Conclusie A-G IJzerman 30 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2396

Op 26 juli 2010 heeft (schoon)vader een woning geleverd aan zijn dochter en haar echtgenoot, belanghebbende. De koopsom bedraagt € 250.000. Over deze koopsom is door de verkrijgers 6% overdrachtsbelasting voldaan, zijnde € 15.000. In de akte van levering is van de koopsom een bedrag van € 40.000 kwijtgescholden door (schoon)vader. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben aangifte voor de schenkbelasting gedaan van een schenking van € 40.000. In de aangifte is verzocht om de betaalde overdrachtsbelasting, door middel van verrekening, in mindering te brengen op de schenkbelasting; de samenloopregeling van artikel 24, lid 2, SW. De Inspecteur is van de aangifte afgeweken. De schenking aan belanghebbende en zijn echtgenote is door de Inspecteur berekend op € 48.000, uitgaande van de WOZ-waarde van € 258.000. Over het verschil tussen de overeengekomen koopsom en de WOZ-waarde, zijnde € 8.000, is geen overdrachtsbelasting voldaan. De Inspecteur meent dat er in zoverre geen samenloop aanwezig is tussen overdrachtsbelasting en schenkbelasting, zodat er in zoverre geen verrekening kan plaatsvinden. Op het bedrag van de schenking is in casu een vrijstelling van toepassing van € 5.000. Daardoor wordt de belaste verkrijging € 48.000 - € 5.000 = € 43.000. Bij de berekening voor de verrekening van overdrachtsbelasting met schenkbelasting neemt de Inspecteur een deel van de vrijstelling voor de schenkbelasting in aanmerking, als (€ 40.000 : € 48.000) x €5.000 = € 4.166,67. De te verrekenen overdrachtsbelasting is vervolgens berekend op (€ 40.000 - € 4.166,67) x 6% = € 2.149. Het Hof heeft die berekeningen juist geacht. Daartoe heeft het Hof geoordeeld dat het object van de schenking een woning is, waardoor het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW van toepassing is. De schenking bedraagt aldus € 48.000. Voor de overdrachtsbelasting die ingevolge artikel 24, lid 2, SW in mindering strekt op de schenkbelasting, sluit het Hof zich aan bij de door de Inspecteur gemaakte berekening. Belanghebbende voert drie cassatiemiddelen aan. In het eerste middel wordt gesteld dat het object van de schenking niet de woning is, zodat het waarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW niet van toepassing is. Daarvan uitgaande bedraagt de waarde van de schenking geen € 48.000, maar € 40.000, zijnde het bedrag van de kwijtschelding. Ten aanzien van het eerste middel merkt de A-G op dat voor de fiscale beoordeling van belang is dat het onderhavige feitencomplex, gelet op het samenstel van rechtshandelingen, economisch niet wezenlijk verschilt van het geval dat de (schoon)vader de woning, die kennelijk een waarde in het economische verkeer had van € 250.000, aan belanghebbende (en zijn echtgenote) had verkocht voor € 210.000. Met het onderhavige samenstel van rechtshandelingen, verkoop tegen € 250.000 met onmiddellijke kwijtschelding van € 40.000, wordt economisch beschouwd hetzelfde resultaat bereikt als wanneer de woning zou zijn verkocht voor € 210.000. Indien in het onderhavige geval niet zou worden afgeweken van het civiele recht is het woningwaarderingsvoorschrift van artikel 21, lid 5, SW naar zijn letterlijke bewoordingen volgens de A-G niet van toepassing, terwijl die bepaling wel van toepassing zou zijn geweest bij verkoop tegen een te lage prijs. Het lijkt de A G hier, gelet op de in economisch opzicht gelijke uitkomsten, niet in de rede te liggen verschillende successierechtelijke gevolgen te verbinden aan het ene en het andere geval. Aldus faalt het eerste middel. Het tweede middel houdt in dat ’s Hofs berekening van de verschuldigde schenkbelasting voor belanghebbende leidt tot een individuele buitensporige last in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De A-G merkt op dat belanghebbende dit voor het eerst stelt in cassatie. Het komt de A-G voor dat hiermee sprake is van een ongeoorloofde uitbreiding van de rechtsstrijd in cassatie. Overigens faalt het tweede middel ook inhoudelijk, in het licht van de bestaande jurisprudentie hierover. In zijn derde middel stelt belanghebbende dat het Hof in zijn berekening artikel 24, lid 2, SW verkeerd heeft toegepast. De A-G meent echter dat die wijze van berekening juist te achten is. De conclusie strekt tot ongegrond verklaring.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken