Art. 7.2.7 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie bevelen tot de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde straf of maatregel, of, al dan niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden, een gedeelte daarvan.

2. De vordering wordt ingediend indien naar het oordeel van de officier van justitie een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd. De officier van justitie ziet slechts af van indiening indien naar zijn oordeel kan worden volstaan met een waarschuwing of met indiening van een vordering op grond van artikel 7.2.6. De vordering wordt niet later ingediend dan drie maanden na het einde van de proeftijd.

3. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. Indien de rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging heeft bevolen, vindt het onderzoek plaats binnen een maand na ontvangst van de vordering.

4. De rechtbank kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging van de rechter-commissaris opheffen zolang niet op de vordering is beslist.

5. Bij toewijzing van de vordering kan de rechtbank de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten in plaats van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. De artikelen 22b tot en met 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7.6.1 tot en met 7.6.7 en 7.6.21 zijn van overeenkomstige toepassing.

6. Bij toewijzing van de vordering beveelt de rechtbank dat de vrijheidsbeneming ondergaan op grond van de beslissing van de rechter-commissaris in mindering wordt gebracht op de straf of maatregel. Indien de tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf, bepaalt de rechtbank volgens welke maatstaf de aftrek zal plaatsvinden.

7. Indien als voorwaarde een waarborgsom is gestort, kan de rechtbank beslissen dat de waarborgsom geheel of gedeeltelijk vervalt aan de Staat.

Verwijst naar

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen