Art. 8.2.13 Wetboek van Strafvordering
1. Ter uitvoering van een daartoe strekkend verzoek om rechtshulp kunnen door de officier van justitie, de hulpofficier van justitie, de opsporingsambtenaar en de rechter-commissaris de bevoegdheden worden uitgeoefend die zij kunnen uitoefenen in een Nederlands onderzoek naar dezelfde strafbare feiten.
2. De bevoegdheidsuitoefening blijft binnen de grenzen die daaraan in een Nederlands onderzoek zijn gesteld en vindt, onverminderd het bepaalde in artikel 8.2.12, tweede lid, plaats met inachtneming van de bepalingen die op een vergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekking hebben. Indien echter het verzoek op een verdrag is gebaseerd, worden, tenzij uit het verdrag het tegendeel blijkt en onverminderd de overeenkomstige toepassing van Boek 2, Titel 7.5, bepalingen die verband houden met het onderzoeksbelang en de daaraan gerelateerde eisen van proportionaliteit buiten beschouwing gelaten.
3. Indien meerdere bevoegdheden zich lenen voor uitvoering van het verzoek om rechtshulp, wordt gekozen voor toepassing van de voor betrokkenen minst ingrijpende bevoegdheid, tenzij uit het verzoek om rechtshulp of uit overleg met de autoriteiten van de verzoekende staat blijkt dat toepassing van een andere bevoegdheid is aangewezen.
4. Bevoegdheden die in een Nederlands onderzoek slechts kunnen worden uitgeoefend door of na machtiging van de rechter-commissaris, kunnen alleen worden uitgeoefend ter uitvoering van een verzoek dat afkomstig is van rechterlijke autoriteiten van een andere staat.
5. Indien het optreden van de rechter-commissaris voor uitvoering van het verzoek noodzakelijk of gewenst is, dient de officier van justitie een daartoe strekkende vordering in bij de rechter-commissaris. De officier van justitie omschrijft in de vordering het gewenste onderzoek. De vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.
6. De rechter-commissaris stelt de door hem ter uitvoering van het verzoek om rechtshulp verkregen voorwerpen en gegevens direct ter beschikking aan de officier van justitie.