Art. 7.2.2 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie kan de aanhouding bevelen van de veroordeelde indien:
a. het ernstige vermoeden bestaat dat een voorwaarde of maatregel als bedoeld in artikel 7.2.1 niet wordt nageleefd of, in geval van een terbeschikkinggestelde, het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist; en
b. aannemelijk is dat vrijheidsbeneming zal worden bevolen op grond van deze titel, de artikelen 7.3.11 en 7.3.12 of artikel 17 van de Gratiewet.
2. Indien het bevel van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan de hulpofficier van justitie de aanhouding bevelen. De hulpofficier van justitie deelt de aanhouding direct mee aan de officier van justitie.
3. Na de aanhouding dient de officier van justitie direct een vordering in op grond van artikel 7.2.3, eerste lid, of wordt toepassing gegeven aan de artikelen 7.3.11 en 7.3.12, dan wel artikel 17 van de Gratiewet.
4. Onze Minister wordt direct in kennis gesteld van de aanhouding. Indien het een terbeschikkinggestelde betreft aan wie proefverlof is verleend, beslist Onze Minister zo spoedig mogelijk over de vrijlating of de beëindiging van het proefverlof. Het derde lid blijft in dat geval buiten toepassing.
5. In afwachting van de beslissing, bedoeld in het derde of vierde lid, vindt de vrijheidsbeneming van de aangehouden persoon plaats in een politiecel of in een cel van de Koninklijke marechaussee. De officier van justitie kan bevelen dat de vrijheidsbeneming plaatsvindt in een huis van bewaring.