Art. 7.2.6 Wetboek van Strafvordering
1. Indien een proeftijd is verbonden aan een straf of maatregel, kan de rechtbank:
a. de proeftijd verkorten of verlengen;
b. de bijzondere voorwaarden alsnog stellen, wijzigen of opheffen, of de termijn wijzigen waarbinnen de bijzondere voorwaarden gelden binnen de proeftijd;
c. de opdracht tot reclasseringstoezicht alsnog geven, wijzigen of opheffen.
2. De verlenging van de proeftijd bedraagt bij een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel ten hoogste de termijn die maximaal kan worden verbonden aan de proeftijd.
3. In het geval, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank de voorwaarden zo nodig opnieuw vaststellen in de zes maanden voorafgaand aan de invrijheidstelling. Artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.