Art. 8.2.25 Wetboek van Strafvordering
1. Indien door Nederland uitvoering wordt gegeven aan een door een andere staat gedaan verzoek om rechtshulp, staan voor de officier van justitie en de betrokkene de met de uitoefening van bevoegdheden direct verband houdende rechtsmiddelen eveneens open, met overeenkomstige toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen, tenzij de wet anders bepaalt.
2. De rechter doet geen onderzoek naar de gronden voor het doen van het verzoek om rechtshulp en oordeelt met inachtneming van artikel 8.2.13, tweede lid.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bevoegdheid tot inbeslagneming, bedoeld in artikel 8.2.22, tweede lid.