Art. 10
1. Aan de internationale samenwerkingsverbanden worden toegangs- en doorvoerrechten verleend in de Lid-Staten waar de samenstellende spoorwegondernemingen zijn gevestigd, alsmede doorvoerrechten in de andere Lid-Staten voor het verrichten van internationale vervoerdiensten tussen de Lid-Staten waar de samenstellende ondernemingen van die samenwerkingsverbanden zijn gevestigd.
2. De spoorwegondernemingen die onder de werkingssfeer van artikel 2 vallen, krijgen onder billijke voorwaarden recht op toegang tot de infrastructuur van de andere Lid-Staten met het oog op de exploitatie van internationale gecombineerde goederenvervoerdiensten.
3. De internationale samenwerkingsverbanden en de spoorwegondernemingen die internationaal gecombineerd goederenvervoer verrichten, sluiten de nodige administratieve, technische en financiële overeenkomsten met de beheerders van de gebruikte spoorweginfrastructuur om de problemen te regelen op het gebied van de regeling en de veiligheid van het verkeer in verband met de in de leden 1 en 2 bedoelde internationale vervoerdiensten. Die overeenkomsten mogen geen discriminerende voorwaarden bevatten.