ABRvS 8 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0685
COa / minderjarige vreemdelingen die niet vallen onder de reikwijdte van de Rvb / geen verdragsrechtelijke zorgplicht Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 november 2008 in zaak nr. 200802954/1; www.raadvanstate.nl) is er geen sprake van algemene jegens vreemdelingen op het COa rustende zorgtaken die ertoe kunnen leiden dat het COa de hem in de Rvb toevertrouwde taken uitvoert met voorbijgaan aan de daaraan gestelde begrenzing dat de desbetreffende vreemdelingen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) moeten hebben. Dit vindt bevestiging in het bepaalde in artikel 10 van de Vw 2000. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het niet op de weg van het COa lag om ten aanzien van de categorie minderjarige vreemdelingen die niet vallen onder de reikwijdte van de Rvb, waartoe de vreemdelingen behoren, uitvoering te geven aan enige uit het IVRK voortvloeiende en op de Nederlandse staat rustende zorgplicht, en dat geen aanleiding bestaat voor een ander oordeel ten aanzien van een zorgplicht voor zover die voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM. Het beroep op artikel 3, 23, en 27 van het IVRK en artikel 13 en 17 van het ESH kan niet slagen, reeds omdat deze artikelen naar hun inhoud niet een ieder verbinden en zich derhalve niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter lenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl