Art. 8.2.17 Wetboek van Strafvordering
1. Een kennisgeving, op basis van een verdrag, van de bevoegde autoriteiten van een andere staat over het voornemen tot vastleggen of het vastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13 van een gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt, wordt direct doorgezonden aan de officier van justitie.
2. De officier van justitie vordert direct dat de rechter-commissaris, binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, hem machtigt tot het verlenen van instemming met het voornemen tot vastleggen of het vastleggen van communicatie als bedoeld in het eerste lid door de bevoegde buitenlandse autoriteiten.
3. De rechter-commissaris beslist op de vordering met inachtneming van het toepasselijke verdrag en met overeenkomstige toepassing van artikel 8.2.13, eerste en tweede lid, eerste zin.
4. Indien de machtiging wordt verleend, stelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, in kennis van de instemming met het voornemen tot vastleggen of het vastleggen van communicatie van een gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt. Hij verbindt daaraan de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld, alsmede de voorwaarden dat de gegevens verkregen door het vastleggen van de communicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Nederlands grondgebied:
a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan een persoon die zich op grond van de artikelen 1.6.7 en 1.6.8 kan verschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd; en
b. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijn verkregen.
5. Indien de machtiging wordt verleend, is artikel 2.8.2 van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de machtiging niet wordt verleend, stelt de officier van justitie de autoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, in kennis dat niet wordt ingestemd met het voornemen tot vastleggen of het vastleggen van communicatie en eist hij, voor zover nodig, dat het vastleggen direct wordt stopgezet.
7. In een kennisgeving als bedoeld in het zesde lid die betrekking heeft op het vastleggen dat al een aanvang heeft genomen, wordt ook opgenomen dat de gegevens, verkregen door het vastleggen van communicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Nederlands grondgebied, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd, tenzij, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, naar aanleiding van een daartoe strekkend nieuw verzoek in bijzondere gevallen en onder nadere voorwaarden enig gebruik wordt toegestaan door Onze Minister.