Art. 7.3.11 Wetboek van Strafvordering
1. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk indien naar zijn oordeel een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd.
2. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling ook geheel of gedeeltelijk indien het gedrag van de veroordeelde zich heeft voorgedaan in de periode dat de proeftijd niet loopt.
3. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling indien de veroordeelde niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
4. Indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 7.2.2, beslist de officier van justitie binnen drie dagen na de aanhouding. De veroordeelde wordt niet in vrijheid gesteld zolang de officier van justitie geen beslissing heeft genomen.
5. De officier van justitie ziet slechts af van herroeping op grond van het eerste of tweede lid indien naar zijn oordeel kan worden volstaan met een waarschuwing of met het wijzigen van de bijzondere voorwaarden.
6. Artikel 7.3.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. De officier van justitie stelt de veroordeelde in kennis van zijn gemotiveerde beslissing. De kennisgeving wordt betekend aan de veroordeelde. De beslissing van de officier van justitie is dadelijk uitvoerbaar.