Art. 7.2.1 Wetboek van Strafvordering
1. Onder toezicht wordt in dit artikel verstaan het toezicht op de naleving van:
a. voorwaarden gesteld bij een:
1°. beslissing tot niet-vervolging;
2°. transactie;
3°. schorsing van de voorlopige hechtenis;
4°. straf of maatregel die geheel of gedeeltelijk niet wordt tenuitvoergelegd;
5°. onderbreking of voorwaardelijke beëindiging van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel;
6°. terbeschikkingstelling;
7°. verlening van gratie.
b. maatregelen en aanwijzingen die het gedrag van de verdachte of de veroordeelde betreffen of diens vrijheid beperken;
c. de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleden en het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen.
2. Indien de rechter of de officier van justitie opdracht heeft gegeven tot het houden van reclasseringstoezicht, geeft Onze Minister een krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden en de verdachte of de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Onze Minister kan ook ambtshalve een opdracht geven of, indien daartoe aanleiding is, de opdracht geven aan een andere reclasseringsinstelling.
3. Indien de aard van een gestelde voorwaarde of aanwijzing daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister een andere instelling of persoon opdracht geven toezicht te houden.
4. De verdachte of de veroordeelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
5. Bij het houden van toezicht wordt de identiteit van de verdachte of de veroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid. De verdachte of de veroordeelde is verplicht ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of aan het ter inzage aanbieden van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
6. Indien blijkt dat de verdachte of de veroordeelde een voorwaarde, straf, maatregel of aanwijzing niet naleeft, niet meewerkt aan het toezicht, of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, wordt daarvan direct melding gedaan aan de officier van justitie en Onze Minister.