Art. 25 IVRK
Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
De Staten die partij zijn, erkennen het recht van een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, op een periodieke evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 28 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:828
- Rb. Rotterdam 12 mei 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14070
- Rb. Rotterdam 21 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14064
- Rb. Noord-Holland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3226
- Conclusie A-G Langemeijer 24 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2292
- Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense 14 oktober 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT6844
- Hof 's-Hertogenbosch 6 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3098
- Hof 's-Hertogenbosch 19 september 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX8451
- Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9721
- Hof Amsterdam 15 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:834