Art. 7.1.21 Wetboek van Strafvordering
1. De veroordeelde heeft het recht zich te doen bijstaan door een raadsman. Artikel 1.4.10 is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de officier van justitie een vordering indient bij de rechtbank dan wel een vordering die strekt tot vrijheidsbeneming indient bij de rechter-commissaris, en niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, brengt de officier van justitie de vordering ter kennis van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, dat voor de veroordeelde een raadsman aanwijst. In geval van een beslissing die niet op vordering van de officier van justitie dan wel in hoger beroep wordt genomen, geeft de voorzitter van het gerecht, indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand opdracht tot aanwijzing van een raadsman.
3. De aanwijzing van de raadsman vindt plaats voor de duur van de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.
4. De raadsman stelt de officier van justitie en de rechter-commissaris dan wel de rechtbank direct in kennis van zijn optreden voor de veroordeelde. Indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld, stelt de raadsman het gerechtshof dan wel de Hoge Raad direct in kennis van zijn optreden voor de veroordeelde.
5. Indien de raadsman een eerder gekozen of aangewezen raadsman vervangt, zijn het derde lid en artikel 1.4.11, vierde lid, tweede en derde zin, van overeenkomstige toepassing.
6. De artikelen 1.4.16, 1.4.17 en 1.4.20 zijn van overeenkomstige toepassing.