Art. 34 GDW, Tuchtrechtspraak
1. De gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder, kandidaat-gerechtsdeurwaarder en degene die is toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding, zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet en de Wet kwaliteit incassodienstverlening gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.
2. De tuchtrechtspraak wordt in eerste aanleg uitgeoefend door een kamer voor gerechtsdeurwaarders. De kamer voor gerechtsdeurwaarders is gevestigd te Amsterdam. Zij kan ook buiten de vestigingsplaats zitting houden.
3. De tuchtrechtspraak wordt in hoger beroep uitgeoefend door het gerechtshof Amsterdam. Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten, behoudens cassatie in het belang der wet.
4. Een lid dan wel plaatsvervangend lid van de kamer voor gerechtsdeurwaarders die gerechtsdeurwaarder is, wordt ingeval tegen hem een klacht is ingediend onderscheidenlijk een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 37, tweede lid, vervangen door een door de president van het gerechtshof Amsterdam aan te wijzen ander lid dan wel plaatsvervangend lid, door Onze Minister benoemd op grond van artikel 35, derde lid.
5. Degene die op grond van artikel 51 is geschorst of op grond van artikel 52 is ontslagen, dan wel degene van wie de toevoeging is beëindigd, blijft aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten als bedoeld in het eerste lid, gedurende de tijd dat hij werkzaam was als gerechtsdeurwaarder, toegevoegd gerechtsdeurwaarder, kandidaat-gerechtsdeurwaarder of toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding.
6. De voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders kan, indien hij zulks in het belang van het onderzoek wenselijk acht, het Bureau opdragen een onderzoek in te stellen en hem van zijn bevindingen verslag uit te brengen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 31 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN7321
- Hof Amsterdam 15 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4604
- Hof Amsterdam 31 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1135
- Conclusie A-G Timmerman 28 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7006
- Hof Amsterdam 3 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3379
- Hof Amsterdam 24 april 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1417
- Hof Amsterdam 7 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:694
- Hof Amsterdam 2 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3122
- Hof Amsterdam 26 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1605
- Hof Amsterdam 26 februari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3844
- Hof Amsterdam 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2086
- Hof Amsterdam 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2071
- Hof Amsterdam 31 augustus 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN5956
- Hof Amsterdam 23 februari 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL6149
- Rb. Haarlem 17 januari 2006, ECLI:NL:RBHAA:2006:AU9901
- Rb. Amsterdam 12 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:10578
- Rb. Amsterdam 20 december 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ6721
- Rb. Amsterdam 9 juli 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AF5361
- Rb. Amsterdam 5 maart 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AF5349
- Rb. Amsterdam 12 maart 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AF5348