HvJ EU 20 april 2023, C-815/21, ECLI:EU:C:2023:308
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
20 april 2023 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Artikel 102 VWEU – Misbruik van machtspositie – Onlineverkoop – Verordening (EG) nr. 773/2004 – Artikel 2, lid 1 – Besluit van de Europese Commissie om een onderzoek te openen – Territoriale reikwijdte van het onderzoek – Italië daarvan uitgesloten – Verdeling van bevoegdheden tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Verordening (EG) nr. 1/2003 – Artikel 11, lid 6 – Bevoegdheidsverlies van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Bescherming tegen parallel door de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Commissie gevoerde procedures – Beroep tot nietigverklaring – Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld – Handeling die geen rechtsgevolgen heeft ten aanzien van derden – Voorbereidende handeling – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑815/21 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 december 2021,
Amazon.com Inc., gevestigd te Seattle (Verenigde Staten),
Amazon Services Europe Sàrl, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
Amazon EU Sàrl, gevestigd te Luxemburg,
Amazon Europe Core Sàrl, gevestigd te Luxemburg,
vertegenwoordigd door A. Komninos, dikigoros, en G. Tantulli, abogado,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst, T. Franchoo, G. Meessen en C. Sjödin als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
ondersteund door:
Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato, gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door P. Gentili, avvocato dello Stato,
interveniënte in hogere voorziening,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, N. Wahl (rapporteur) en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Amazon.com Inc., Amazon Services Europe Sàrl, Amazon EU Sàrl en Amazon Europe Core Sàrl (hierna samen: „Amazon”) om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 14 oktober 2021, Amazon.com e.a./Commissie (T‑19/21, EU:T:2021:730; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij hun beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2020) 7692 final van de Commissie van 10 november 2020 houdende inleiding van een procedure op grond van artikel 102 VWEU in zaak AT.40703 Amazon – Buy Box (hierna: „litigieus besluit”) niet-ontvankelijk is verklaard.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1/2003
2 De overwegingen 17 en 32 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) luiden: „(17) Zowel om een consequente toepassing van de mededingingsregels te waarborgen als om voor een optimale werking van het netwerk te zorgen, is het volstrekt noodzakelijk de regel te behouden dat een zaak automatisch onttrokken wordt aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten wanneer de [Europese] Commissie een procedure inleidt. Indien een mededingingsautoriteit van een lidstaat een zaak reeds in behandeling heeft genomen en de Commissie voornemens is een procedure in te stellen, moet zij dit zo spoedig mogelijk doen. Alvorens een procedure in te stellen, dient de Commissie in overleg te treden met de betrokken autoriteit. […] (32) Het recht van de betrokken ondernemingen om door de Commissie te worden gehoord, moet worden vastgelegd, derden wier belangen door een beschikking kunnen worden geraakt moeten in de gelegenheid worden gesteld voorafgaand opmerkingen te maken, en aan de gegeven beschikkingen moet ruime bekendheid worden gegeven. Het recht van verdediging van de betrokken ondernemingen, met name het recht van inzage van het dossier, moet worden gewaarborgd, zij het dat de bescherming van zakengeheimen van essentieel belang is. Voorts moet de vertrouwelijkheid van de binnen het netwerk uitgewisselde gegevens worden verzekerd.”
3 Artikel 11, lid 6, van deze verordening bepaalt: „Wanneer de Commissie een procedure begint die tot het geven van een beschikking op grond van hoofdstuk III moet leiden, ontneemt dit de mededingingsautoriteiten van de lidstaten hun bevoegdheid tot toepassing van de artikelen [101 en 102 VWEU]. Indien een mededingingsautoriteit van een lidstaat een zaak reeds in behandeling heeft genomen, begint de Commissie alleen een procedure na overleg met deze autoriteit.”
Verordening nr. 773/2004
4 Overweging 10 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 622/2008 van de Commissie van 30 juni 2008 (PB 2008, L 171, blz. 3) (hierna: „verordening nr. 773/2004”), luidt als volgt: „Om de rechten van de verdediging van ondernemingen te eerbiedigen, moet de Commissie, alvorens een besluit te nemen, de betrokken partijen het recht verlenen om te worden gehoord.”
5 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 773/2004 bepaalt: „De Commissie kan op elk tijdstip besluiten de procedure in te leiden met het oog op de vaststelling van een beschikking op grond van hoofdstuk III van verordening […] nr. 1/2003; dit besluit dient echter te worden genomen vóór de voorlopige beoordeling in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening […] nr. 1/2003, vóór de toezending van een mededeling van punten van bezwaar, vóór een verzoek aan de partijen hun belangstelling te laten blijken om schikkingsgesprekken te voeren, of vóór de publicatie van een bekendmaking in de zin van artikel 27, lid 4, van die verordening, naargelang van welke handeling het eerst plaatsvindt.”
Voorgeschiedenis van het geding
6 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 5 van de bestreden beschikking uiteengezet als volgt: „1 Verzoeksters […] maken deel uit van de onderneming Amazon. Amazon is met name actief op internet en houdt zich onder meer bezig met onlinedetailhandel en het aanbieden van verscheidene onlinediensten. 2 Op 10 november 2020 heeft de Europese Commissie [het litigieuze besluit] vastgesteld […]. 3 Volgens de Commissie kunnen bepaalde handelspraktijken van Amazon haar eigen detailhandelsaanbod alsmede het aanbod van verkopers op haar marktplaats die gebruikmaken van Amazons logistieke en leveringsdiensten, kunstmatig begunstigen. 4 De Commissie meende dat de betrokken praktijk, indien wordt bewezen dat die bestaat, in strijd kan zijn met artikel 102 VWEU. 5 In het [litigieuze] besluit heeft de Commissie aangegeven dat het onderzoek de gehele Europese Economische Ruimte (EER) zal bestrijken, met uitzondering van Italië, waarvoor zij in het perscommuniqué bij de vaststelling van dat besluit als reden heeft gegeven dat de Italiaanse mededingingsautoriteit in april 2019 is begonnen met een onderzoek naar voor een deel soortgelijke problemen, waarbij zij zich op de Italiaanse markt concentreert.”
Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
7 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 januari 2021, heeft Amazon beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover Italië daarbij is uitgesloten van de reikwijdte van het onderzoek en van de rechtsgevolgen van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003.
8 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 maart 2021, heeft de Commissie aangevoerd dat dit beroep niet-ontvankelijk was, met name op grond dat het litigieuze besluit geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU vormde, aangezien het geen bindende rechtsgevolgen tot stand bracht die de belangen van Amazon konden aantasten door haar rechtspositie aanmerkelijk te wijzigen. Op 14 mei 2021 heeft Amazon haar opmerkingen over deze exceptie van niet‑ontvankelijkheid neergelegd.
9 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep van Amazon niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het litigieuze besluit louter de normale gevolgen van een procedurehandeling had en Amazons rechtspositie, afgezien van haar processuele situatie, dus onverlet liet.
10 Voorts heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 144, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan op de verzoeken tot interventie, waaronder dat van de Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (mededingings- en marktautoriteit, Italië; hierna: „AGCM”).
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
11 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 2021, heeft Amazon de onderhavige hogere voorziening ingesteld.
12 Bij op 13 april 2022 neergelegde akte heeft de AGCM op grond van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de artikelen 129 en 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verzocht om toelating tot interventie in de hogere voorziening aan de zijde van de Commissie.
13 De president van het Hof heeft dit verzoek bij beschikking van 14 juli 2022, Amazon.com e.a./Commissie (C‑815/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:596), ingewilligd. Aangezien dit verzoek is ingediend na het verstrijken van de in artikel 130 van dit Reglement bedoelde termijn, maar vóór de beslissing om de mondelinge behandeling te openen, is de AGCM overeenkomstig artikel 129, lid 4, van dat Reglement toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie en om haar opmerkingen te maken tijdens de pleitzitting, indien deze zou plaatsvinden.
14 Met haar hogere voorziening verzoekt Amazon het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – de door de Commissie voor het Gerecht opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen, en – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een beslissing ten gronde.
15 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – Amazon te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure.
Hogere voorziening
16 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Amazon één middel aan, dat uit drie onderdelen bestaat: ten eerste voert zij aan dat het Gerecht artikel 263 VWEU heeft geschonden, ten tweede dat het artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 onjuist heeft uitgelegd, en ten derde dat de motivering van het Gerecht berust op onjuiste en niet ter zake dienende subsidiaire conclusies.
Tweede onderdeel van het enige middel
Argumenten van partijen
17 Met het tweede onderdeel van het enige middel, dat als eerste moet worden onderzocht, betoogt Amazon dat het Gerecht in de bestreden beschikking artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 onjuist heeft uitgelegd.
18 Zo heeft het Gerecht deze bepaling in de punten 28 tot en met 50 van de bestreden beschikking tegenstrijdig uitgelegd door enerzijds in punt 41 ervan te verklaren dat die bepaling tot doel heeft ondernemingen te beschermen tegen parallelle vervolging door de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Commissie, maar anderzijds te erkennen dat de Commissie discretionair kan weigeren deze bescherming te verlenen.
19 Deze onjuiste uitlegging vloeit volgens haar voort uit een verwarring van de begrippen „geografische markt”, „geografische reikwijdte” en „geografische reikwijdte van de procedure” in de punten 26 tot en met 28 van de bestreden beschikking. Amazon voert in dit verband aan dat in het litigieuze besluit geen „geografische markt” is afgebakend maar Italië enkel is uitgesloten van de territoriale reikwijdte van het onderzoek van de Commissie, met als enige doel de uit artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 voortvloeiende verplichtingen te omzeilen.
20 Ten slotte betoogt Amazon dat het Gerecht in punt 28 van de bestreden beschikking de bescherming die artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 biedt ervan afhankelijk heeft gesteld dat de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid uitoefent. In beginsel kan een instelling, orgaan of instantie van de Unie echter op geen enkel gebied van het Unierecht een door dat recht verleende bescherming opheffen middels een discretionaire keuze.
21 De Commissie betwist de gegrondheid van deze argumenten.
Beoordeling door het Hof
22 Wat de uitlegging van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 betreft, dient te worden benadrukt dat het Gerecht in punt 23 van de bestreden beschikking heeft aangegeven dat een handeling waarbij de Commissie een procedure op grond van artikel 102 VWEU inleidt, in beginsel alleen de normale gevolgen van een procedurehandeling heeft en de rechtspositie van rekwiranten, afgezien van hun processuele situatie, onverlet laat. Daarom heeft het in punt 38 van die beschikking geoordeeld dat in casu het besluit om Italië uit te sluiten van de reikwijdte van de procedure die de Commissie na de vaststelling van het litigieuze besluit heeft ingeleid, louter de normale gevolgen van een procedurehandeling had en Amazons rechtspositie, afgezien van haar processuele situatie, onverlet liet.
23 In punt 39 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat aan deze conclusie niet wordt afgedaan door de stelling van Amazon dat het litigieuze besluit, al is het procedureel van aard, bindende rechtsgevolgen heeft omdat de uitsluiting van het Italiaanse grondgebied van de reikwijdte van het onderzoek haar de in artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 opgenomen bescherming tegen parallelle procedures heeft ontnomen.
24 Zo heeft het Gerecht, na in punt 41 van die beschikking te hebben benadrukt dat het uit laatstgenoemde bepaling voortvloeiende bevoegdheidsverlies van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten ervoor zorgt dat ondernemingen kunnen worden beschermd tegen parallelle vervolging door deze autoriteiten en de Commissie, in de punten 45 tot en met 48 van die beschikking geoordeeld dat deze bescherming niet inhoudt dat ondernemingen het recht hebben om een zaak volledig door de Commissie te laten behandelen. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 49 van de bestreden beschikking geoordeeld dat Amazon niet op goede gronden kon stellen dat het betwiste gedeelte van het litigieuze besluit haar de bescherming van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 had ontnomen, aangezien deze beschermende werking niet met zich meebrengt dat de Commissie verplicht is om een procedure in te leiden teneinde de mededingingsautoriteiten van de lidstaten hun bevoegdheid tot toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU te ontnemen.
25 Anders dan Amazon betoogt, is een dergelijke uitlegging van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 niet onjuist.
26 Volgens artikel 11, lid 6, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 verliezen de mededingingsautoriteiten van de lidstaten immers hun bevoegdheid om de artikelen 101 en 102 VWEU toe te passen zodra de Commissie een procedure inleidt teneinde een van de in hoofdstuk III van deze verordening genoemde besluiten vast te stellen die ertoe strekken schending van de artikelen 101 en 102 VWEU te constateren, de betrokken ondernemingen te verplichten die schendingen te beëindigen, voorlopige maatregelen te gelasten na een onderzoek dat op vermoedelijke schendingen wijst, een verbindend karakter te verlenen aan de toezeggingen van de ondernemingen of vast te stellen dat de artikelen 101 en 102 VWEU niet van toepassing zijn.
27 Hieruit volgt dat, wanneer de Commissie krachtens artikel 11, lid 6, eerste volzin, van verordening nr. 1/2003 tegen een of meer ondernemingen een procedure inleidt wegens vermeende schending van artikel 101 of artikel 102 VWEU, de mededingingsautoriteiten van de lidstaten hun bevoegdheid verliezen om diezelfde ondernemingen te vervolgen voor dezelfde vermeende mededingingsverstorende gedragingen die op dezelfde productmarkt of productmarkten en geografische markt of markten in dezelfde periode of perioden hebben plaatsgevonden (arrest van 25 februari 2021, Slovak Telekom, C‑857/19, EU:C:2021:139, punt 30).
28 Een dergelijk bevoegdheidsverlies is gerechtvaardigd door het feit dat de mededingingsautoriteiten van de lidstaten bevoegd zijn om de mededingingsregels van de Unie parallel met de Commissie toe te passen, om welke reden verordening nr. 1/2003, zoals blijkt uit overweging 17 ervan, met name tot doel heeft om te waarborgen dat de mededingingsregels van de Unie coherent worden toegepast en om te zorgen voor een optimale werking van het netwerk van overheidsinstanties die belast zijn met de uitvoering van deze regels. Aangezien voorts de parallelle toepassing van deze regels niet ten koste mag gaan van de ondernemingen, maakt het bevoegdheidsverlies van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten het ook mogelijk om deze ondernemingen te beschermen tegen parallelle vervolging door die autoriteiten en de Commissie (zie in die zin arrest van 25 februari 2021, Slovak Telekom, C‑857/19, EU:C:2021:139, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat een besluit tot inleiding van een procedure in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 773/2004 niet tot gevolg heeft dat de adressaten ervan hun procedurele rechten worden ontnomen. Die procedure strekt er integendeel juist toe de betrokken ondernemingen in staat te stellen hun standpunt uiteen te zetten en de Commissie zo volledig mogelijke informatie te verstrekken voordat zij een besluit neemt dat gevolgen heeft voor hun belangen. Die procedure beoogt hun dus procedurele waarborgen te bieden en, zoals blijkt uit overweging 32 van verordening nr. 1/2003 en overweging 10 van verordening nr. 773/2004, het recht van ondernemingen om door de Commissie te worden gehoord te waarborgen (beschikking van 29 januari 2020, Silgan Closures en Silgan Holdings/Commissie, C‑418/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:43, punt 48).
30 Het door Amazon tot staving van het onderhavige onderdeel van het enige middel aangevoerde argument dat artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 ondernemingen bescherming biedt tegen parallelle procedures van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Commissie, en dat deze instelling haar die bescherming heeft ontnomen door Italië op onrechtmatige wijze uit te sluiten van de territoriale reikwijdte van het bij het litigieuze besluit ingeleide onderzoek, berust derhalve op een kennelijk onjuiste uitlegging van deze bepaling.
31 De door artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 geboden bescherming is immers alleen van toepassing in geval van parallelle vervolging door de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Commissie van dezelfde ondernemingen voor dezelfde vermeende mededingingsverstorende gedragingen die op dezelfde productmarkt of productmarkten en geografische markt of markten in dezelfde periode of perioden hebben plaatsgevonden.
32 Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd in haar memorie van antwoord, hangt deze bescherming af van de reikwijdte van het besluit tot inleiding van een procedure op grond van artikel 101 of artikel 102 VWEU.
33 Bijgevolg kunnen de ondernemingen zich niet op die bescherming beroepen indien de Commissie geen procedure heeft ingeleid of voor een bepaald gebied geen procedure heeft ingeleid.
34 In casu viel Italië buiten de territoriale reikwijdte van de bij het litigieuze besluit ingeleide procedure, zodat de in artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 bedoelde bescherming tegen parallelle procedures geen toepassing kon vinden.
35 Zoals het Gerecht in punt 45 van de bestreden beschikking terecht heeft opgemerkt, houdt deze bescherming tegen parallelle procedures bovendien niet in dat ondernemingen het recht hebben om een zaak volledig door de Commissie te laten behandelen.
36 Aanvaarding van het betoog van Amazon dat een besluit van de Commissie tot inleiding van een procedure met het oog op de vaststelling van een besluit op grond van de bepalingen van hoofdstuk III van verordening nr. 1/2003 noodzakelijkerwijs de gehele EER moet bestrijken, zou immers meebrengen dat deze instelling de ruime beoordelingsmarge wordt ontnomen waarover zij bij de vaststelling van een dergelijk besluit beschikt overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 773/2004.
37 Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 niet onjuist heeft uitgelegd. Bijgevolg is het betoog van Amazon dat het Gerecht de begrippen „geografische markt”, „geografische reikwijdte” en „geografische reikwijdte van de procedure” heeft verward, niet ter zake dienend.
38 Derhalve is het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond.
Eerste onderdeel van het enige middel
Argumenten van partijen
39 Amazon betoogt dat het Gerecht artikel 263, eerste en vierde alinea, VWEU heeft geschonden door ten onrechte te concluderen dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was op grond dat het litigieuze besluit geen rechtsgevolgen had voor Amazon.
40 De gevolgen en het rechtskarakter van het litigieuze besluit hadden moeten worden beoordeeld in het licht van de functie ervan. Amazon verwijt het Gerecht dat het zich – zonder dat besluit concreet te onderzoeken – heeft beperkt tot het oordeel dat een handeling tot inleiding van een procedure op grond van artikel 102 VWEU volgens de rechtspraak in het algemeen louter de normale gevolgen van een procedurehandeling heeft en de rechtspositie van de ondernemingen waartegen dat besluit is gericht, afgezien van hun processuele situatie, onverlet laat.
41 Volgens Amazon zou het Gerecht, indien het dat besluit inhoudelijk had onderzocht, hebben vastgesteld dat daarmee niet alleen een procedure werd ingeleid, maar ook een autonoom rechtsgevolg teweeg werd gebracht doordat haar op onrechtmatige wijze de in artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 bedoelde bescherming tegen parallelle procedures door twee mededingingsautoriteiten tegen dezelfde onderneming werd ontnomen.
42 De Commissie betwist het betoog van Amazon en meent, primair, dat het eerste onderdeel van het enige middel niet-ontvankelijk is omdat het niet specificeert tegen welke onderdelen van de bestreden beschikking het zich verzet, en, subsidiair, dat dit onderdeel ongegrond is.
Beoordeling door het Hof
43 Wat de ontvankelijkheid van het onderhavige onderdeel betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat Amazon, anders dan de Commissie stelt, voldoende nauwkeurig heeft aangegeven tegen welke onderdelen van de bestreden beschikking haar betoog is gericht. Uit haar verzoekschrift in hogere voorziening komt immers duidelijk naar voren dat Amazon het Gerecht verwijt dat het, zonder dit besluit concreet te onderzoeken, heeft geoordeeld dat het litigieuze besluit een handeling tot inleiding van een procedure op grond van artikel 102 VWEU was die louter de normale gevolgen van een procedurehandeling had en de rechtspositie van de ondernemingen waartegen dat besluit was gericht, afgezien van hun processuele situatie, onverlet liet.
44 Hieruit volgt dat het onderhavige onderdeel van het enige middel ontvankelijk is.
45 Ten gronde is in de punten 27 en 28 van haar verzoekschrift in hogere voorziening uitdrukkelijk aangegeven dat Amazon betoogt dat het Gerecht in casu artikel 263 VWEU heeft geschonden door zich te beperken tot een onderzoek van de formele opzet van het litigieuze besluit en geen inhoudelijke analyse te verrichten op basis waarvan had kunnen worden geconstateerd dat dit besluit niet alleen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van verordening nr. 773/2004 een procedure inleidde voor de vaststelling van een besluit op grond van de bepalingen van hoofdstuk III van verordening nr. 1/2003, maar ook een afzonderlijk rechtsgevolg had, omdat het een einde maakte aan de door artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 geboden bescherming.
46 Dit betoog berust op de premisse dat Amazon zich op goede gronden kan beroepen op de door deze bepaling geboden bescherming. Uit het onderzoek van het tweede onderdeel van het enige middel volgt dat deze premisse onjuist is.
47 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het enige middel, dat volledig op deze onjuiste premisse berust, ongegrond worden verklaard.
Derde onderdeel van het enige middel
Argumenten van partijen
48 Met het derde onderdeel van haar enige middel, dat is gericht tegen de punten 32 tot en met 50 van de bestreden beschikking, betoogt Amazon dat deze beschikking berust op „onjuiste en niet ter zake dienende subsidiaire conclusies”. Om te beginnen verwijst het Gerecht in zijn motivering ten onrechte naar het argument van Amazon dat zij het risico loopt zich voor twee afzonderlijke mededingingsautoriteiten te moeten verdedigen, aangezien het Gerecht geen rekening houdt met de inbreuk op de rechten van Amazon. Vervolgens is de voorlopige aard van het litigieuze besluit niet van belang voor het onderhavige beroep. Ten slotte is het onjuist om het verzoekschrift gelijk te stellen met een verzoek aan de Commissie om een procedure in te leiden op de Italiaanse markt.
49 De Commissie betwist dit betoog.
Beoordeling door het Hof
50 In dit verband moet worden opgemerkt dat, aangezien de eerste twee onderdelen van het enige middel zijn afgewezen, het derde onderdeel van dit middel – waarmee Amazon zich enkel verzet tegen de „subsidiaire conclusies” van het Gerecht, die zij onjuist en niet ter zake dienend acht – niet kan afdoen aan de conclusie van het Gerecht dat het beroep van Amazon niet-ontvankelijk was, zodat dit derde onderdeel moet worden afgewezen als niet ter zake dienend.
51 Gelet op voorgaande overwegingen moeten alle onderdelen van het enige middel, en dus de hogere voorziening in haar geheel, worden afgewezen.
Kosten
52 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat wanneer de hogere voorziening ongegrond is, het Hof over de kosten beslist. Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
53 Aangezien de hogere voorziening van Amazon moet worden afgewezen, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
54 Volgens artikel 140, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, kan het Hof bepalen dat andere interveniënten dan de in artikel 140, leden 1 en 2, ervan bedoelde, hun eigen kosten zullen dragen. In het onderhavige geval moet worden geoordeeld dat de AGCM haar eigen kosten in verband met de hogere voorziening draagt.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Amazon.com Inc., Amazon Services Europe Sàrl, Amazon EU Sàrl en Amazon Europe Core Sàrl dragen hun eigen kosten en de kosten van de Europese Commissie.
3) De Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato (mededingings- en marktautoriteit, Italië) draagt haar eigen kosten in verband met de hogere voorziening.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.