Conclusie A-G IJzerman 4 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1106
A-G IJzerman heeft heden conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 februari 2018, nr. BK-17/00832, ECLI:NL:GHDHA:2018:234. Het geschil draait om de uitleg en toepassing van de fictieve verkrijging van artikel 13a van de Successiewet 1956. Het algemene uitgangspunt voor de heffing van erfbelasting is dat deze wordt geheven over de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen. In dat kader speelt, bij de aanwezigheid van bepaalde familieverhoudingen, de fictieve verkrijging van artikel 13a van de SW. Deze wettelijke fictie komt er, voor zover hier van belang, op neer dat indien de aandelen in een B.V. in waarde zijn gestegen door het overlijden van de erflater, de aandelen worden geacht door de aandeelhouder krachtens erfrecht te zijn verkregen. In dat geval worden de aandelen voor het bedrag van de bedoelde waardestijging in de erfbelasting in aanmerking genomen. Belanghebbende dreef tot 31 december 2003 een vennootschap onder firma (vof) samen met zijn moeder (erflaatster) en haar echtgenoot. Per die datum is de onderneming door erflaatster en haar echtgenoot overgedragen aan belanghebbende tegen een oudedagslijfrente en een nabestaandenlijfrente voor ieder van hen afzonderlijk. Deze lijfrenteverplichtingen zijn door belanghebbende ingebracht in een B.V. waarvan belanghebbende de enige aandeelhouder is. Erflaatster ontving na het overlijden van haar echtgenoot in 2012, uitkeringen uit de oudedagslijfrente en uit de nabestaandenlijfrente, tot aan haar overlijden. In mei 2015 is bij erflaatster een ongeneeslijke ziekte geconstateerd, waarbij de prognose was dat zij nog enkele maanden te leven had. Erflaatster is op 31 juli 2015 overleden. In zijn beroep bij de Rechtbank heeft belanghebbende primair gesteld dat de waardestijging van de aandelen reeds had plaatsgevonden vóór het moment van overlijden, namelijk op het moment waarop de diagnose en prognose van korte, resterende levensduur werden gesteld, en dat er nadien door het overlijden van erflaatster, ingevolge artikel 13a SW, geen (verdere) waardestijging van de aandelen heeft plaatsgevonden. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de verdere waardestijging van de aandelen ex artikel 13a van de SW maximaal € 6.400 bedraagt, zijnde drie maal de maandelijkse lijfrente-uitkering van € 2.133, nu erflaatster drie maanden eerder is overleden dan bij de prognose was verwacht. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 1 september 2017 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft overwogen dat de waarde van de aandelen weliswaar kan worden geacht al te zijn gestegen rond mei 2015, ten tijde van de vaststelling van een dodelijke ziekte bij erflaatster, maar dat dit nog niet inhoudt dat, gerekend naar de datum van overlijden op 31 juli 2015, artikel 13a van de SW toepassing mist. De hierin opgenomen fictieve verkrijging ‘door het overlijden’ dient volgens de Rechtbank te worden opgevat in de zin van ‘als gevolg van overlijden’. In hoger beroep heeft het Hof belanghebbende niet gevolgd in zijn standpunt dat er hier geen sprake is van een fictieve verkrijging door het overlijden van erflaatster. Het Hof heeft daartoe overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 13a van de SW valt af te leiden dat sprake is van een fictieve verkrijging als bedoeld in artikel 13a van de SW, indien er een concreet en voldoende sterk causaal verband is tussen de waardestijging van de aandelen en het overlijden van erflaatster. Dat doet zich hier volgens het Hof voor. Naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de A-G met name het volgende standpunt ingenomen. Ten eerste is er het, naar de A-G meent, niet onbelangrijke, uit de parlementaire geschiedenis blijkende, wetssystematische argument van de voorziene samenhang met de winstberekening in de vennootschapsbelasting bij vrijval. Daarbij tekent de A-G aan dat die vrijval wordt berekend per datum van overlijden van de lijfrentegerechtigde (dus niet eerder, bij constatering van een dodelijke ziekte). Ten tweede meent de A-G dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat de door belanghebbende voorgestane uitleg zou leiden tot het ongewenste resultaat dat de (omvang van de) belastingheffing afhankelijk wordt van het antwoord op de vraag of een erflater al dan niet plotseling is overleden. Het lijkt de A-G dat de wetgever niet kan hebben beoogd dat de fictie van artikel 13a SW (grotendeels) zonder effect zou blijven als het aanstaande overlijden van de lijfrentegenieter was te voorzien. Ook zou zo de gelijke behandeling van verkrijgers, als afhankelijk van de voorgeschiedenis van het overlijden, wel erg in het gedrang komen. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl