Art. 7 Verordening (EU) nr. 347/2013, „Prioriteitsstatus” van projecten van gemeenschappelijk belang

Verordening (EU) nr. 347/2013

1. De vaststelling van de Unielijst stelt, in het kader van eventueel te nemen besluiten in het vergunningverleningsproces, de noodzaak van deze projecten vanuit energiebeleidsperspectief vast, ongeacht de exacte locatie of de routering van het traject of de daarbij gebruikte technologie.

2. Om een efficiënte administratieve afhandeling van de aanvraagdossiers met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang zeker te stellen, zorgen projectpromotoren en alle betrokken autoriteiten ervoor dat aan deze dossiers zo snel gevolg wordt gegeven als juridisch mogelijk is.

3. Projecten van gemeenschappelijk belang krijgen — indien het nationale recht in een dergelijke status voorziet — de hoogst mogelijke nationale status en worden als zodanig behandeld in de vergunningverleningsprocessen — ook qua ruimtelijke ordening, voor zover het nationale recht daarin voorziet — inclusief die met betrekking tot milieueffectrapportages, op de wijze waarop in een dergelijke behandeling is voorzien in het voor het desbetreffende type energie-infrastructuur geldende nationale recht.

4. Uiterlijk op 16 augustus 2013 brengt de Commissie ten behoeve van de lidstaten niet-bindende richtsnoeren uit voor de vaststelling van adequate wetgevings- en niet-wetgevingsmaatregelen om de milieubeoordelingsprocedures te stroomlijnen en de coherente toepassing te waarborgen van de milieueffectrapportageprocedures die krachtens het recht van de Unie zijn vereist voor projecten van gemeenschappelijk belang.

5. De lidstaten beoordelen met inachtneming van de in lid 4 bedoelde richtsnoeren middels welke maatregelen de milieubeoordelingsprocedures dienen te worden gestroomlijnd en hoe moet worden gewaarborgd dat zij zo consistent mogelijk worden toegepast, en stellen de Commissie van het resultaat daarvan in kennis.

6. Uiterlijk negen maanden na de datum van uitgifte van het in lid 4 bedoelde richtsnoer nemen de lidstaten de niet-wetgevingsmaatregelen die zij uit hoofde van lid 5 hebben vastgesteld.

7. Uiterlijk 24 maanden te rekenen vanaf de datum van uitgifte van de in lid 4 bedoelde richtsnoeren nemen de lidstaten de wetgevende maatregelen die zij uit hoofde van lid 5 hebben geïdentificeerd. Deze maatregelen laten de verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie onverlet.

8. Met betrekking tot de in artikel 6, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG en artikel 4, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde milieueffecten worden projecten van gemeenschappelijk belang beschouwd als zijnde van openbaar belang vanuit energiebeleidsoogpunt, en kan worden geoordeeld dat zij, op voorwaarde dat aan alle in die richtlijnen vervatte voorwaarden is voldaan, om dwingende redenen als van groot openbaar belang moeten worden beschouwd.

Wanneer het advies van de Commissie overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG vereist is, zien de Commissie en de in artikel 9 van deze verordening bedoelde bevoegde instantie erop toe dat het besluit betreffende de dwingende redenen van groot openbaar belang inzake een project wordt genomen binnen de in artikel 10, lid 1, van deze verordening genoemde termijn.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen