Art. 15 SW, Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht
1. Van een geldlening die geen rente draagt, of een rente draagt die lager is dan het percentage, bedoeld in artikel 21, veertiende lid, en welke lening rechtens dan wel in feite direct opeisbaar is of dat op enig moment wordt, wordt de schuldeiser vanaf de dag waarop de lening opeisbaar wordt voor de toepassing van deze wet geacht van dag tot dag een vruchtgebruik aan de schuldenaar te hebben geschonken.
2. Het eerste lid is uitsluitend van toepassing op een geldlening die direct of indirect aan een natuurlijk persoon is verstrekt door een natuurlijk persoon die daarbij niet handelt in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786
- Conclusie A-G Pauwels 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733
- HR 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3110
- Rb. Gelderland 6 november 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:5906
- Hof Amsterdam 24 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3402
- Conclusie A-G IJzerman 4 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1106
- Conclusie A-G IJzerman 11 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2271
- Conclusie A-G IJZERMAN 1 februari 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BX9120
- Conclusie A-G Van den Berge 10 augustus 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB3110
- HR 6 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3111