Hof Amsterdam 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU2086
Ook als zou moeten worden geoordeeld dat de gerechtsdeurwaarder niet de juiste (rechts-)persoon heeft gedagvaard dan nog rechtvaardigt die enkele juridische fout niet het oordeel dat door de gerechtsdeurwaarder ook tuchtrechtelijk laakbaar is gehandeld. Indien ten behoeve of ten laste van een maatschap een dagvaarding wordt uitgebracht, wordt deze dagvaarding in wezen door of tegen de gezamenlijke vennoten uitgebracht. De betekening door de gerechtsdeurwaarder van de dagvaarding ten behoeve van de maatschap [X] Gerechtsdeurwaarders houdt mitsdien de betekening in van een dagvaarding ten behoeve van zichzelf, hetgeen in strijd is met zowel de tekst als de strekking van artikel 3 Gdw. De strekking van artikel 3 Gdw is immers dat een gerechtsdeurwaarder geen enkel belang dient te hebben bij het (al dan niet) laten betekenen van een dagvaarding. Daarnaast is deze betekening door de gerechtsdeurwaarder in strijd met de artikelen 1 en 2 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders; het betaamt een goed gerechtsdeurwaarder niet om dagvaardingen uit te brengen in een procedure waarbij hij zelf – ook maar enig – belang heeft. Anders dan de kamer, oordeelt het hof dat kan worden volstaan met het opleggen van de maatregel van berisping. Het hof vernietigt de beslissing van de kamer waar het betreft de opgelegde maatregel en legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op.
De uitspraak op rechtspraak.nl