Conclusie A-G Pauwels 25 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:733

Art. 1 SW; art. 7:186 BW. Leidt het verstrekken van een onzakelijke lening ‘opzij’ in een familierelatie tot een schenking (onder opschortende voorwaarde)? Een vennootschap waarvan de vader van belanghebbende de aandeelhouder is heeft in 2007 en 2008 leningen verstrekt aan een vennootschap waarvan belanghebbende de (indirect) aandeelhouder is. In een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat het gaat om onzakelijke leningen in de zin van de onzakelijkeleningjurisprudentie. De Inspecteur heeft aanslagen schenkbelasting opgelegd aan belanghebbende. Het Hof oordeelt dat de aanslag 2007 terecht is opgelegd. Onder verwijzing naar HR BNB 1981/198 oordeelt het Hof dat sprake is van een schenking omdat een rente is afgesproken van 6% en er sprake is van een onzakelijke lening, inhoudende dat er geen - niet-winstdelende - rente kan worden bepaald. Het Hof vernietigt de aanslag 2014. Het Hof verwerpt het betoog van de Inspecteur dat het verstrekken van de lening 2008 een schenking onder opschortende voorwaarde is als bedoeld in art. 1(9) SW en dat de voorwaarde zich in 2014 heeft vervuld. A-G Pauwels constateert dat belanghebbende te laat cassatieberoep heeft ingesteld. Inhoudelijk kan daarom alleen het cassatieberoep van de Staatssecretaris over de aanslag 2014 aan bod komen. De A-G concludeert (i) dat de Staatssecretaris terecht betoogt dat het op 1 januari 2010 in werking getreden art. 1(9) SW ook van toepassing is op een schenking onder opschortende voorwaarde die in 2008 is gedaan en waarvan de voorwaarde in 2014 is vervuld, maar (ii) dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het verstrekken van een onzakelijke lening niet is aan te merken als een schenking onder opschortende voorwaarde. Het cassatieberoep is daarom ongegrond. Voor het geval de Hoge Raad een breder arrest wil wijzen, gaat de A-G in op de vraag of het verstrekken van een onzakelijke lening wel anderszins een schenking kan inhouden. De A-G is van mening (a) dat de opvatting van de Inspecteur onjuist is dat het verstrekken van een onzakelijke lening moet worden gezien als een gedeeltelijke kapitaalstorting, (b) dat een zakelijke kwijtschelding van een onzakelijke lening niet een schenking inhoudt, en (c) dat het verstrekken van een onzakelijke lening wel is aan te merken als een schenking van vruchtgebruik, dienovereenkomstig HR BNB 1981/198, waarop dan de waarderingsregels voor vruchtgebruik van toepassing zijn met inachtneming van een aftrek voor de berekende rente.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken