Conclusie A-G IJzerman 11 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2271
A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van [X] tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 12 december 2014, nr. BK-14/00171, ECLI:NL:GHDHA:2014:4101. Op 21 januari 2011 is erflaatster overleden. Erflaatster was weduwe en heeft als haar erfgenamen vier kinderen achtergelaten, waaronder belanghebbende. Tot het vermogen van erflaatster behoorde aanvankelijk in eigendom de door haar bewoonde woning. Door een taxateur is de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van de woning bepaald op € 117.500 en de huurwaarde op € 7.800 per jaar, oftewel € 650 per maand. Vervolgens heeft erflaatster de woning bij akte van 19 juli 2010 verkocht aan belanghebbende en diens echtgenote voor € 117.500. Daarbij is tussen erflaatster en de kopers een huurovereenkomst gesloten waarin de woning aan erflaatster met ingang van 1 augustus 2010 is verhuurd tegen een huursom van € 650 per maand. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur met toepassing van artikel 10 SW de woning als fictief legaat aangemerkt en bij belanghebbende in aanmerking genomen als een verkrijging van € 88.570. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur ten onrechte de woning heeft aangemerkt als een fictieve verkrijging door belanghebbende. De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen dat niet in geschil is dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2011 € 216.000 bedraagt. Nu de door erflaatster aan belanghebbende betaalde huursom minder bedraagt dan 6% van die WOZ-waarde, heeft de Inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld dat erflaatster wordt geacht een genot van vruchtgebruik van de woning te hebben gehad en is de woning terecht als fictief legaat in belanghebbendes verkrijging betrokken. Daarbij is in aanmerking genomen dat gezien artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ de WOZ-waarde van de woning de waarde van de woning in onbezwaarde staat vertegenwoordigt als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de SW. Naar aanleiding van het hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof zich aangesloten bij die oordelen van de Rechtbank. In aanvulling daarop heeft het Hof gewezen op de door de wetgever gekozen (heffings-)systematiek. Die houdt volgens het Hof hier in dat de woning, waarop erflaatster ten laste van haar vermogen een vruchtgebruik heeft verworven, wordt geacht krachtens erfrecht door overlijden te zijn verkregen door belanghebbende (en diens echtgenote). Het geheel van voorhanden zijnde gegevens, in het bijzonder het gegeven dat erflaatster voor het genot van de woning (ingevolge de huurovereenkomst) aan belanghebbende als eigenaar, dat wil zeggen degene ten laste van wie dat huurgenot komt, niet jaarlijks een huurvergoeding heeft betaald die ten minste gelijk is aan het percentage van de waarde van de woning in (de alsdan) onbezwaarde staat, dat wil zeggen de waarde van de woning vrij van het bij wijze van fictie aanwezige vruchtgebruik, laat volgens het Hof geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende (voor zijn deel) krachtens erfrecht door overlijden van erflaatster een pand heeft verkregen. Die verkrijging is voor dat deel door de Inspecteur terecht belast met erfbelasting. In het cassatiemiddel van belanghebbende wordt het oordeel van het Hof bestreden dat hier sprake is van de verkrijging van een fictief legaat ingevolge artikel 10 SW. Er is, naar het de A-G voorkomt, in beginsel iets te zeggen voor de opvatting van belanghebbende dat bij zakelijke, in de zin van marktconforme, vaststelling van de verkoopprijs van de woning en de huurprijs, artikel 10 SW naar zijn strekking geen toepassing zou moeten vinden. Er worden dan immers geen vererfbare eigendomsrechten omgezet in niet-vererfbare genotsrechten ten gevolge waarvan de nalatenschap wordt verkleind en aldus erfbelasting wordt ontgaan. Echter, uit de Hofuitspraak blijkt dat de verkoopprijs ad € 117.500 is omschreven als ‘de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat’. Dit duidt op een verkoopprijs die lager ligt dan de waarde vrij in het economische verkeer. Dat sluit aan bij het gegeven dat niet in geschil is dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2011 € 216.000 bedraagt. Blijkbaar was de overeen gekomen koopprijs voor de woning van € 117.500, lager dan de op het overdrachtsmoment geldende waarde vrij in het economische verkeer. Het voorbehouden huurrecht heeft in casu kennelijk een waardedrukkend effect gehad op de overeen gekomen koopprijs. Zo zijn door erflaatster vererfbare eigendomsrechten (de eigendom van de woning) omgezet in niet-vererfbare genotsrechten (het huurrecht) en wel zodanig dat daarmee de nalatenschap is verkleind en aldus erfbelasting kon worden ontgaan. De A-G merkt op dat dit nu juist de situatie is waar artikel 10 SW voor bedoeld is. Dat betekent volgens de A-G dat belanghebbendes opvatting over doel en strekking en de toepassing van deze wetsfictie, wat daar overigens ook van zij, hem niet verder kan brengen gezien de feiten van zijn casus. Ingevolge artikel 10, lid 3, SW wordt de erflater geacht een genot van een vruchtgebruik te hebben gehad van de in artikel 10, lid 1 SW bedoelde goederen indien hij, aan degene ten laste van wie dat genot komt, ‘niet jaarlijks daadwerkelijk een bedrag betaalt dat ten minste gelijk is aan het percentage, bedoeld in artikel 21, dertiende lid, van de waarde van de goederen in onbezwaarde staat’. Het gaat om een percentage van 6. De WOZ-waarde is de waarde van de ‘onbezwaarde eigendom’. Een en ander komt erop neer dat er, ingevolge artikel 10, lid 3, SW, jaarlijks daadwerkelijk een bedrag aan huur moet worden betaald dat ten minste gelijk is aan 6% van de WOZ-waarde van de betreffende woning, wil er sprake zijn van een ‘genotsvoorkomende zakelijke huur’. Indien de in feite betaalde huur daaronder blijft, zoals zich hier voordoet, is artikel 10 SW van toepassing op de gehele fictief verkregen onroerende zaak. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl