciseerd dat de toewijzing van GGS‑projecten op basis van een gezamenlijk „Japans” quotum en een gezamenlijk „Europees” quotum geschiedde, die vervolgens door de Japanse producenten respectievelijk de Europese producenten onder elkaar dienden te worden verdeeld. In een op 15 april 1988 te Wenen gesloten overeenkomst (hierna: „GQ-overeenkomst”) werden regels vastgesteld op basis waarvan de GGS‑projecten ofwel aan de Japanse producenten ofwel aan de Europese producenten moesten worden toegewezen en de waarde ervan op het overeenkomstige quotum diende te worden geïmputeerd. Voorts heeft de Commissie in de punten 124 tot en met 132 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat de verschillende ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, een niet-schriftelijk akkoord hebben gesloten (hierna: „gemeenschappelijk akkoord”) volgens hetwelk de GGS‑projecten in Japan, enerzijds, en in de landen van de Europese kartelleden, anderzijds, samen als de „landen van oorsprong” van de GGS‑projecten aangeduid, respectievelijk aan de Japanse en de Europese kartelleden werden voorbehouden. Over de GGS‑projecten in de „landen van oorsprong” werd geen informatie tussen de twee groepen uitgewisseld en deze projecten werden niet op de respectieve quota aangerekend.
31 De GQ-overeenkomst bevatte ook regels betreffende de voor het functioneren van het kartel noodzakelijke uitwisseling van informatie tussen de twee groepen van producenten die met name door de secretarissen van deze groepen werd verricht, de manipulatie van de betrokken aanbestedingen en de vaststelling van prijzen voor de GGS‑projecten die niet konden worden toegewezen. Volgens de bewoordingen van bijlage 2 bij de GQ-overeenkomst was deze overeenkomst wereldwijd van toepassing, behalve in de Verenigde Staten, Canada, Japan en 17 West-Europese landen. Bovendien werden de GGS‑projecten in de andere Europese landen dan de „landen van oorsprong” krachtens het gemeenschappelijk akkoord ook aan de Europese groep voorbehouden, aangezien de Japanse producenten zich ertoe hadden verbonden, geen offertes voor GGS‑projecten in Europa in te dienen.
32 Volgens de Commissie werd de verdeling van de GGS‑projecten tussen Europese producenten geregeld door een eveneens op 15 april 1988 te Wenen ondertekend akkoord met de naam „E‑Group Operation Agreement for GQ-Agreement” (hierna: „EQ-overeenkomst”). Zij merkt op dat de toewijzing van GGS‑projecten in Europa volgens dezelfde regels en procedures verliep als de toewijzing van GGS‑projecten in andere landen. Meer bepaald dienden de GGS‑projecten in Europa eveneens ter kennis te worden gebracht, geïnventariseerd, toegewezen en onderling geregeld, of was hiervoor een minimumprijs vastgesteld.
33 In punt 142 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de verschillende kartelleden met het oog op de organisatie en de goede werking van het kartel werden aangeduid met een code in de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst, namelijk een cijfercode voor de Europese leden en een lettercode voor de Japanse leden. De oorspronkelijke codes waren vanaf juli 2002 door nummers vervangen.
34 In artikel 1, sub g, van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat FEH artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: „EER-Overeenkomst”) heeft geschonden door in de periode van 15 april 1988 tot 11 mei 2004 deel te nemen aan een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector GGS‑projecten in de EER, en in artikel 1, sub h, van de bestreden beschikking, dat FES in diezelfde periode aan de inbreuk heeft deelgenomen. Bovendien heeft de Commissie in artikel 1, sub k, van de bestreden beschikking vastgesteld dat JAEPS in de periode van 1 oktober 2002 tot 11 mei 2004 aan dezelfde inbreuk heeft deelgenomen.
35 Voor de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuken is verzoeksters in artikel 2, sub d, van de bestreden beschikking een geldboete van 2 400 000 EUR opgelegd die zij hoofdelijk dienen te betalen, en in artikel 2, sub f, van de bestreden beschikking, een geldboete van 1 350 000 EUR die zij hoofdelijk met JAEPS en Hitachi dienen te betalen.
Procesverloop en conclusies van partijen
36 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 april 2007, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld. Daarin hebben zij in het bijzonder aangegeven dat het verzoekschrift, de bijlagen daarbij en de ter griffie neergelegde documenten vertrouwelijke informatie bevatten, waarvan de vertrouwelijkheid gewaarborgd diende te blijven jegens derden.
37 Op rapport van de rechter‑rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten tot de mondelinge procedure over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft het partijen bepaalde vragen gesteld en verzocht bepaalde documenten over te leggen. De partijen hebben hierop binnen de gestelde termijn geantwoord.
38 Bij brief, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 26 januari 2010, hebben verzoeksters bepaalde opmerkingen gemaakt over het rapport ter terechtzitting dat op 11 januari 2010 aan hen was toegezonden, en wel met betrekking het moment waarop zij hun activiteiten op het gebied van GGS hadden overgedragen aan JAEPS en op het moment waarop zij een deelneming in JAEPS hadden verkregen.
39 Tijdens de terechtzitting van 9 februari 2010 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht. In het bijzonder hebben verzoeksters aangegeven dat zij met hun opmerkingen over het rapport ter terechtzitting niet bedoeld hadden als incidenteel middel voor het Gerecht aan te voeren, dat de bestreden beschikking feitelijke onjuistheden bevatte inzoverre FES, in haar hoedanigheid van moedermaatschappij van JAEPS, verantwoordelijk was gehouden voor de deelneming van JAEPS met haar activiteiten op het gebied van GGS aan de inbreuk in de periode van 1 oktober 2002 tot 30 september 2003. Tijdens de terechtzitting heeft het Gerecht een nieuwe maatregel tot organisatie van de procesgang vastgesteld door verzoeksters uit te nodigen het in het verzoekschrift geformuleerde voorwerp van het verzoek om vertrouwelijke behandeling te specificeren (zie punt 36 hierboven). De hierboven genoemde opmerkingen van verzoeksters en de maatregel tot organisatie van de procesgang zijn opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Bij brief van 23 februari 2010 hebben verzoeksters het voorwerp van hun verzoek om vertrouwelijke behandeling binnen de gestelde termijn gespecificeerd.
40 De mondelinge behandeling is op 3 maart 2010 gesloten.
41 Bij beschikking van 25 november 2010 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling heropend en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering nieuwe vragen aan partijen gesteld. In het bijzonder is hen gevraagd aan te geven welke conclusies zij in deze zaak trokken uit de punten 87 tot en met 92 van het arrest van het Hof van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie (C‑407/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Partijen hebben binnen de gestelde termijn geantwoord op de vragen van het Gerecht.
42 De mondelinge behandeling is op 10 januari 2011 gesloten.
43 Bij brief van 22 juni 2011 heeft de vertegenwoordiger van FEH en FES het Gerecht onder overlegging van bewijsstukken meegedeeld dat FES per 1 april 2011 was opgegaan in FEH en was opgehouden te bestaan. Tevens was de naam van FEH gewijzigd in Fuji Electric Holdings Co. Ltd (hierna: „verzoekster”). Bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht is deze brief toegevoegd aan het dossier, hetgeen aan de Commissie is meegedeeld.
44 Verzoekster, voorheen genaamd FEH en rechtsopvolgster van FES, concludeert dat het het Gerecht behage:
– artikel 1, sub g, van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover hierin wordt bepaald dat de aan FEH toegerekende inbreuk na september 2000 nog zou hebben voortgeduurd;
– artikel 1, sub h, van de bestreden beschikking nietig te verklaren;
– artikel 2, sub d, van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover FES hoofdelijk aansprakelijk wordt gehouden voor de betaling van de opgelegde geldboete;
– artikel 2, sub f, van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover FEH en FES hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de betaling van de opgelegde geldboete;
– het bedrag van de aan FEH en FES opgelegde geldboete te verlagen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
45 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
46 Hoewel FEH en FES dit beroep gezamenlijk hebben ingesteld, waren hun belangen in het kader hiervan niet gelijk en vielen slechts ten dele samen, zoals blijkt uit de punten van het verzoekschrift waarin het voorwerp van het onderhavige geschil wordt samengevat. Na 1 april 2011 zijn de belangen van FEH en FES evenwel met elkaar verenigd in de persoon van verzoekster.
47 In deze zaak vordert verzoekster in wezen nietigverklaring van artikel 1, sub g, van de bestreden beschikking voor zover de Commissie FEH persoonlijk aansprakelijk houdt voor de inbreuk in de periode van september 2000 tot en met 30 september 2002, en van artikel 2, sub d, van de bestreden beschikking voor zover de Commissie FEH om die reden hoofdelijk met FES een geldboete van 2 400 000 EUR oplegt. Ter ondersteuning van deze vordering voert zij drie middelen aan, te weten respectievelijk kennelijke beoordelingsfouten, schending van het recht op een eerlijk proces en van het beginsel van het vermoeden van onschuld, schending van de regels inzake de verdeling van de bewijslast en schending van het beginsel van gelijke behandeling.
48 Voorts vordert verzoekster nietigverklaring van artikel 1, sub h, van de bestreden beschikking voor zover de Commissie FES persoonlijk aansprakelijk houdt voor de inbreuk in de periode van 15 april 1988 tot en met 11 mei 2004, en van artikel 2, sub d en f, van de bestreden beschikking voor zover de Commissie om die reden FES en FEH hoofdelijk een geldboete oplegt van 2 400 000 EUR, en FES, FEH, JAEPS en Hitachi hoofdelijk een geldboete van 1 350 000 EUR. Ter ondersteuning van deze vorderingen stelt verzoekster in het kader van een vierde middel een kennelijke beoordelingsfout.
49 Bovendien vordert verzoekster nietigverklaring van artikel 2, sub f, van de bestreden beschikking voor zover de Commissie heeft gemeend dat FEH en FES persoonlijk aansprakelijk konden worden gehouden voor JAEPS’ deelneming aan de inbreuk in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004 en de Commissie om die reden ieder van hen hoofdelijk een geldboete van 2 400 000 EUR alsmede, hoofdelijk met JAEPS en Hitachi, een geldboete van 1 350 000 EUR heeft opgelegd. Ter ondersteuning van deze vordering stelt verzoekster in het kader van een vierde en een vijfde middel een kennelijke beoordelingsfout.
50 Tot slot vordert verzoekster verlaging van het bedrag van de geldboeten die aan FEH en FES zijn opgelegd in artikel 2, sub d en f, van de bestreden beschikking. Op deze vordering heeft het zesde middel betrekking.
1. De vorderingen tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking
51 Ter ondersteuning van haar vorderingen tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking voert verzoekster vijf middelen aan.
52 In het kader van de eerste drie middelen voert verzoekster in wezen aan dat artikel 1, sub g, en artikel 2, sub d, van de bestreden beschikking nietig verklaard moeten worden voor zover de Commissie heeft vastgesteld of zich heeft gebaseerd op de vaststelling dat FES artikel 81 EG en artikel 53 EEG‑Overeenkomst heeft geschonden vanaf september 2000 tot en met 30 september 2002, de datum waarop de Fuji‑groep haar activiteiten op het gebied van GGS heeft overgedragen aan JAEPS. Het eerste middel stelt kennelijke beoordelingsfouten en schending van het recht op een eerlijk proces, het beginsel van het vermoeden van onschuld en het beginsel in dubio pro reo doordat in de bestreden beschikking wordt vastgesteld dat FEH na de vergadering van de Japanse leden die „in of rond september 2000” had plaatsgevonden was blijven deelnemen aan het kartel dat was voortgekomen uit de GQ-overeenkomst. Het tweede middel stelt dat de Commissie de regels inzake de verdeling van de bewijslast heeft geschonden. Het derde middel stelt dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.
53 In het kader van het vierde middel stelt verzoekster dat artikel 1, sub h, en artikel 2, sub d en f, van de bestreden beschikking, voor zover de Commissie FES hoofdelijk aansprakelijk houdt voor de betaling van de opgelegde geldboeten, nietig verklaard moeten worden wegens een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, in de zin dat FES persoonlijk aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor de inbreuk in de periode van 15 april 1988 tot en met 11 mei 2004.
54 In het kader van het vijfde middel stelt verzoekster dat artikel 2, sub f, van de bestreden beschikking nietig verklaard moeten worden wegens een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, in de zin dat FEH en FES, als moedermaatschappijen van JAEPS, samen met Hitachi en JAEPS hoofdelijk aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden voor de inbreuk in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004.
Voorafgaande opmerkingen ten aanzien van de ondernemingen die betrokken zijn bij de in artikel 1, sub g en h, van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, en ten aanzien van de hieruit voortvloeiende aansprakelijkheid van FEH en FES
55 Alvorens de eerste vijf middelen van verzoekster te onderzoeken, dient nauwkeurig te worden bepaald welke de ondernemingen zijn waarvan de deelneming aan de inbreuk aan FEH en FES is toegerekend in artikel 1, sub g en h, van de bestreden beschikking.
56 Het mededingingsrecht richt zich tot „ondernemingen”. In die context moet onder het begrip onderneming worden verstaan een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende inbreuk bestaande economische eenheid (zie hiervoor arrest Hof van 12 juli 1984, Hydrotherm Gerätebau, 170/83, Jurispr. blz. 2999, punt 11, en arresten Gerecht van 29 juni 2000, DSG/Commissie, T‑234/95, Jurispr. blz. II‑2603, punt 124, en 15 september 2005, DaimlerChrysler/Commissie, T‑325/01, Jurispr. blz. II‑3319, punt 85). Het in artikel 81, lid 1, EG-Verdrag aan ondernemingen opgelegde verbod, onder meer overeenkomsten te sluiten of deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, is gericht tot economische eenheden, bestaande in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële middelen, die op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en kan bijdragen tot het plegen van een in die bepalingen bedoelde inbreuk (zie arrest Gerecht van 17 december 1991, Enichem Anic/Commissie, T‑6/89, Jurispr. blz. II‑1623, punt 235, en 10 maart 1992, Shell/Commissie, T‑11/89, Jurispr. blz. II‑757, punt 311).
57 Teneinde te kunnen worden toegepast en ten uitvoer gelegd dienen beschikkingen gegeven krachtens artikel 81, lid 1, EG-Verdrag evenwel te zijn gericht tot rechtspersonen (zie in die zin arresten Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, „PVC II”, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 978, en 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑112/05, Jurispr. blz. II‑5049, punt 59). Wanneer de Commissie derhalve een beschikking geeft krachtens artikel 81, lid 1, EG-Verdrag, moet zij de natuurlijke of rechtspersonen identificeren die verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het gedrag van de betrokken onderneming en daarvoor kunnen worden bestraft. De beschikking zal tot deze personen worden gericht (zie in die zin arrest Hydrotherm Gerätebau, punt 56 supra, punt 11).
58 Overeenkomstig het beginsel van persoonlijke verantwoordelijkheid (arresten Hof van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie, 48/69, Jurispr. blz. 619, punten 131‑141; 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 78, en 11 december 2007, ETI e.a., C‑280/06, Jurispr. blz. I‑10893, punt 39; zie ook conclusie van advocaat-generaal Kokott bij het reeds aangehaalde arrest ETI e.a., Jurispr. blz. I‑10896, punten 71 e.v.), op grond waarvan iemand slechts verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn eigen handelingen (conclusie van advocaat-generaal Cosmas bij het reeds aangehaalde arrest Commissie/Anic Partecipazioni, Jurispr. blz. I‑4130, punt 74), heeft in beginsel de persoon die de onderneming leidde toen deze deelnam aan de inbreuk, zich voor de inbreuk te verantwoorden, ook al wordt deze onderneming onder de verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip waarop de beschikking houdende vaststelling van de inbreuk wordt vastgegeven (arresten Hof van 16 november 2000, SCA Holding/Commissie, C‑297/98 P, Jurispr. blz. I‑10101, punt 27, en Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925, punt 37; zie in die zin ook arrest Hof van 16 november 2000, Cascades/Commissie, C‑279/98 P, Jurispr. blz. I‑9693, punt 79).
59 Wanneer meerdere personen persoonlijk verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de deelname van één en dezelfde onderneming in mededingingsrechtelijke zin aan een inbreuk, moeten zij volgens de rechtspraak hoofdelijk aansprakelijk worden geacht voor deze inbreuk (zie in die zin arresten Hof van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, Jurispr. blz. 223, punt 41, en 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C‑294/98 P, Jurispr. blz. I‑10065, punten 33 en 34; arresten Gerecht van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punten 54, 524 en 525, en 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 62, alsook arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 57 supra, punten 57‑62). Voorts blijkt uit deze arresten dat de persoon die rechtstreeks verantwoordelijk was voor, of de rechtstreekse leiding had over, de onderneming op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd, en de persoon die op dat tijdstip deze onderneming indirect leidde doordat hij daadwerkelijk controle op eerstgenoemde persoon uitoefende en diens marktgedrag bepaalde, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de deelname van deze ene onderneming aan de inbreuk (zie in die zin ook arrest Hof van 3 september 2009, Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, C‑322/07 P, C‑327/07 P en C‑338/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 40, 43 en 44). Bijgevolg moet de hierboven in punt 58 aangehaalde rechtspraak aldus worden opgevat dat zij zowel betrekking heeft op de persoonlijke aansprakelijkheid van de persoon die de onderneming rechtstreeks leidde op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd, als op die van de persoon die deze onderneming in dezelfde periode indirect leidde.
60 De in de punten 56 tot en met 59 hierboven genoemde rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op artikel 53, lid 1, EER-Overeenkomst en op de beschikkingen die de Commissie met toepassing van dit artikel geeft.
61 Uit de bestreden beschikking, en in het bijzonder uit de beschrijving van de „sector waarop de procedure betrekking heeft” in de punten 5 tot en met 87 hiervan, en van de „ondernemingen waarop de procedure betrekking heeft” of van de „gedifferentieerde behandeling” van deze ondernemingen in de punten 28 tot en met 44 en 482, blijkt dat de Commissie tussen de ondernemingen die hebben deelgenomen aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, in het bijzonder heeft geïdentificeerde de unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële middelen die de activiteiten op het gebied van GGS van de Fuji‑groep in de periode van 15 april 1988 tot en met 30 september 2002 exploiteerde (hierna: „eerste betrokken onderneming”) enerzijds en de unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële middelen die de activiteiten op het gebied van GGS van de Fuji‑groep, Hitachi en Meidensha, overgedragen aan JAEPS, in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004 exploiteerde (hierna: „tweede betrokken onderneming”) anderzijds.
62 Uit punt 379 van de bestreden beschikking blijkt dat FEH en FES persoonlijk en hoofdelijk verantwoordelijk zijn gehouden voor de deelname van de eerste betrokken onderneming aan de inbreuk in de periode van 15 april 1988 tot en met 30 september 2002. Uit de punten 32, 33 en 373 van de bestreden beschikking kan worden afgeleid of hun verantwoordelijkheid ter zake berust op het feit dat zij „onder meer” de eerste betrokken onderneming gedurende deze periode „leidden” of hieraan „leiding gaven” en dientengevolge rechtstreeks betrokken waren bij de deelname van deze onderneming aan de inbreuk.
63 Voorts blijkt uit punt 380 van de bestreden beschikking dat FEH en FES, samen met Hitachi en JAEPS, persoonlijk en hoofdelijk verantwoordelijk zijn gehouden voor de deelname van de tweede betrokken onderneming aan de inbreuk in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004. Bovendien kan in het bijzonder uit de punten 380, 385 en 402 van de bestreden beschikking worden afgeleid dat de verantwoordelijkheid van FEH en FES uitsluitend berust op het feit dat zij, met Hitachi, het marktgedrag hebben bepaald van JAEPS, hun gemeenschappelijke dochteronderneming die rechtstreeks verantwoordelijk was voor de tweede betrokken onderneming, en dientengevolge, als moedermaatschappijen van JAEPS, indirect betrokken waren bij de deelname van deze onderneming aan de inbreuk.
64 De eerste vijf middelen van verzoekster moeten worden beoordeeld in het licht van het voorgaande. Om redenen van doelmatigheid en proceseconomie zullen de eerste twee middelen, te weten kennelijke beoordelingsfouten, schending van het recht op een eerlijk proces, van het beginsel van het vermoeden van onschuld en van het beginsel in dubio pro reo, alsmede schending van de regels inzake de verdeling van de bewijslast, gezamenlijk worden behandeld.
Het eerste en het tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten, schending van het recht op een eerlijk proces, van het beginsel van het vermoeden van onschuld en van het beginsel in dubio pro reo, en schending van de regels inzake de verdeling van de bewijslast
Argumenten van partijen
65 Met de eerste twee middelen verwijt verzoekster de Commissie in wezen verschillende kennelijke beoordelingsfouten te hebben gemaakt en de regels inzake verdeling van de bewijslast te hebben geschonden doordat zij in artikel 1, sub g, van de bestreden beschikking FEH persoonlijk verantwoordelijk heeft gehouden voor de deelname van de eerste betrokken onderneming aan de inbreuk gedurende de periode vanaf de vergadering van de Japanse leden die had plaatsgevonden „in of rond” september 2000 tot en met 30 september 2002, toen de Fuji‑groep haar activiteiten op het gebied van GGS heeft overgedragen aan JAEPS, en doordat zij in artikel 2, sub d, van de bestreden beschikking om die reden FEH en FES hoofdelijk een geldboete heeft opgelegd van 2 400 000 EUR. De Commissie heeft niet voldaan aan haar verplichting rechtens genoegzaam bewijs te leveren dat de eerste betrokken onderneming na de vergadering van de Japanse leden die „in of rond” september 2000 had plaatsgevonden, was blijven deelnemen aan het „kartel dat was voortgekomen uit de GQ-overeenkomst”. Bovendien bevat de redenering van de Commissie in dit opzicht verschillende kennelijke fouten in de waardering van het bewijsmateriaal.
66 De Commissie bestrijdt de argumenten van verzoekster en vordert afwijzing van het eerste en het tweede middel.
Beoordeling door het Gerecht
67 Alvorens over te gaan tot de beoordeling van het eerste en het tweede middel dient te worden bepaald wat exact het geschilpunt is dat aan deze middelen ten grondslag ligt en op welke punten van de bestreden beschikking het betrekking heeft, en in herinnering te worden gebracht welke regels van toepassing zijn op het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst en op het bewijs van deelname van een onderneming aan een dergelijke inbreuk.
– Het exacte geschilpunt dat aan het eerste en het tweede middel ten grondslag ligt
68 In casu betwist verzoekster noch de deelname van de eerste betrokken onderneming aan de inbreuk in de periode van 15 april 1988 tot en met 30 september 2002, noch de persoonlijke aansprakelijkheid van FEH vanwege deze deelname. Zij betwist evenmin dat FEH samen met andere ondernemingen in de periode van 15 april 1988 tot en met 30 september 2002 leiding heeft gegeven aan de eerste betrokken onderneming.
69 Bovendien, ook al maakt verzoekster zorgvuldig onderscheid tussen het „kartel dat was voortgekomen uit de GQ-overeenkomst”, dat ten einde was gekomen na het vertrek van Siemens en Hitachi, en het „kartel dat was voortgekomen uit het nieuwe plan”, dat was begonnen halverwege het jaar 2002, komt zij niet met specifieke middelen of argumenten op tegen de beoordelingen van de Commissie in de punten 2, 3, 248 en 270 tot en met 299 van de bestreden beschikking, dat de verschillende akkoorden en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de periode van 15 april 1988 tot en met 11 mei 2004 slechts verschillende uitingen waren van één enkel gemeenschappelijk plan. Dientengevolge kan niet worden gezegd dat zij in het eerste en het tweede middel deze beoordelingen rechtsgeldig heeft aangetast en derhalve het enkelvoudige en voortdurende karakter van de inbreuk heeft betwist.
70 Tot slot betwist verzoekster niet dat de tweede betrokken onderneming van 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004 heeft deelgenomen aan de inbreuk. Zij betwist uitsluitend dat FEH ter zake aansprakelijk kon zijn en dat haar daarom een boete kon worden opgelegd, aangezien FEH het marktgedrag van JAEPS niet heeft bepaald en, dientengevolge niet als moedermaatschappij van JAEPS betrokken was geweest bij de deelname van de tweede betrokken onderneming aan de inbreuk (zie hieronder punten 173 e.v.).
71 Anderzijds verwijt verzoekster de Commissie het bewijsmateriaal dat aan haar is overgelegd, onjuist te hebben beoordeeld en het recht op een eerlijk proces, het beginsel van het vermoeden van onschuld en het beginsel in dubio pro reo alsook de regels inzake de verdeling van de bewijslast te hebben geschonden door te oordelen dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk heeft geduurd van september 2000 tot en met 30 september 2002 en dat de eerste betrokken onderneming hieraan is blijven deelnemen en FEH hiervoor persoonlijk aansprakelijk kon worden gehouden omdat zij de leiding had over deze onderneming op het moment dat de inbreuk werd gepleegd. Verzoekster is van mening dat de Commissie niet heeft voldaan aan haar verplichtingen in de bestreden beschikking, rechtens genoegzaam en zonder kennelijke waarderingsfouten, bewijs te leveren dat de eerste betrokken onderneming, onder leiding van FEH, was blijven deelnemen aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk, die zou zijn voortgezet vanaf 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004.
72 De Commissie stelt dat het in de omstandigheden van het concrete geval aan de ondernemingen van de Fuji‑groep was om te bewijzen dat de eerste betrokken onderneming in de betrokken periode niet meer deelnam aan de inbreuk.
73 Gelet op de argumenten van partijen moet worden beoordeeld of de Commissie in de bestreden beschikking rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de inbreuk, met deelname van de eerste betrokken onderneming, is voortgezet vanaf september 2000 tot en met 30 september 2002.
– De punten van de bestreden beschikking aangaande het geschilpunt dat ten grondslag ligt aan het eerste en het tweede middel
74 Ten aanzien van enerzijds de voortzetting van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk vanaf september 2000 tot en met 30 september 2002 en anderzijds de deelname van de eerste betrokken onderneming aan deze inbreuk in die periode heeft de Commissie het volgende vastgesteld.
75 In punt 323 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de akkoorden en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen de producenten van GGS‑projecten ten minste hebben geduurd van 15 april 1988 tot en met 11 mei 2004. De vermelding van „1998” in plaats van „1988” is in de context van de bestreden beschikking een kennelijke schrijffout, die dient te worden hersteld.
76 In de punten 324, 326 en 373 van de bestreden beschikking heeft zij aangegeven dat FEH en FES in de periode van 15 april 1988, de datum waarop de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst zijn gesloten en in werking getreden, tot en met 11 mei 2004, de datum van de laatste werkbijeenkomst van de leden van het kartel, die ruw werd onderbroken door de inspecties van de Commissie, hadden deelgenomen aan de inbreuk. De vermelding, in punt 324 van de bestreden beschikking, van „1998” in plaats van „1988” is in de context van de bestreden beschikking een kennelijke schrijffout, die dient te worden hersteld.
77 In de punten 177 tot en met 216 van de bestreden beschikking heeft de Commissie een „chronologisch overzicht van de ontwikkeling van het kartel” gegeven. In dit kader heeft zij in de punten 178 en 179 van de bestreden beschikking het volgende vastgesteld:
„(178) Siemens heeft haar deelname aan de bijeenkomsten van het kartel in september 1999 stopgezet, gevolgd door Hitachi en Schneider/VA Tech in 2000. De afwezigheid van Siemens had vanuit Europees oogpunt een bijzonder destabiliserend effect, aangezien deze onderneming sinds 1988 de secretaris van de Europese groep was en zowel binnen als buiten Europa een van de belangrijkste spelers op de markt was. De activiteiten van het kartel werden niettemin voortgezet en Alstom nam de functie van secretaris van de Europese groep over. Gelet op de vermindering van het aantal leden ten opzichte van 1988 werd de logistieke structuur vereenvoudigd, aangezien een complexe structuur niet langer gerechtvaardigd was.
(179) In 2002 zijn Siemens, Hitachi en VA Tech opnieuw tot het kartel toegetreden [...]”
78 In de punten 270 tot en met 299 van de bestreden beschikking heeft de Commissie aangeven om welke redenen zij van mening was dat „al deze akkoorden bij elkaar de kenmerken vertoon[den] van één enkele voortdurende inbreuk”. In punt 279 van de bestreden beschikking heeft zij in het bijzonder aangegeven dat „[b]epaalde leden van het kartel hebben aangevoerd dat het kartel, doordat het zich ontwikkelde, met ingang van 2002 een ander karakter kreeg, en dat dientengevolge onderscheid moe[s]t worden gemaakt tussen twee verschillende inbreuken, en dat er dus niet zozeer sprake was van één enkele voortdurende inbreuk”. In de punten 279 tot en met 299 van de bestreden beschikking heeft de Commissie echter de feiten en omstandigheden uiteengezet waaruit volgens haar bleek dat de verschillende akkoorden en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen 15 april 1988 en 11 mei 2004 slechts verschillende uitingen waren van één enkel gemeenschappelijk plan, en heeft zij duidelijk gemaakt dat het gekunsteld zou zijn geweest een zodanig voortdurende gedraging, die door één enkel doel werd gekenmerkt, op te splitsen in verschillende afzonderlijke inbreuken.
79 In punt 284 van de bestreden beschikking concludeert de Commissie:
„ABB heeft een uitleg van de beschreven praktijken gegeven die overeenstemt met de feiten en de stukken van het dossier, met inbegrip van de schriftelijke akkoorden. De verklaringen van deze ondernemingen dat er twee opeenvolgende inbreuken zouden zijn geweest, lopen aanzienlijk uiteen wat betreft de datum waarop de eerste zou zijn beëindigd [zie punt 290 hierna]. Deze tegenstrijdige verklaringen verschillen ook van de tijdens de inspectie verkregen bewijsstukken. Uit een grondiger analyse blijkt dat deze tegenstrijdige verklaringen in feite eenvoudige beweringen zijn (waarvan er geen enkele van dezelfde datum als de feiten is) die niet worden gestaafd door enig bewijs van dezelfde datum als de feiten of anderszins dwingend bewijs waaruit blijkt dat de mededingingsregeling inzake de GGS[‑projecten] op een van de genoemde data zou zijn beëindigd. Deze verklaringen vormen geen empirisch bewijs, maar door partijen gegeven feitelijke beoordelingen of deducties van getuigen die vermeld zijn in op verzoek van de advocaten voor de verdediging van de bij deze procedure betrokken ondernemingen geschreven stukken. Partijen zijn geneigd de data waarop zij het idee hebben dat het kartel bestond, minder exact aan te geven dan de data waarop de mededingingsregeling als daadwerkelijk beëindigd moet worden beschouwd.”
80 In punt 290 van de bestreden beschikking wordt bovendien gepreciseerd:
„De Commissie kan zich niet baseren op de verklaringen van [de ondernemingen van de] Areva[‑groep], Melco, [de ondernemingen van de] Hitachi[‑groep of¨van de] JAEPS[‑groep] en Toshiba, voor zover zij respectievelijk stellen dat de mededingingsregeling voor de eerste keer is beëindigd in 1997 ([de ondernemingen van de] Areva[‑groep]) [in hun clementieverzoek, zie punt 12 hierboven]), of in september 1999 (Melco [in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar] en Toshiba [in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar]) of in 1999, na het vertrek van Siemens ([ondernemingen van de] Hitachi[‑groep of de] JAEPS[‑groep]), of zelfs rond september 2000 ([FEH en FES in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar]). Hun verklaringen op dit punt zijn niet betrouwbaar, aangezien zij in tegenspraak zijn met elkaar en, zoals reeds is aangegeven, met de bewijsstukken. Melco, Toshiba, Fuji, ABB, Alstom, Reyrolle/VA Tech, en Magrini/Schneider (later omgedoopt tot VAS en vervolgens tot VA Tech), hebben in 2000 en/of 2001 verder aan multilaterale bijeenkomsten deelgenomen [zie de punten 191‑198 hierboven]. Bovendien zijn deze verklaringen dubbelzinnig en weinig overtuigend.”
81 In de punten 191 tot en met 198 van de bestreden beschikking heeft de Commissie verwezen naar de door ABB of de ondernemingen van de Fuji‑groep verstrekte bewijzen, waaruit volgens haar bleek dat de mededingingsregeling tussen het vertrek van Siemens in september 1999, gevolgd door dat van Hitachi en „Schneider/VA Tech” in 2000, en hun geleidelijke terugkeer vanaf maart 2002 was voortgezet. Om te beginnen heeft de Commissie in de punten 191 tot en met 196 van de bestreden beschikking verwezen naar documenten die ABB in het kader van haar clementieverzoek (zie punt 8 hierboven) had overgelegd, namelijk een reeks faxberichten betreffende bijeenkomsten en de toewijzing van GGS‑projecten die tussen 18 december 2000 en 22 januari 2001 tussen ABB, Melco en Alstom zijn uitgewisseld. Vervolgens heeft de Commissie in punt 197 van de bestreden beschikking verwezen naar een document dat ABB in het kader van haar clementieverzoek had verstrekt, namelijk een lijst van „comitévergaderingen” voor de periode 2000‑2001, die was gedateerd op 12 mei 2000. Zij heeft opgemerkt dat uit deze lijst bleek dat aan deze vergaderingen was deelgenomen door Reyrolle, Alstom, Schneider, ABB, Melco en Toshiba, maar niet door Siemens en „JAEPS (Hitachi)”, wat overeenstemde met de verklaring van ABB in haar antwoord van 4 oktober 2004 op een inlichtingenverzoek van de Commissie (zie punt 15 hierboven) „dat deze laatste twee ondernemingen op dat ogenblik geen deel uitmaakten van het kartel”. Ten slotte heeft de Commissie in punt 198 van de bestreden beschikking verwezen naar een reeks documenten die verzoeksters in het kader van hun verzoek op grond van de clementieregeling hadden verstrekt en naar een reeks documenten die ABB in een aanvulling van 7 mei 2004 op haar clementieverzoek had verstrekt (zie punt 10 hierboven) en waarin gewag werd gemaakt van overeenkomsten die de kartelleden hadden gesloten met betrekking tot acht GGS‑projecten die binnen het kartel de referentienummers [vertrouwelijk](1) droegen en die aantoonden dat het kartel tijdens die periode actief was geweest.
82 De Commissie heeft in de punten 372 en volgende van de bestreden beschikking eveneens vastgesteld dat de eerste betrokken onderneming nog steeds deelnam aan het kartel na de vergadering van de Japanse leden die „in of rond” september 2000 had plaatsgevonden. De bestreden beschikking vermeldt hierover:
„(372) Voor de toerekening van de verantwoordelijkheid aan de juiste juridische entiteiten binnen [de] Fuji[‑groep] dient een onderscheid te worden gemaakt tussen twee perioden: voor en na de overdracht van de activiteiten [inzake] GGS [van de] Fuji[‑groep] aan JAEPS op 1 oktober 2002.
(373) [FEH] en [FES] hebben deelgenomen aan de in deze beschikking beschreven heimelijke afspraken vanaf ten minste 15 april 1988 (de datum waarop Fuji zich heeft aangesloten bij de GQ-overeenkomst) tot en met 30 september 2002 (de activiteiten [inzake] GGS [van de] Fuji[‑groep] zijn aan JAEPS overgedragen op 1 oktober 2002). [FEH] bezit 100 % van het kapitaal van [FES].
Door Fuji aangevoerde argumenten
(374) Fuji geeft toe, tussen 1988 en september 2000 te hebben deelgenomen aan het in de mededeling van de punten van bezwaar beschreven kartel, maar niet daarna. De deelname van Fuji aan het kartel zou zijn geëindigd ‚niet later dan in of rond september 2000. Fuji heeft nooit deelgenomen aan het nieuwe plan’ omdat Fuji daarna niet zou hebben deelgenomen aan de gezamenlijke bijeenkomsten met de Europese leveranciers en evenmin zou zijn doorgegaan met het uitwisselen van informatie.
(375) Fuji stelt dat zelfs wanneer bepaalde door [haar] overgelegde ontwerpovereenkomsten (zie punt 198) ‚volgens hun bewoordingen ook na deze datum (september 2000) geldig zijn, Fuji niet in staat zou zijn geweest na september 2000 op basis hiervan te handelen, omdat alle „vervaldata voor aanbestedingen enkele maanden daarvoor verstreken”. Bovendien had Fuji begrepen dat de eerdere akkoorden, die gerelateerd waren aan de GQ-overeenkomst, voor de leden van het kartel niet meer bindend waren; geen van de genoemde aanbestedingen is aan Fuji gegund, en Fuji heeft dan ook geen voordeel gehad van welk van de akkoorden ook.’
Evaluatie door de Commissie
(376) Aangezien Fuji geen lid was van het ‚Europa/Japan’‑comité, werd zij niet geacht Europese fabrikanten te ontmoeten, noch op managementniveau, noch op werkgroepniveau, maar uitsluitend tijdens de jaarlijkse bijeenkomsten. Overigens speelden de jaarlijkse bijeenkomsten geen grote rol in de praktische uitvoering van de mededingingsregeling, zoals Fuji impliciet heeft bevestigd door te erkennen eveneens te hebben deelgenomen aan het kartel in 2000 (in dat jaar was er geen enkele jaarlijkse bijeenkomst).
(377) De verklaring van Fuji dat zij het kartel zou hebben verlaten rond september 2000, is door geen van de andere bij de procedure betrokken partijen bevestigd, ook al is deze informatie hen ter beschikking gesteld voor commentaar. De verklaring van Fuji is overigens nogal onduidelijk, aangezien zij soms beweert het kartel ‚in of rond september 2000’ te hebben verlaten en op andere plaatsen in hetzelfde document ‚niet later dan september 2000’. Fuji verklaart eveneens dat ‚de laatste ontwerpovereenkomst die [dhr. Oz.] ontving, gedateerd was op 28 september 2000’ en dat ‚Fuji na deze datum geen contact meer had met het kartel van de GQ-overeenkomst’. Dat betekent dat Fuji geacht werd een ‚gearrangeerde’ aanbieding aan een klant te doen om de indruk te wekken dat er sprake was van een zekere concurrentie rond het project, maar zij levert geen enkel bewijs waaruit blijkt dat zij het project de rug had toegekeerd of had ingeschreven tegen concurrerende voorwaarden. Bovendien heeft Fuji, volgens de verklaring van [dhr. I. H.] het kartel verlaten ‚kort na Siemens’, maar er is vastgesteld dat Siemens zich in september 1999 heeft teruggetrokken. Deze verklaring wordt evenmin bevestigd door enige aanwijzing of enig bewijsstuk in het dossier waarmee kan worden aangetoond dat Fuji zich publiekelijk zou hebben gedistantieerd van het kartel in september 2000.
(378) Tot slot, zelfs als de Commissie zou moeten toegeven dat er tot aan de oprichting van JAEPS met Fuji geen nieuwe uitwisseling van kartelinformatie is geweest, moet zij ook rekening houden met het feit dat de reeds uitgewisselde informatie niet door Fuji buiten beschouwing kon worden gelaten in haar handelsactiviteiten en dat de reeds gesloten akkoorden nog altijd van kracht waren. Volgens bewijsstukken uit het dossier, en in het bijzonder de door Fuji aangeleverde informatie, was Fuji partij bij bepaalde in punt 198 genoemde akkoorden, die ook na september 2000 nog gelding bezaten en op de niet‑naleving waarvan een sanctie stond. Hoewel de Commissie Fuji de gelegenheid heeft gegeven hierover opmerkingen in te dienen en aanvullend bewijs te leveren om deze conclusies te betwisten, heeft Fuji geen enkel bewijs aangeleverd waaruit bleek dat zij zich uit de akkoorden teruggetrokken had, ze daadwerkelijk had betwist of niet was nagekomen. Integendeel, het feit dat alle ‚vervaldata voor aanbestedingen enkele maanden tevoren waren verstreken’, zoals Fuji aanvoert, versterkt alleen maar de conclusie dat de akkoorden reeds waren gesloten en van kracht waren. Bovendien tast het feit dat er uiteindelijk geen aanbesteding aan Fuji gegund is (waarvoor eveneens geen ondersteunend bewijs is aangevoerd) de bovengenoemde conclusies niet aan. Ten eerste omdat Fuji heeft deelgenomen aan alle genoemde akkoorden, ook al heeft zij ze niet georganiseerd en er evenmin noodzakelijkerwijs voordeel van gehad. Dat haar naam vermeld stond op de lijst, betekende dat zij inschrijvingen moest indienen, maar niet noodzakelijkerwijs dat zij de geselecteerde kandidaat was. Ten tweede omdat het, zelfs als zij de door de leden van het kartel geselecteerde kandidaat was geweest (wat Fuji gesteld noch bewezen heeft), nooit volledig gegarandeerd zou zijn geweest dat de aanbesteding uiteindelijk aan Fuji gegund zou worden, omdat andere indieners die geen deel uitmaakten van het kartel meer succes zouden kunnen hebben gehad dan Fuji.
(379) Om de redenen die uiteengezet zijn in de punten 334 en 373, moeten [FEH] en [FES] hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor de deelname van Fuji aan de inbreuk in de periode van 15 april 1988 tot en met 30 september 2002.”
– De regels die van toepassing zijn op het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst en op het bewijs van de deelname van een onderneming aan een dergelijke inbreuk
83 Aangezien partijen met elkaar van mening verschillen over de vraag naar de onderlinge verdeling van de bewijslast en, meer in het algemeen, over de vraag of in casu de regels die van toepassing zijn op het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst en op het bewijs van de deelname van een onderneming aan een dergelijke inbreuk al dan niet zijn gerespecteerd, dienen om te beginnen de toepasselijke rechtsregels in herinnering te worden geroepen.
84 Volgens vaste rechtspraak inzake de bewijslast geldt dat enerzijds de partij of de autoriteit die een inbreuk op de mededingingsregels aanvoert, het bewijs daarvan moet leveren door de feiten die een inbreuk opleveren rechtens genoegzaam te bewijzen, en anderzijds de onderneming die verweer voert tegen een vastgestelde inbreuk, het bewijs moet leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit ander bewijs moet aanvoeren (arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 50; zie in die zin ook arresten Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58, en 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 78). De duur van de inbreuk vormt een bestanddeel van het begrip „inbreuk” in de zin van artikel 81, lid 1, EG, waarvan het bewijs primair op de Commissie rust (arrest Hof van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T‑43/92, Jurispr. blz. II‑441, punt 79, en arrest Peróxidos Orgánicos/Commissie, reeds aangehaald, punt 51).
85 Deze verdeling van de bewijslast kan echter variëren, aangezien de door een partij aangevoerde feiten van dien aard kunnen zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (zie in die zin arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 84 supra, punt 79, en Peróxidos Orgánicos/Commissie, punt 84 supra, punt 53).
86 Wat de bewijsmiddelen betreft die de Commissie in aanmerking kan nemen, geldt in het mededingingsrecht primair het beginsel van de vrije bewijslevering (arrest Hof van 25 januari 2007, Dalmine/Commissie, C‑407/04 P, Jurispr. blz. I‑829, punt 63, en arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 273). Daar het verbod op deelneming aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten en de sancties die overtreders riskeren, algemeen bekend zijn, worden activiteiten die met die gedragingen en overeenkomsten verband houden, doorgaans clandestien verricht, worden bijeenkomsten in het geheim gehouden, meestal in een derde staat, en wordt de desbetreffende documentatie tot een minimum beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit expliciet blijkt van onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers, zoals de notulen van een vergadering, zijn die doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een reeks coïncidenties en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen vormen dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 84 supra, punten 55‑57). Dergelijke omstandigheden en aanwijzingen kunnen niet enkel uitsluitsel geven over het bestaan van mededingingsverstorende gedragingen of overeenkomsten, maar tevens over de duur van een voortgezette mededingingsverstorende gedraging of over het tijdvak waarin een in strijd met de mededingingsregels gesloten overeenkomst werd toegepast (arrest Hof van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, Jurispr. blz. I‑8831, punt 166).
87 In ieder geval dient de Commissie nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aan te voeren voor het bestaan van de inbreuk (zie arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest JFE Engineering/Commissie, punt 86 supra, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook arrest Gerecht van 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 217). Niettemin hoeft niet elk door de Commissie aangevoerd bewijs noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door haar aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (arresten JFE Engineering/Commissie, punt 86 supra, punt 180, en Groupe Danone/Commissie, reeds aangehaald, punt 218; zie in die zin ook „PVC II”‑arrest, punt 57 supra, punten 768‑778, met name punt 777). Aangaande de duur van de inbreuk eist de rechtspraak dat de Commissie bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste bewijs aanvoert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (arresten Technische Unie/Commissie, punt 86 supra, punt 169; Dunlop Slazenger/Commissie, punt 84 supra, punt 79, en Peróxidos Orgánicos/Commissie, punt 84 supra, punt 51).
88 Wat de bewijskracht van de verschillende bewijsstukken betreft, dient te worden opgemerkt dat het enige relevante criterium voor de beoordeling van vrij aangevoerd bewijs de geloofwaardigheid ervan is (arrest Dalmine/Commissie, punt 86 supra, punt 63; zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T‑44/00, Jurispr. blz. II‑2223, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 86 supra, punt 273). Volgens de algemeen geldende bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en dus de bewijskracht van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het is gericht en van de inhoud ervan (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 1053; conclusie van rechter Vesterdorf, aangewezen als advocaat-generaal, in de zaak Rhône-Poulenc/Commissie, arrest Gerecht van 24 oktober 1991, T‑1/89, Jurispr. blz. II‑867, II‑869, II‑956). Met name dient groot belang te worden gehecht aan de omstandigheid dat een stuk rechtstreeks verband houdt met de feiten (arrest Gerecht van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie, T‑157/94, Jurispr. blz. II‑707, punt 312) of is opgesteld door iemand die rechtstreeks getuige was van deze feiten (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 86 supra, punt 207). Documenten waaruit blijkt dat er contacten tussen verschillende ondernemingen hebben plaatsgehad en dat die contacten er juist op waren gericht bij voorbaat onzekerheid over het toekomstig marktgedrag van concurrenten uit te sluiten, bewijzen rechtens genoegzaam dat er sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen (zie in die zin arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 175 en 179). Bovendien moeten verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, in beginsel als bijzonder betrouwbaar bewijs worden beschouwd (zie in die zin arrest JFE Engineering/Commissie, punt 86 supra, punten 207, 211 en 212).
89 Tot slot zij eraan herinnerd dat de rechter bij wie op grond van artikel 230 EG beroep tot nietigverklaring is ingesteld tegen een beschikking van de Commissie waarbij een inbreuk op het mededingingsrecht is vastgesteld en aan de adressaten geldboeten zijn opgelegd, tot taak heeft te beoordelen of de door de Commissie in haar beschikking aangevoerde bewijzen en andere gegevens volstaan om het bestaan van de inbreuk aan te tonen (arrest JFE Engineering/Commissie, punt 86 supra, punten 174 en 175; zie in die zin ook arrest „PVC II”, punt 57 supra, punt 891). Indien de rechter twijfels heeft, dienen deze twijfels in het voordeel te werken van de adressaten van de beschikking, zodat de rechter niet kan vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond indien daarover bij hem nog twijfel bestaat (arresten JFE Engineering/Commissie, punt 86 supra, punt 177, en Groupe Danone/Commissie, punt 87 supra, punt 215). In dit laatste geval dient rekening te worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het te Rome op 4 november 1950 ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), dat deel uitmaakt van de grondrechten die volgens de rechtspraak van het Hof – die overigens is bevestigd in de preambule van de Europese Akte, in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 47 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1) – in de rechtsorde van de Unie worden beschermd. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties is het onschuldvermoeden met name van toepassing in procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (zie arresten Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punten 149 en 150, en Montecatini/Commissie, C‑235/92 P, Jurispr. blz. I‑4539, punten 175 en 176, en arrest Groupe Danone/Commissie, punt 87 supra, punt 216).
90 Het bestaan van een inbreuk moet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van het bewijs dat door de Commissie is verzameld in de beschikking waarin deze inbreuk wordt vastgesteld, en de enige relevante vraag is dus in wezen of het bewijs van de inbreuk al dan niet is geleverd door dit bewijs (arrest Cimenteries CBR e.a./Commissie, punt 88 supra, punt 726).
91 De reeds aangehaalde rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op artikel 53 EER-Overeenkomst en op de beschikkingen van de Commissie die met toepassing van dit artikel zijn vastgesteld.
92 Gelet op de in de punten 84 tot en met 91 hierboven uiteengezette regels dient te worden nagegaan of de Commissie in de bestreden beschikking voldoende geloofwaardige, nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aangevoerd heeft om, in het kader van een algemene beoordeling en na bestudering van de door verzoekster verstrekte alternatieve verklaringen of rechtvaardigingen, de vaste overtuiging te kunnen dragen dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking genoemde inbreuk is voortgezet, met deelname van de eerste betrokken onderneming, in de periode van september 2000 tot en met 30 september 2002 en dat FEH hiervoor persoonlijk aansprakelijk kon worden gehouden omdat zij de leiding had over deze onderneming op het tijdstip waarop de inbreuk werd gepleegd.
– De beoordeling van het bewijsmateriaal dat ten grondslag ligt aan de bestreden beschikking
93 Om te beginnen dienen de voornaamste feiten in herinnering te worden gebracht waarop de Commissie in de bestreden beschikking haar oordeel heeft gebaseerd dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking genoemde inbreuk is voortgezet, met deelname van de eerste betrokken onderneming, in de periode van september 2000 tot en met 30 september 2002.
94 In punt 290 van de bestreden beschikking heeft de Commissie aangegeven dat zij de verklaringen van FEH en FES, van de ondernemingen van de Areva‑groep, van Melco, van de ondernemingen van de Hitachi‑groep of van de JAEPS‑groep en van Toshiba – inhoudende dat de mededingingsregeling voor de eerste keer was beëindigd in 1997, of in september 1999 of in de loop van 1999, na het vertrek van Siemens, of zelfs rond september 2000 – buiten beschouwing liet omdat deze verklaringen niet betrouwbaar, dubbelzinnig dan wel weinig overtuigend waren, want in tegenspraak met elkaar en met het bewijs in het dossier (zie punt 80 hierboven). De Commissie heeft, eveneens in punt 290 van de bestreden beschikking, gelezen in samenhang met de punten 191 tot 198, verwezen naar het feit dat de eerste betrokken onderneming, net als andere ondernemingen, was blijven deelnemen aan de multilaterale bijeenkomsten in 2000 en/of 2001. De omstandigheden waarop de Commissie zich baseert om aan te tonen dat het kartel bleef bestaan – met deelname van de eerste betrokken onderneming – na het vertrek van „Schneider/VA Tech” op 13 december 2000, zijn genoemd in punt 81 hierboven.
95 Wat de eerste plaats gaat de door bepaalde leden van het kartel tussen 18 december 2000 en 22 januari 2001 uitgewisselde faxberichten over bijeenkomsten en de toewijzing van GGS‑projecten betreft, dient te worden opgemerkt dat, zoals de Commissie erkent, uitsluitend de ondernemingen Alstom (later Areva), Melco en ABB betrokken waren bij deze uitwisselingen. Zoals FEH terecht aanvoert, geven deze uitgewisselde documenten, uit de betrokken periode, weliswaar een geloofwaardige en nauwkeurige beschrijving van de activiteiten van het kartel rond december 2000 en januari 2001, maar bevatten zij geen enkele aanwijzing dat de eerste betrokken onderneming er zelf aan heeft deelgenomen.
96 Wat vervolgens de lijst van 12 mei 2000 betreft, deze maakt inderdaad melding van „dertien comitévergaderingen” die waren gepland voor de periode van 18 mei 2000 tot 17 mei 2001. Dat deze „comitévergaderingen” een mededingingsverstorend doel hadden, kan worden afgeleid uit het feit dat de lijst elk van de betrokken ondernemingen aanduidt met de code die hun in het kader van het kartel was toegewezen, zoals weergegeven in de punten 142 en 197 van de bestreden beschikking, en dat, zoals verschillende kartelleden hebben bevestigd, bepaalde vergaderingen van de betrokken organen – het gemeenschappelijk comité Europa/Japan en het Europa-comité – die aan de operationele werking van het kartel deelnamen, gepland waren, zoals eveneens blijkt uit de punten 150 en 151 van de bestreden beschikking. Aangezien bovendien de verklaringen van bepaalde kartelleden en andere stukken in het dossier, zoals reiskostennota’s of aantekeningen in persoonlijke agenda’s, bevestigen dat zes van deze comitévergaderingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, kunnen de activiteiten van het kartel in de periode van 18 mei 2000 tot 18 januari 2001 als vaststaand worden beschouwd. Zoals de Commissie erkent, hebben echter uitsluitend de ondernemingen Reyrolle, Alstom, Schneider, ABB, Melco en Toshiba aan deze vergaderingen deelgenomen. Hieruit volgt, zoals verzoekster terecht stelt, dat deze lijst wel geloofwaardig en nauwkeurig bewijs oplevert van de activiteiten van het kartel tussen 18 mei 2000 en17 mei 2001, maar geen enkele aanwijzing verschaft, dat de eerste betrokken onderneming er zelf aan heeft deelgenomen.
97 Wat ten slotte de stukken betreft inzake feiten ten tijde van de redactie ervan voordeden, met betrekking tot acht GGS‑projecten met referentienummer [vertrouwelijk], deze verwijzen naar tussen de leden van het kartel gesloten overeenkomsten over de toewijzing van de eerdergenoemde GGS‑projecten, waarvan de looptijd wisselend was. Zo blijkt uit deze documenten dat de eerste betrokken onderneming met andere leden van het kartel heeft deelgenomen aan overeenkomsten over de toewijzing van acht GGS‑projecten, opgezet door andere ondernemingen die hadden deelgenomen aan het kartel, die zijn gesloten of van kracht geworden tussen [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], en een looptijd hadden van ongeveer [vertrouwelijk] vanaf de datum van sluiting, te weten, voor het laatste project met referentienummer [vertrouwelijk], tot [vertrouwelijk].
98 Volgens vaste rechtspraak is er reeds sprake van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 24 oktober 1991, Petrofina/Commissie, T‑2/89, Jurispr. blz. II‑1087, punt 211, en 10 maart 1992, ICI/Commissie, T‑13/89, Jurispr. blz. II‑1021, punt 253; zie in die zin ook arrest Hof van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 112). Bovendien is artikel 81 EG van toepassing wanneer het effect van het kartel heeft voortgeduurd, zonder dat het kartel formeel is beëindigd (zie in die zin arrest ICI/Commissie, reeds aangehaald, punt 254, en arrest Gerecht van 13 december 2001, Acerinox/Commissie, T‑48/98, Jurispr. blz. II‑3859, punt 63). De aangehaalde rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op artikel 53 EER-Overeenkomst.
99 In casu heeft verzoekster niet betwist dat FEH overeenkomstig de mededingingsregeling overeenkomsten heeft gesloten over de toewijzing van de acht GGS‑projecten met de referentienummers [vertrouwelijk] in het kader van het kartel. Bovendien heeft zij niet betwist dat deze overeenkomsten blijkens het daarin bepaalde zouden gelden voor de periode van [vertrouwelijk], de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst betreffende het project met referentienummer [vertrouwelijk], tot [vertrouwelijk], de datum waarop de overeenkomst betreffende het GGS‑project met referentienummer [vertrouwelijk] verstreek.
100 Voorts is er in het dossier niets te vinden waaruit blijkt dat de eerste betrokken onderneming zich publiekelijk van de mededingingsregeling en van de in het kader hiervan gesloten overeenkomsten zou hebben gedistantieerd. Een onderneming die zich niet publiekelijk distantieert van de gevolgen van een bijeenkomst die zij heeft bijgewoond, of van een overeenkomst waarbij zij partij was, blijft in beginsel volledig verantwoordelijk voor haar deelname aan het kartel. Het zou al te gemakkelijk zijn voor ondernemingen om het risico van een zware geldboete tot een minimum te beperken, indien zij van een ongeoorloofde mededingingsregeling konden profiteren en vervolgens een vermindering van de geldboete konden verkrijgen omdat zij slechts een beperkte rol bij de tenuitvoerlegging van de inbreuk hebben gespeeld, terwijl hun houding andere ondernemingen ertoe heeft aangezet zich te gedragen op een wijze die schadelijker is voor de mededinging (zie in die zin arrest Mannesmannröhren-Werke/Commissie, punt 88 supra, punt 278, en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit volgt dat zelfs wanneer de eerste betrokken onderneming niet alle in het kader van de mededingingsregeling gesloten overeenkomsten zou zijn nagekomen, deze omstandigheid bij het ontbreken van bewijs dat zij zich publiekelijk heeft gedistantieerd van de andere leden van het kartel, niet voldoende zou zijn om haar te ontheffen van haar aansprakelijkheid vanwege haar deelname aan deze overeenkomsten en, door deze overeenkomsten, aan de inbreuk die is vastgesteld in artikel 1 van de bestreden beschikking.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex