Art. 8.2.10 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Voor zover het verzoek om rechtshulp is gegrond op een verdrag wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

2. In gevallen waarin een verzoek niet op een verdrag is gegrond en in gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, kan een verzoek om rechtshulp van een bevoegde autoriteit van een andere staat worden ingewilligd, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijk voorschrift of dient te worden geweigerd op grond van het algemeen belang.

3. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin na overleg met de autoriteiten van de verzoekende staat moet worden vastgesteld dat inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een strafvervolging of berechting die zou leiden tot schending van het beginsel ne bis in idem.

4. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven indien het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan tegen de verdachte in Nederland een opsporingsonderzoek is ingesteld en ook uit overleg met de autoriteiten van de verzoekende staat is gebleken dat inwilliging van het verzoek niet verenigbaar zou zijn met de Nederlandse belangen bij de strafvervolging dan wel zou leiden tot schending van het beginsel ne bis in idem.

5. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven indien een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

6. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin een gegrond vermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek gericht op een strafvervolging, het straffen of het op andere wijze treffen van de verdachte in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke dan wel staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort. In afwijking van artikel 8.2.9 beslist Onze Minister ter zake.

7. Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten wordt in afwijking van artikel 8.2.9 niet voldaan dan na toestemming van Onze Minister. Die toestemming kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

8. Het zevende lid is niet van toepassing indien het verzoek is gebaseerd op een verdrag waarin ten aanzien van bepaalde strafbare feiten is bepaald dat deze in het kader van strafrechtelijke samenwerking niet worden aangemerkt als strafbare feiten van politieke aard of daarmee verband houdende feiten.

9. Aan verzoeken die zijn gedaan ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot retributies, belastingen, douane, deviezen, of daarmee verband houdende feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor ’s Rijksbelastingdienst, dan wel aan verzoeken die betrekking hebben op gegevens die onder ’s Rijksbelastingdienst berusten of aan ambtenaren van deze dienst in de uitoefening van hun bediening bekend zijn geworden, wordt in afwijking van artikel 8.2.9 niet voldaan dan na toestemming van Onze Minister. Die toestemming kan alleen worden gegeven na overleg met Onze Minister van Financiën.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen