Art. 23 IVRK
Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
1. De Staten die partij zijn, erkennen dat een geestelijk of lichamelijk gehandicapt kind een volwaardig en behoorlijk leven dient te hebben, in omstandigheden die de waardigheid van het kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken.
2. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het gehandicapte kind op bijzondere zorg, en stimuleren en waarborgen dat aan het daarvoor in aanmerking komende kind en degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar verzorging, afhankelijk van de beschikbare middelen, de bijstand wordt verleend die is aangevraagd en die passend is gezien de gesteldheid van het kind en de omstandigheden van de ouders of anderen die voor het kind zorgen.
3. Onder erkenning van de bijzondere behoeften van het gehandicapte kind, dient de in overeenstemming met het tweede lid geboden bijstand, wanneer mogelijk, gratis te worden verleend, rekening houdend met de financiële middelen van de ouders of anderen die voor het kind zorgen. Deze bijstand dient erop gericht te zijn te waarborgen dat het gehandicapte kind daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs, opleiding, voorzieningen voor gezondheidszorg en revalidatie, voorbereiding voor een beroep, en recreatiemogelijkheden, op een wijze die ertoe bijdraagt dat het kind een zo volledig mogelijke integratie in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling bereikt, met inbegrip van zijn of haar culturele en intellectuele ontwikkeling.
4. De Staten die partij zijn, bevorderen, in de geest van internationale samenwerking, de uitwisseling van passende informatie op het gebied van preventieve gezondheidszorg en van medische en psychologische behandeling van, en behandeling van functionele stoornissen bij, gehandicapte kinderen, met inbegrip van de verspreiding van en de toegang tot informatie betreffende revalidatiemethoden, onderwijs en beroepsopleidingen, met als doel de Staten die partij zijn, in staat te stellen hun vermogens en vaardigheden te verbeteren en hun ervaring op deze gebieden te verruimen. Wat dit betreft wordt in het bijzonder rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:277
- ABRvS 8 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0685
- ABRvS 12 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394
- Rb. Den Haag 1 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:860
- Rb. 's-Gravenhage 2 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5856
- Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2383
- Rb. 's-Gravenhage 17 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5003
- Rb. 's-Gravenhage 25 augustus 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2923
- Rb. Rotterdam 17 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1951
- Rb. Rotterdam 6 september 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO1013
- Rb. Noord-Nederland 15 juli 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:3860
- Rb. Den Haag 4 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10956
- Rb. Den Haag 12 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10945
- Rb. Den Haag 18 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:16616
- Rb. Den Haag 17 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14970
- Rb. Den Haag 24 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:6118
- Rb. Amsterdam 15 juli 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4038
- Rb. Amsterdam 1 oktober 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG6531
- Hof 's-Gravenhage 14 januari 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BH3781
- Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:536