Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2383

De rechtbank dient na terugverwijzing de zaak te beoordelen en te beslissen binnen de grenzen van het geding, zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, en met inachtneming van het oordeel van de Afdeling. De vraag of eiseres II bij terugkeer naar haar land van herkomst heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Indien een vreemdeling de bescherming van de Nederlandse autoriteiten wenst in te roepen tegen een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, dient hij daartoe een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 in te dienen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat uitzonderlijke met de medische toestand verband houdende omstandigheden, die ertoe kunnen leiden dat uitzetting van de vreemdeling in strijd is met artikel 3 van het EVRM, in het kader van de onderhavige procedure onder de beperking “conform beschikking Minister” een rol kunnen spelen. (…) Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM asielgerelateerde gronden betreft die buiten de beoordelingssfeer van de onderhavige reguliere procedure vallen. Met betrekking tot het beroep op de artikelen 3, 23, 24 en 27 van het IVRK is de rechtbank van oordeel dat deze verdragsbepalingen geen normen bevatten die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter dan wel dat deze bepalingen zich naar bewoordingen, aard en strekking niet lenen voor rechtstreekse toepassing. In het kader van de behandeling van albino’s in Afrika hebben eiseressen een beroep gedaan op de artikelen 6, 34, 35, 36, 37 en 39 van het IVRK. Deze artikelen hebben betrekking op het recht op leven, de bescherming tegen (seksuele) exploitatie, de bescherming van kinderen tegen ontvoering, verkoop en handel, het verbod op foltering en bijzondere zorg voor slachtoffers. Voor zover deze verdragsbepalingen al normen bevatten die voldoende concreet zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, hetgeen de rechtbank in het midden laat, kan eiseres II in deze procedure geen rechten ontlenen aan deze bepalingen. Het beroep op deze artikelen ziet immers op asielgerelateerde omstandigheden die, zoals hiervoor is overwogen, in de onderhavige reguliere procedure niet aan de orde kunnen komen. Het beroep van eiseressen op artikel 2 van het IVRK heeft tot slot betrekking op het verbod op discriminatie. Voor zover eiseressen in dit kader hebben betoogd dat eiseres II bij terugkeer naar het land van herkomst een behandeling in strijd met dit artikel wacht, betreft dit eveneens een asielgerelateerde omstandigheid en kan het beroep op dit artikel in de onderhavige procedure niet door de rechtbank worden getoetst. In een klacht van eiseressen dat de redelijke termijn is geschonden, moet een verzoek om schadevergoeding besloten worden geacht (uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008, nummer 200703206/1). De rechtbank komt tot de conclusie dat sedert de ontvangst door verweerder van de bezwaarschriften zijn ten tijde van de onderhavige uitspraak na terugverwijzing door de Afdeling vier jaar en vier maanden verstreken. Gelet hierop acht de rechtbank de redelijke termijn niet overschreden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen