Gerecht EU 15 juli 2015, T-418/10, ECLI:EU:T:2015:516

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

15 juli 2015 ( 1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Europese markt van spanstaal — Vaststelling van de prijzen, verdeling van de markt en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Eén enkele complexe en voortdurende inbreuk — Agentuurovereenkomst — Toerekenbaarheid van het inbreukmakend gedrag van de agent aan de opdrachtgever — Geen wetenschap van het inbreukmakend gedrag van de agent bij de opdrachtgever — Deelname aan een bestanddeel van de inbreuk en wetenschap van het totaalplan — Richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 — Evenredigheid — Beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties — Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑418/10,

voestalpine AG, gevestigd te Linz (Oostenrijk),

voestalpine Wire Rod Austria GmbH, voorheen voestalpine Austria Draht GmbH, gevestigd te Sankt Peter-Freienstein (Oostenrijk),

vertegenwoordigd door A. Ablasser-Neuhuber, G. Fussenegger, U. Denzel en M. Mayer, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Sauer, V. Bottka en C. Hödlmayr als gemachtigden, bijgestaan door R. Van der Hout, advocaat,

verweerster,

betreffende een verzoek om nietigverklaring en herziening van besluit C(2010) 4387 definitief van de Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38344 – Spanstaal), gewijzigd bij besluit C(2010) 6676 definitief van de Commissie van 30 september 2010 en bij besluit C(2011) 2269 definitief van de Commissie van 4 april 2011,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen (rapporteur), president, F. Dehousse en A. M. Collins, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 oktober 2014,

het navolgende

Arrest

Voorwerp van het geschil

1 Het onderhavige beroep is gericht tegen besluit C(2010) 4387 definitief van de Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38344 – Spanstaal) (hierna: „aanvankelijk besluit”), waarbij geldboeten zijn opgelegd voor een mededingingsregeling tussen leveranciers van spanstaal. Laatstgenoemden hebben deelgenomen aan de vaststelling van quota, de verdeling van klanten, prijsafspraken en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie over prijzen, volumes en klanten op Europees, regionaal en nationaal niveau.

2 Het aanvankelijke besluit van de Europese Commissie had de volgende adressaten: — ArcelorMittal SA, — ArcelorMittal Wire France SA, — ArcelorMittal Fontaine SA, — ArcelorMittal Verderio Srl, — Emesa-Trefilería, SA (hierna: „Emesa”), — Industrias Galycas, SA (hierna: „Galycas”), — ArcelorMittal España, SA, — Trenzas y Cables de Acero PSC, SL (hierna: „Tycsa”), — Trefilerías Quijano, SA (hierna: „TQ”), — Moreda-Riviere Trefilerías, SA (hierna: „MRT”), — Global Steel Wire, SA (hierna: „GSW”), — SOCITREL – Sociedade Industrial de Trefilaria, SA (hierna: „Socitrel”), — Companhia Previdente – Sociedade de Controle de Participações Financeiras, SA (hierna: „Companhia Previdente”), — voestalpine Austria Draht GmbH, thans voestalpine Wire Rod Austria GmbH, de tweede verzoekster (hierna: „Austria Draht”), — voestalpine AG, de eerste verzoekster, — Fapricela Industria de Trefilaria, SA (hierna: „Fapricela”), — Proderac – Productos Derivados del Acero, SA (hierna: „Proderac”), — Westfälische Drahtindustrie GmbH (hierna: „WDI”), — Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft mbH & Co. KG (hierna: „WDV”), — Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co. KG (hierna: „Pampus”), — Nedri Spanstaal BV (hierna: „Nedri”), — Hit Groep BV, — DWK Drahtwerk Köln GmbH en Saarstahl AG (hierna tezamen: „DWK”), — Ovako Hjulsbro AB, — Ovako Dalwire Oy AB, — Ovako Bright Bar AB, — Rautaruukki Oyj, — Italcables SpA (hierna: „ITC”), — Antonini SpA, — Redaelli Tecna SpA (hierna: „Redaelli”), — CB Trafilati Acciai SpA (hierna: „CB”), — I.T.A.S. – Industria Trafileria Applicazioni Speciali SpA (hierna: „Itas”), — Siderurgica Latina Martin SpA (hierna: „SLM”), — Ori Martin SA, — Emme Holding SpA, voorheen en thans weer Trafilerie Meridionali Spa genaamd (hierna: „Trame”).

3 Het aanvankelijke besluit is tweemaal door de Commissie gewijzigd.

4 Eerst heeft de Commissie op 30 september 2010 besluit C(2010) 6676 definitief tot wijziging van het aanvankelijke besluit (hierna: „eerste wijzigingsbesluit”) vastgesteld. Het eerste wijzigingsbesluit heeft in wezen geleid tot een verlaging van de geldboeten die zijn opgelegd aan de volgende vennootschappen: ArcelorMittal Verderio, ArcelorMittal Fontaine, ArcelorMittal Wire France, ArcelorMittal España, WDI en WDV.

5 Het eerste wijzigingsbesluit is gericht tot alle adressaten van het aanvankelijke besluit.

6 Daarna heeft de Commissie op 4 april 2011 besluit C(2011) 2269 definitief tot wijziging van het aanvankelijke besluit (hierna: „tweede wijzigingsbesluit”) vastgesteld. In wezen heeft het tweede wijzigingsbesluit geleid tot met name een verlaging van de geldboeten die aan de volgende vennootschappen zijn opgelegd: in de eerste plaats ArcelorMittal, ArcelorMittal Verderio, ArcelorMittal Fontaine en ArcelorMittal Wire France en in de tweede plaats SLM en Ori Martin. Alleen deze vennootschappen waren adressaten van het tweede wijzigingsbesluit.

7 Waar relevant is op initiatief van het Gerecht mededeling van de twee wijzigingsbesluiten gedaan aan alle vennootschappen die een beroep tegen het aanvankelijke besluit hebben ingesteld.

8 Het Gerecht heeft voestalpine en Austria Draht verzocht zich uit te laten over de eventuele gevolgen van deze wijzigingen van het aanvankelijke besluit voor hun betoog en hun de gelegenheid geboden om hun conclusies aan te passen teneinde met deze eventuele gevolgen rekening te houden.

9 Het aanvankelijke besluit, zoals gewijzigd bij het eerste en het tweede wijzigingsbesluit, vormt het „bestreden besluit” voor de doelstellingen van het onderhavige beroep.

10 Tegen het aanvankelijke besluit, het eerste wijzigingsbesluit, het tweede wijzigingsbesluit of de brieven van de Commissie in antwoord op verzoeken om een nieuwe beoordeling van hun draagkracht door sommige van de adressaten van het aanvankelijke besluit zijn 28 beroepen ingesteld (zaken T‑385/10, ArcelorMittal Wire France e.a./Commissie, T‑388/10, Productos Derivados del Acero/Commissie, T‑389/10, SLM/Commissie, T‑391/10, Nedri Spanstaal/Commissie, T‑393/10, Westfälische Drahtindustrie e.a./Commissie, T‑398/10, Fapricela/Commissie, T‑399/10, ArcelorMittal España/Commissie, T‑406/10, Emesa-Trefilería en Industrias Galycas/Commissie, T‑413/10, Socitrel/Commissie, T‑414/10, Companhia Previdente/Commissie, T‑418/10, voestalpine en voestalpine Wire Rod Austria/Commissie, T‑419/10 Ori Martin/Commissie, T‑422/10, Trafilerie Meridionali/Commissie, T‑423/10, Redaelli Tecna/Commissie, T‑426/10, Moreda-Riviere Trefilerías/Commissie, T‑427/10, Trefilerías Quijano/Commissie, T‑428/10, Trenzas y Cables de Acero/Commissie, T‑429/10, Global Steel Wire/Commissie, T‑436/10, Hit Groep/Commissie, T‑575/10, Moreda-Riviere Trefilerías/Commissie, T‑576/10, Trefilerías Quijano/Commissie, T‑577/10, Trenzas y Cables de Acero/Commissie, T‑578/10, Global Steel Wire/Commissie, T‑438/12, Global Steel Wire/Commissie, T‑439/12, Trefilerías Quijano/Commissie, T‑440/12, Moreda-Riviere Trefilerías/Commissie, T‑441/12, Trenzas y Cables de Acero/Commissie, en T‑409/13, Companhia Previdente en Socitrel/Commissie).

Voorgeschiedenis van het geding

I – Sector die voorwerp is van de procedure

A – Product

11 De mededingingsregeling waarvoor de Commissie sancties heeft opgelegd, had betrekking op spanstaal. Dit begrip wordt gebruikt ter aanduiding van metaaldraden en -strengen en met name staal bestemd voor voorgespannen beton dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van balkonelementen, funderingspalen of buizen en staal voor nagespannen beton dat wordt gebruikt in de civiele bouw, ondergrondse bouwwerken en bruggenbouw (bestreden besluit, overweging 2).

12 Het productenaanbod in spanstaal omvat verschillende soorten spanstaaldraad (bijvoorbeeld glad, glanzend of gegalvaniseerd, geprofileerd, geribd) en verschillende soorten spanstaalstrengen (bijvoorbeeld glanzend, geprofileerd, met polytheen- of metaalcoating). Een spanstaalstreng bestaat uit drie of zeven draden. Spanstaal wordt verkocht in verschillende diameters. Speciale strengen, dat wil zeggen gegalvaniseerde, met beschermhuls omwonden – ingevette of met was behandelde – strengen, en draagkabels, dat wil zeggen gegalvaniseerde strengen met coating en gegalvaniseerde draden voor de bruggenbouw, zijn evenwel door de Commissie buiten beschouwing gelaten (bestreden besluit, overwegingen 3 en 4).

13 In het bestreden besluit is ook aangegeven dat in vele landen technische goedkeuring van de nationale overheid vereist is. De certificeringsprocedures nemen ongeveer zes maanden in beslag (bestreden besluit, overweging 5).

B – Structuur van het aanbod

14 Volgens het bestreden besluit hadden alle kartelleden tezamen genomen ongeveer 80 % van de markt binnen de Europese Economische Ruimte (EER) in handen. In de meeste landen waren verscheidene van de grote producenten op de markt actief, naast enkele plaatselijke producenten. De meeste van deze grote producenten maakten deel uit van staalconcerns die ook walsdraad produceren, een grondstof voor spanstaal die meteen ook de grootste kostenpost ervan uitmaakt. In tegenstelling tot de geïntegreerde ondernemingen, die hun grondstoffen merendeels binnen het eigen concern betrokken, waren niet- geïntegreerde bedrijven voor hun grondstoffen aangewezen op de vrije markt. In het bestreden besluit is geconstateerd dat er in de periode waarin het kartel actief was, sprake was van aanzienlijke en langdurige overcapaciteit op de spanstaalmarkt (bestreden besluit, overwegingen 98 en 99).

15 De spanstaalmarkt vertegenwoordigde in de EER in 2001 een waarde van ongeveer 365 miljoen EUR voor een totale omvang van ongeveer 600000 ton in datzelfde jaar. Ongeveer 20 à 25 % van deze omzet kwam voor rekening van spanstaaldraad en 75 à 80 % van spanstaalstrengen. Dit zijn gemiddelde waarden, die per land enigszins uiteen kunnen lopen. De grootste afnemer van spanstaal is Italië (ongeveer 28 % van de spanstaalomzet in de EER). Andere grote afnemerlanden zijn Spanje (16 %) en Nederland, Frankrijk, Duitsland en Portugal (elk 8 à 10 %) (bestreden besluit, overweging 100).

C – Structuur van de vraag

16 Volgens het bestreden besluit bood de vraagzijde van de spanstaalmarkt een zeer heterogeen beeld. Spanstaal wordt gebruikt door zowel fabrikanten van geprefabriceerde bouwelementen als door gespecialiseerde bouwbedrijven, met name in constructies voor het stabiliseren van gebouwen of bruggen. Het klantenbestand bestaat uit een zeer klein aantal grote afnemers – bijvoorbeeld Addtek International Oy AB (hierna: „Addtek”), sindsdien Consolis Oy AB geworden, die tussen 5 en 10 % van het spanstaalverbruik binnen de Europese Unie vertegenwoordigt – en een groot aantal kleine afnemers (bestreden besluit, overwegingen 101 en 102).

17 De handelspraktijken variëren van lidstaat tot lidstaat. De leveranciers en afnemers van spanstaal sluiten vaak raamcontracten met een looptijd van 6‑12 maanden. Vervolgens plaatsen de klanten, afhankelijk van hun behoefte, bestellingen binnen het totale overeengekomen volume tegen de overeengekomen prijs. Deze raamcontracten worden regelmatig verlengd na verdere onderhandelingen (bestreden besluit, overweging 103).

D – Handelsverkeer binnen de Europese Unie en de EER

18 Volgens opgave in het bestreden besluit blijkt uit de afzetvolumes in de periode waarin het kartel actief was dat intensieve handel tussen de lidstaten van de Unie plaatsvond. Spanstaal wordt overal in de EER geproduceerd en verkocht (bestreden besluit, overweging 104).

II – Voestalpine en Austria Draht

19 Austria Draht is een Oostenrijkse producent van strengen. Van 24 februari 1988 tot 3 december 2002 was zij voor 95 % eigendom van Voest-Alpine Stahl Gesellschaft GmbH, terwijl de resterende 5 % in handen was van Donauländische Baugesellschaft GmbH. Na een interne herstructurering op 3 december 2002 verwierf voestalpine Bahnsysteme GmbH, als rechtsopvolger onder algemene titel van Voest-Alpine Stahl Gesellschaft, 99,95 % van de aandelen in Austria Draht. Zowel Voest-Alpine Stahl Gesellschaft als voestalpine Bahnsysteme zijn volle dochterondernemingen van de Oostenrijkse vennootschap voestalpine (bestreden besluit, overwegingen 44 en 45).

20 Austria Draht liet de verkoop in Italië over aan een agent, de Italiaanse vennootschap Studio Crema CAP Srl (hierna: „Studio Crema”), die werd beheerd en vertegenwoordigd door G. Deze persoon was niet bevoegd om contracten te ondertekenen, die altijd rechtstreeks door Austria Draht werden gesloten (bestreden besluit, overweging 46).

21 In het boekjaar van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2002 heeft voestalpine in de EER binnen de door de Commissie in aanmerking genomen spanstaalsector een omzet gerealiseerd van ongeveer 18,27 miljoen EUR. Deze omzet is uitsluitend met verkopen van Austria Draht behaald. In het boekjaar van 1 april 2009 tot en met 31 maart 2010 bedroeg de wereldwijde geconsolideerde omzet van voestalpine 8,55 miljard EUR (bestreden besluit, overweging 47).

III – Administratieve procedure

22 Op 9 januari 2002 heeft het Bundeskartellamt (Duitse mededingingsautoriteit) de Commissie documenten verstrekt over een rechtszaak betreffende het ontslag van een voormalig medewerker van WDI. Deze medewerker beweerde dat hij betrokken was geweest bij een inbreuk op artikel 101 VWEU op het gebied van spanstaal. In die context heeft hij in een verklaring de ondernemingen die bij de inbreuk betrokken waren genoemd en eerste inlichtingen over de inbreuk verstrekt (bestreden besluit, overweging 105).

A – Eerste clementieverzoek en aan DWK toegekende immuniteit

23 Op 18 juni 2002 heeft DWK bij de Commissie een memorandum over een inbreuk op artikel 101 VWEU in de spanstaalsector ingediend. Volgens dit memorandum waren zijzelf en andere ondernemingen daarbij betrokken. DWK heeft in dat verband te kennen gegeven dat zij verwachtte te kunnen profiteren van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken van 19 februari 2002 (PB C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking”) (bestreden besluit, overweging 106).

24 Op 3 juli 2002 heeft een bijeenkomst tussen de vertegenwoordigers van DWK en de Commissie plaatsgevonden, tijdens welke de clementieprocedure is besproken. Op 19 juli 2002 heeft de Commissie DWK voorwaardelijke immuniteit verleend uit hoofde van punt 8, onder b), van de mededeling inzake medewerking, aangezien zij als eerste bewijsmateriaal had verschaft dat de Commissie in staat stelde een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen in verband met een vermeend EU-omvattend kartel van spanstaalproducenten (bestreden besluit, overweging 107).

B – Inspecties en verzoeken om inlichtingen

25 Op 19 en 20 september 2002 heeft de Commissie inspecties verricht in de bedrijfsruimten van met name DWK, WDI, Nedri, Tréfileurope, Tycsa, Redaelli, CB, Itas, ITC, SLM en Edilsider (het bedrijf van een verkoopagent van Tréfileurope Italia Srl, thans ArcelorMittal Verderio), en hun respectieve dochterondernemingen of met hen verbonden ondernemingen, op grond van artikel 14, leden 2 en 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 1962, 13, blz. 204) (bestreden besluit, overweging 108).

26 Vanaf 19 september 2002 heeft de Commissie meerdere verzoeken om inlichtingen op grond van artikel 11 van verordening nr. 17 en artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), toegezonden aan de ondernemingen die adressaat van het aanvankelijke besluit waren, aan hun moedermaatschappijen, aan andere ondernemingen, aan enkele personen (een gepensioneerd ex-werknemer van Redaelli, nadien commercieel adviseur, en een verkoopagent van Tréfileurope Italia, via Edilsider) en aan enkele brancheorganisaties (bestreden besluit, overweging 109).

27 Op 7 en 8 juni 2006 heeft de Commissie een inspectie op grond van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 verricht ten kantore („studio”) van een familielid van een voormalige werknemer van Redaelli (bestreden besluit, overweging 114).

C – Overige clementieverzoeken en door de Commissie gegeven antwoorden

28 Van de adressaten van het bestreden besluit hebben sommige vennootschappen, zoals ITC, Nedri, SLM, Redaelli en WDI, formele clementieverzoeken uit hoofde van de mededeling inzake medewerking ingediend. Tycsa heeft bevestigd dat er mededingingsverstorende afspraken waren, zonder om clementie te verzoeken (bestreden besluit, overweging 110).

29 ITC heeft op 21 september 2002 een clementieverzoek ingediend en daarbij oorspronkelijk bewijsmateriaal overgelegd over de bijeenkomsten van concurrenten in de spanstaalsector in de periode 1979‑2002. Op 11 november 2002 heeft zij tevens een bedrijfsverklaring overgelegd. Op 10 januari 2003 heeft de Commissie ITC een voorwaardelijke boetevermindering van 30‑50 % toegezegd, op voorwaarde dat zij zou blijven voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in punt 21 van de mededeling inzake medewerking (bestreden besluit, overweging 111).

30 Op 17 oktober 2002 heeft Tycsa geantwoord op een verzoek om inlichtingen. Daarbij heeft zij de inbreuk toegegeven en belastend bewijsmateriaal inzake de eigen betrokkenheid overgelegd. Op 21 oktober 2002 heeft Redaelli, in antwoord op een verzoek om inlichtingen, belastend bewijsmateriaal inzake de eigen betrokkenheid overgelegd. Op 20 maart 2003 heeft zij formeel verzocht of zij voor de mededeling inzake medewerking in aanmerking kon komen. Op 23 oktober 2002 heeft Nedri, in antwoord op een verzoek om inlichtingen, bewijsmateriaal overgelegd en hierbij tevens om toepassing van genoemde mededeling verzocht. Op 30 oktober 2002 heeft SLM, in antwoord op een verzoek om inlichtingen, om verlaging van de geldboete verzocht. Op 4 november 2002 en vervolgens op 6 maart 2003 en 11 juni 2003 heeft Tréfileurope, in antwoord op een verzoek om inlichtingen, informatie verstrekt waaruit haar betrokkenheid bleek en een bedrijfsverklaring ingediend met het verzoek om toepassing van de mededeling inzake medewerking. Op 17 maart 2004 heeft Galycas, in antwoord op een verzoek om inlichtingen, de feiten toegegeven en een aantal belastende verklaringen afgelegd. Op 19 mei 2004 heeft WDI een bedrijfsverklaring ingediend met het verzoek om toepassing van de mededeling inzake medewerking. Op 28 juni 2007 heeft ArcelorMittal, naast andere contacten met de Commissie, een clementieverzoek ingediend dat voornamelijk oorspronkelijke handgeschreven notities over de periode 1992‑2002 van een voormalige werknemer van Emesa bevatte (hierna: „aantekeningen van Emesa”) (bestreden besluit, overweging 112).

31 Volgend op de clementieverzoeken heeft de Commissie op 19 september 2008 brieven aan ArcelorMittal, Nedri en WDI gezonden, waarin zij hun meedeelde dat zij geen immuniteit tegen geldboeten zouden krijgen en dat zij voornemens was om krachtens punt 26 van de mededeling inzake medewerking boetevermindering toe te kennen binnen de specifieke schijf zoals voorzien in punt 23, onder b), van deze mededeling. Bij brieven van diezelfde dag heeft de Commissie ook de clementieverzoeken van Redaelli en SLM afgewezen (bestreden besluit, overweging 113).

D – Inleiding van de procedure en mededeling van punten van bezwaar

32 Op 30 september 2008 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die tot meerdere vennootschappen was gericht, voestalpine en Austria Draht daaronder begrepen.

33 Alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben in antwoord op de door de Commissie gemaakte bezwaren schriftelijke opmerkingen ingediend.

E – Toegang tot het dossier, hoorzitting en vermogen om te betalen

34 De adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben toegang tot het dossier van de Commissie verkregen in de vorm van een afschrift op dvd. Tegelijkertijd hebben deze ondernemingen een lijst van de in het onderzoeksdossier opgenomen documenten ontvangen, tezamen met een indicatie van de mate waarin toegang tot elk document kon worden verleend. Zij zijn ervan op de hoogte gebracht dat de dvd de partijen volledige toegang verleende tot alle documenten die in het kader van het onderzoek door de Commissie waren verkregen, met uitzondering van de documenten of delen van documenten die bedrijfsgeheimen of andere vertrouwelijke informatie bevatten. De toegang tot de clementiestukken werd in de gebouwen van de Commissie verleend.

35 Op 11 en 12 februari 2009 is een hoorzitting gehouden. Daaraan hebben alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, met uitzondering van HIT Groep, Emesa en Galycas, deelgenomen.

36 Veertien ondernemingen hebben tevens hun onvermogen om te betalen aangevoerd in de zin van punt 35 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”). Zij hebben bewijs overgelegd ter ondersteuning van hun verzoek om hiermee rekening te houden.

F – Aanvullende verzoeken om inlichtingen

37 Vervolgens heeft de Commissie verzoeken om inlichtingen gericht tot GSW, MRT, Tycsa, TQ, Companhia Previdente en Socitrel, om enkele punten betreffende met name hun ondernemingsstructuur verduidelijkt te krijgen. Deze vennootschappen hebben daar op 6 maart en 15 april 2009 op geantwoord.

38 Daarnaast heeft de Commissie verzoeken om inlichtingen tot alle adressaten van het aanvankelijke besluit gericht, om de waarde van de verkopen van de relevante producten en de groepsomzet vast te stellen. Op deze verzoeken hebben alle adressaten geantwoord.

IV – Bestreden besluit

39 Het bestreden besluit betreft een kartel van leveranciers van spanstaal die hebben deelgenomen aan de vaststelling van quota, de verdeling van klanten, prijsafspraken en de uitwisseling van gevoelige commerciële informatie over prijzen, volumes en klanten op Europees (club Zürich, club Europa, ...), regionaal en nationaal (club Italia, club España) niveau. Volgens overweging 1 van het bestreden besluit hebben deze ondernemingen één enkele voortgezette inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU, en, vanaf 1 januari 1994, op artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst gepleegd. Het onwettige gedrag heeft van ten minste begin 1984 tot 19 september 2002 geduurd.

40 Bij het onderzoek waren 18 ondernemingen betrokken. De overwegingen 122 tot en met 133 van het bestreden besluit bevatten een algemene omschrijving van de kartelafspraken die voorwerp van de procedure zijn (die in de punten 67 en volgende hieronder is weergegeven).

41 Voestalpine en Austria Draht zijn beide aansprakelijk gehouden voor deelname aan het kartel voor de periode van 15 april 1997 tot 19 september 2002 (bestreden besluit, artikel 1).

42 Voor deze inbreuk is aan voestalpine en Austria Draht hoofdelijk een geldboete van 22 miljoen EUR opgelegd (bestreden besluit, artikel 2).

Procedure en conclusies van partijen

43 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 september 2010, hebben voestalpine en Austria Draht het onderhavige beroep ingesteld.

44 Bij beslissing van 29 oktober 2010 heeft het Gerecht (Eerste kamer) verzoeksters ervan in kennis gesteld dat zij de mogelijkheid hadden om hun middelen en conclusies aan te passen, om rekening te houden met de wijzigingen die bij het eerste wijzigingsbesluit zijn aangebracht.

45 Voestalpine en Austria Draht hebben in het kader van hun repliek, die op 1 juni 2011 is neergelegd, geen opmerkingen over het eerste wijzigingsbesluit gemaakt.

46 Bij beslissing van 6 juni 2011 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van documenten.

47 Op 29 juni 2011 heeft de Commissie het tweede wijzigingsbesluit meegedeeld.

48 Voestalpine en Austria Draht hebben op 1 augustus 2011 hun opmerkingen over het tweede wijzigingsbesluit ingediend.

49 Op 14 oktober 2011 hebben voestalpine en Austria Draht een brief doen toekomen, die op 8 november 2011 in het dossier is opgenomen, waaraan zij op grond van artikel 66, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 documenten hebben gehecht waarin bewijsaanbiedingen zijn gedaan ter ondersteuning van hun toelichtingen in het verzoekschrift.

50 Het betreft met name verklaringen die zijn opgesteld en zijn toegezonden na de neerlegging van de memorie van repliek. Daarin geven een verantwoordelijke van Redaelli, een verantwoordelijke van SLM en een verantwoordelijke van ITC aan dat G. verzoeksters niet heeft vertegenwoordigd op de bijeenkomsten van club Italia.

51 In bovengenoemde brief van 14 oktober 2011 hebben voestalpine en Austria Draht tevens verzocht om vaststelling van een maatregel van instructie in de zin van artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, inhoudende dat voornoemde verantwoordelijken van Redaelli en SLM als getuigen zouden worden gehoord.

52 De schriftelijke behandeling is aanvankelijk afgesloten op 20 oktober 2011, met de neerlegging van de dupliek in de procestaal door de Commissie en haar zienswijze ten aanzien van opmerkingen van voestalpine en Austria Draht over het tweede wijzigingsbesluit.

53 Op 24 november 2011 heeft de Commissie opmerkingen ingediend over de brief van voestalpine en Austria Draht van 14 oktober 2011, die op 8 november 2011 in het dossier is opgenomen en ertoe heeft geleid dat de schriftelijke behandeling is heropend.

54 Op 24 februari 2012 heeft de Commissie een corrigendum op de dupliek ingediend.

55 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 23 september 2003 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

56 Het voorlopig rapport bedoeld in artikel 52, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 is op 19 maart 2014 aan de Zesde kamer meegedeeld.

57 Op 28 april 2014 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang krachtens artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, partijen gevraagd om een reeks vragen te beantwoorden en de Commissie gevraagd om documenten over te leggen, waaronder een afschrift van het dossier dat aan verzoeksters is meegedeeld in het kader van de administratieve procedure.

58 Partijen hebben hun antwoorden op deze verzoeken ingediend op 13 juni 2014.

59 Op 16 juli 2014 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen van instructie krachtens artikel 65 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, de Commissie gelast om de documenten over te leggen die zij had geweigerd over te leggen in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van 28 april 2014.

60 De Commissie heeft de gevraagde documenten op 23 juli 2014 overgelegd. Verzoeksters hebben hiertoe vóór de terechtzitting toegang gehad.

61 Partijen hebben ter terechtzitting van 2 oktober 2014 pleidooi gehouden en geantwoord op de schriftelijk en mondeling gestelde vragen van het Gerecht.

62 Voestalpine en Austria Draht verzoeken het Gerecht: — het bestreden besluit nietig te verklaren; — subsidiair, het bedrag van de geldboete die hun is opgelegd en die is vastgesteld in artikel 2 van het bestreden besluit, te verlagen; — de Commissie te verwijzen in de kosten.

63 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep in zijn geheel te verwerpen; — verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

64 Voestalpine en Austria Draht verwijten de Commissie in wezen dat zij hen met een geldboete van 22 miljoen EUR heeft bestraft wegens deelname aan één enkele complexe en voortgezette inbreuk, namelijk een „voortdurende overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging in de spanstaalsector in de interne markt” (hierna: „kartel” of „enkele inbreuk”), die wat hen betreft bestaat in: — in het bijzonder, de deelname van Austria Draht aan club Italia, een van de regionale afspraken binnen het kartel, door tussenkomst van haar agent in Italië, G., die ook voor rekening van een andere karteldeelnemer (CB) werkte; — sporadische betrokkenheid van Austria Draht bij mededingingsverstorende besprekingen op pan-Europees niveau, aangetoond op basis van duidelijke aanwijzingen, waardoor zij in een vroeg stadium kennis had van het pan-Europese niveau van het kartel.

65 In die context uiten verzoeksters in hun eerste middel de kritiek dat het laakbare gedrag van de agent van Austria Draht voor Italië aan de opdrachtgever wordt toegerekend, terwijl een dergelijke toerekening in strijd is met artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, en in het tweede middel de kritiek dat de deelname van Austria Draht aan één enkele inbreuk is vastgesteld. Austria Draht heeft immers op geen enkel ogenblik wetenschap gehad van het laakbare gedrag van haar agent binnen club Italia. Zij wist ook niet van de pan-Europese dimensie van het kartel. Austria Draht heeft zich nooit bij de pan-Europese regelingen van het kartel aangesloten en zij heeft zich hoe dan ook steeds daarvan gedistantieerd.

66 Deze opmerkingen over de enkele inbreuk brengen verzoeksters ertoe dat zij in het derde middel de geldboete en de hoogte ervan bestrijden. Meer bepaald geven verzoeksters te kennen dat de geldboete onevenredig is, aangezien zij geen wetenschap hadden van het laakbare gedrag van de agent van Austria Draht voor Italië (club Italia) en zij niet hebben deelgenomen aan andere bestanddelen van het kartel (club Zürich, club Europe, club España, toewijzing van de klant Addtek, ...). In elk geval kan de voor de berekening van de boete in aanmerking te nemen waarde van de verkopen, niet de waarde van de Europese verkopen van spanstaal door verzoeksters zijn.

I – Opmerkingen vooraf

A – Inhoud van het bestreden besluit

67 Uit artikel 1 van het bestreden besluit blijkt dat voestalpine en Austria Draht inbreuk hebben gemaakt op artikel 101 VWEU en, vanaf 1 januari 1994, artikel 53 van de EER-Overeenkomst door van 15 april 1997 tot 19 september 2002 deel te nemen aan een „voortdurende overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de spanstaalsector in de interne markt en, vanaf 1 januari 1994, in de EER”.

1. Bestanddelen van het kartel en kwalificatie als één enkele inbreuk

68 In overweging 122 van het bestreden besluit is het kartel omschreven als „pan-Europese afspraken, te verdelen in een Zürich- en een Europese fase, en/of, afhankelijk van de situatie, [...] afspraken op nationaal/regionaal niveau”. De overwegingen 123 tot en met 135 van het bestreden besluit bevatten een kort overzicht van de verschillende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die vervolgens gedetailleerd worden beschreven en getoetst aan artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst.

69 Schematisch weergegeven bestond het kartel uit de volgende afspraken: — club Zürich, zijnde de eerste fase van de pan-Europese overeenkomst. Deze overeenkomst heeft geduurd van 1 januari 1984 tot en met 9 januari 1996 en had betrekking op de vaststelling van quota per land (Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Oostenrijk en Benelux), de verdeling van klanten, de prijzen en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie. De leden ervan waren Tréfileurope, Nedri, WDI, DWK en Redaelli, die ten minste vanaf 1993 en 1995 verscheidene andere Italiaanse ondernemingen vertegenwoordigde, waarbij zich Emesa, in 1992, en Tycsa, in 1993, hebben aangesloten; — club Italia, een nationale regeling die heeft geduurd van 5 december 1995 tot 19 september 2002. Deze overeenkomst had betrekking op de vaststelling van quota voor Italië en de export van dit land naar de rest van Europa. De leden ervan waren de Italiaanse ondernemingen Redaelli, ITC, CB en Itas, waarbij zich vervolgens Tréfileurope en Tréfileurope Italia (op 3 april 1995), SLM (op 10 februari 1997), Trame (op 4 maart 1997), Tycsa (op 17 december 1996), DWK (op 24 februari 1997) en Austria Draht (op 15 april 1997) hebben aangesloten; — de zuidelijke overeenkomst, een regionale regeling waarover in 1996 is onderhandeld en die toen door de Italiaanse ondernemingen Redaelli, ITC, CB en Itas is overeengekomen met Tycsa en Tréfileurope om de penetratiegraad van elk van de deelnemers in de zuidelijke landen (België, Spanje, Frankrijk, Italië en Luxemburg) vast te stellen en een verbintenis aan te gaan om met de andere noordelijke Europese producenten over de quota te onderhandelen; — club Europa, zijnde de tweede fase van de pan-Europese overeenkomst. Deze overeenkomst is in mei 1997 gesloten door Tréfileurope, Nedri, WDI, DWK, Tycsa en Emesa (de „permanente leden” of de „zes producenten” genoemd) en in september 2002 beëindigd. De overeenkomst was bedoeld om de crisis in club Zürich te boven te komen, om opnieuw quota te verdelen (berekend over de periode vierde trimester van 1995-eerste trimester van 1997), klanten te verdelen en de prijzen vast te stellen. De zes producenten kwamen regels voor de onderlinge coördinatie overeen, waaronder de benoeming van coördinatoren die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de regelingen in meerdere landen en voor de coördinatie met andere geïnteresseerde ondernemingen die in de betrokken landen actief waren of aan dezelfde klanten leverden. Hun vertegenwoordigers zijn geregeld op verschillende niveaus bijeengekomen om toe te zien op de naleving van de afspraken. Zij wisselden commercieel gevoelige informatie uit. Wanneer een partij zich niet aan de afspraken had gehouden, gold een passende compensatieregeling; — de onderlinge afstemming betreffende de klant Addtek: in het kader van deze pan-Europese regeling onderhielden de zes producenten, nu en dan aangevuld met de Italiaanse producenten en Fundia, eveneens bilaterale (of multilaterale) contacten en namen zij op ad hoc-basis deel aan prijsafspraken en klantentoewijzing wanneer zij daar belang bij hadden. Zo hebben Tréfileurope, Nedri, WDI, Tycsa, Emesa, CB en Fundia onderling afgestemd over de prijzen en volumes voor de klant Addtek. Deze projecten betroffen voornamelijk Finland, Zweden en Noorwegen, maar ook Nederland, Duitsland, de Baltische staten en Midden- en Oost-Europa; — de besprekingen tussen club Europa en club Italia: in de periode van ten minste september 2000 tot de inspecties van de Commissie in september 2002 kwamen de zes producenten, ITC, CB, Redaelli, Itas en SLM regelmatig bijeen met het doel de Italiaanse ondernemingen als permanente leden te integreren in club Europa. De Italiaanse ondernemingen wilden een verhoging van het Italiaanse quotum voor export naar Europese landen, terwijl club Europa de status quo wilde handhaven. Daartoe werden binnen club Italia diverse bijeenkomsten georganiseerd om een gezamenlijk standpunt te formuleren, zijn binnen club Europa bijeenkomsten gehouden om dit standpunt te bespreken en een eigen standpunt te bepalen en zijn tussen de leden van club Europa en de Italiaanse vertegenwoordigers bijeenkomsten georganiseerd om een akkoord te bereiken over het Italiaanse quotum op een gegeven nationale markt. De betrokken ondernemingen wisselden hierbij commercieel gevoelige informatie uit. Ten behoeve van de herverdeling van het Europese quotum teneinde de Italiaanse producenten hierin mee te nemen, kwamen de partijen overeen om een nieuwe referentieperiode te gebruiken (van 30 juni 2000 tot 30 juni 2001). Deze ondernemingen hebben ook afgestemd over het globale exportvolume van de Italiaanse ondernemingen in Europa, dat zij onderling per land verdeelden. Tegelijkertijd hebben zij de prijzen besproken, waarbij de leden van club Europa ernaar streefden het mechanisme voor het vaststellen van de prijzen dat de Italiaanse bedrijven binnen club Italia hanteerden, op geheel Europa toe te passen; — club España: parallel aan de pan-Europese afspraken en club Italia kwamen vijf Spaanse ondernemingen [Trefilerías Quijano, Tycsa, Emesa, Galycas en Proderac (deze laatste vanaf mei 1994)] en twee Portugese ondernemingen (Socitrel vanaf april 1994 en Fapricela vanaf december 1998) voor Spanje en Portugal en voor een periode van ten minste december 1992 tot september 2002 overeen om hun marktaandelen stabiel te houden, quota vast te stellen, klanten toe te wijzen (inclusief overheidsopdrachten voor werken) en prijzen en betalingscondities vast te stellen. Zij wisselden ook gevoelige commerciële informatie uit.

70 Volgens de Commissie vertonen alle regelingen die hierboven in punt 69 zijn omschreven, de kenmerken van één enkele inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (bestreden besluit, overwegingen 135 en 609 en onderdeel 12.2.2).

71 Meer bepaald was de Commissie van mening dat de bovengenoemde regelingen deel uitmaakten van een algemeen plan dat de hoofdlijnen aangaf voor het optreden van de kartelleden in alle geografische gebieden en dat deze ondernemingen „hun individuele commerciële gedrag [beperkten] om een identiek mededingingsverstorend doel en één enkel mededingingsverstorend economisch doel te bereiken, namelijk het vervalsen of uitschakelen van de normale concurrentievoorwaarden voor spanstaal in de EER en om een algemeen evenwicht vast te stellen, met name door quota en prijzen vast te stellen, klanten toe te wijzen en gevoelige commerciële informatie uit te wisselen” (bestreden besluit, overweging 610 en onderdeel 9.3).

72 De Commissie heeft in dat verband het volgende aangegeven: „Het plan, onderschreven door DWK, WDI, Tréfileurope, Tycsa, Emesa, Fundia, Austria Draht, Redaelli, CB, ITC, Itas, SLM, Trame, Proderac, Fapricela, Socitrel, Galycas en Trefilerías Quijano (niet alle op hetzelfde ogenblik), werd ontworpen en uitgevoerd over een periode van ten minste achttien jaar, aan de hand van een geheel van heimelijke regelingen, specifieke overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, om hetzelfde gemeenschappelijke doel te bereiken, met name de beperking van de mededinging tussen deze ondernemingen [...] door gebruik te maken van gelijkaardige mechanismen om dit gemeenschappelijk doel te bereiken (zie 9.3.1). Zelfs wanneer een bepaalde regeling soms niet optimaal werkte, bleven andere regelingen normaal functioneren” (bestreden besluit, overweging 612).

2. Elementen die jegens Austria Draht en voestalpine in aanmerking zijn genomen

73 Jegens Austria Draht en voestalpine is in aanmerking genomen dat zij in de periode van 15 april 1997 tot 19 september 2002 aan het in artikel 1 van het bestreden besluit genoemde kartel hebben deelgenomen.

74 De belangrijkste elementen op basis waarvan deze deelname kan worden aangetoond, zijn de volgende.

a) Contract met G.

75 Uit het bestreden besluit volgt dat Austria Draht vanaf 1984 de marketing en verkopen in Italië heeft overgelaten aan een agent, Studio Crema, dat werd beheerd en vertegenwoordigd door G. Hij was niet bevoegd om contracten te ondertekenen, die altijd rechtstreeks tussen Austria Draht en de afnemer werden afgesloten door uitdrukkelijke bevestiging van iedere order die bij G. werd geplaatst (bestreden besluit, overweging 46).

b) Club Italia (van 15 april 1997 tot 19 september 2002)

76 De Commissie is tot de vaststelling gekomen dat Austria Draht van 15 april 1997 tot 19 september 2002 aan club Italia heeft deelgenomen (bestreden besluit, overwegingen 124 en 385 en volgende, en overwegingen 479‑483 van onderdeel 9.2.1.8, „Individuele deelneming aan club Italia”).

77 Meer bepaald volgt uit het bestreden besluit dat „een grote hoeveelheid oorspronkelijke documenten en ondersteunende verklaringen van ITC, Redaelli, Itas, CB, SLM, Tréfileurope en DWK [aantonen] dat CB, ITC, Itas, Redaelli, Tréfileurope en Tréfileurope Italia, Tycsa, SLM, Trame en de pan-Europese producenten DWK en Austria Draht ten minste vanaf begin 1995 tot de inspecties van de Commissie op 19 en 20 september 2002 [...] hebben deelgenomen aan mededingingsverstorende bijeenkomsten, waarin zij afspraken maakten over: 1) bekendmaking en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie, met name met betrekking tot klanten, prijsstelling en verkoopvolumes, 2) marktverdeling aan de hand van quota zowel op de Italiaanse markt als voor de export vanuit Italië naar de rest van Europa [...], 3) prijsafspraken die moesten worden aangepast aan de ontwikkeling van de grondstoffenprijzen, met inbegrip van de vaststelling van minimumprijzen/prijsverhogingen in Italië en de andere Europese landen (per klant) en van een toeslag (‚extra’) [...] en 4) klantentoewijzing”. Bovendien werd „een controlesysteem via een onafhankelijke derde, [...], en een compensatiemechanisme [...] opgezet [...]” (bestreden besluit, overweging 385).

78 Om haar individuele deelname aan club Italia aan te tonen, heeft de Commissie aangegeven dat zij wat Austria Draht betreft over bewijzen beschikte dat zij „tussen 15 april 1997 en 19 september 2002 systematisch aan meer dan veertig bijeenkomsten van club Italia heeft deelgenomen, en [dat haar afwezigheid] bij verscheidene gelegenheden expliciet [werd] genoemd, wat aangeeft dat [zij] op de bijeenkomsten werd verwacht” (bestreden besluit, overweging 479).

79 In een voetnoot in het bestreden besluit heeft de Commissie met name twee reeksen van bijeenkomsten vermeld: „ten minste” 14 bijeenkomsten waarop G. aanwezig was en Austria Draht werd besproken en „16 andere bijeenkomsten” waarop Austria Draht buiten aanwezigheid van G. werd besproken. De Commissie heeft in dat verband op het volgende gewezen: „Bijlage 3: Op ten minste 14 bijeenkomsten is [G.] aanwezig en wordt Austria Draht besproken: 15.4.1997 (quotum-/klantentoewijzing en prijsstelling); 24.6.1997 (zoektocht naar ‚marktevenwicht’ en informatie-uitwisseling over prijzen); 11.3.1998 (besprekingen quotumtoewijzing en prijsstelling, Austria Draht wordt vermeld maar zonder cijfers); 30.3.1998 (besprekingen quotumtoewijzing); 18.5.1998 (besprekingen quotumtoewijzing en prijsstelling); 19.10.1998 (klantentoewijzing); 18.1.1999 (besprekingen quotumtoewijzing en prijsstelling); 14.12.1999 (besprekingen quotumtoewijzing); 12.1.2000 (besprekingen quotumtoewijzing); 19.9.2000 (besprekingen quotumtoewijzing); 10.6.2001 (quotumtoewijzing); 23.10.2001 (Austria Draht wordt vermeld maar zonder cijfers); 11.1.2002 (informatie-uitwisseling over het vorige jaar en voorlopige quotumtoewijzing voor 2002); 30.4.2002 (er wordt uitdrukkelijk gesteld dat [G.] de hoeveelheid moet garanderen anders zou Austria Draht ‚eruit getrapt’ worden tegen de zomer); In het bewijsmateriaal van 16 andere bijeenkomsten wordt de aanwezigheid van [G.] niet vermeld (in een aantal bijeenkomsten wordt hij uitdrukkelijk vermeld als afwezig) maar de gegevens van Austria Draht worden niettemin besproken: 7.4.1997 (quotumtoewijzing, informatie-uitwisseling); 13.5.1997 (informatie-uitwisseling, te weten dat [G.] een bepaalde prijs had aangeboden aan een (met name genoemde) klant op uitdrukkelijk verzoek van Austria Draht); 14.10.1997 (besprekingen quotumtoewijzing); 16.12.1997 (besprekingen quotumtoewijzing, informatie-uitwisseling); 22.12.1997 en 14.1.1998 (tabellen met gedetailleerde gegevens van Austria Draht, quotum en klant [...]); 16.7.1998 (Austria Draht wordt vermeld maar zonder concrete cijfers); 6.5.1999 (fax over klanten- en quotumtoewijzing voor onder meer Austria Draht); 13.5.1999 (informatie-uitwisseling); 31.5.1999 (besprekingen quotumtoewijzing); 10.7.2000 (besprekingen quotumtoewijzing); 27.9.2000 (informatie-uitwisseling); 13.7.2001 (e-mail met een gedetailleerde Excellijst van quotum- en klantentoewijzing voor streng per bedrijf voor 2001) en 4.2.2002 (e-mail met een gedetailleerde Excellijst van voorstellen voor quota en klantentoewijzing voor streng per bedrijf voor 2002); 23.7.2001 (besprekingen quotumtoewijzing); 25.7.2001 (besprekingen quotumtoewijzing/informatie-uitwisseling).”

80 In deze voetnoot wordt tevens een derde reeks besprekingen of interne notities vermeld: „Op 9 bijeenkomsten (of interne notities) wordt [G.] uitdrukkelijk vermeld als de vertegenwoordiger van Austria Draht: 15.4.1997; 12.5.1997; 13.5.1997; 24.6.1997; 22.10.1997; 11.3.1998; 18.5.1998; 29.11.1999; 17.1.2000. Austria Draht wordt uitdrukkelijk vermeld als afwezig, wat wederom aantoont dat [haar] aanwezigheid verwacht was op de bijeenkomsten van 7.9.1998 en 12.7.1999; op de bijeenkomst van 14.10.1997 wordt de afwezigheid van [G.] als onverantwoord beschouwd, en op de bijeenkomst van 15.5.2002 wordt uitdrukkelijk verzocht dat [G.] aanwezig zou zijn op de bijeenkomst van 5/6.6.2002. Er zij ook opgemerkt de bijeenkomsten waar genoteerd werd dat Austria Draht gecontacteerd moest worden: 20.9.1999 en zomer 2002.”

81 Over het begin van de individuele deelname van Austria Draht aan club Italia heeft de Commissie het volgende uiteengezet: „In 1996 en daarvóór nam Austria Draht blijkens de notulen van een bijeenkomst op 13 februari 1996 niet aan de Italiaanse regeling deel [...]. De Commissie heeft echter duidelijke bewijzen dat Austria Draht begon deel te nemen aan club Italia vanaf 1997 en uiterlijk op 15 april 1997, toen [zij] uitdrukkelijk aanwezig werd gemeld via [haar] verkoopagent, [G.] [...] Op die bijeenkomst werd een quotum toegewezen aan Austria Draht en werd uitdrukkelijk vermeld dat Austria Draht niet zou leveren aan een bepaalde groep (met name genoemde) klanten [...] Deze bijeenkomst dient te worden gezien in de context van de bijeenkomsten die vlak daarvoor en daarna plaatsvonden: i) op de vergadering van 17 december 1996 werd een tabel uitgedeeld met de toewijzing van tonnage per klant en de aanstelling van de hoofdleveranciers voor een aantal klanten op de Italiaanse markt voor 1997. Hoewel de kolommen voor Austria Draht leeg waren, is het feit dat Austria Draht in de tabel in aanmerking werd genomen een aanwijzing dat besprekingen tussen partijen ten minste beoogd werden; ii) deze veronderstelling wordt bevestigd op de bijeenkomst van 4 maart 1997, waar informatie over het volume van Austria Draht op de Italiaanse markt werd uitgewisseld; iii) zelfs indien Austria Draht niet als aanwezig werd gemeld op 7 april 1997, merkt de Commissie op dat een concreet volume aan Austria Draht werd toegewezen; iv) een verslag over een bezoek van Tréfileurope aan CB van 24 juni 1997 bevestigt dat mededingingsverstorende besprekingen met Austria Draht gaande waren en dat Austria Draht handelde ‚via [G.]’. Daarom beschouwt de Commissie 15 april 1997 als de begindatum van de deelneming van Austria Draht aan club Italia” (bestreden besluit, overweging 480).

82 Aangaande de toerekening van het gedrag van G. aan Austria Draht heeft de Commissie het volgende aangegeven in de overwegingen 481 tot en met 483 van het bestreden besluit: „(481) Het feit dat Austria Draht deelnam aan de bijeenkomsten van club Italia via [haar] verkoopagent, [G.], wordt bevestigd door verklaringen van DWK en ITC, en door oorspronkelijke documenten van ITC en Tréfileurope. De karteldeelnemers beschouwden Austria Draht ook als deel van het kartel via [G.] [...]. (482) Austria Draht geeft toe dat het zijn volledige commerciële beleid op de Italiaanse markt sinds 1984 had toevertrouwd aan het bedrijf Studio Crema [...] (dat vertegenwoordigd werd door zijn algemeen directeur [G.]). [G.] had de strikte verplichting, verslag uit te brengen aan Austria Draht en droeg geen financiële risico’s voor de verrichte transacties en handelingen. Austria Draht was volledig aansprakelijk voor alle risico’s die te maken hadden met onder meer niet-levering, foutieve levering en insolventie van een klant. [G.] werd betaald op basis van een vast percentage van het volume (per klant) dat Austria Draht had verkocht. [G.] moest maandelijks schriftelijk verslag uitbrengen aan Austria Draht over zijn handelingen, met name met betrekking tot de activiteiten van de concurrenten en de ‚verkoop- en marktrelaties’ in het vertegenwoordigingsgebied (Italië). Alle bovenstaande factoren tonen duidelijk aan dat Austria Draht de volledige controle had over de handelingen van [haar] agent, [G.] [...] (483) Gezien de strikte agentuurrelatie en de regelmatige aanwezigheid van [G.] bij de bijeenkomsten van club Italia over quota, prijzen en klanten [...], is het duidelijk dat [G.] gevoelige commerciële gegevens over de positie van Austria Draht doorgaf aan de andere deelnemers van club Italia en moet hij de informatie die hij op de bijeenkomsten kreeg, zeker ten voordele van Austria Draht hebben gebruikt. Daarom is de Commissie van mening dat Austria Draht van 15 april 1997 tot 19 september 2002 aan club Italia heeft deelgenomen.”

c) Club Europa en het pan-Europese systeem

83 Om aan te tonen dat de jegens voestalpine en Austria Draht in aanmerking genomen inbreuk één enkele en voortgezette inbreuk was, en met name om de „individuele bekendheid met deelneming aan een groter plan” (zie het opschrift boven onderdeel 12.2.2.4 van het bestreden besluit) aan te tonen, heeft de Commissie op het volgende gewezen: „(652) Austria Draht geeft toe dat [zij] deelnam aan een aantal bijeenkomsten van club Europa, maar beweert dat tijdens die bijeenkomsten geen mededingingsverstorende besprekingen plaatsvonden. Austria Draht moet niet aansprakelijk worden gehouden als rechtstreekse deelnemer aan club Zürich of club Europa [...] Er zijn echter duidelijke aanwijzingen dat Austria Draht sporadisch betrokken was bij mededingingsverstorende besprekingen op pan-Europees niveau en daarom vanaf een vroeg stadium kennis had van het pan-Europese niveau van het kartel. (653) In 1995‑1996, dus lang voor de datum die de Commissie aanhoudt als de begindatum van de deelneming van Austria Draht aan de inbreuk (15 april 1997), nam Austria Draht deel aan de bijeenkomsten van club Zürich, waar onder meer de mogelijke organisatie van een nieuwe Europese quotumregeling werd besproken. Ook in de bijeenkomst van club Italia van 16 december 1997 werd opgemerkt dat Austria Draht ‚geen lid was van [...] club [Europa] maar op de hoogte wenste te blijven’. Op verscheidene andere volgende bijeenkomsten van club Italia, die werden bijgewoond door [G.], vertegenwoordiger van Austria Draht, werden de deelnemers op de hoogte gehouden van de besprekingen en overeenkomsten in club Europa [...] Bovendien geeft Austria Draht toe dat [zij] deelnam aan verscheidene bijeenkomsten van club Europa [...] Van deze bijeenkomsten werd tenminste die van 28 februari 2000 gebruikt om volumes en prijzen op de Europese markt te bespreken en op de bijeenkomst van 27 september 2001 werd Austria Draht uitgenodigd om zich aan te sluiten bij de uitgebreidere club Europa. Er zijn verschillende aanwijzingen dat Austria Draht tijdens de pan-Europese expansieperiode [...] betrokken was bij de besprekingen over quotum- en klantentoewijzing met betrekking tot bepaalde landen en vertegenwoordigd werd door [G.] in ten minste zes expansiebijeenkomsten van club Europa, met inbegrip van de bijeenkomst van 6 november 2001 waar [G.] bovendien werd aangeduid als mogelijke landcoördinator voor Italië samen met [A.] van Itas en [C.] van CB. (654) De Commissie concludeert dat Austria Draht, toen [zij] deelnam aan club Italia, wist of had kunnen weten dat de afstemming in deze club deel was van een algemeen plan om de spanstaalmarkt te stabiliseren en zo een prijsdaling te voorkomen, een plan dat club Italia deelde met de pan-Europese regelingen.”

3. Adressaten van het bestreden besluit en duur van hun aansprakelijkheid

84 Om de aansprakelijkheid van de betrokken vennootschappen te bepalen heeft de Commissie in de overwegingen 769 tot en met 789 van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt tussen de situatie van Austria Draht en die van voestalpine, waarbij zij die van Studio Crema buiten beschouwing heeft gelaten.

a) Situatie van Austria Draht

85 Om de aansprakelijkheid van Austria Draht te definiëren, heeft de Commissie in overweging genomen dat deze vennootschap van 15 april 1997 tot 19 september 2002 rechtstreeks aan club Italia heeft deelgenomen, door tussenkomst van haar Italiaanse verkoopagent (bestreden besluit, overweging 769).

86 Ter onderbouwing hiervan heeft de Commissie om te beginnen het betoog van Austria Draht verworpen dat G., haar agent in Italië, haar niet heeft vertegenwoordigd op de kartelbijeenkomsten. Austria Draht beriep zich daartoe op een verklaring van deze agent, die ontkent dat hij Austria Draht vertegenwoordigde tijdens de bijeenkomsten van club Italia, alsook een verklaring van de agent van Tréfileurope Italia, V., die geloofde dat Austria Draht geen lid was van deze club en dat G. niet in naam van Austria Draht deelnam aan de kartelbijeenkomsten waarop V. aanwezig was, zoals ook duidelijk was voor de andere deelnemers. Austria Draht merkte ook op dat G. naar verluidt maar voor 5 van de meer dan 60 bijeenkomsten van club Italia wordt vermeld als vertegenwoordiger van Austria Draht en dat G. voor de andere bijeenkomsten wordt vermeld als vertegenwoordiger van CB (zonder verwijzing naar Austria Draht) of wordt vermeld zonder specificatie in verband met het bedrijf dat hij vertegenwoordigde (bestreden besluit, overweging 770).

87 In antwoord op dit betoog heeft de Commissie aangegeven dat „de betrokkenheid van Austria Draht bij de mededingingsverstorende besprekingen via haar verkoopagent G. [...] echter voldoende [was] aangetoond. Ten eerste zijn de twee door Austria Draht voorgelegde verklaringen niet geloofwaardig: de verklaring van [G.] is post factum gegeven en werd louter voorbereid in het kader van het antwoord van Austria Draht op de [mededeling van punten van bezwaar], terwijl de verklaring van [V.] uitsluitend zijn persoonlijke mening weergeeft over bijeenkomsten waaraan hij zelf ook deelnam. Beide verklaringen worden bovendien tegengesproken door het bewijsmateriaal.” (bestreden besluit, overweging 771).

88 Dit bewijsmateriaal bestaat volgens de Commissie uit de volgende elementen (bestreden besluit, overweging 772): — twee clementieverzoekers (DWK en ITC) bevestigen dat Austria Draht aan de kartelbijeenkomsten deelnam via haar verkoopagent, G.; — dit wordt bevestigd door een aanzienlijke hoeveelheid oorspronkelijk bewijsmateriaal; — de zaak van Austria Draht werd regelmatig besproken en zij kreeg tijdens de hele periode van de inbreuk tot aan de datum van de inspecties quota en klanten toegewezen. G. was op minstens 14 bijeenkomsten aanwezig waar de zaak van Austria Draht werd besproken; op nog eens 16 bijeenkomsten was G. afwezig, maar werden de gegevens van Austria Draht toch besproken en voor 9 bijeenkomsten werd G. uitdrukkelijk vermeld als vertegenwoordiger van Austria Draht; — de andere karteldeelnemers beschouwden Austria Draht ook duidelijk als deel van het kartel via G. en drongen erop aan dat Austria Draht zich in overeenstemming met het kartel had te gedragen; — het feit dat G. ook CB vertegenwoordigde op een of meer in bijlage 3 vermelde bijeenkomsten doet niet af aan het bewijs dat hij (ook) Austria Draht vertegenwoordigde. Opgemerkt moet worden dat CB op de meeste bijeenkomsten met eigen werknemers aanwezig was, zodat de rol van G. als vertegenwoordiger van CB van minder belang kan worden beschouwd dan zijn rol als vertegenwoordiger van Austria Draht, die niet zelf aanwezig was, maar haar volledige commerciële activiteit in Italië aan G. toevertrouwde.

89 Ter weerlegging van het betoog van Austria Draht dat zij niet aansprakelijk kon worden gehouden voor het gedrag van G., omdat er tussen hen geen economische eenheid was aangezien G. een onafhankelijke en niet-exclusieve verkoopagent was over wie Austria Draht geen enkele zeggenschap kon uitoefenen, heeft de Commissie het volgende aangegeven in het besluit (bestreden besluit, overweging 774): — uit de agentuurovereenkomst en de verklaring van Austria Draht blijkt duidelijk dat G. een daadwerkelijke agent van Austria Draht was; — de financiële risico’s van G. waren zeer beperkt. In de eerste plaats werden de overeenkomsten uitsluitend rechtstreeks tussen Austria Draht en de klant gesloten, waarbij Austria Draht de door de agent onderhandelde bestellingen kon aanvaarden of weigeren. In de tweede plaats was Austria Draht als enige aansprakelijk voor alle risico’s die te maken hadden met onder meer niet-levering, foutieve levering en insolventie van de klant. In de derde plaats kreeg G. zijn vergoeding op basis van een vast percentage van het volume dat per klant werd verkocht (daarbij wordt verwezen naar punt 133 van het arrest van 11 december 2003, Minoan Lines/Commissie, T‑66/99, Jurispr., hierna: „arrest Minoan Lines”, EU:T:2003:337); — aangezien de agent geen of slechts beperkt financiële of commerciële risico’s draagt, moet G. of Studio Crema worden beschouwd als een hulporgaan dat integraal deel uitmaakt van de onderneming Austria Draht. Zoals elke werknemer van de commerciële afdeling vormen zij een economische eenheid met die onderneming (daarbij wordt verwezen naar punt 480 van het arrest van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr., hierna: „arrest Suiker Unie”, EU:C:1975:174); — dit ligt volledig in de lijn van de mededeling van de Commissie van 13 oktober 2000 – Richtsnoeren inzake verticale beperkingen (PB C 291, blz. 1; hierna: „richtsnoeren inzake verticale beperkingen”); — derhalve moet Austria Draht aansprakelijk worden gehouden voor de deelname van G. aan de kartelbijeenkomsten.

90 Ten aanzien van het feit dat G. ook in naam van een andere karteldeelnemer, CB, optrad en de agentuur bijgevolg niet-exclusief was, heeft de Commissie geoordeeld dat dit niet afdeed aan haar conclusie, maar die juist versterkte (bestreden besluit, overweging 775).

91 Op dit punt heeft de Commissie het volgende aangegeven: „(775) Volgens vaste rechtspraak is er inderdaad geen sprake van exclusiviteit en bijgevolg ook niet van een economische eenheid met de opdrachtgever als de agent ‚zich als onafhankelijke wederverkoper toelegt op het voor eigen rekening afsluiten van omvangrijke transacties op de betrokken productmarkt’ [daarbij wordt verwezen naar punt 544 van het arrest Suiker Unie]. Dat is hier niet het geval. [G.] was niet voor eigen rekening actief op de betrokken markt en legde zich bijgevolg niet toe op het voor eigen rekening afsluiten van omvangrijke transacties als onafhankelijke wederverkoper [hij droeg geen aanzienlijke financiële risico’s]. In plaats daarvan vertegenwoordigde hij gewoonweg tegelijkertijd twee concurrenten in de kartelbijeenkomsten. (776) Het feit dat twee concurrenten dezelfde vertegenwoordiger in de kartelbijeenkomsten gebruikten, is volgens de Commissie een coördinatiebevorderende factor die het kartelgedrag vergemakkelijkt in plaats van de opdrachtgevers van hun aansprakelijkheid te ontslaan. Elke andere conclusie zou ondernemingen die via een agent aan een kartel deelnemen een eenvoudige manier aanreiken om zich aan hun aansprakelijkheid te onttrekken door hun agent met een andere kartelnemer te delen. Bovendien dient te worden opgemerkt dat CB meestal zelf op de kartelbijeenkomsten aanwezig was en dat [G.]/[Studio Crema] derhalve over het algemeen als vertegenwoordiger van Austria Draht optrad.”

92 Tot slot heeft de Commissie opgemerkt dat „het gebrek aan controle, besef of (retroactieve) goedkeuring van de deelneming van [haar] agent aan het kartel – waarop Austria Draht zich beroept – geen geldig argument kan zijn om aansprakelijkheid te ontlopen” (bestreden besluit, overweging 777).

93 De Commissie heeft in dat verband de volgende argumenten aangevoerd: — Austria Draht vormt een economische eenheid met [haar] agent (bestreden besluit, overwegingen 697, 480 en 481) en is derhalve aansprakelijk voor de karteldeelneming van laatstgenoemde, ongeacht het (gebrek aan) besef, controle of goedkeuring daarvan door Austria Draht [daarbij wordt verwezen naar punt 54 van het arrest van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, EU:T:2005:220, en het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr., EU:C:2009:536] (bestreden besluit, overweging 777); — indien een onderneming beslist om haar commerciële activiteit in een bepaald land of bepaalde markt aan een daadwerkelijke agent te delegeren, is het haar plicht, in de nodige controlemechanismen te voorzien (bestreden besluit, overweging 777); — voorts „werd het gedrag van Austria Draht beïnvloed door de deelneming van [haar] agent aan de mededingingsverstorende bijeenkomsten, ook al is er geen rechtstreeks bewijs van instructies/debriefings over mededingingsverstorende bijeenkomsten tussen Austria Draht en [G.]”. De Commissie is namelijk van oordeel dat „[G.] immers regelmatig deel[nam] aan de kartelbijeenkomsten van club Italia, waar hij onder andere gevoelige commerciële informatie over quota, reizen en klanten van Austria Draht aan concurrenten bezorgde, waar hij zelf gelijkaardige commercieel gevoelige informatie van de concurrenten kreeg en waar hij met concurrenten afspraken maakte over prijzen, klanten en quotatoewijzingen”. Zij voegt daaraan toe dat „deze informatie [...] de commerciële werking van Austria Draht in Italië (via [G.]) [moet] hebben beïnvloed” en dat „duidelijk [blijkt] uit de agentuurovereenkomst en de interne verslagen die door Austria Draht werden overgelegd, dat [G.] Austria Draht regelmatig op de hoogte hield van de ontwikkelingen op de Italiaanse markt, onder meer met betrekking tot concurrenten en de verkoop en marktbetrekkingen in Italië”. Tot slot heeft zij opgemerkt dat „derhalve [...] ervan [kan] worden uitgegaan dat [G.] minstens de meest relevante commercieel gevoelige informatie aan Austria Draht bezorgde die hij tijdens de kartelbijeenkomsten verwierf” (bestreden besluit, overweging 778).

94 Bijgevolg heeft de Commissie geoordeeld dat „[G.] en Austria Draht als één enkele economische eenheid [moeten] worden beschouwd en [dat] Austria Draht aansprakelijk [moet] worden gehouden voor de karteldeelneming van [G.]” (bestreden besluit, overweging 779).

95 Bovendien heeft de Commissie in antwoord op de algemene betwisting van Austria Draht dat zij aan de kartelbijeenkomsten deelnam, benadrukt dat er voldoende bewijs beschikbaar was dat Austria Draht ononderbroken bij club Italia betrokken was, zoals beschreven in overweging 772 en bijlage 3 van het bestreden besluit (bestreden besluit, overweging 780).

96 Zo heeft de Commissie erop gewezen dat Austria Draht tussen september 1998 en de zomer van 2002 bij verschillende gelegenheden uitdrukkelijk als afwezig was vermeld, wat erop wijst dat de andere karteldeelnemers haar aanwezigheid hadden verwacht (bestreden besluit, overweging 780).

97 Ook heeft de Commissie aangegeven dat enkele karteldeelnemers er tijdens de bijeenkomst van 30 april 2002 mee hadden gedreigd dat Austria Draht uit het kartel zou worden „getrapt” indien zij niet „tegen de zomer [van 2002]” het volume kon garanderen, wat er duidelijk op wijst dat Austria Draht nog aan het kartel deelnam (bestreden besluit, overweging 780).

98 In antwoord op de opmerkingen van Austria Draht dat ten eerste de meeste oorspronkelijke documenten aangaande quota, prijzen of klanten in club Italia de belangrijkste Italiaanse spelers maar niet haar vermelden, terwijl de documenten die dat wel doen geen overtuigend bewijs van haar betrokkenheid leveren; ten tweede de verwijzingen naar haar leveringsgegevens in de documenten in het dossier louter ramingen van de andere partijen, informatie over eerdere leveringen, informatie van klanten of informatie afgeleid van algemeen verkrijgbare gegevens konden zijn, temeer daar de markttransparantie naar verluidt groot was en cijfers over Oostenrijk uitsluitend op haar van toepassing konden zijn omdat zij de enige Oostenrijkse producent was, en ten derde er in het dossier geen bewijs is dat P. ooit de cijfers van Austria Draht heeft gecontroleerd, heeft de Commissie voorts „[erkend dat] niet alle documenten met betrekking tot club Italia [...] de deelneming van Austria Draht aan de bijeenkomsten [vermelden]”. Volgens de Commissie „kan [dit] echter gemakkelijk worden verklaard doordat Austria Draht geen kernlid van de club was, zoals Redaelli, ITC, CB en Itas [...], en derhalve de bijeenkomsten van club Italia minder regelmatig bijwoonde dan de kerndeelnemers van club Italia”. De Commissie is evenwel van oordeel dat „de karteldeelneming van Austria Draht tussen 15 april 1997 en 19 september 2002 nooit [werd] onderbroken” (bestreden besluit, overwegingen 781 en 782).

99 Bovendien heeft de Commissie aangegeven dat het niet geloofwaardig was om te stellen dat de over Austria Draht uitgewisselde informatie algemeen verkrijgbaar was of louter ramingen waren, gezien de gedetailleerde, vertrouwelijke en actuele aard van de informatie die tijdens de volledige duur van de deelneming van Austria Draht aan het kartel werd uitgewisseld. Volgens de Commissie „[kon] deze informatie [...] alleen rechtstreeks van Austria Draht of via [haar] verkoopagent [G.] komen” (bestreden besluit, overweging 782).

100 Tot slot heeft de Commissie geoordeeld dat „het gebrek aan controles door [P., (een gepensioneerde ex-werknemer van Redaelli, nadien commercieel adviseur, zie punt 26 hierboven)] niet als een veelbetekenende, laat staan doorslaggevende factor [kon] worden beschouwd om de deelneming van Austria Draht aan de bijeenkomsten te weerleggen, gezien het bewijs tegen Austria Draht en gezien het feit dat Austria Draht niet als kernlid van club Italia werd beschouwd, zodat controles door [P.] minder van belang waren” (bestreden besluit, overweging 782).

101 De Commissie is tot het besluit gekomen dat „Austria Draht [...] aansprakelijk [moest] worden geacht voor [haar] kartelactiviteiten en in het bijzonder voor [haar] deelneming aan club Italia van 15 april 1997 tot 19 september 2002” (bestreden besluit, overweging 783).

b) Situatie van voestalpine

102 Wat voestalpine betreft, heeft de Commissie geoordeeld dat die vennootschap hoofdelijk met Austria Draht aansprakelijk werd gehouden voor de inbreukperiode van 15 april 1997 tot 19 september 2002, aangezien zij beslissende invloed op haar dochteronderneming had uitgeoefend (bestreden besluit, overwegingen 784‑789), hetgeen door de partijen in de onderhavige zaak niet wordt betwist.

4. Berekening van de aan voestalpine en Austria Draht op te leggen geldboete

103 Om te beginnen heeft de Commissie eraan herinnerd dat de geldboete overeenkomstig de richtsnoeren van 2006 is berekend (bestreden besluit, overwegingen 918 en volgende). Wat voestalpine en Austria Draht betreft, is de geldboete van 22 miljoen EUR als volgt berekend.

104 In de eerste plaats zijn voestalpine en Austria Draht aansprakelijk gehouden voor een alomvattend kartel op de spanstaalmarkt in de EER. Om het basisbedrag van de geldboete te bepalen, is de Commissie dan ook overeenkomstig punt 13 van de richtsnoeren van 2006 uitgegaan van de „waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de EER verkochte goederen of diensten van de onderneming” in het laatste volledige boekjaar waarin zij aan de inbreuk heeft deelgenomen (bestreden besluit, overwegingen 929 en volgende).

105 Voor Austria Draht is de in aanmerking genomen waarde van de verkopen 18207306 EUR (eerste wijzigingsbesluit, punt 5). Dit is de waarde van de verkopen van spanstaal in het geografische gebied waarop de inbreuk betrekking had, namelijk voor de periode waarvan is uitgegaan voor voestalpine en Austria Draht: Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België, Luxemburg, Spanje, Oostenrijk, Portugal, Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen (bestreden besluit, overwegingen 931 en 932).

106 In de tweede plaats is het percentage dat op de aldus berekende waarde van de verkopen moet worden toegepast, gerelateerd aan de ernst van de inbreuk als zodanig. Daarbij heeft de Commissie onder meer de volgende voor de onderhavige zaak relevante factoren in aanmerking genomen: de aard van de inbreuk, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken partijen, de geografische reikwijdte van de inbreuk en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd (bestreden besluit, overwegingen 936 en volgende).

107 Wat de aard van de inbreuk betreft, heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat het kartel in zijn geheel zag op marktverdeling, klantentoewijzing en horizontale overeenkomsten inzake prijzen (bestreden besluit, overweging 939).

108 Ook heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat de bij de inbreuk betrokken ondernemingen een gecumuleerd marktaandeel van ongeveer 80 % hadden (bestreden besluit, overweging 946) en dat de inbreuk een groot deel van de EER bestreek. Op dat punt heeft de Commissie aangegeven dat, in tegenstelling tot wat Austria Draht beweerde, haar omzet in Spanje en Portugal niet diende te worden uitgesloten van de waarde van de verkopen op grond dat zij niet actief was in club España, omdat deze twee landen ook behoorden tot de geografische reikwijdte van club Italia, waaraan Austria Draht had deelgenomen (bestreden besluit, overwegingen 947 en 948). Voor Socitrel, Proderac, Fapricela en Fundia, ondernemingen die uitsluitend hebben deelgenomen aan club España (dat enkel Spanje en Portugal bestreek) of – voor de laatstgenoemde onderneming – aan de coördinatie inzake Addtek, en voor welke ondernemingen het besef van hun deelname aan de enkele en voortdurende inbreuk pas in een zeer laat stadium van de inbreuk kon worden vastgesteld (17 mei 2001 voor Socitrel, Proderac en Fapricela en 14 mei 2001 voor Fundia), heeft de Commissie echter rekening gehouden met de meer beperkte geografische reikwijdte bij de vaststelling van het deel van de waarde van de verkopen. Volgens de Commissie was de situatie anders voor de andere deelnemers aan club España (Emesa en Galycas, Tycsa en Trefilerías Quijano), die gelijktijdig hebben deelgenomen op verschillende niveaus van het kartel en/of voor welke het besef inzake de enkele en voortdurende inbreuk op een veel vroeger tijdstip kon worden vastgesteld. Ook voor de deelnemers aan club Italia was de situatie anders dan voor Socitrel, Proderac en Fapricela, aangezien de geografische reikwijdte van club Italia grotendeels met die van de pan-Europese regelingen samenviel en dus veel groter was dan de geografische reikwijdte van club España (Spanje en Portugal) (bestreden besluit, overweging 949).

109 Wat de tenuitvoerlegging van de regelingen betreft, heeft de Commissie geoordeeld dat die weliswaar niet steeds volledig succesvol verliep, maar dat de regelingen wel degelijk zijn uitgevoerd (bestreden besluit, overweging 950).

110 Gezien de specifieke omstandigheden van deze zaak en rekening houdend met de hierboven besproken criteria heeft de Commissie geoordeeld dat de verhouding van de waarde van de verkopen die in aanmerking diende te worden genomen voor Fundia 16 %, voor Socitrel, Fapricela en Proderac 18 % en voor alle andere ondernemingen 19 % moest zijn (bestreden besluit, overweging 953).

111 In de derde plaats is de duur van de inbreuk vastgesteld op vijf jaar en vijf maanden, van 15 april 1997 tot 19 september 2002, wat betreft voestalpine en Austria Draht (bestreden besluit, overweging 956).

112 In de vierde plaats is de Commissie ten aanzien van het percentage dat ongeacht de duur van deelname van een onderneming aan de inbreuk in het basisbedrag van de geldboete moest worden opgenomen, tot de slotsom gekomen dat het bedrag van 16 % voor Fundia, 18 % voor Socitrel, Fapricela en Proderac en 19 % voor alle andere ondernemingen, waaronder verzoeksters, passend was (bestreden besluit, overweging 962).

113 In antwoord op het argument van Austria Draht dat de Commissie in haar geval geen extra bedrag mocht toepassen of, indien zij dit wel deed, slechts een vermenigvuldigingsfactor op het laagste niveau (15 %) mocht toepassen omdat zij geen wetenschap had van de algemene pan-Europese regeling, heeft de Commissie erop gewezen dat zij wel degelijk op de hoogte van de algemene pan-Europese regeling was (bestreden besluit, overwegingen 652‑654) en bovendien deelnam aan club Italia op bijeenkomsten waar prijzen werden vastgesteld, klanten werden toegewezen en quota werden verdeeld (bestreden besluit, overwegingen 478 en volgende), zodat het percentage voor Austria Draht niet hoefde te verschillen van dat voor andere ondernemingen die hebben deelgenomen aan gelijkaardige praktijken (bestreden besluit, overwegingen 958 en 959).

114 In de vijfde plaats heeft de Commissie de door voestalpine en Austria Draht tijdens de administratieve procedure aangevoerde verzachtende omstandigheden afgewezen. Dit betrof met name argumenten inzake onachtzaamheid (bestreden besluit, overweging 976), de beperkte rol van verzoeksters in het kartel (bestreden besluit, overwegingen 982 en volgende), hun deelname aan slechts een deel van het kartel (bestreden besluit, overwegingen 996‑998), het niet uitvoeren van de overeenkomsten (bestreden besluit, overwegingen 1013 en volgende, meer bepaald overwegingen 1016 en 1018‑1022) en het feit dat alleen de opdrachtgever wordt aangesproken voor de agent, zonder dat laatstgenoemde zelf wordt aangesproken (bestreden besluit, overweging 1034).

115 De Commissie heeft geoordeeld dat er bij gebreke van verzachtende omstandigheden geen reden was om af te wijken van het basisbedrag zoals berekend overeenkomstig de methode in de richtsnoeren van 2006, die leidde tot een geldboete van 22 miljoen EUR (bestreden besluit, overweging 1057, alsook overweging 1072 wat betreft de toepassing van de grens van 10 %).

B – Toepasselijke beginselen

1. Bewijs van het bestaan en de duur van de inbreuk

116 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie volgens de rechtspraak niet alleen het bestaan van de mededingingsregeling moet bewijzen, maar ook de duur ervan. Wat meer in het bijzonder het bewijs van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU betreft, staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en bewijsmateriaal aan te voeren dat rechtens genoegzaam het bestaan aantoont van de feiten die een inbreuk vormen. Indien de rechter twijfels heeft, dienen deze in het voordeel te werken van de adressaat van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen indien daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring of herziening van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd. In dit laatste geval dient immers rekening te worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die in de rechtsorde van de Unie worden beschermd en dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden. Bijgevolg moet de Commissie nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de gestelde inbreuk is gepleegd (zie arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, T‑147/09 en T‑148/09, Jurispr., EU:T:2013:259, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117 Voorts is het gebruikelijk dat de activiteiten die mededingingsbeperkende overeenkomsten meebrengen, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Hieruit volgt dat zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zoals verslagen van bijeenkomsten, die doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie arrest Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, punt 116 supra, EU:T:2013:259, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

118 Voorts vereist de rechtspraak dat de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste op bewijzen baseert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (arrest Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, punt 116 supra, EU:T:2013:259, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

2. Het begrip „één enkele inbreuk”, in de zin van complexe inbreuk

119 In de tweede plaats en nog steeds volgens vaste rechtspraak kan schending van artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die handelingen toekennen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (arresten van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr., EU:C:1999:356, punt 81; 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr., EU:C:2004:6, punt 258, en 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, Jurispr., EU:C:2012:778, punt 41).

120 Een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dit is het geval wanneer vast komt te staan dat de betrokken onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 119 supra, EU:C:1999:356, punten 83, 87 en 203; Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 119 supra, EU:C:2004:6, punt 83, en Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 119 supra, EU:C:2012:778, punt 42).

121 Een onderneming kan dus rechtstreeks hebben deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag houden voor al deze gedragingen en dus voor de inbreuk in zijn geheel. Een onderneming kan ook slechts rechtstreeks hebben deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, maar kennis hebben gehad van alle inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en bereid zijn geweest het risico ervan te aanvaarden. In dat geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit die inbreuk bestaat, en bijgevolg voor die inbreuk in haar geheel (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 119 supra, EU:C:2012:778, punt 43).

122 Wanneer een onderneming rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meer mededingingsverstorende gedragingen die één enkele en voortgezette inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan de verwezenlijking van alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij de andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, kan de Commissie haar derhalve uitsluitend aansprakelijk houden voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde als de door haar nagestreefde doelstellingen en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 119 supra, EU:C:2012:778, punt 44).

123 Dat mag evenwel niet tot gevolg hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen waarvan vaststaat dat zij daaraan heeft deelgenomen of waarvoor zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Een dergelijke opsplitsing van een besluit van de Commissie waarbij een globaal kartel wordt aangemerkt als één enkele voortgezette inbreuk is echter slechts mogelijk indien die onderneming tijdens de administratieve procedure in staat werd gesteld te begrijpen dat haar tevens elk van de gedragingen waaruit die inbreuk bestond, ten laste werd gelegd, en dus dienaangaande verweer te voeren, én indien dat besluit op dit punt voldoende duidelijk is (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 119 supra, EU:C:2012:778, punten 45 en 46).

124 Tot slot dient het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de bestanddelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en bij de bepaling van de geldboete (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 119 supra, EU:C:1999:356, punt 90; Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 119 supra, EU:C:2004:6, punt 86, en Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 119 supra, EU:C:2012:778, punt 45).

3. Begrip distantiëring in geval van deelname aan een bijeenkomst

125 In de derde plaats volgt eveneens uit vaste rechtspraak dat het volstaat dat de Commissie aantoont dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet, om de deelneming van deze onderneming aan de mededingingsregeling genoegzaam te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, dient die onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (zie arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 119 supra, EU:C:2004:6, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Aan dit rechtsbeginsel ligt de redenering ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden. In dat verband leidt de stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief, waarvan niet publiekelijk afstand wordt genomen en dat niet bij de administratieve instanties wordt aangegeven, ertoe dat het voortbestaan van de inbreuk wordt bevorderd en de ontdekking ervan wordt bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk waarvoor de onderneming in het kader van één enkele overeenkomst aansprakelijk kan worden gesteld (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 119 supra, EU:C:2004:6, punten 82 en 84).

127 Bovendien ontslaat de omstandigheid dat een onderneming geen gevolg geeft aan de resultaten van een vergadering met een mededingingsverstorend doel, haar niet van haar aansprakelijkheid voor haar deelneming aan een mededingingsregeling, tenzij zij zich publiekelijk van de inhoud daarvan heeft gedistantieerd. Het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een mededingingsregeling heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, is echter niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd. Daarmee dient slechts rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 119 supra, EU:C:2004:6, punten 85 en 86).

128 Wanneer de aansprakelijkheid van ondernemingen voor mededingingsverstorende gedragingen volgens de Commissie voortvloeit uit hun deelneming aan bijeenkomsten die over die gedragingen handelen, moet het Gerecht nagaan of die ondernemingen zowel in de administratieve procedure als voor het Gerecht die conclusies hebben kunnen bestrijden en in voorkomend geval omstandigheden hebben kunnen inroepen die een ander licht werpen op de door de Commissie gestelde feiten en voor die feiten een verklaring kunnen bieden die voor de door deze instelling gegeven verklaring in de plaats kan treden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 119 supra, EU:C:2004:6, punt 87).

129 Aan de hand van de inhoud van het bestreden besluit en met inachtneming van de hierboven uiteengezette beginselen moeten de argumenten van partijen, die gedetailleerd zijn vermeld in het rapport ter terechtzitting dat het Gerecht heeft meegedeeld, worden onderzocht.

II – Eerste middel: de Commissie heeft ten onrechte geoordeeld dat verzoeksters hebben deelgenomen aan een bestanddeel van één enkele inbreuk door tussenkomst van hun agent in Italië

130 Met hun eerste middel geven voestalpine en Austria Draht te kennen dat hun, ondanks dat zij niet aan het door de Commissie omschreven kartel hebben deelgenomen, een geldboete van 22 miljoen EUR is opgelegd op grond dat hun agent in Italië, G., op sommige bijeenkomsten van club Italia aanwezig was. De Commissie mag echter niet op basis van dit enkele feit oordelen dat zij, door tussenkomst van deze agent, inbreuk hebben gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst.

131 Ten behoeve van dit middel voeren verzoeksters in de eerste plaats de rol van G. aan, die hoofdzakelijk actief was voor rekening van CB; in de tweede plaats de verklaringen van G., V. (Tréfileurope) en meerdere vennootschappen die bij de inbreuk betrokken waren, op basis waarvan kan worden aangetoond dat Austria Draht niet deelnam aan club Italia; in de derde plaats het bewijsmateriaal dat is gebruikt om te bewijzen dat Austria Draht door tussenkomst van G. deelnam aan club Italia, dat niet overtuigend is; in de vierde plaats de toerekening van het gedrag van G. aan Austria Draht, hoewel zij geen economische eenheid vormden en niet kan worden aangetoond dat Austria Draht wetenschap had van het onrechtmatig handelen van haar agent, en in de vijfde plaats, subsidiair, de duur van de inbreuk waarvan de Commissie is uitgegaan, omdat hoe dan ook niet kan worden aangetoond dat verzoeksters vóór januari 2000 aan club Italia hebben deelgenomen.

A – Toerekening van het gedrag van de agent aan de opdrachtgever

132 Ter bepaling van de aansprakelijkheid van Austria Draht heeft de Commissie geoordeeld dat deze vennootschap van 15 april 1997 tot 19 september 2002 rechtstreeks aan club Italia had deelgenomen door tussenkomst van haar agent in Italië. Daarmee is de Commissie in het bestreden besluit ingegaan tegen verzoeksters’ opmerkingen dat er geen economische eenheid tussen de agent en de opdrachtgever was, dat de agent economische risico’s droeg, dat de agentuur niet exclusief in strikte zin was en dat de opdrachtgever niet wist van het inbreukmakend gedrag van de agent. Aan het einde van haar onderzoek heeft de Commissie in overweging 779 van het bestreden besluit de conclusie getrokken dat „[G.] en Austria Draht als één enkele economische eenheid [moesten] worden beschouwd en [dat] Austria Draht aansprakelijk [moest] worden gehouden voor de karteldeelneming van [G.]” (zie punten 85‑94 hierboven).

133 In het licht van deze redenering moet worden onderzocht of de Commissie terecht met het oog op de toepassing van artikel 101 VWEU of artikel 53 van de EER-Overeenkomst tot de conclusie kon komen dat Austria Draht de verantwoordelijkheid voor het gedrag van haar agent in Italië moet dragen.

1. Voorwaarden voor de toerekenbaarheid van het gedrag van de agent aan de opdrachtgever

134 Uit vaste rechtspraak volgt dat onder het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht moet worden verstaan als een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst bestaande economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (arrest van 12 juli 1984, Hydrotherm Gerätebau, 170/83, Jurispr., EU:C:1984:271, punt 11, en arrest Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 121).

135 Een dergelijke economische eenheid bestaat in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen, die op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en kan bijdragen tot het begaan van een in artikel 101, lid 1, VWEU of artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst bedoelde inbreuk. Derhalve mag de Commissie, wanneer een groep vennootschappen één onderneming vormt, de vennootschap die verantwoordelijk is voor het optreden van de groep in het kader van een inbreuk, voor deze inbreuk aansprakelijk stellen en haar een geldboete opleggen (zie in die zin arrest Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 122).

136 Voor de toepassing van de mededingingsregels is niet beslissend dat twee vennootschappen formeel los van elkaar staan doordat zij elk eigen rechtspersoonlijkheid bezitten. Wat telt is de vraag of zij zich op de markt al dan niet als een eenheid gedragen (arrest Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 123).

137 Het kan dus noodzakelijk zijn, te onderzoeken of twee vennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid één onderneming vormen of behoren tot één onderneming of economische eenheid die één en dezelfde gedragslijn volgt op de markt (arrest Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 124).

138 De rechtspraak laat zien dat dit niet alleen het geval kan zijn tussen dochter‑ en moedermaatschappijen, maar ook, in bepaalde omstandigheden, tussen een vennootschap en haar agent of tussenpersoon. Voor de toepassing van artikel 101 VWEU of artikel 53 van de EER-Overeenkomst is het namelijk van belang of een opdrachtgever en zijn agent of tussenpersoon een economische eenheid vormen, waarbij laatstgenoemde een hulporgaan is dat deel uitmaakt van de onderneming van de opdrachtgever. Dit is van belang om uit te maken of een handelwijze binnen de werkingssfeer van die artikelen valt. Zo is geoordeeld dat een agent, indien hij voor zijn opdrachtgever werkzaam is, in beginsel is te beschouwen als een in diens onderneming opgenomen hulporgaan dat zijn instructies heeft te volgen en derhalve, zoals een werknemer van de commerciële afdeling, met die onderneming een economische eenheid vormt (zie in die zin arresten Suiker Unie e.a./Commissie, punt 89 supra, EU:C:1975:174, punt 480, en Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 125).

139 Wanneer tussen vennootschappen een verticale verhouding bestaat, zoals tussen een opdrachtgever en zijn agent of tussenpersoon, gelden, ter beantwoording van de vraag of er een economische eenheid bestaat, hoofdzakelijk de twee volgende criteria: draagt de tussenpersoon al dan niet een economisch risico, en hebben de door de tussenpersoon verrichte diensten al dan niet een exclusief karakter (arrest Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 126).

140 Wat de vraag betreft of hij een economisch risico draagt, is reeds geoordeeld dat een tussenpersoon niet als een in de onderneming van de opdrachtgever opgenomen hulporgaan kon worden beschouwd indien zijn overeenkomst met de opdrachtgever hem taken opdroeg of overliet die in economisch opzicht die van een onafhankelijk handelaar benaderen, met name doordat was gestipuleerd dat hij de financiële risico’s droeg die samenhangen met de verkoop of met de uitvoering van overeenkomsten met derden (arresten Suiker Unie, punt 89 supra, EU:C:1975:174, punt 482, en Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 127).

141 Wat het exclusieve karakter van de door de tussenpersoon verrichte diensten betreft, is ook reeds geoordeeld dat het feit dat de tussenpersoon, naast zijn werkzaamheden voor rekening van de opdrachtgever, als onafhankelijk handelaar op de markt van het product of de dienst in kwestie aanzienlijke transacties verrichtte, er eerder op wees dat er geen economische eenheid was (arresten Suiker Unie, punt 89 supra, EU:C:1975:174, punt 544, en Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 128).

2. Agentuurovereenkomst en dragen van economische risico’s

142 Verzoeksters voeren in de hoofdzaak aan dat, aangezien G. zowel CB als Austria Draht vertegenwoordigde en hij meer inkomsten haalde uit de activiteiten die hij voor rekening van CB verrichtte in vergelijking met de activiteiten die hij voor rekening van Austria Draht verrichtte, niet voldaan is aan het element dat de door de agent verrichte diensten exclusief zijn. Bij gebreke van het tweede element in het arrest Minoan Lines, punt 89 supra (EU:T:2003:337), kan dus niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een economische eenheid.

143 Om te bepalen of er tussen G. en Austria Draht een economische eenheid bestond – en zoals volgt uit de hierboven aangehaalde rechtspraak –, moet echter eerst worden onderzocht in welke mate de agent de financiële risico’s in verband met de verkoop of de uitvoering van de contracten met derden droeg voor de activiteiten waarvoor hij door de opdrachtgever was aangewezen. Het eerste element in het arrest Minoan Lines, punt 89 supra (EU:T:2003:337), kan dus niet buiten beschouwing blijven.

144 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat in de overeenkomst tussen Austria Draht en Studio Crema is bepaald dat G., overeenkomstig de instructies van Austria Draht, belast is met de verkoop, „in haar naam en voor haar rekening”, van het spanstaal van Austria Draht in Italië. In deze overeenkomst wordt van G. onder meer verlangd om geen zaken „voor eigen rekening” te doen en „zich strikt te houden aan de richtlijnen, prijsvoorschriften en betalings-, verkoop- en leveringscondities” van Austria Draht. In het contract is tevens verduidelijkt dat „de goederen zullen worden geleverd en gefactureerd” door Austria Draht. Volgens deze overeenkomst komt een verkooptransactie dus enkel tussen Austria Draht en de klant tot stand, en niet tussen G. en deze klant (bestreden besluit, overweging 774, en agentuurovereenkomst, artikel 2).

145 Deze overeenkomst moet dus wel degelijk als een agentuurovereenkomst worden gelezen. Zij heeft betrekking op de situatie waarin „aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon (de agent) de bevoegdheid wordt toegekend tot het onderhandelen over en/of het sluiten van contracten voor rekening van een andere persoon (de principaal), hetzij op eigen naam van de agent hetzij op naam van de principaal, betreffende de verkoop van door de principaal geleverde goederen of diensten” (zie in die zin de definitie van agentuurovereenkomst in punt 12 van de richtsnoeren inzake verticale beperkingen, voor de toetsing van verticale overeenkomsten aan artikel 101 VWEU).

146 Zoals de Commissie bovendien heeft opgemerkt in overweging 774 van het bestreden besluit, volgt uit de overeenkomst niet dat G. bij de activiteiten waarvoor hij door Austria Draht was aangewezen „de risico’s die te maken hadden met onder meer niet-levering, foutieve levering en insolventie van de klant” droeg. Ook kan uit geen enkele bepaling van het contract worden opgemaakt dat G. voorraden moest financieren of dat hij specifieke investeringen moest doen om Austria Draht in Italië te vertegenwoordigen. Het economische risico in verband met de verkopen waarover G. onderhandelde en die met Austria Draht werden overeengekomen in Italië, berustte dus bij de opdrachtgever en niet bij zijn agent.

147 Verzoeksters hebben deze beoordeling van het economische risico niet voor het Gerecht bestreden. Zij voeren niet méér aan dan dat G. bepaalde kosten voor zijn rekening nam (kosten voor advies en reiskosten, kosten voor bijkomende verplichtingen bij de sluiting van de contracten, kosten voor vertaling, ...), welke kosten kunnen worden beschouwd als ondergeschikt aan de toevertrouwde activiteiten of als gedekt door de forfaitaire vergoeding die Austria Draht in de vorm van een commissie betaalde. Dergelijke kosten kunnen niet aantonen dat G. een ander dan verwaarloosbaar of beperkt economisch risico droeg in verband met de activiteiten die door Austria Draht waren toevertrouwd.

148 In de onderhavige zaak mocht de Commissie overeenkomstig de hierboven aangehaalde rechtspraak oordelen dat G., toen hij voor rekening van Austria Draht handelde in Italië, dit deed zonder een economisch risico te dragen in die zin dat zijn overeenkomst met deze vennootschap hem taken toevertrouwde of overliet die in economisch opzicht die van een onafhankelijk handelaar benaderden.

3. Gevolgen van de dubbele vertegenwoordiging door de agent

149 Ten aanzien van het tweede element in het arrest Minoan Lines, punt 89 supra (EU:T:2003:337), geeft de Commissie in overweging 775 van het bestreden besluit toe dat het feit dat G. ook in naam van een andere karteldeelnemer, CB, handelde, tot gevolg had dat de agentuur niet exclusief in strikte zin was.

150 Zoals de Commissie opmerkt en anders dan verzoeksters aanvoeren, kan op basis van de bijzonderheden van de onderhavige zaak niet meteen al worden uitgesloten dat er tussen G. en Austria Draht een economische eenheid bestond voor zover het de hem bij de agentuurovereenkomst opgedragen activiteiten betreft.

151 Hoewel het in dat verband juist is dat G., parallel aan de activiteiten die hij voor rekening van Austria Draht verrichtte, tevens activiteiten voor rekening van CB verrichtte, mocht de Commissie er in de onderhavige zaak op wijzen dat „[G.] niet voor eigen rekening actief [was] op de betrokken markt en [...] zich bijgevolg niet toe[legde] op het voor eigen rekening afsluiten van omvangrijke transacties als onafhankelijke wederverkoper” (bestreden besluit, overweging 775) (zie naar analogie arresten Suiker Unie, punt 89 supra, EU:C:1975:174, punt 544, en Minoan Lines, punt 89 supra, EU:T:2003:337, punt 128).

152 In plaats van één opdrachtgever op commercieel vlak te vertegenwoordigen, vertegenwoordigde G. er immers twee, namelijk hoofdzakelijk CB, die voor Studio Crema de meeste inkomsten genereerde (ongeveer 75 % gedurende de inbreukperiode die verzoeksters wordt verweten), maar ook Austria Draht, die eveneens een niet verwaarloosbaar deel van de inkomsten genereerde (ongeveer 25 % in diezelfde periode).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in