ABRvS 12 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394

COA / rechtstreekse werking bepalingen IVRK / discriminatieverbod Artikel 23 van het IVRK bevat, gelet op de formulering, geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is, aangezien deze bepaling, anders dan de rechtbank meent, niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving behoeft. Mitsdien heeft de rechtbank miskend dat de vreemdeling reeds om deze reden aan deze bepaling geen recht op verstrekkingen kan ontlenen. [..] De Afdeling verstaat de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelstalige versie - "a primary consideration" - zo dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2005 in zaak no. 200507132/1, AB 2005, 429) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. De artikelen 22, eerste lid, en 24 van het IVRK lenen zich, gezien hun bewoordingen en aard en strekking, evenmin voor rechtstreekse toepassing. Bovendien ziet artikel 22, eerste lid, van het IVRK op kinderen die - anders dan de vreemdeling - een vluchtelingenstatus willen verkrijgen of als vluchteling worden beschouwd. Het beroep op artikel 2, eerste lid, van het IVRK treft geen doel, omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod er niet aan in de weg staat dat, waar het de opvang van kinderen betreft, op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die op grond van de Rva 2005 recht op opvang hebben en kinderen van ouders, zoals de moeder van de vreemdeling, aan wie dit recht niet toekomt. In voorkomend geval kan ten behoeve van een minderjarig kind een beroep worden gedaan op artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen