Art. 7.1.22 Wetboek van Strafvordering
1. Indien de rechtbank beslist op een verzoek of een bezwaarschrift van de veroordeelde, wordt het verzoek of bezwaarschrift door de griffier ter kennis gebracht van de officier van justitie, die daarop zo spoedig mogelijk een conclusie neemt.
2. De rechtbank kan zonder onderzoek op de zitting beslissen indien zij, na kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is dat de vordering, het verzoek, het bezwaarschrift of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
3. De officier van justitie roept de veroordeelde en, indien daartoe aanleiding is, degene die is belast met het reclasseringstoezicht, op tot bijwoning van de zitting onder bijvoeging van de vordering of de conclusie. De oproeping van de veroordeelde wordt aan hem betekend. In hoger beroep blijft bijvoeging van de vordering of de conclusie achterwege.
4. Artikel 1.2.15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op degene die is belast met het reclasseringstoezicht. Op het recht van de veroordeelde en zijn raadsman om kennis te nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.8.11 is van toepassing.
5. Indien de zaak betrekking heeft op een vrijheidsbenemende maatregel, kan de officier van justitie deskundigen oproepen voor de zitting. Bij het indienen van de vordering doet de officier van justitie opgave van de deskundigen die zullen worden opgeroepen. In de oproeping wordt de veroordeelde gewezen op welke deskundigen worden opgeroepen en op het recht om de voorzitter van de rechtbank te verzoeken deskundigen voor de zitting te doen oproepen.
6. Indien de zaak betrekking heeft op een vrijheidsbenemende maatregel, kan de voorzitter van de rechtbank de officier van justitie ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde bevelen deskundigen op te roepen voor de zitting. Het verzoek en het bevel bevatten de namen en de woon- of verblijfplaats, of, indien deze gegevens onbekend zijn, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de deskundige. Het verzoek wordt afgewezen indien het oproepen van de deskundige niet in het belang is van een behoorlijke behandeling van de zaak. De artikelen 4.1.4, zesde en achtste lid, 4.1.8, tweede en derde lid, en 4.1.9 zijn van overeenkomstige toepassing.