Hof Amsterdam 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2071
Het gaat in deze zaak om de executie van een alimentatiebeschikking. Meer dan in andere gevallen is de gerechtsdeurwaarder bij dergelijke executies aangewezen op de opgave van zijn opdrachtgever van de hoogte van het verschuldigde. Hoewel de gerechtsdeurwaarder door een opdrachtgever wordt ingeschakeld en hij in beginsel zijn ministerie dient te verlenen, dient hij als zelfstandig openbaar ambtenaar dergelijke opdrachten zorgvuldig te beoordelen, waarbij van hem een kritische houding mag worden verwacht. Op een bepaald moment houdt de ministerieplicht ten opzichte van de opdrachtgever op en begint misbruik van bevoegdheid ten opzichte van de wederpartij. Deze grens is uiteraard niet in algemene zin aan te geven, maar zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. In dit geval is die grens naar het oordeel van het hof niet overschreden. Uit het overgelegde e-mailverkeer tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgeefster blijkt dat hij de opgegeven achterstand in de betaling van de alimentatie uitdrukkelijk heeft geverifieerd. Het hof is evenals de kamer echter van oordeel dat het niet inhoudelijk reageren op het faxbericht van 25 januari 2010 onbehoorlijk is, zeker gelet op de behoedzaamheid die van een gerechtsdeurwaarder verwacht mag worden in alimentatiezaken. Hoewel het hof minder klachtonderdelen gegrond heeft verklaard dan de kamer, is het van oordeel dat niet kan worden volstaan met slechts de constatering daarvan. Daarom zal toch een maatregel worden opgelegd, de lichtste die mogelijk is. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer van toezicht en legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.
De uitspraak op rechtspraak.nl