Gerecht EU 15 juli 2015, T-422/10, ECLI:EU:T:2015:512

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

15 juli 2015 ( *1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Europese markt van spanstaal — Vaststelling van de prijzen, marktverdeling en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Eén enkele complexe en voortdurende inbreuk — Evenredigheid — Beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties — Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑422/10,

Trafilerie Meridionali SpA, voorheen Emme Holding SpA, gevestigd te Pescara (Italië), vertegenwoordigd door G. Visconti, E. Vassallo di Castiglione, M. Siragusa, M. Beretta en P. Ferrari, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Gencarelli en V. Bottka, vervolgens door V. Bottka en R. Striani en ten slotte door V. Bottka en G. Conte als gemachtigden, bijgestaan door P. Manzini, advocaat,

verweerster,

betreffende een verzoek om nietigverklaring en herziening van besluit C(2010) 4387 definitief van de Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38344 – Spanstaal), gewijzigd bij besluit C(2010) 6676 definitief van de Commissie van 30 september 2010 en bij besluit C(2011) 2269 definitief van de Commissie van 4 april 2011,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen (rapporteur), president, F. Dehousse en A. M. Collins, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juli 2014,

het navolgende

Arrest ( 1 )

[omissis]

Procedure en conclusies van partijen

42 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 september 2010, heeft Trame beroep ingesteld.

43 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 oktober 2010, heeft Trame een verzoek in kort geding ingediend, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit.

44 Bij beslissing van 29 oktober 2010 heeft het Gerecht (Eerste kamer) verzoekster ervan in kennis gesteld dat zij de mogelijkheid had om haar middelen en conclusies aan te passen, om rekening te houden met de wijzigingen die bij het eerste wijzigingsbesluit zijn aangebracht.

45 Trame heeft in haar op 19 april 2011 neergelegde repliek opmerkingen over het eerste wijzigingsbesluit gemaakt.

46 Bij beslissing van 6 juni 2011 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van documenten.

47 Op 22 juni 2011 heeft de Commissie het tweede wijzigingsbesluit aan Trame meegedeeld.

48 Op 12 juli 2011 heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen omdat geen sprake was van spoedeisendheid (beschikking van 12 juli 2011, Emme/Commissie, T‑422/10 R, EU:T:2011:349).

49 Trame heeft op 1 augustus 2011 haar opmerkingen over het tweede wijzigingsbesluit ingediend.

50 Op 20 oktober 2011 heeft de Commissie het origineel van haar dupliek in de procestaal neergelegd alsook haar zienswijze ten aanzien van de opmerkingen van Trame over het tweede wijzigingsbesluit, waarop de schriftelijke behandeling is gesloten.

51 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht vanaf 23 september 2013 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

52 Het voorlopige rapport bedoeld in artikel 52, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 is op 8 november 2013 aan de Zesde kamer meegedeeld.

53 Op 17 december 2013 heeft het Gerecht partijen in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang op grond van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 verzocht om een reeks vragen te beantwoorden en heeft het de Commissie verzocht om documenten over te leggen.

54 Op 28 februari 2014 hebben Trame en de Commissie hun antwoorden op deze verzoeken ingediend. Trame heeft in haar antwoord aangegeven dat zij op 18 november 2013 bij de Commissie een nieuw verzoek had ingediend om rekening te houden met haar onvermogen om te betalen, wegens de economische en financiële positie van de vennootschap op die datum.

55 Op 16 mei 2014 heeft het Gerecht de Commissie in het kader van de maatregelen van instructie op grond van artikel 65 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 verzocht om de documenten over te leggen die zij had geweigerd over te leggen in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van 17 december 2013.

56 De Commissie heeft de gevraagde documenten op 28 mei 2014 overgelegd. Trame heeft deze vóór de terechtzitting kunnen inzien.

57 Partijen hebben ter terechtzitting van 2 juli 2014 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

58 Trame concludeert tot: — nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover haar daarbij een geldboete is opgelegd of de haar opgelegde geldboete te verlagen; — een bevel op grond van artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 dat een persoon die Tréfileurope Italia tijdens het kartel heeft vertegenwoordigd, wordt opgeroepen en gehoord teneinde bepaalde feiten in punt 98 van het verzoekschrift te bevestigen; — verwijzing van de Commissie in de kosten.

59 De Commissie concludeert tot: — afwijzing van de verzoeken van Trame; — verwijzing van Trame in de kosten.

In rechte

60 Ter ondersteuning van haar beroep voert Trame vijf middelen aan die betrekking hebben op haar deelname aan het kartel en de gevolgen die dat kan hebben voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete: het eerste betreft de enkele inbreuk, het tweede de uitsluiting van driedraads strengen van de mededingingsregeling waaraan zij heeft deelgenomen, het derde de periode van haar deelname aan de inbreuk, het vierde haar ondergeschikte rol en het feit dat het kartel geen weerslag op de markt heeft gehad en het vijfde de opzet bij de inbreuk. Na het tweede wijzigingsbesluit heeft Trame haar middelen in die zin aangepast dat zij ook schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de gelijke behandeling bij de vaststelling van de geldboete aanvoert, op grond van de behandeling van ArcelorMittal en Ori Martin in vergelijking met de behandeling die zij heeft gekregen. Trame voert in een zesde middel ook aan dat zij niet in staat is tot betaling van de geldboete.

A – Opmerkingen vooraf

1. Inhoud van het bestreden besluit

61 Uit artikel 1 van het bestreden besluit blijkt dat Trame inbreuk op artikel 101 VWEU en, vanaf 1 januari 1994, artikel 53 van de EER-Overeenkomst heeft gemaakt door tijdens de in het bestreden besluit aangegeven periodes te hebben deelgenomen aan een „voortdurende overeenkomst en/of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de spanstaalsector in de interne markt en, vanaf 1 januari 1994, in de EER” (hierna: „kartel” of „enkele inbreuk”, welke laatste ook complex en voortgezet is in de gebruikelijke betekenis van deze termen).

a) Bestanddelen van het kartel en kenmerken van de enkele inbreuk

62 In overweging 122 van het bestreden besluit is het kartel omschreven als „pan-Europese afspraken, te verdelen in een Zürich‑ en een Europese fase, en/of, afhankelijk van de situatie, [...] afspraken op nationaal/regionaal niveau”. De overwegingen 123 tot en met 135 van het bestreden besluit bevatten een kort overzicht van de verschillende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die vervolgens gedetailleerd worden beschreven en getoetst aan artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Schematisch weergegeven bestond het kartel uit de volgende afspraken: — club Zürich, zijnde de eerste fase van de pan-Europese overeenkomst. Deze overeenkomst heeft geduurd van 1 januari 1984 tot en met 9 januari 1996 en had betrekking op de vaststelling van quota per land (Duitsland, Oostenrijk, Benelux, Frankrijk, Italië, Spanje), de verdeling van klanten, de prijzen en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie. De leden ervan waren Tréfileurope, Nedri, WDI, DWK en Redaelli, die ten minste vanaf 1993 en 1995 verscheidene andere Italiaanse ondernemingen vertegenwoordigde, waarbij zich Emesa, in 1992, en Tycsa, in 1993, hebben aangesloten; — club Italia, een nationale regeling die heeft geduurd van 5 december 1995 tot 19 september 2002. Deze overeenkomst had betrekking op de vaststelling van quota voor Italië en de export van dit land naar de rest van Europa. De leden ervan waren de Italiaanse ondernemingen Redaelli, ITC, CB en Itas, waarbij zich vervolgens Tréfileurope en Tréfileurope Italia (op 3 april 1995), SLM (op 10 februari 1997), Trame (op 4 maart 1997), Tycsa (op 17 december 1996), DWK (op 24 februari 1997) en Austria Draht (op 15 april 1997) hebben aangesloten; — de zuidelijke overeenkomst, een regionale regeling waarover in 1996 is onderhandeld en die toen door de Italiaanse ondernemingen Redaelli, ITC, CB en Itas is overeengekomen met Tycsa en Tréfileurope om de penetratiegraad van elk van de deelnemers in de zuidelijke landen (Spanje, Italië, Frankrijk, België en Luxemburg) vast te stellen en een verbintenis aan te gaan om met de andere noordelijke Europese producenten over de quota te onderhandelen; — club Europa, zijnde de tweede fase van de pan-Europese overeenkomst. Deze overeenkomst is in mei 1997 gesloten door Tréfileurope, Nedri, WDI, DWK, Tycsa en Emesa (de „permanente leden” of de „zes producenten” genoemd) en in september 2002 beëindigd. De overeenkomst was bedoeld om de crisis in club Zürich te boven te komen, om opnieuw quota te verdelen (berekend over de periode vierde trimester van 1995-eerste trimester van 1997), klanten te verdelen en de prijzen vast te stellen. De zes producenten kwamen regels voor de onderlinge coördinatie overeen, waaronder de benoeming van coördinatoren die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de regelingen in meerdere landen en voor de coördinatie met andere geïnteresseerde ondernemingen die in de betrokken landen actief waren of aan dezelfde klanten leverden. Hun vertegenwoordigers zijn geregeld op verschillende niveaus bijeengekomen om toe te zien op de naleving van de afspraken. Zij wisselden gevoelige commerciële informatie uit. Wanneer een partij zich niet aan de afspraken had gehouden, gold een passende compensatieregeling; — de onderlinge afstemming betreffende de klant Addtek: in het kader van deze pan-Europese regeling onderhielden de zes producenten, nu en dan aangevuld met de Italiaanse producenten en Fundia, eveneens bilaterale (of multilaterale) contacten en namen zij op ad-hocbasis deel aan prijsafspraken en klantentoewijzing wanneer zij daar belang bij hadden. Zo hebben Tréfileurope, Nedri, WDI, Tycsa, Emesa, CB en Fundia onderling afgestemd over de prijzen en volumes voor de klant Addtek. Deze projecten betroffen voornamelijk Finland, Zweden en Noorwegen, maar ook Nederland, Duitsland, de Baltische staten en Midden‑ en Oost-Europa. De onderlinge afstemming betreffende Addtek is reeds in de fase van club Zürich van de pan-Europese regeling begonnen en is tot ten minste eind 2001 voortgezet; — de besprekingen tussen club Europa en club Italia: In de periode van ten minste september 2000 tot september 2002 kwamen de zes producenten, ITC, CB, Redaelli, Itas en SLM regelmatig bijeen met het doel de Italiaanse ondernemingen als permanente leden te integreren in Club Europa. De Italiaanse ondernemingen wilden een verhoging van het Italiaanse quotum voor export naar de Europese landen, terwijl club Europa de status quo wilde handhaven. Daartoe werden binnen club Italia diverse bijeenkomsten georganiseerd om een gezamenlijk standpunt te formuleren, zijn binnen club Europa bijeenkomsten gehouden om dit standpunt te bespreken en een eigen standpunt te bepalen en zijn tussen de leden van club Europa en de Italiaanse vertegenwoordigers bijeenkomsten georganiseerd om een akkoord te bereiken over het Italiaanse quotum op een gegeven nationale markt. De betrokken ondernemingen wisselden hierbij commercieel gevoelige informatie uit. Ten behoeve van de herverdeling van het Europese quotum teneinde de Italiaanse producenten hierin mee te nemen, kwamen de partijen overeen om een nieuwe referentieperiode te gebruiken (30 juni 2000‑30 juni 2001). Deze ondernemingen hebben ook onderling afgestemd over het globale exportvolume van de Italiaanse ondernemingen in Europa, dat zij onderling per land verdeelden. Tegelijkertijd hebben zij de prijzen besproken, waarbij de leden van club Europa ernaar streefden het mechanisme voor het vaststellen van de prijzen dat de Italiaanse producenten binnen club Italia hanteerden, op geheel Europa toe te passen; — club España: parallel aan de pan-Europese afspraken en club Italia kwamen vijf Spaanse ondernemingen (Trefilerías Quijano, Tycsa, Emesa, Galycas en Proderac, deze laatste vanaf mei 1994) en twee Portugese ondernemingen (Socitrel vanaf april 1994 en Fapricela vanaf december 1998) voor Spanje en Portugal en voor een periode van ten minste december 1992 tot september 2002 overeen om hun marktaandelen stabiel te houden, quota vast te stellen, klanten toe te wijzen (inclusief overheidsopdrachten voor werken) en prijzen en betalingscondities vast te stellen. Zij wisselden daarnaast ook commercieel gevoelige informatie uit.

63 Volgens de Commissie vertonen alle regelingen die hierboven in punt 62 zijn omschreven, de kenmerken van één enkele inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (bestreden besluit, overwegingen 135 en 609 en onderdeel 12.2.2).

64 Meer bepaald was de Commissie van mening dat de bovengenoemde regelingen deel uitmaakten van een algemeen plan dat de hoofdlijnen aangaf voor het optreden van de kartelleden in alle geografische gebieden en dat deze ondernemingen „hun individuele commerciële gedrag [beperkten] om een identiek mededingingsverstorend doel en één enkel mededingingsverstorend economisch doel te bereiken, namelijk het vervalsen of uitschakelen van de normale concurrentievoorwaarden voor spanstaal in de EER en om een algemeen evenwicht vast te stellen, met name door quota en prijzen vast te stellen, klanten toe te wijzen en gevoelige commerciële informatie uit te wisselen” (bestreden besluit, overweging 610 en onderdeel 9.3).

65 De Commissie heeft in dat verband het volgende aangegeven: „Het plan, onderschreven door DWK, WDI, Tréfileurope, Tycsa, Emesa, Fundia, Austria Draht, Redaelli, CB, ITC, Itas, SLM, Trame, Proderac, Fapricela, Socitrel, Galycas en Trefilerías Quijano (niet alle op hetzelfde ogenblik), werd ontworpen en uitgevoerd over een periode van ten minste 18 jaar, aan de hand van een geheel van heimelijke regelingen, specifieke overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, om hetzelfde gemeenschappelijke doel te bereiken, met name de beperking van de mededinging tussen deze ondernemingen [...] door gebruik te maken van gelijkaardige mechanismen om dit gemeenschappelijk doel te bereiken (zie 9.3.1). Zelfs wanneer een bepaalde regeling soms niet optimaal werkte, bleven andere regelingen normaal functioneren” (bestreden besluit, overweging 612).

66 In het kader van haar redenering heeft Commissie het volgende benadrukt: — „De Club Zürich‑ en Club Europa-fasen van de pan-Europese regeling zijn onderdeel van één enkele inbreuk, die niet werd onderbroken door de crisisperiode van 9 januari 1996 tot 12 mei 1997. [...] Zoals in Club Zürich, bleven de deelnemers van Club Europa ook quota afspreken, klanten toewijzen en prijzen vaststellen. Hun [...] besprekingen en overeenkomst betroffen hetzelfde gebied als dat van Club Zürich, maar breidden zich uit met verschillende bijkomende landen [...].” (overweging 613) — „de organisatie van het kartel zelf (met name het coördinatiesysteem [...]) en de praktische werking [...], tonen aan, dat de pan-Europese, Iberische en Italiaanse regelingen één enkele inbreuk uitmaken. De belangrijkste beslissingen, zoals het vaststellen van de Europese quota voor een referentiegebied, dat wijzigde met de tijd [...], op basis van de afzetvolumes voor de referentieperiode, die werden aangepast met de tijd [...], werden genomen op directieniveau tijdens multilaterale bijeenkomsten tussen de zes producenten van Club Europa [...]. De directie behandelde ook de toewijzing van bepaalde (referentie)klanten (bijvoorbeeld Betonson en Addtek, [...]) of de vaststelling van minimumprijzen voor bepaalde landen en bepaalde referentieklanten. Bepaalde permanente leden van de pan-Europese regeling kregen, op het niveau van de verkoopvertegenwoordiger, de taak om, ten eerste, de uitvoering van de op Europees niveau verkregen overeenkomsten te controleren in één of meer landen, met name met betrekking tot de coördinatie van prijzen en klanten (met inbegrip van Italië, Spanje en Portugal, die deel zijn van het referentiegebied en de thuislanden van de deelnemers van Club Italia en Club España), en ten tweede, om contacten te onderhouden met de andere belanghebbende producenten in de respectieve geografische gebieden (waaronder die van de Club Italia‑ en Club España-regelingen en bijvoorbeeld Fundia wat de coördinatie van de klant Addtek betreft).” (overweging 614) — „Ook de praktische werking van het kartel toont aan, dat de pan-Europese en nationale regelingen één enkele inbreuk uitmaken: de Italiaanse en Iberische regelingen waren vanaf het begin nauw verweven met de pan-Europese regeling. Het quotumstelsel van Club Italia diende als model voor het opzetten van het quotumstelsel van Club Zürich en tijdens de Club Zürich-fase en de crisisperiode, onderhandelden de deelnemers van Club Zürich en Club Italia en kwamen zij gezamenlijk quotumregelingen, prijzen en klantentoewijzing overeen, zowel voor Italië als voor andere Europese markten van het referentiegebied. Hoewel de Italiaanse producenten niet langer permanente leden van club Europa waren, bleef de coördinatie tussen de twee clubs in handen van Tréfileurope, die coördinator was voor Italië en bijna alle besprekingen van Club Italia en Club Europa bijwoonde en op die manier ook de onderhandelingen en besprekingen in de ene club kon beïnvloeden, doordat de deelnemers rekening konden houden met de in de andere club bereikte plannen en overeenkomsten. Hetzelfde geldt voor DWK, Tycsa en later Nedri, pan-Europese producenten die ook regelmatig bijeenkomsten van Club Italia bijwoonden en bilateraal bijeen kwamen met Italiaanse producenten. Op dezelfde wijze onderhandelden producenten van Club Zürich/Europa en Club España en kwamen zij quota, prijzen en klantentoewijzing overeen zowel binnen de clubs als bilateraal. Tycsa (coördinator voor Spanje en Portugal) en Emesa, die deelnamen aan beide clubs, kon weer invloed uitoefenen op de onderhandelingen in de ene club, rekening houdend met de ambities en overeenkomsten die bereikt werden in de andere club. De besprekingen in de drie clubs gingen regelmatig over de onderhandelingen, overeenkomsten en beslissingen genomen in de andere clubs. Vanaf 11 september 2000 werden de onderhandelingen tussen de belangrijkste spanstaalproducenten intensiever in een poging, het quotasysteem van club Europa uit te breiden tot alle belangrijke spanstaalproducenten [...].” (overweging 615) — Om die redenen meent de Commissie dat de op nationaal of regionaal niveau (Iberisch, Italiaans en/of zuidelijk) overeengekomen en genomen maatregelen één coherent geheel vormen met de regelingen op pan-Europees niveau. Uit de in hoofdstuk IV beschreven feiten blijkt duidelijk, dat alle deelnemers aan de mededingingsverstorende regelingen deze naleefden en dat zij voor zover mogelijk (d.i. voor zover zij actief waren in een of meer regelingen) hebben bijgedragen tot een gemeenschappelijk mededingingsverstorend plan. (overweging 616)

67 Wat meer bepaald de continuïteit van de deelname aan de inbreuk betreft, heeft de Commissie de volgende twee opmerkingen gemaakt: — „Alle adressaten van dit besluit hebben deelgenomen aan het kartel, dat 18 jaar duurde en verschillende onder hen namen gelijktijdig deel aan verschillende niveaus van dit kartel. Het feit dat een betrokken onderneming niet rechtstreeks aan alle bestanddelen van het gehele kartel heeft deelgenomen, ontslaat deze onderneming niet van aansprakelijkheid voor de inbreuk op artikel 101 VWEU en/of artikel 53 van de EER-Overeenkomst. In het onderhavige geval doet het feit dat bepaalde ondernemingen niet aan alle pan-Europese of nationale bijeenkomsten hebben deelgenomen, niet af aan de vaststelling van hun deelneming aan het kartel, daar zij alle werden geïnformeerd en rekening konden houden met en voordeel konden halen uit de uitwisseling van informatie met hun concurrenten bij het bepalen van hun eigen marktgedragingen. Zoals hierboven beschreven, hebben de meeste deelnemers het algemeen plan onderschreven en uitgevoerd over een periode van verscheidene jaren, maakten zij gebruik van gelijkaardige mechanismen en streefden zij een gemeenschappelijk doel na, namelijk de beperking van de mededinging. [A]lle adressaten [waren] ook op de hoogte van hun deelneming aan een algemeen plan met verschillende niveaus, hoewel voor sommigen deze bekendheid pas kon worden vastgesteld in een later stadium van de inbreuk.” (bestreden besluit, overweging 622) — „Toch is de intensiteit van deelneming van elke onderneming aan het kartel niet identiek, rekening houdend met de duur van hun individuele deelneming aan het kartel [...], hun geografische vertegenwoordiging (productie en afzetgebied) en de grootte van de onderneming (grote of kleine spelers). Al deze factoren worden in overweging genomen in hoofdstuk VIII [van het bestreden besluit, over de factoren die in aanmerking zijn genomen om het bedrag van de geldboeten te bepalen].” (bestreden besluit, overweging 623)

b) Factoren die voor Trame in aanmerking zijn genomen

68 Jegens Trame is in aanmerking genomen dat zij in de periode van 4 maart 1997 tot 19 september 2002 aan het in artikel 1 van het bestreden besluit genoemde kartel heeft deelgenomen (zie punt 61 hieronder).

69 De belangrijkste elementen op basis waarvan deze deelname kan worden aangetoond, zijn de volgende.

Club Italia (van 4 maart 1997 tot en met 19 september 2002)

70 De Commissie is tot de vaststelling gekomen dat Trame van 4 maart 1997 tot en met 19 september 2002 aan club Italia heeft deelgenomen (bestreden besluit, overwegingen 124, 385 e.v. en 467‑473 in onderdeel 9.2.1.8, „Individuele deelneming aan Club Italia”).

71 Met name blijkt uit het bestreden besluit het volgende: — de deelname van Trame aan het kartel wordt bevestigd door vele documenten die tijdens de inspecties zijn aangetroffen en door verklaringen van ten minste drie karteldeelnemers (SLM, Redaelli en Tréfileurope) (bestreden besluit, overweging 467); — ook al deed Trame niet vanaf het begin mee aan de verdeling van de Italiaanse markt, toch beslisten de deelnemers aan de bijeenkomst van 18 december 1995 (Redaelli, Itas, CB en ITC) onder andere Trame te informeren over de conclusies met betrekking tot de nieuwe prijzen die in 1996 moesten worden gehanteerd. Op vergelijkbare wijze werd op de bijeenkomst van 17 december 1996 een tabel uitgedeeld met de toewijzing van tonnages per klant en de aanstelling van de hoofdleveranciers voor een aantal klanten op de Italiaanse markt in 1997. Hoewel de kolommen voor Trame leeg waren, is het feit dat Trame in de tabel reeds in aanmerking werd genomen een aanwijzing dat besprekingen tussen de partijen plaats moeten hebben gehad of ten minste beoogd werden (bestreden besluit, overweging 467); — de eerste aanwijzing van rechtstreeks contact met Trame is een oorspronkelijk document met betrekking tot de bijeenkomst van 4 maart 1997. Dit document bevat handgeschreven aantekeningen van de bijeenkomst waaruit blijkt dat „Trame de leden van Club Italia meedeelde dat [zij] graag aan de Italiaanse regeling wilde deelnemen” („Trame wenst deel te nemen – komt volgende keer”) (bestreden besluit, overweging 467); — Trame heeft deelgenomen aan de bijeenkomst van club Italia van 10 maart 1997 (bestreden besluit, overweging 467); — Trame heeft in de loop van de administratieve procedure erkend dat zij om te beginnen zesmaal aan de bijeenkomsten van club Italia heeft deelgenomen, op 5 oktober 1998, 9 november 1998, 18 januari 1999, 8 februari 1999, 22 februari 1999 en 15 maart 1999 (in de voetnoot is nader aangegeven dat Trame echter ontkent dat zij een kartelovereenkomst heeft gesloten en verklaart dat zij uitsluitend aan de bijeenkomsten heeft deelgenomen om informatie te verkrijgen), vervolgens op 28 februari 2000 en op 19 juni 2000 (in de voetnoot is nader aangegeven dat Trame met name toegeeft te hebben deelgenomen aan de bijeenkomsten van 28 februari 2000, 6 maart 2000, 13 maart 2000, 21 maart 2000, 15 mei 2000, 12 juni 2000 en 19 juni 2000) en ten slotte aan de bijeenkomsten van 10 april 2001 en 16 september 2002 (bestreden besluit, overweging 468); — de deelname van Trame aan club Italia werd op geen moment tussen 4 maart 1997 en 19 september 2002 opgeschort. Met betrekking tot de bijeenkomsten van club Italia tussen 15 maart 1999 en 28 februari 2000 geldt dat Trame, ondanks dat zij daarop niet aanwezig was, de andere karteldeelnemers informatie is blijven verschaffen en dat haar geval verder is besproken. Haar afwezigheid is uitdrukkelijk vermeld tijdens de bijeenkomsten van 12 juli 1999 en 17 januari 2000, waaruit blijkt dat haar aanwezigheid wel werd verwacht. Bovendien is er geen bewijs voorhanden dat Trame zich op enig moment van het kartel zou hebben gedistantieerd. Wat de na juni 2000 gehouden bijeenkomsten betreft, is Trame aan het kartel blijven deelnemen, niet alleen tijdens de bijeenkomsten van 10 april 2001 en 16 september 2002, waarvoor zij toegeeft dat zij daaraan heeft deelgenomen, maar ook de bijeenkomsten van 9 oktober 2000 en 30 juli 2002, waarop haar geval verder is besproken, tot aan het einde van de inbreuk (bestreden besluit, overwegingen 469 en 470).

72 Samenvattend heeft de Commissie geconstateerd dat Trame rechtstreeks heeft deelgenomen aan 18 bijeenkomsten van club Italia, dat zij op vier van de bijeenkomsten van deze club uitdrukkelijk als afwezig was gemeld, hetgeen impliceert dat haar aanwezigheid daarop werd verwacht, en dat haar geval voortdurend is besproken binnen deze club (bestreden besluit, voetnoot bij overweging 468).

Club Europa en het pan-Europese systeem (van 15 mei 2000 tot 19 september 2002)

73 Om aan te tonen dat de jegens Trame in aanmerking genomen inbreuk één enkele voortgezette inbreuk was, en met name om de „individuele bekendheid met deelneming aan een groter plan” (zie het opschrift boven onderdeel 12.2.2.4 van het bestreden besluit) aan te tonen, heeft de Commissie op het volgende gewezen: „(651) In [haar] antwoord op de [mededeling van punten van bezwaar] stelt Trame geen vragen met betrekking tot [haar] kennis van de andere regelingen. In elk geval heeft de Commissie het bewijs dat Trame kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben van de verschillende niveaus van het kartel. Op de bijeenkomst van 15 mei 2000 bijvoorbeeld, waaraan Trame deelnam, stelde Tréfileurope dat Club Europa en Club Italia beide in een crisis verkeerden [...]. Op 12 juni 2000 woonde Trame een bijeenkomst bij met Redaelli, ITC, Itas, Tréfileurope Italia, CB, SLM, Tycsa en DWK, waarop werd vermeld dat Club Europa klaagde over Tycsa, [die] ook lid was van Club España. De namen van andere leden van Club España zoals Socitrel en Fapricela worden ook genoemd op deze bijeenkomst [...]. Bovendien woonde Trame op 9 oktober 2000 een bijeenkomst bij, waarin de deelnemers van Club Europa en van Club Italia op zoek gingen naar een gezamenlijke oplossing voor de toenemende export door de Italiaanse producenten naar Europa. Op deze bijeenkomst werd met name de Europese markt geanalyseerd en werden de percentages van interpenetratie besproken onder de zes producenten (behalve Emesa) en de Italiaanse producenten [...]. Bijgevolg concludeert de Commissie, dat Trame ten minste vanaf 15 mei 2000 kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben van het feit dat [zij] deel was van een groter pan-Europees stelsel met verschillende niveaus [met als doel om de spanstaalmarkt te stabiliseren teneinde een prijsdaling te voorkomen]. In elk geval verkocht Trame niet buiten Italië gedurende de gehele periode van de inbreuk [...]”.

74 De Commissie heeft dus ook geoordeeld dat Trame parallel aan de deelname aan club Italia van 4 maart 1997 tot 19 september 2002, vanaf 15 mei 2000„kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben van de verschillende niveaus van het kartel” en meer in het bijzonder van club Europa.

c) Berekening van de aan Trame opgelegde geldboete

75 Om te beginnen heeft de Commissie eraan herinnerd dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete overeenkomstig artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 rekening moet houden met alle relevante omstandigheden en meer bepaald met zowel de ernst als de duur van de inbreuk. Ook heeft de Commissie gepreciseerd dat zij daarbij verwijst naar de in de richtsnoeren van 2006 vastgelegde beginselen (bestreden besluit, overweging 920).

76 De geldboete van 3,249 miljoen EUR die aan Trame is opgelegd, is als volgt berekend.

77 In de eerste plaats is Trame aansprakelijk gehouden voor een alomvattend kartel op de spanstaalmarkt binnen de EER. Om het basisbedrag van de geldboete te bepalen, is de Commissie dan ook overeenkomstig punt 13 van de richtsnoeren van 2006 uitgegaan van de „waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de EER verkochte goederen of diensten van de onderneming” in het laatste volledige boekjaar waarin zij aan de inbreuk heeft deelgenomen (bestreden besluit, overwegingen 929 e.v.).

78 Voor Trame is de in aanmerking genomen waarde van de verkopen 8231277 EUR (eerste wijzigingsbesluit, punt 5). Het betreft de waarde van de verkopen van spanstaal in het geografische gebied waarop het kartel betrekking heeft, namelijk in de voor Trame in aanmerking genomen periode: Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België, Luxemburg, Spanje, Oostenrijk, Portugal, Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen (bestreden besluit, overwegingen 931 en 932). In de onderhavige zaak zijn evenwel alleen de verkopen van Trame in Italië in aanmerking genomen, aangezien Trame in die periode geen verkopen buiten Italië heeft gerealiseerd (bestreden besluit, overweging 651).

79 In de tweede plaats is het percentage dat op de aldus berekende waarde van de verkopen moet worden toegepast, gerelateerd aan de ernst van de inbreuk als zodanig. Daarbij heeft de Commissie onder meer de volgende voor de onderhavige zaak relevante factoren in aanmerking genomen: de aard van de inbreuk, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken ondernemingen, de geografische reikwijdte van de inbreuk en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd (bestreden besluit, overwegingen 936 e.v.).

80 Wat de aard van de inbreuk betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat het kartel in zijn geheel zag op marktverdeling, klantentoewijzing en horizontale overeenkomsten inzake prijzen (bestreden besluit, overweging 939).

81 Ook heeft de Commissie rekening gehouden met het feit dat de bij de inbreuk betrokken ondernemingen een gecumuleerd marktaandeel van ongeveer 80 % hadden (bestreden besluit, overweging 946) en dat de inbreuk een groot deel van de EER bestreek. Bij Socitrel, Proderac, Fapricela en Fundia, ondernemingen die wat de eerste drie betreft slechts aan club España hebben deelgenomen (die Spanje en Portugal bestreek) en wat de laatste betreft alleen aan de onderlinge afstemming betreffende Addtek, en waarvoor kon worden aangetoond dat zij pas in een laat stadium wetenschap hadden van de enkele inbreuk (17 mei 2001 voor Socitrel, Proderac en Fapricela en 14 mei 2001 voor Fundia), heeft de Commissie rekening gehouden met de beperktere geografische omvang bij de bepaling van het deel van de waarde van de verkopen dat voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk in aanmerking moest worden genomen. Volgens de Commissie was de situatie anders voor de andere deelnemers aan club España (Emesa/Galycas, Tycsa/ Trefilerías Quijano), die gelijktijdig hebben deelgenomen op verschillende niveaus van het kartel en/of voor dewelke kon worden vastgesteld dat zij zich op een veel vroeger tijdstip bewust waren van de enkele en voortdurende inbreuk. Ook voor de deelnemers aan club Italia was de situatie anders dan voor Socitrel, Proderac en Fapricela, aangezien de geografische reikwijdte van club Italia grotendeels met die van de pan-Europese regelingen samenviel en dus veel groter was dan de geografische reikwijdte van club España (Spanje en Portugal) (bestreden besluit, overweging 949).

82 Wat de tenuitvoerlegging van de regelingen betreft, heeft de Commissie geoordeeld dat die weliswaar niet steeds volledig succesvol verliep, maar dat zij wel degelijk zijn uitgevoerd (bestreden besluit, overweging 950).

83 Gezien de omstandigheden van de zaak en rekening houdend met de hierboven besproken criteria heeft de Commissie geoordeeld dat de verhouding van de waarde van de verkopen die voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk in aanmerking moest worden genomen voor Fundia 16 %, voor Socitrel, Fapricela en Proderac 18 % en voor alle andere ondernemingen, waaronder Trame, 19 % was (bestreden besluit, overweging 953).

84 In de derde plaats is de duur van de inbreuk wat Trame betreft vastgesteld op vijf jaar en zes maanden, zijnde van 4 maart 1997 tot 19 september 2002 (bestreden besluit, overweging 956).

85 In de vierde plaats is de Commissie ten aanzien van het percentage dat ongeacht de duur van deelname van een onderneming aan de inbreuk in het basisbedrag van de geldboete moest worden opgenomen, tot de slotsom gekomen dat het bedrag van 16 % voor Fundia, 18 % voor Socitrel, Fapricela en Proderac en 19 % voor alle andere ondernemingen, waaronder Trame, passend was (bestreden besluit, overweging 962).

86 In de vijfde plaats heeft de Commissie de verzachtende omstandigheden onderzocht die Trame tijdens de administratieve procedure had aangevoerd. Dit betreft met name de argumenten inzake een ondergeschikte of passieve rol (bestreden besluit, overwegingen 987 en 992) en het niet toepassen van de inbreukmakende overeenkomsten of de zeer beperkte deelname aan de inbreuk (bestreden besluit, overwegingen 1023 en 1025). In dat verband heeft de Commissie erkend dat de rol van Trame, zoals die van Proderac, beperkter was dan die van de andere karteldeelnemers en dat daarom aan deze ondernemingen een boetevermindering moest worden toegekend. Ook heeft zij erop gewezen dat „Trame een onbeduidende speler in Club Italia was [en dat d]it leidde tot spanningen met de andere deelnemers”. Dit rechtvaardigde een vermindering met 5 % van het bedrag van de geldboete.

87 Bijgevolg is het basisbedrag van de geldboete van 10 miljoen EUR door de Commissie verlaagd naar 9,5 miljoen EUR. Aangezien dit bedrag hoger was dan het plafond van 10 % van de totale omzet van Trame in 2009 (ongeveer 32,5 miljoen EUR), is het naar 3,249 miljoen EUR verlaagd (bestreden besluit, overwegingen 963, 1057 en 1071).

2. Toepasselijke beginselen

a) Bewijs van het bestaan en de duur van de inbreuk

88 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de Commissie volgens de rechtspraak niet alleen het bestaan van de mededingingsregeling moet bewijzen, maar ook de duur ervan. Wat meer in het bijzonder het bewijs van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU betreft, staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en bewijsmateriaal aan te voeren dat rechtens genoegzaam het bestaan aantoont van de feiten die een inbreuk vormen. Indien de rechter twijfels heeft, dienen deze in het voordeel te werken van de adressaat van het besluit waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen indien daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring of herziening van een besluit waarbij een geldboete is opgelegd. In dit laatste geval dient immers rekening te worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die in de rechtsorde van de Unie worden beschermd en dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden. Bijgevolg moet de Commissie nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de gestelde inbreuk is gepleegd (zie arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, T‑147/09 en T‑148/09, Jurispr., EU:T:2013:259, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Voorts is het gebruikelijk dat de activiteiten die mededingingsbeperkende overeenkomsten meebrengen, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Dit betekent dat wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zoals verslagen van bijeenkomsten, die doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie arrest Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, punt 88 supra, EU:T:2013:259, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Voorts vereist de rechtspraak dat de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste op bewijzen baseert betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan, dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd (zie arrest Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, punt 88 supra, EU:T:2013:259, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

b) Begrip één enkele inbreuk, in de zin van complexe inbreuk

91 In de tweede plaats en nog steeds volgens vaste rechtspraak kan schending van artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer dus de verschillende handelingen vanwege hun identieke doel, te weten de mededinging binnen de eenheidsmarkt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor deze handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arresten van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr., EU:C:1999:356, punt 81; 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr., EU:C:2004:6, punt 258, en 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, Jurispr., EU:C:2012:778, punt 41).

92 Een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dit is het geval wanneer vast komt te staan dat de betrokken onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 91 supra, EU:C:1999:356, punten 83, 87 en 203; Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 91 supra, EU:C:2004:6, punt 83, en Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 91 supra, EU:C:2012:778, punt 42).

93 Een onderneming kan aldus rechtstreeks hebben deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag houden voor al deze gedragingen en dus voor de inbreuk in zijn geheel. Een onderneming kan ook slechts rechtstreeks hebben deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, maar kennis hebben gehad van alle inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en bereid zijn geweest het risico ervan te aanvaarden. In dat geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk houden voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit die inbreuk bestaat, en bijgevolg voor die inbreuk in zijn geheel (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 91 supra, EU:C:2012:778, punt 43).

94 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meer mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortgezette inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan de verwezenlijking van alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij de andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, kan de Commissie haar derhalve uitsluitend aansprakelijk houden voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde als de door haar nagestreefde doelstellingen en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 91 supra, EU:C:2012:778, punt 44).

95 Dat mag evenwel niet tot gevolg hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen waarvan vaststaat dat zij daaraan heeft deelgenomen of waarvoor zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Een dergelijke opsplitsing van een besluit van de Commissie waarbij een globaal kartel wordt aangemerkt als één enkele voortgezette inbreuk is echter slechts mogelijk indien die onderneming tijdens de administratieve procedure in staat werd gesteld te begrijpen dat haar tevens elk van de gedragingen waaruit die inbreuk bestond, ten laste werd gelegd, en dus dienaangaande verweer te voeren, én indien dat besluit op dit punt voldoende duidelijk is (arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 91 supra, EU:C:2012:778, punten 45 en 46).

96 Tot slot dient het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 91 supra, EU:C:1999:356, punt 90; Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 91 supra, EU:C:2004:6, punt 86, en Commissie/Verhuizingen Coppens, punt 91 supra, EU:C:2012:778, punt 45).

c) Begrip distantiëring in geval van een bijeenkomst

97 In de derde plaats volgt eveneens uit vaste rechtspraak dat het volstaat dat de Commissie aantoont dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet, om de deelneming van deze onderneming aan de mededingingsregeling genoegzaam te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, dient die onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (zie arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 91 supra, EU:C:2004:6, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

d) Beginselen inzake het in aanmerking nemen van de bijzondere situatie

98 In de vierde plaats zijn in de rechtspraak bepaalde beginselen ontwikkeld betreffende de individuele aansprakelijkheid als gevolg van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU, zoals een mededingingsregeling (zie in die zin arrest van 19 mei 2010, Chalkor/Commissie, T‑21/05, Jurispr., EU:T:2010:205, punten 90 e.v.).

99 Nadat de Commissie het bestaan van een kartel heeft aangetoond en de deelnemers ervan heeft bepaald, moet zij voor de oplegging van de geldboeten immers het relatieve gewicht van ieders deelneming onderzoeken. Dit volgt zowel uit de rechtspraak als uit de richtsnoeren, die voorzien in een gedifferentieerde behandeling die tot de berekening van een specifiek uitgangsbedrag leidt, en in het in aanmerking nemen van verzwarende en verzachtende omstandigheden, zodat het bedrag van de geldboete kan worden aangepast met name afhankelijk van de actieve of passieve rol van de betrokken ondernemingen bij de uitvoering van de inbreuk (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 91 supra, EU:C:1999:356, punten 90 en 150, en, met betrekking tot de richtsnoeren van 1998 (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”), arrest Chalkor/Commissie, punt 98 supra, EU:T:2010:205, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Aan een onderneming kan in elk geval nooit een geldboete worden opgelegd waarvan het bedrag wordt berekend aan de hand van een deelneming aan een heimelijke afspraak waarvoor zij niet verantwoordelijk is gehouden (arrest Chalkor/Commissie, punt 98 supra, EU:T:2010:205, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101 Ook kan een onderneming slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd (arrest van 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T‑45/98 en T‑47/98, Jurispr., EU:T:2001:288, punt 63).

102 De sancties dienen te worden geïndividualiseerd op basis van de gedragingen en de eigenschappen van de betrokken ondernemingen (arresten van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie, C‑308/04 P, Jurispr., EU:C:2006:433, punt 46, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr., EU:C:2007:326, punt 44).

103 Meer bepaald is geoordeeld dat een onderneming waarvan de verantwoordelijkheid met betrekking tot meerdere onderdelen van een mededingingsregeling wordt vastgesteld, meer bijdraagt tot de doeltreffendheid en het ernstige karakter van deze mededingingsregeling dan een overtredende onderneming die slechts bij één onderdeel van dezelfde mededingingsregeling is betrokken. Eerstgenoemde onderneming pleegt derhalve een zwaardere inbreuk dan de tweede (arrest Chalkor/Commissie, punt 98 supra, EU:T:2010:205, punt 99).

104 Aan de hand van de inhoud van het bestreden besluit en met inachtneming van de hierboven uiteengezette beginselen moeten de argumenten van partijen, die gedetailleerd zijn vermeld in het rapport ter terechtzitting dat het Gerecht heeft meegedeeld, worden onderzocht.

B – Deelname aan één enkele inbreuk

1. Argumenten van partijen

105 Trame geeft te kennen dat de Commissie haar niet kan verwijten dat zij gedurende vijf jaar en zes maanden heeft deelgenomen aan één enkele inbreuk bestaande uit overeenkomsten op Europees (club Europa), regionaal en nationaal (club España, zuidelijke overeenkomst, club Italia) niveau. Ten tijde van de feiten verkocht Trame alleen in Italië, niet wegens vermeende marktverdelingsafspraken maar wegens het ontbreken van certificeringen voor de verkoop van haar producten in het buitenland. De informatie over andere landen dan Italië was voor haar van geen enkel belang. Er is overigens ook geen bewijs dat zij op supranationaal niveau aan de inbreuk of aan een andere mededingingsregeling dan club Italia heeft deelgenomen. Trame heeft nooit aan bijeenkomsten op Europees niveau deelgenomen of aan informatie-uitwisseling over dit onderwerp. De deelname aan één enkele inbreuk kan niet worden afgeleid uit het enkele feit dat concurrenten binnen club Italia sporadisch of incidenteel toespelingen op club Europa hebben gemaakt in aanwezigheid van Trame. Op dit punt erkent de Commissie zelf dat Trame tot 15 mei 2000 niet wist van het Europese niveau van de inbreuk (bestreden besluit, overweging 651), waarmee zij op zijn minst rekening had moeten houden bij de bepaling van het bedrag van de geldboete. De enige verwijzing naar club Europa is te vinden in een document dat betrekking heeft op de bijeenkomst van 15 mei 2000, waarin slechts is aangegeven dat deze club zich in een crisis bevindt. Volgens de Commissie gaat het overigens „waarschijnlijk” om een verwijzing naar club Europa, hetgeen erop wijst dat zij daarover twijfels heeft. De documenten betreffende de bijeenkomsten van 12 juni en 9 oktober 2000 bevatten geen expliciete verwijzing naar club Europa. In de loop van de haar verweten inbreukperiode had Trame geen echte wetenschap van club Europa en de werking daarvan, en kon zij die ook niet hebben.

106 Tegelijkertijd wijst Trame erop dat Socitrel, Proderac en Fapricela enkel een sanctie is opgelegd voor hun deelname aan een bestanddeel van de enkele inbreuk (club España), met name rekening houdend met het feit dat zij pas laat wisten van het pan-Europese niveau daarvan. Zo heeft de Commissie Fapricela verweten dat zij tussen december 1998 en september 2002 aan het kartel heeft deelgenomen, maar heeft zij enkel de deelname van deze onderneming aan alleen club España in aanmerking genomen omdat Fapricela nooit heeft deelgenomen aan de Europese bijeenkomsten en daar tot in mei 2001 ook niet van wist. Deze situatie is vergelijkbaar met die van Trame, die de Commissie deelname aan club Italia van maart 1997 tot september 2002 verwijt, alsook wetenschap van het Europese niveau van het kartel vanaf mei 2000. Deze ondernemingen hebben op Europees niveau dus geen enkele rol gespeeld en hebben pas na meer dan de helft van de tenlastegelegde inbreukperiode wetenschap van dit niveau van het kartel gekregen. Het willekeurige verschil in behandeling tussen deze beide ondernemingen heeft negatieve gevolgen voor de bepaling van het bedrag van de aan Trame opgelegde geldboete, die op een buitensporig hoog niveau is vastgesteld met inaanmerkingneming van een situatie die niet de hare is.

107 De Commissie bestrijdt dit betoog. In het bestreden besluit is aangetoond dat de leden van club Italia voortdurend van de beslissingen van club Europa op de hoogte werden gehouden en dat zijzelf de leden van club Europa op de hoogte hielden van hun eigen beslissingen. Tussen club Zürich en club Italia bestond een sterke onderlinge afstemming. Zowel tijdens de fase van club Zürich als tijdens de fase van club Europa hebben de leden van club Italia hun beslissingen kunnen nemen omdat zij konden rekenen op de inlichtingen die zij van hun vertegenwoordiger op pan-Europees niveau (Redaelli tijdens de fase van club Zürich, Tréfileurope tijdens de fase van club Europa) kregen. Ook is aangetoond dat Trame vanaf 15 mei 2000 wist of had moeten weten dat zij integraal onderdeel uitmaakte van een meer omvattend pan-Europees systeem, dat op verschillende niveaus was opgebouwd. Ook is de situatie van Trame anders dan die van Socitrel, Proderac en Fapricela, die zich er pas vanaf 15 mei 2001 van bewust waren dat zij aan een pan-Europees systeem deelnamen, dus lang nadat Trame zich daarvan bewust was geworden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat club Italia en club Europa elkaar geografische overlapten.

2. Beoordeling door het Gerecht

108 Om te beginnen moet er meteen al op worden gewezen dat de Commissie ten onrechte Trame heeft toegerekend dat zij gedurende vijf jaar en zes maanden, van 4 maart 1997 tot 19 september 2002 (zie bestreden besluit, artikel 1, en punten 61 en 68 hierboven), aan één enkele inbreuk heeft deelgenomen, aangezien de Commissie pas vanaf 15 mei 2000 kan aantonen dat Trame „kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben” van het feit dat zij door deelname aan club Italia, ook deelnam aan een meer alomvattend Europees systeem dat op verschillende niveaus was opgebouwd (zie bestreden besluit, overweging 651, en punt 73 hierboven).

109 In elk geval kan Trame alleen worden verweten dat zij van 4 maart 1997 tot 19 september 2002 aan club Italia heeft deelgenomen en dat zij zich – binnen club Italia – in een situatie bevond waarvan kan worden vastgesteld dat zij vanaf 15 mei 2000 wist of had moeten weten dat haar deelname aan dat bestanddeel van het kartel onderdeel was van een groter systeem, waaraan zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen. Op basis daarvan kon de Commissie oordelen dat zij toen aan één enkele inbreuk in de zin van de hierboven in de punten 91 e.v. aangehaalde rechtspraak deelnam.

110 In die context moet met name worden nagegaan of de Commissie kon vaststellen dat Trame vanaf 15 mei 2000„kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben” van het feit dat club Italia onderdeel was van een totaalplan, dat onder meer de tweede fase van de pan-Europese overeenkomst, club Europa, omvatte, die tegelijk met club Italia heeft bestaan.

a) Situatie van Trame in vergelijking met die van de andere spelers binnen club Italia

111 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat Trame niet wordt genoemd als een van de ondernemingen die heeft deelgenomen aan de bijeenkomst van club Italia van 16 december 1997, die wordt beschouwd als een van de vergaderingen die het meest illustratief waren voor de nauwe band tussen de Italiaanse en de pan-Europese regelingen tijdens de fase van club Europa (bestreden besluit, overweging 558). Het is namelijk tijdens de bijeenkomst dat Tréfileurope op gedetailleerde wijze aan Redaelli, CB, Itas en ITC de regels van club Europa heeft uitgelegd (zie het onderdeel betreffende bijeenkomst van 16 december 1997 in bijlage 3 bij het bestreden besluit).

112 Ten aanzien van deze vijf producenten mocht de Commissie met recht oordelen, zoals zij in het eerste deel van haar betoog heeft gedaan (zie punt 107 hierboven), dat de leden van club Italia van de beslissingen binnen club Europa op de hoogte werden gehouden en zij de leden van club Europa op de hoogte hielden van hun beslissingen. Zo volgt uit het bestreden besluit dat Tréfileurope niet alleen lid van club Italia was maar ook een van de permanente leden van club Europa en dat Redaelli, CB, Itas en ITC, en vervolgens ook SLM, hebben deelgenomen aan of het hoofdonderwerp waren van de vele besprekingen die binnen club Europa en club Italia hebben plaatsgevonden met het oog op de vaststelling van een exportquotum voor de Italiaanse producenten buiten Italië. De inhoud van de besprekingen daarover kan als volgt worden samengevat: de Europese producenten wilden aan de Italiaanse producenten een exportquotum voorstellen dat zij bereid waren te gedogen, maar de Italiaanse producenten vonden dit te laag, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot discussies totdat een wederzijds aanvaardbare oplossing werd gevonden (zie in het bestreden besluit, overwegingen 278 e.v. in het onderdeel „Beschrijving van de belangrijkste multilaterale bijeenkomsten: over een door de Europese producenten voorgesteld quotum van 47000 ton versus de 60000 ton die werden voorgesteld door de Italiaanse producenten en de principeovereenkomst van 50000 ton”).

113 Zoals Trame heeft aangevoerd in het kader van haar betoog (zie punt 105 hierboven), moet echter worden vastgesteld dat haar situatie verschilt van die van Tréfileurope, Redaelli, CB, Itas, ITC en, vervolgens, SLM. Zoals er immers op is gewezen in overweging 651 van het bestreden besluit „verkocht Trame niet buiten Italië gedurende de gehele periode van de inbreuk”. Zoals bovendien is opgemerkt in het bestreden besluit, was Trame aanwezig op 18 bijeenkomsten van club Italia (bestreden besluit, voetnoot bij overweging 468). Trame verduidelijkt in dat verband dat het om 18 bijeenkomsten op een totaal van 234 gaat. Dit getal is veel lager dan het aantal bijeenkomsten waaraan de belangrijkste spelers binnen club Italia hebben deelgenomen. In het algemeen, en behoudens de bijeenkomsten die de Commissie uitdrukkelijk in het bestreden besluit heeft geïdentificeerd, blijkt ook dat Trame niet aanwezig was tijdens de belangrijkste vergaderingen waarop besprekingen hebben plaatsgevonden die tegelijk voor club Italia en club Europa van belang waren (zie bijvoorbeeld de bijeenkomst van 16 december 1997 en de onderdelen betreffende de bijeenkomsten van 12 en 23 juli 2001 in bijlage 3 bij het bestreden besluit).

114 Dat Trame in vergelijking met de belangrijkste spelers binnen club Italia een bijzondere positie bekleedde, is impliciet door de Commissie erkend, aangezien het pas vanaf 15 mei 2000 en niet haar toetreding tot club Italia in maart 1997 was dat Trame volgens de Commissie „kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben” van het feit dat zij door deelname aan club Italia ook deelnam aan een pan-Europees systeem. Dit volgt ook uit een door Trame overgelegde verklaring namens een van de vertegenwoordigers van Tréfileurope binnen club Italia, waarin onder meer is vermeld dat „[Trame] in het kader van club Italia aan een zeer beperkt aantal vergaderingen [heeft] deelgenomen, meestal bij Federacciai [...]. [H]et kwam vaak voor dat [Trame] pas in een latere fase tot de vergadering werd toegelaten. Soms nam zij zelf het initiatief om de vergadering voor afloop ervan te verlaten”.

115 Uit een en ander volgt dat de Commissie, bij gebreke van bewijs dat specifiek op de situatie van Trame betrekking heeft, niet kan volstaan met de opmerking dat het feit dat is aangetoond dat de vijf belangrijkste spelers binnen club Italia, en vervolgens SLM, betrokken waren bij besprekingen tussen club Europa en club Italia over het exportquotum voor de Italiaanse producenten buiten Italië, volstaat voor het bewijs dat Trame, als lid van club Italia, van die besprekingen wist of had moeten weten. Anders dan de Commissie stelt, vormen de leden van club Italia geen homogene categorie, maar zijn dit ondernemingen waartussen grote verschillen bestaan. Zo waren sommige leden van club Italia ook lid van andere clubs, zoals Tréfileurope of Tycsa. Andere leden van club Italia waren ondernemingen die niet alleen in Italië aanwezig waren maar ook in andere lidstaten, zoals Redaelli, CB, Itas, ITC en vervolgens SLM. In de onderhavige zaak was Trame weliswaar lid van club Italia, maar onderscheidde haar deelname zich zowel op feitelijk vlak (geen export, late wetenschap van de pan-Europese dimensie van het kartel) als op het vlak van het bewijs (laag aantal bijeenkomsten waarvoor de aanwezigheid van Trame is vermeld) van die van de vijf belangrijkste spelers binnen club Italia, die vanaf het begin aan die regelingen deelnamen, zowel wat hun nationale als hun buitenlandse aspect betreft.

b) Onderzoek van de gegevens over de bijeenkomsten van mei, juni en oktober 2000

116 Uit het bestreden besluit en het tweede deel van het betoog van de Commissie (zie punt 107 hierboven) blijkt dat zij van oordeel is dat zij vanaf 15 mei 2000 kan aantonen dat Trame aan één enkele inbreuk heeft deelgenomen, aangezien Trame vanaf dat moment „kennis had of redelijkerwijs had kunnen hebben” van het feit dat zij integraal onderdeel van een meer omvattend pan-Europees systeem was. Volgens de Commissie kan deze conclusie worden getrokken uit het bewijs betreffende drie bijeenkomsten die in overweging 651 van het bestreden besluit zijn omschreven: die van 15 mei, 12 juni en 9 oktober 2000.

117 Op basis van het onderzoek van dit bewijs kan het Gerecht echter niet tot dezelfde conclusie komen als de Commissie.

118 De eerste bijeenkomst die de Commissie heeft genoemd voor het bewijs dat Trame vanaf 15 mei 2000 kon weten dat club Italia onderdeel was van een meer omvattend totaalplan, met name omdat daarin was voorzien in afstemming tussen club Italia en club Europa, is de bijeenkomst van club Italia die op die datum heeft plaatsgevonden. In het onderdeel betreffende deze bijeenkomst in bijlage 3 bij het bestreden besluit, heeft de Commissie als aanwezig vermeld: CB, Itas, ITC, Tréfileurope Italia, SLM, Trame en DWK. Daarbij is Tycsa als afwezig vermeld.

119 In dit onderdeel heeft de Commissie de punten die tijdens de bijeenkomst van 15 mei 2000 zijn besproken, als volgt omschreven: — „[b]espreking over grondstoffenprijzen en de marktcrisis. Volgens [een van de vertegenwoordigers van Tréfileurope] verkeren Club Europa (Emesa, Tycsa, Tréfileurope, Nedri, DWK en WDI) en Club Italia beide in een crisis”; — „Emesa verlaat Club Europa” en „Ty(csa) en Emesa hebben grote volumes afgenomen van Fundia”; „[t]evens worden Fapricela en Socitrel vermeld”; — „Tréfileurope bevestigt een bijeenkomst over de Italiaanse markt”.

120 Deze inlichtingen zijn afkomstig van ITC, CB, SLM en Tréfileurope en zijn hetzij tijdens de inspecties hetzij in het kader van een clementieverzoek verkregen. Op basis van handgeschreven aantekeningen van de bijeenkomst van 15 mei 2000, die door ITC zijn overgelegd, kan worden bewezen wat bij de eerste twee streepjes in punt 119 hierboven is vermeld.

121 De tweede bijeenkomst in kwestie is de bijeenkomst van club Italia van 12 juni 2000. In het onderdeel betreffende deze bijeenkomst in bijlage 3 bij het bestreden besluit, heeft de Commissie als aanwezig vermeld: Redaelli, CB, Itas, ITC, Tréfileurope Italia, SLM, Trame, Tycsa en DWK.

122 In dit onderdeel heeft de Commissie de punten die tijdens de bijeenkomst van 12 juni 2000 zijn besproken, als volgt omschreven: — „[b]espreking over de markt. Tycsa verzoekt om te verkopen tegen lagere prijzen (hierbij wordt aangegeven dat Tycsa 4000 ton verkoopt op de Italiaanse markt, wat overeenkomt met een marktaandeel van 4 %). De Portugezen staan onder druk van de Spanjaarden. De namen ‚Emesa-Tycsa, Socitrel-Fapricela’ worden genoemd. Verwijzing naar (waarschijnlijk) club Europa die klaagt over Tycsa (Antwerpen-Düsseldorf klagen over Tycsa)”; — „[t]oewijzing aan leveranciers waarnaar verwezen wordt als ‚leiders’, van bepaalde klanten (vermeld in een lijst) met leveringen”.

123 Deze inlichtingen zijn afkomstig van Tycsa en ITC en zijn hetzij tijdens de inspecties hetzij in het kader van een clementieverzoek verkregen. Op basis van handgeschreven aantekeningen van de bijeenkomst van 12 juni 2000, die door ITC zijn overgelegd, kan worden bewezen wat bij het eerste streepje in punt 122 hierboven is vermeld.

124 De derde bijeenkomst in kwestie is de bijeenkomst van club Italia van 9 oktober 2000. In het onderdeel betreffende deze bijeenkomst in bijlage 3 bij het bestreden besluit, heeft de Commissie als aanwezig vermeld: Redaelli, CB, Itas, ITC, Tréfileurope en Tréfileurope Italië, SLM, Trame, Tycsa, DWK, Nedri en WDI.

125 In dit onderdeel heeft de Commissie de punten die tijdens de bijeenkomst van 9 oktober 2000 zijn besproken, als volgt omschreven: — „[b]espreking over quota op de Europese markt (inclusief VK, Ierland, Portugal, Zwitserland, Oostenrijk, België). In die context: bespreking over wat SLM bereid zou zijn te accepteren [1400 ton op een geschat totaalvolume van (Italiaanse) verkopen in 2001 van 50000 ton]. Er werd gesteld dat SLM bereid zou zijn verder te onderhandelen met Europa over zijn positie”; — „[v]olgens CB was het onderwerp van de bijeenkomst de analyse van de Europese markt en het interpenetratiepercentage. Onderhandelingen met Italiaanse producenten om te komen tot een overeenkomst over verdeling van de markt”; — „Tycsa: marktanalyse en verzoek van sommige producenten om quota per land veilig te stellen, werd niet geaccepteerd”; — „Nedri: Het (niet bereikte) doel was om de Italiaanse producenten op te nemen in een nieuwe quotaverdeling. Op de bijeenkomst verzochten de Italiaanse producenten (CB, ITC, Itas, Redaelli, SLM) WDI, DWK, Nedri, Tycsa en Tréfileurope om een exportquotum van 60000 ton”; — „Deze bijeenkomst was voorbereid door de deelnemers van Club Europa tijdens een bijeenkomst van 26.9.2000 in Brussel [...]”.

126 Deze inlichtingen zijn afkomstig van met name ITC, CB, Tycsa, Nedri, WDI, Tréfileurope, DWK en Redaelli.

127 Het ligt niet voor de hand om uit de handgeschreven aantekeningen van de vergadering van 9 oktober 2000, die door ITC zijn overgelegd, de conclusie te trekken dat de bespreking betrekking had op al hetgeen bij het eerste streepje in punt 125 hierboven vermeld. Uit de relevante aanwijzingen in dit verslag blijkt namelijk het volgende: in de eerste plaats is in de lijst van aanwezige personen en vertegenwoordigde ondernemingen „– NO” naast „SLM” en „RT [Redaelli]” geplaatst en „15 uur” naast de naam van de vertegenwoordiger van Trame (de vergadering was om 10 uur begonnen, zoals ook is aangegeven; bij onderzoek van de naam van deze vertegenwoordiger blijkt overigens dat deze naam over de vermelding „–” heen is geschreven, die eerst naast „Trame” voorkwam); in de tweede plaats blijkt de bespreking over de quota op de Europese markt, die volgens zijn plaats in het verslag aan het begin van de vergadering zou moeten hebben plaatsgevonden, uit slechts vier regels, waarin het volgende is aangegeven „VK+Ierland 40; Noorwegen, Zweden, Denemarken 40; Portugal 25; Zwitserland – Oostenrijk 10” (dit zouden percentages kunnen zijn of penetratiegraden voor de exporten, maar dat is aan de hand van het verslag niet duidelijk op te maken); in de derde plaats zijn er meerdere vermeldingen die betrekking hebben op SLM, waaronder een verwijzing naar „1400 ton”, een „productie 2001” van „50000 ton” en de mogelijkheid voor SLM om verder te onderhandelen over een positie in Europa, zonder dat duidelijk is of deze vermeldingen verband houden met de beweerde quota voor de Europese markt, aangezien zij daarvan en van andere onderwerpen gescheiden zijn door een streep die over de hele breedte van de bladzijde loopt.

128 Uit een en ander volgt dat het document waarop de Commissie zich baseert voor het bewijs van hetgeen bij het eerste streepje in punt 125 hierboven is vermeld, het in werkelijkheid alleen toestaat om hetgeen in de tweede en derde volzin van dat streepje is vermeld te bewijzen. Daaruit kan niet de rechtens genoegzaam bewezen conclusie worden getrokken dat dat deel van de bespreking heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van SLM en Redaelli of op een moment waarop de vertegenwoordiger van Trame aanwezig was, aangezien met grote waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de vergadering om 10 uur is begonnen en de vertegenwoordiger van Trame pas om 15 uur is aangekomen.

129 Daarnaast blijkt uit de andere aanwijzingen die de Commissie heeft overgenomen in de uiteenzetting van de informatie waarover zij beschikt met betrekking tot de bijeenkomst van 9 oktober 2000 dat Nedri bij haar vermelding van de Italiaanse producenten en de exportquota heeft aangegeven dat deze producenten CB, ITC, Itas, Redaelli en SLM waren, zonder Trame te noemen. Indien Trame aanwezig zou zijn geweest op dat moment in de besprekingen, mag worden aangenomen dat Nedri ook die onderneming zou hebben genoemd.

130 Tezamen genomen kunnen op basis van het bewijsmateriaal over de drie hierboven genoemde bijeenkomsten drie dingen worden vastgesteld voor zover het om Trame gaat. In de eerste plaats is tijdens deze bijeenkomsten club Europa vermeld. In mei 2000 was dat expliciet, aangezien Trame zelfs de samenstelling van deze club kon begrijpen, en in juni 2000 was dat op zijn minst impliciet (door de verwijzing naar Antwerpen en Düsseldorf, die kunnen worden opgevat als de zetel van ondernemingen die lid zijn van club Europa). In de twee plaats blijkt tevens dat de verwijzingen naar club Europa in de loop van die bijeenkomsten zijn gedaan met betrekking tot één onderneming, Tycsa (die bovendien aanwezig was op de bijeenkomsten van juni en oktober 2000), die slechts in onbeduidende mate aanwezig was in Italië, of met betrekking tot andere niet-Italiaanse ondernemingen (Socitrel, Fapricela, Emesa). Daaruit kan redelijkerwijs worden opgemaakt dat het spanstaalkartel niet alleen in Italië bestond, of althans dat daarbij niet alleen producenten betrokken waren die hoofdzakelijk belang hadden bij Italië. In de derde plaats kan ook redelijkerwijs worden aangenomen dat de eventuele vraagtekens bij de aard en het optreden van club Europa, die tijdens de bijeenkomsten van mei en juni 2000 terloops is genoemd, in oktober 2000 zijn weggenomen, aangezien is gebleken dat de deelnemers aan die bijeenkomst niet alleen de belangrijkste spelers binnen club Italia of op de Italiaanse markt actieve producenten waren. Er bestaat evenwel nog twijfel over de vraag of Trame aanwezig was tijdens het deel van de bijeenkomst dat betrekking heeft op de voornemens van SLM buiten Italië.

131 Hoe dan ook, gesteld dat de vertegenwoordiger van Trame pas om 15 uur is aangekomen op de bijeenkomst van 9 oktober 2000, dan heeft hij deelgenomen aan een bijeenkomst in aanwezigheid van vertegenwoordigers van DWK, WDI en Nedri, die geen producenten zijn die hoofdzakelijk belang bij Italië hebben.

132 Aan de hand van de hierboven genoemde elementen kan worden geoordeeld dat Trame op zijn minst vanaf de derde bijeenkomst, die van 9 oktober 2000, zoals elke onderneming die aan de drie voornoemde bijeenkomsten heeft deelgenomen, kon begrijpen dat er naast club Italia nog een andere club bestond, club Europa, die dat jaar in mei is vermeld en in juni terloops is genoemd, waarvan de activiteiten niet alleen vergelijkbaar waren met die van club Italia maar ook voorwerp waren van onderlinge afstemming met laatstgenoemde, zoals blijkt uit de aanwezigheid van niet-Italiaanse producenten, zoals DWK, op de bijeenkomsten van club Italia.

133 Anders dan in het bestreden besluit is geoordeeld, is echter niet rechtens genoegzaam aangetoond dat Trame zich vanaf haar deelname aan de eerste van de drie bijeenkomsten van club Italia in kwestie, op 15 mei 2000, in een positie bevond waarin zij wist of kon weten van de pan-Europese dimensie van het kartel. De vermelding van alleen de naam „club Europa” tijdens deze bijeenkomst is niet voldoende om wetenschap van de regelingen van de leden van die club te veronderstellen. Een dergelijke uitlegging is des te geloofwaardiger gelet op het feit dat de vermelding van die club vergezeld gaat van de kwalificatie „in crisis” en op de vermelding dat „Emesa [...] club Europa [verlaat]” of het feit dat „Tycsa en Emesa [...] grote hoeveelheden van Fundia [hebben] afgenomen”. Op basis van deze aanwijzingen kan worden aangenomen dat club Europa, ongeacht wat deze club vertegenwoordigde, vaart aan het verliezen was.

134 Wat de tweede bijeenkomst betreft, die van 12 juni 2000, heeft de vermelding van Tycsa (die om lagere prijzen vroeg) betrekking op de Italiaanse markt, waar zij met 4000 ton afzet een marktaandeel van 4 % innam. Deze onderneming kon dus als lid van club Italia worden gepercipieerd, overigens een storend lid, en niet als lid van club Europa. De overige aanwijzingen die deze bijeenkomst oplevert, blijken steun te kunnen bieden aan de gedachte dat indien er een club Europa zou zijn (die tijdens de eerste bijeenkomst is vermeld), die dan uit leden bestond die agressief concurrentiegedrag vertoonden, zoals de Spaanse ondernemingen (Emesa en Tycsa) die de Portugese ondernemingen (Socitrel en Fapricela) onder druk zetten.

135 In dit stadium kan dus niet rechtens genoegzaam de conclusie worden getrokken dat Trame vanaf 15 mei 2000 wist of niet onkundig kon zijn van de pan-Europese dimensie van de inbreuk. Een dergelijke conclusie kan pas vanaf 9 oktober 2000 worden getrokken.

136 Incidenteel moet erop worden gewezen, zoals Trame in haar betoog heeft gedaan (zie punt 105 hierboven), dat zelfs indien kan worden aangenomen dat Trame vanaf 9 oktober 2000 wist of had moeten weten van de pan-Europese dimensie van de inbreuk, die redenering de Commissie niet tot het oordeel had kunnen brengen dat Trame als zodanig aan club Europa had deelgenomen wanneer het op de vaststelling van het bedrag van de geldboete aankomt. In de onderhavige zaak is de situatie van Trame ook in die zin bijzonder dat voor de hele duur van de inbreukperiode die haar verweten wordt, niet wordt betwist dat zij alleen aan club Italia heeft deelgenomen. Meer bepaald heeft Trame gedurende die hele periode alleen deelgenomen aan het nationale deel van club Italia, aangezien zij niet over de noodzakelijke vergunningen beschikte om spanstaal buiten dat land te verkopen. De Commissie erkent in het bestreden besluit overigens dat Trame tijdens deze periode geen verkopen buiten Italië heeft gerealiseerd, hetgeen juist is voor continentaal Europa, waarop het kartel betrekking heeft, aangezien Trame enkele verkopen in het Verenigd Koninkrijk heeft behaald, waarop de enkele inbreuk geen betrekking heeft. Deze situatie verschilt dus van die van de belangrijkste spelers binnen club Italia (zoals Redaelli) die zowel in Italië als in andere lidstaten actief was of die van de permanente leden van club Europa (zoals Tréfileurope) die in de rest van Europa maar ook in Italië actief waren.

c) Situatie van Trame in vergelijking met die van bepaalde andere spelers binnen club España

137 De nadruk dient te worden gelegd op het laatste deel van het betoog van partijen (zie punten 106 en 107 hierboven), dat wil zeggen de vraag of de situatie van Trame vergelijkbaar is met die van Socitrel, Proderac en Fapricela, hetgeen de Commissie ertoe had moeten brengen om haar vergelijkbaar te behandelen.

138 Deze situaties zijn inderdaad, mutatis mutandis, nauw verwant. Zoals Trame, waarvan de situatie zich binnen club Italia onderscheidt van die van de vijf belangrijkste spelers binnen die club, Redaelli, CB, Itas, ITC en Tréfileurope, onderscheidt zich de situatie van Socitrel, Proderac en Fapricela, drie spelers binnen club España, van die van de andere spelers binnen die club, waaronder Emesa en Tycsa, die ook aan club Europa en zelfs, wat Tycsa betreft, aan club Italia deelnamen.

139 Uit het bestreden besluit volgt dat de Commissie aan Socitrel, Proderac en Fapricela sancties heeft opgelegd, niet algemeen wegens hun deelname aan één enkele inbreuk tijdens de gehele duur van de hen verweten inbreukperiode, maar rekening houdend met hun deelname aan slechts één bestanddeel van die inbreuk, namelijk club España, met name omdat zij pas laat wisten van de pan-Europese dimensie van het kartel (vanaf mei 2001) (bestreden besluit, overweging 949, voor het onderscheid dat de Commissie op dat punt heeft gemaakt bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete zoals gedefinieerd in de richtsnoeren 2006). Dit is niet het geval voor Trame, die een sanctie heeft gekregen voor haar deelname aan één enkele inbreuk van maart 1997 tot september 2002.

140 Ter rechtvaardiging van het feit dat zij Trame niet op vergelijkbare wijze heeft behandeld als Socitrel, Proderac en Fapricela, voert de Commissie twee factoren aan: het feit dat uit het bestreden besluit blijkt dat Socitrel, Proderac en Fapricela vanaf 15 mei 2001 wisten van een meer omvattend systeem (bestreden besluit, overwegingen 658, 660 en 661), dus een jaar na Trame, die daar vanaf 15 mei 2000 van wist, en het feit dat, anders dan bij Socitrel, Proderac en Fapricela, de „geografische reikwijdte van Club Italia grotendeels die van de pan-Europese regelingen overlapt en dus veel groter is dan de geografische reikwijdte van Club España (Spanje en Portugal)” (bestreden besluit, overweging 949).

141 Vastgesteld moet evenwel worden dat dit, ondanks de door de Commissie genoemde verschillen, niet wegneemt dat dezelfde omstandigheden als die welke de Commissie voor Socitrel, Proderac en Fapricela heeft aangevoerd – namelijk de late wetenschap van de pan-Europese dimensie van de inbreuk (in oktober 2000 en niet in mei 2000) en de geografische reikwijdte van club Italia, die slechts nationaal kon zijn voor Trame omdat die bij gebreke van de juiste vergunningen niet naar buiten Italië heeft geëxporteerd – in iets afgezwakte vorm ook van toepassing zijn op Trame. Ook moet erop worden gewezen dat uit het bestreden besluit volgt dat club España weliswaar hoofdzakelijk betrekking had op Spanje en Portugal, maar dat daarin ook sprake is van exporten van de Iberische producenten (zie het onderdeel betreffende de bijeenkomst van 6 juli 2001 in bijlage 4 bij het bestreden besluit).

d) Conclusie

142 Bij wijze van conclusie blijkt uit een en ander dan de beoordeling van de Commissie ten aanzien van de deelname van Trame aan één enkele inbreuk, op drie punten kan worden bekritiseerd.

143 In de eerste plaats heeft de Commissie de deelname aan één enkele inbreuk op onjuiste wijze aan Trame toegerekend, namelijk een „voortdurende overeenkomst en/of een onderling afgestemde feitelijke gedraging in de spanstaalsector in de interne markt en, vanaf 1 januari 1994, in de EER” van 4 maart 1997 tot 19 september 2002, terwijl uit het bestreden besluit volgt dat Trame pas vanaf 15 mei 2000 wist van de pan-Europese dimensie van het kartel.

144 In de twee plaats is de Commissie tot het onjuiste oordeel gekomen dat Trame vanaf 15 mei 2000 wist of had moeten weten van de pan-Europese dimensie van het kartel, aangezien niet rechtens genoegzaam is bewezen dat Trame op die datum kon weten wat de aard en de doelstellingen van club Europa waren. Op basis van het bewijs dat in dat verband wordt aangevoerd, kan worden vastgesteld dat pas vanaf 9 oktober 2000 van een dergelijke situatie sprake is, zijnde de datum waarop Trame heeft deelgenomen aan een bijeenkomst van de leden van club Italia en ondernemingen die geen lid van die club waren maar alleen van club Europa, waarmee alle twijfels zijn weggenomen over de betekenis die moest worden gegeven aan het begrip „club Europa” dat eerder in het kader van de bijeenkomsten van club Italia is vermeld of terloops is genoemd.

145 Vanaf die datum mocht de Commissie oordelen dat vaststond dat Trame met haar gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers van het kartel, ook al exporteerde zij niet, en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of in praktijk brachten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden in de zin van de rechtspraak.

146 In de derde plaats heeft de Commissie, op het punt van de beoordeling van de aard en de omvang van de deelname van Trame aan de enkele inbreuk, onvoldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de situatie van Trame en die van de vijf belangrijkste spelers binnen club Italia, net zoals met de gelijkenissen die, mutatis mutandis, bestonden tussen de situatie van Trame en die van drie minder belangrijke spelers binnen club España.

147 Om die reden is nu reeds aanleiding om artikel 1, punt 17, van het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat Trame aan het pan-Europese deel van de inbreuk heeft deelgenomen van 4 maart 1997 tot 9 oktober 2000. De overige gevolgen van hetgeen hierboven is vermeld, zullen globaal worden beoordeeld na het onderzoek van de argumenten van partijen.

148 Reeds nu moet er evenwel op worden gewezen dat de uitwerking van die gevolgen op het bedrag van de geldboete dat de Commissie heeft vastgesteld, niet erg groot kan zijn, aangezien haar berekening is gebaseerd op de totale verkopen van spanstaal die Trame in alleen Italië heeft gerealiseerd. In dat verband kan niet worden geoordeeld dat de deelname van Trame aan alleen het nationale deel van club Italia niet als zodanig van een zekere ernst is, ook al is die deelname volgens de hierboven in punt 103 aangehaalde rechtspraak intrinsiek minder ernstig dat die van een onderneming die niet alleen aan het nationale deel van club Italia heeft deelgenomen, maar ook aan het buitenlandse aspect, of aan andere clubs, zoals club Europa en club España.

C – Driedraads streng

1. Argumenten van partijen

149 Trame geeft te kennen dat de Commissie een fout heeft begaan door bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met haar verkopen van driedraads streng („treccia”). Deze fout is aanzienlijk aangezien de waarde van de verkopen van driedraads streng in 2001 meer dan 50 % van de totale waarde van haar verkopen van spanstaalstrengen vertegenwoordigde. De waarde van de verkopen van zevendraads streng („trefolo”) van Trame is dus slechts 4,05 miljoen EUR op totaalbedrag van de verkopen inclusief driedraads streng van 8,2 miljoen EUR.

150 In het algemeen stelt Trame dat driedraads streng nooit voorwerp van club Italia is geweest. Dit product wordt hier en daar vermeld in het bewijsmateriaal, maar zonder dat vaststaat dat de leden van club Italia daar inderdaad over hebben afgestemd. Om tot de tegenovergestelde bewering te komen, baseert de Commissie haar bewijsvoering op een tabel met als opschrift „overeenkomst 1996”, die van december 1995 dateert en geen betrekking heeft op Trame. De stelling dat de quota in deze tabel tot in 2002 van toepassing zijn gebleven, wordt niet bevestigd door andere gegevens in het dossier van de administratieve procedure. In werkelijkheid is de enige poging om driedraads streng in het kartel op te nemen, zonder resultaat ondernomen tijdens de bijeenkomsten van 28 februari en 6 maart 2000. Bij haar verwijzing naar de bijeenkomst van 28 februari 2000, geeft de Commissie dan ook aan dat is gesproken over de „beoordeling van de mogelijkheid om driedraads streng in de handelsovereenkomst voor de Italiaanse markt op te nemen”.

151 Na de bijeenkomst van 28 februari 2000 is er geen bewijs dat club Italia ook daadwerkelijk driedraads streng heeft opgenomen. De Commissie noemt in deze zaak een document betreffende de bijeenkomst van 6 maart 2000, met daarin een „zeer gedetailleerde lijst met namen van ruim 80 (Italiaanse) klanten waarvoor de levering van driedraads streng wordt verdeeld onder Redaelli, CB, Itas, ITC, Tréfileurope, SLM en Trame”. Dit betreft niet een verdeling van quota of klanten voor de toekomst, maar – zoals ITC, die dit document heeft aangeleverd, heeft verduidelijkt –, „een onderzoek van de leveringen die in 1999 door de producenten zijn verricht”. Een vertegenwoordiger van ITC, die aan de clementieverklaringen van ITC heeft meegewerkt, bevestigt dit in een door Trame overgelegde verklaring. Hij geeft ook aan dat „de besprekingen binnen club Italia in de referentieperiode toegespitst waren op zevendraads streng”. De betrokken informatie is verstrekt in het kader van de vruchteloze poging, in februari 2000, om driedraads streng in het kartel op te nemen. Zelfs gesteld (quod non) dat de openbaarmaking van dergelijke informatie de mededingingsregels schendt, betref het een minder ernstige inbreuk dan een overeenkomst om de marktaandelen te verdelen. Daarmee had bij de berekening van de geldboete rekening moeten worden gehouden. Bovendien blijkt uit een latere tabel die in document 15905 van het dossier van de administratieve procedure voorkomt, die de Commissie kwalificeert als „plan voor de quotatoewijzing van 2001 en vooruitzichten voor 2002”, dat de volumes die zijn aangegeven uitsluitend betrekking hebben op zevendraads streng, hetgeen nog maar eens aantoont dat driedraads streng geen voorwerp van een kartel was.

152 Tot slot beroept Trame zich op een verklaring van een vertegenwoordiger van Tréfileurope, die bevestigt dat driedraads streng buiten het kartel is gebleven. Daarin is aangegeven dat „in het kader van club Italia, nooit een overeenkomst tussen de concurrenten, of althans door Trame, is gesloten voor driedraads streng”, dat „de productie, afzet en export van dit product geen gespreksonderwerp was tijdens de bijeenkomsten die hebben plaatsgevonden tussen de Italiaanse fabrikanten van spanstaal, omdat die bedrijven niet geïnteresseerd waren in dit product” en dat „het namelijk een onbeduidend product is dat vooral voor de Italiaanse markt is bestemd”. Het feit dat in het kader van club Italia sporadisch ook is verwezen naar driedraads streng, bijvoorbeeld bij de afgebroken poging om die in het kartel op te nemen, doet niet af aan de waarheidsgetrouwheid van die verklaringen. Trame verduidelijkt ook dat de vraag naar driedraads streng in Italië 20 000/22 000 ton per jaar bedroeg tussen 1997 en 2002 en sinds die periode is afgenomen, terwijl de vraag naar zevendraads streng in de loop van diezelfde periode 100 000/120 000 ton per jaar bedroeg.

153 De Commissie stelt dat driedraads streng ruim vóór 28 februari 2000 voorwerp van het kartel was, daaronder begrepen bij club Italia (bestreden besluit, overwegingen 409‑411). Trame kan dus niet beweren dat dit product geen deel was van de regelingen die binnen deze club overeen zijn gekomen. Wat de bijeenkomst van 28 februari 2000 betreft, blijkt uit de handgeschreven aantekeningen van deze bijeenkomsten van ITC dat de bespreking aan de hand van nauwkeurige cijfers over de hoeveelheden en de prijs van driedraads streng is verlopen. De ondernemingen zouden moeilijk over dergelijke informatie kunnen praten indien zij die daarvoor niet kenden. In elk geval tonen deze aantekeningen een uitwisseling van commerciële gegevens aan. Ook het bewijs ten aanzien van de bijeenkomst van 6 maart 2000 is volkomen duidelijk. In antwoord op de stelling van Trame dat de handgeschreven aantekeningen van deze bijeenkomst verwijzen naar het onderzoek van de leveringen van de producenten in 1999, wat door ITC zou zijn bevestigd, merkt de Commissie op dat de opsteller daarvan op de eerste pagina heeft aangegeven dat de cijfers verwijzen naar „quota” voor „driedraads streng”. In de verklaring van CB van 26 november 2002 is ook aangegeven dat de bijeenkomsten van 13 maart 2000, 10 april 2001 en 16 september 2002 als specifiek voorwerp de verdeling van de klanten voor spanstaalstreng met drie en zeven draden hadden. Voorts is de verklaring van een vertegenwoordiger van Tréfileurope weinig geloofwaardig wanneer die wordt vergeleken met de stelling van Trame dat tijdens de bijeenkomsten van 28 februari en 6 maart 2000 een poging is gedaan om driedraads streng op te nemen. Ook wat de verklaring van een vertegenwoordiger van ITC betreft, wijst niets in de tabel van 6 maart 2000 erop dat het om „historische gegevens over de leveringen van driedraads streng” ging. Dergelijke verklaringen kunnen niet afdoen aan de waarde van het beschikbare bewijs.

2. Beoordeling door het Gerecht

154 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat aan Trame een sanctie is opgelegd voor haar deelname aan een kartel in de sector van het spanstaal. In het bestreden besluit verduidelijkt de Commissie in dat verband dat de uitdrukking spanstaal duidt op metaaldraden en ‑strengen. De Commissie gebruikt ook de uitdrukking „draden/strengen” om naar spanstaal te verwijzen, wat erop duidt dat deze beide uitdrukkingen synoniemen zijn. In elk geval is in het besluit aangegeven dat „spanstaalstreng bestaat uit 3 of 7 draden” (bestreden besluit, overwegingen 2 en 3).

155 Bijgevolg blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie inderdaad heeft geoordeeld dat het kartel zowel driedraads als zevendraads strengen omvatte. Niettemin zijn er verschillen tussen beide soorten producten, zowel op het niveau van de productkenmerken als op het niveau van vraag en aanbod.

156 Zo volgt uit de antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang dat driedraads streng en zevendraads streng niet onderling uitwisselbaar zijn, ook al hebben zij dezelfde grondstof, walsdraad. Daar waar de eerste in structuren met een gering draagvermogen kunnen worden gebruikt, zoals palen die in wijngaarden worden gebruikt, worden de tweede gebruikt in structuren die grote voorgefabriceerde elementen moeten dragen.

157 In die context stelt Trame dat de Commissie zich vergist heeft toen zij driedraads streng in het kartel heeft meegenomen. Volgens Trame had de haar verweten inbreuk alleen betrekking op zevendraads streng. Dit had tot gevolg moeten hebben dat de Commissie bij de berekening van de geldboete alleen rekening hield met haar verkopen van zevendraads streng, die in 2001 ongeveer de helft van haar verkopen van spanstaalstreng met drie en zeven draden vertegenwoordigden.

a) Bewijs inzake de eerste jaren van club Italia

158 Trame betoogt in de eerste plaats dat driedraads streng nooit voorwerp van club Italia is geweest. Vastgesteld moet echter worden dat dit betoog haaks staat op het bestreden besluit en het daarin vermelde bewijs ten aanzien van de eerste jaren van club Italia.

159 Volgens het bestreden besluit was club Italia een nationale regeling die heeft geduurd van 5 december 1995 tot 19 september 2002. Deze overeenkomst had betrekking op de vaststelling van quota voor Italië en de export van dit land naar de rest van Europa. De leden ervan waren Redaelli, CB, Itas en ITC, waarbij zich vervolgens Tréfileurope (op 3 april 1995), SLM (op 10 februari 1997), Trame (op 4 maart 1997), Tycsa (op 17 december 1996), DWK (op 24 februari 1997) en Austria Draht (op 15 april 1997) hebben gevoegd.

160 Zoals de Commissie in dat verband terecht heeft betoogd, volgt uit het bestreden besluit dat Redaelli, CB, Itas en ITC op 5 december 1995 een overeenkomst hebben gesloten over de toewijzing van quota voor draad, driedraads streng en zevendraads streng op de Italiaanse markt en binnen de interne markt (bestreden besluit, overweging 409). Deze overeenkomst is onder meer weergegeven in de tabel in overweging 409 van het bestreden besluit, met daarin een totaal van 85000 ton (waaronder 9000 ton draad, 13000 ton driedraads strengen en 63000 ton zevendraads strengen) voor de Italiaanse markt en een totaal van 45000 ton (waaronder 16300 ton draad, 3900 ton driedraads strengen en 24800 ton zevendraads strengen) voor de interne markt.

161 Zoals de Commissie er ook op heeft gewezen in haar antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang, blijkt duidelijk uit de hierboven genoemde overeenkomst dat Redaelli, CB, Itas en ITC gezamenlijk hebben beslist om de hoeveelheden voor walsdraad, driedraads streng en zevendraads streng in Italië en de rest van de Unie te verdelen en dat deze overeenkomst ook daadwerkelijk tot stand is gekomen aangezien zij door de betrokken partijen is geparafeerd.

162 Tijdens de bijeenkomst van 18 december 1995 hebben Redaelli, ITC, Itas en CB hun exportquota voor spanstaal (draad, driedraads en zevendraads) naar de rest van Europa bevestigd (bestreden besluit, overweging 410 en bijlage 3).

163 Bijgevolg stelt Trame ten onrechte dat club Italia, waarvan zij nog deel uitmaakte, alleen betrekking had op zevendraads streng, aangezien Redaelli, CB, Itas en ITC waren overeengekomen om tussen hen 100 % van de hoeveelheden genoemd in de tabel in overweging 409 van het bestreden besluit te verdelen.

164 Bovendien betoogt de Commissie dat deze overeenkomst tot in 2002 is uitgevoerd. Om dit aan te tonen geeft de Commissie in met name overweging 411 van het bestreden besluit aan dat „Redaelli, CB, Itas en ITC (en later ook Tréfileurope Italia, Trame, SLM en de pan-Europese producenten Tréfileurope, Tycsa, Austria Draht en DWK) de overeenkomst tot 2002 [bleven] uitvoeren” en dat „bijvoorbeeld de in de Italiaanse overeenkomst afgesproken 85000 en 45000 ton [...] opnieuw [worden] genoemd in een tabel gedateerd 3 februari 1997 over de zuidelijke overeenkomst”.

165 Op dit punt heeft de Commissie slechts één bewijsstuk genoemd, dat alleen geldt voor Redaelli, CB, Itas en ITC, die aan de overeenkomst van 5 december 1995 hebben deelgenomen. Het is dus logisch dat deze vier leden van club Italia in het kader van de besprekingen over de zuidelijke overeenkomst (zie punt 62 hierboven) naar hun overeenkomst verwijzen. Uit niets kan evenwel worden afgeleid dat Trame zich bij deze overeenkomst heeft aangesloten, die overigens niet in de beschouwing is betrokken bij de verdeling van de 85000 en 45000 ton die door de Commissie zijn genoemd en die geen deel van de zuidelijke overeenkomst uitmaakte.

166 Hoewel het door de Commissie genoemde bewijs relevant is voor zover het Redaelli, CB, Itas en ITC betreft, die de overeenkomst van december 1995 hebben geparafeerd, heeft het nauwelijks bewijswaarde als het erom gaat om aan te tonen dat Trame vanaf haar toetreding tot club Italia in maart 1997 wist of niet onkundig kon zijn van het feit dat het kartel zowel zevendraads streng als driedraads streng omvatte, of ook walsdraad. In haar betoog ten aanzien van dit punt verwijst de Commissie naar geen enkel bewijs op basis waarvan de betrokkenheid van Trame voor de periode 3 februari 1997, de datum van een tabel waarin naar de in 1995 vastgestelde quota wordt verwezen zonder dat Trame bij die bespreking aanwezig was, tot 28 februari 2000, de datum die door Trame is aangevoerd als de eerste datum waarop over driedraads streng is gesproken.

167 Toen zij daar in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang naar is gevraagd, was de Commissie niet in staat om op dit punt naar relevant bewijsmateriaal te verwijzen, aangezien het bewijs dat zij heeft aangevoerd betrekking had op twee bijeenkomsten van club Italia, die van 30 september 1997 en 7 oktober 1997, waarvan niet is vermeld dat Trame daarop aanwezig was (zie de onderdelen over deze bijeenkomsten in bijlage 3 bij het bestreden besluit).

168 In dit stadium kan de Commissie dus niet concreet en daadwerkelijk voldoen aan de op haar rustende bewijslast (zie punt 88 hierboven) ten aanzien van de vraag of Trame in de periode van maart 1997 tot februari 2000 wist of had moeten weten dat het kartel betrekking had op driedraads streng.

b) Onderzoek van het materiaal betreffende de bijeenkomst van 28 februari 2000

169 In de tweede plaats blijkt uit het onderdeel over de bijeenkomst van 28 februari 2000 in bijlage 3 bij het bestreden besluit dat tijdens de bijeenkomst, die door niet alleen Redaelli, CB, Itas en ITC, maar ook Tréfileurope, SLM en Trame is bijgewoond, de volgende punten aan de orde zijn gekomen: — „[b]esprekingen in antwoord op een voorstel van [een vertegenwoordiger van Trame] over de omvang van de markt voor driedraads streng (25000 ton, in plaats van de 35000 die is berekend op basis van de door de producenten opgegeven verkoopcijfers)”; — „[b]eoordeling van de mogelijkheid om driedraads streng in de handelsovereenkomst voor de Italiaanse markt op te nemen”; — „[g]edetailleerde bespreking over en vaststelling van de prijs (inclusief toeslag) door Redaelli, CB, Itas, ITC, SLM en Trame”.

170 Deze uiteenzetting is in het voordeel van de stelling van Trame, aangezien uit het aan de Commissie ter beschikking staande bewijsmateriaal, namelijk hoofdzakelijk de handgeschreven aantekeningen van ITC over deze bijeenkomst, blijkt dat na een voorstel van Trame een bespreking over driedraads streng is gehouden. Het kan redelijkerwijs worden aangenomen dat indien Trame er reeds van op de hoogte was dat club Italia ook betrekking had op dit product, zij dan niet het nut van een bespreking daarover zou hebben ingezien, waaruit overigens blijkt dat de perceptie van de ene en de andere deelnemers aanzienlijk verschilde.

171 Bovendien wijst de Commissie in bijlage 1 bij het verweerschrift op de verklaring van CB van 26 december 2002, waaruit blijkt dat de bijeenkomst van 28 februari 2000 betrekking had op de beoordeling van de mogelijkheid om driedraads streng op te nemen in de handelsovereenkomst voor de Italiaanse markt (Valutazioni per l’inserimento del prodotto cd. ‚trescia’ nell’accordo commerciale per il mercato italiano). Dit bewijs, dat in het tweede streepje van punt 169 hierboven is overgenomen, is ook in het voordeel van de stelling van Trame dat niet is aangetoond dat zij wist of had moeten weten dat binnen club Italia besprekingen over driedraads streng zijn gehouden voordat zij daar in maart 1997 toe is bijgetreden.

172 Niettemin is de Commissie van oordeel dat uit de handgeschreven aantekeningen van ITC (bijlage B.2 bij het verweerschrift) blijkt dat driedraads streng reeds voorwerp van die overeenkomst was, aangezien de bespreking is gehouden aan de hand van nauwkeurige cijfers over zowel de hoeveelheid als de prijs van dit product, waarover deze ondernemingen moeilijk hadden kunnen spreken indien zij daar voorheen niet van wisten.

173 Volgens het Gerecht kan de uitlegging van de handgeschreven aantekeningen van ITC niet de twijfel wegnemen die er in de ogen van de rechter bestaat. Het blijkt namelijk dat de hoeveelheden en prijzen in kwestie zijn uiteengezet in de loop van de besprekingen naar aanleiding van het voorstel van Trame om te bekijken of driedraads streng in club Italia kon worden opgenomen, op zijn minst voor de andere producenten dan degene die de overeenkomst van december 1995 hebben ondertekend. De verschillende producenten die op deze bijeenkomst aanwezig waren, konden deze gegevens, met name de gehanteerde prijzen, verschaffen. Bovendien blijkt dat de hoeveelheden in kwestie hoeveelheden bij benadering zijn, en niet echt nauwkeurige hoeveelheden. Zij zijn in duizenden eenheden vermeld.

174 Voor het overige moet erop worden gewezen dat voor de stelling van Trame bevestiging kan worden gevonden in twee verklaringen die op dit punt ter ondersteuning van haar betoog en in reactie op het betoog van de Commissie zijn afgelegd, namelijk die van een vertegenwoordiger van Tréfileurope (bijlage 10 bij het verzoekschrift) en die van een vertegenwoordiger van ITC (bijlage Z.1 bij de repliek), zijnde personen waarvan is vermeld dat die op de bijeenkomst van 28 februari 2000 aanwezig waren (zie het onderdeel betreffende deze bijeenkomst in bijlage 3 bij het bestreden besluit en punt 152 hierboven).

175 Bij wijze van conclusie volgt uit een en ander dat de Commissie niet in staat is om rechtens genoegzaam te bewijzen dat Trame vóór de bijeenkomst van 28 februari 2000 wist of niet onkundig kon zijn van het feit dat club Italia betrekking had op zowel zevendraads streng als driedraads streng. Op deze bijeenkomst heeft Trame de aanzet tot de bespreking van dit onderwerp gegeven, zoals is vermeld door de andere partijen die op deze bijeenkomst aanwezig waren, hetgeen van betekenis is voor haar eerdere onkunde.

c) Onderzoek van het materiaal betreffende de bijeenkomst van 6 maart 2000

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in