Hof Amsterdam 24 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3402
Belanghebbende heeft in 1995 het woongenot gehad van een woning die eigendom was van haar zoon en daarvoor geen vergoeding betaald. Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van een belastbare schenking, omdat niet kan worden aangenomen dat de zoon is verarmd. Dat de inspecteur meent dat sprake is van een bruikleenovereenkomst is niet doorslaggevend voor de vraag of voor de SW voldaan is aan de voorwaarden om een schenking aan te nemen. Evenmin is sprake van de schenking van een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 18 van de SW. Dat achteraf is gebleken dat de zoon het woongenot niet heeft opgeëist en in de aangifte successierecht in verband met het overlijden van de echtgenoot van belanghebbende in 2007 is vermeld dat sprake is van een opvolgend vruchtgebruik, is onvoldoende om aan te nemen dat in 1995 een vruchtgebruik is geschonken. Er is geen wettelijke basis om een schenking van dag tot dag aan te nemen. Ten slotte was het met ingang van 1 januari 2010 gewijzigde artikel 15 van de SW in 1995 niet van kracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl