Art. 17 SW, Grondslagen voor de objectieve en subjectieve belastingplicht
1. Al wat wordt verkregen van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in artikel 2.14a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, op andere wijze dan bedoeld in artikel 16, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, geacht door schenking te zijn verkregen van de persoon of personen waaraan de bezittingen en schulden van het afgezonderd particulier vermogen ingevolge artikel 2.14a van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden toegerekend. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot al wat wordt verkregen, op andere wijze dan bedoeld in artikel 16, ten laste van bezittingen als bedoeld in artikel 2.14a, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, met dien verstande dat in dat geval wordt geacht te zijn verkregen van de persoon of personen waaraan die bezittingen zonder toepassing van dat lid zouden zijn toegerekend.
2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld van ter zake van de in dit artikel bedoelde schenking.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786
- Conclusie A-G IJzerman 30 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1860
- HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:947
- Rb. Gelderland 12 oktober 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:5410
- Conclusie A-G IJzerman 21 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1233
- Hof Den Haag 12 december 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4101
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9202
- Hof Amsterdam 12 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2884
- Conclusie A-G IJzerman 21 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1234
- Conclusie A-G IJzerman 11 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2271
- Conclusie A-G Moltmaker 18 november 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AA2564
- Conclusie 28 november 1996, ECLI:NL:PHR:1996:19
- Conclusie A-G Moltmaker 28 februari 1985, ECLI:NL:PHR:1985:AC9086
- CBb 4 april 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW2273
- CBb 27 april 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI4282