Gerecht EU 13 juli 2011, T-144/07, ECLI:EU:T:2011:364

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaken T‑144/07, T‑147/07 tot en met T‑150/07 en T‑154/07

ThyssenKrupp Liften Ascenseurs NV e.a.

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van installatie en onderhoud van liften en roltrappen – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Manipulatie van aanbestedingen – Verdeling van markt – Vaststelling van prijzen”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten – Beoordelingscriteria – Potentiële en aanmerkelijke ongunstige beïnvloeding – Mededingingsregeling die gehele grondgebied van lidstaat bestrijkt – Afscherming van nationale markten – Ontoelaatbaarheid

(Art. 81 EG en 82 EG)

2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten – Merkbare invloed – Beoordeling met inachtneming van positie en gewicht van partijen op markt

(Art. 81 EG)

3. Mededinging – Verdeling van bevoegdheden tussen Commissie en nationale mededingingsautoriteiten – Mededeling van Commissie betreffende samenwerking binnen netwerk van mededingingsautoriteiten – Recht van ondernemingen op behandeling van hun zaak door bepaalde mededingingsautoriteit – Geen

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 11, lid 6; mededeling 2004/C 101/03 van de Commissie, punten 8 en 31)

4. Europese Gemeenschappen – Regeling van taalgebruik – Kennisgeving van stukken in andere taal dan die van partijen – Instemming van partijen – Geen onregelmatigheid

(Verordening nr. 1 van de Raad, art. 3)

5. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria – Vermoeden dat moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar 100 %-dochterondernemingen

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

6. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Vermoeden dat moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar 100 %-dochterondernemingen

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

7. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria – Vermoeden dat moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar 100 %-dochterondernemingen – Schending van beginsel van persoonlijk karakter van straffen – Geen – Schending van vermoeden van onschuld – Geen

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

8. Mededinging – Regels van Unie – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria – Vermoeden dat moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar 100 %-dochterondernemingen – Dochteronderneming in handen van tussenholding – Omstandigheid die vermoeden niet kan weerleggen

(Art. 81, lid 1, EG)

9. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikkingen – Regularisering van motiveringsgebrek tijdens gerechtelijke procedure – Ontoelaatbaarheid

(Art. 253 EG)

10. Procedure – Maatregelen van instructie – Horen van getuigen

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64 en 65)

11. Mededinging – Geldboeten – Inbreukbeschikking van Commissie die is vastgesteld na voorlopig clementiebesluit van nationale mededingingsautoriteit – Schending van beginsel ne bis in idem – Geen

(Art. 81 EG; Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord, art. 54; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 5, 14 en 23)

12. Mededinging – Geldboeten – Inbreukbeschikking van Commissie die is vastgesteld na voorlopig clementiebesluit van nationale mededingingsautoriteit – Schending van beginsel van gewettigd vertrouwen – Geen – Schending van beginsel van behoorlijk bestuur – Geen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Beoordelingscriteria

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Coherentie tussen bedragen die aan verschillende ondernemingen worden opgelegd

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Inaanmerkingneming van economische macht van onderneming om schade te berokkenen

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

16. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Afschrikkende werking

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

17. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzwarende omstandigheden – Recidive – Begrip

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

18. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Voorwaarden – Significant toegevoegde waarde van door betrokken onderneming verstrekte bewijzen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

19. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Beoordelingsvrijheid van Commissie

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

20. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Voorwaarden – Vermindering van bedrag in geval van niet-betwisting

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededelingen 96/C 207/04 en 2002/C 45/03 van de Commissie)

21. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Toepassing van mededeling inzake medewerking – Vermindering wegens niet-betwisting buiten kader van deze mededeling

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededelingen 96/C 207/04 en 2002/C 45/03 van de Commissie)

22. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Vermindering wegens niet-betwisting buiten kader van mededeling inzake medewerking – Evenredigheid

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

23. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Verminderingen op grond van mededeling inzake medewerking en wegens niet-betwisting buiten kader van mededeling inzake medewerking

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

24. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Totale omzet van betrokken onderneming

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 5, sub b)

25. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Inachtneming van evenredigheidsbeginsel – Voorwaarden

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

1. Bij de uitlegging en toepassing van de in de artikelen 81 EG en 82 EG gestelde voorwaarde dat de handel tussen lidstaten wordt beïnvloed, dient het uitgangspunt te zijn dat deze voorwaarde tot doel heeft, op het gebied van de mededingingsregels het toepassingsgebied van het recht van de Unie af te bakenen ten opzichte van het recht van de lidstaten. Zo is het recht van de Unie van toepassing op elke mededingingsregeling en elke gedraging die de vrije handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden op een wijze die schadelijk kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten, inzonderheid door afscherming van de nationale markten of door wijziging van de mededingingsstructuur op de gemeenschappelijke markt.

Besluiten, overeenkomsten of feitelijke gedragingen kunnen de handel tussen lidstaten slechts ongunstig beïnvloeden indien zij op grond van een reeks feitelijke en juridische gegevens met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kunnen doen verwachten dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, invloed kunnen uitoefenen op het handelsverkeer tussen lidstaten, en wel zo dat gevreesd moet worden dat zij de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen lidstaten kunnen belemmeren. Deze invloed mag voorts niet van zeer geringe betekenis zijn. De ongunstige beïnvloeding van de intracommunautaire handel is dus in de regel het gevolg van verscheidene factoren, die, elk afzonderlijk, niet per se beslissend hoeven te zijn. Een mededingingsregeling die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijkt, heeft naar haar aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting belemmert.

(cf. punten 55‑57, 60)

2. De invloed die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de handel tussen lidstaten kunnen hebben, wordt in het bijzonder beoordeeld met inachtneming van de positie en het gewicht van de partijen op de markt van de betrokken producten. Wanneer de ondernemingen die aan een mededingingsregeling deelnemen, samen het grootste deel van de betrokken producten op de relevante markt aanbieden, kan deze mededingingsregeling de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden.

Voorts hoeft de Commissie niet aan te tonen dat de mededingingsverstorende praktijken een merkbare invloed hebben op de handel tussen lidstaten. Artikel 81, lid 1, EG vereist immers enkel dat de mededingingsbeperkende overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden.

(cf. punten 67‑69)

3. Uit de bepalingen van verordening nr. 1/2003 blijkt dat de Commissie een beslissende rol blijft vervullen bij het opsporen en vaststellen van inbreuken op de mededingingsregels van de Unie, die niet wordt aangetast door de parallelle bevoegdheid waarover de nationale mededingingsautoriteiten krachtens deze verordening beschikken. Volgens artikel 11, lid 6, van deze verordening is de Commissie immers gerechtigd om een procedure te beginnen die tot het geven van een beschikking moet leiden, zelfs indien een nationale autoriteit een zaak reeds in behandeling heeft genomen, na hierover met deze autoriteit overleg te hebben gepleegd. Daarbij komt volgens deze bepaling dat wanneer de Commissie een procedure begint, dit de nationale mededingingsautoriteiten hun bevoegdheid ontneemt om de mededingingsregels van de Unie in een dergelijke zaak toe te passen.

Voorts verleent de mededeling betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten volgens punt 31 ervan de betrokken ondernemingen geen individueel recht dat hun zaak door een welbepaalde autoriteit zal worden behandeld. Een onderneming kan dus niet stellen dat zij er recht op heeft of de gewettigde verwachting mag koesteren dat de nationale mededingingsautoriteiten in plaats van de Commissie een bepaalde inbreuk vervolgen.

Bovendien is punt 8 van deze mededeling niet bindend. Uit de formulering ervan blijkt dat de hierin genoemde loutere mogelijkheid om de taken te verdelen voor de Commissie geen verplichting inhoudt om een zaak niet te behandelen wanneer aan de hierin gestelde voorwaarden is voldaan.

(cf. punten 76‑77, 80)

4. De Commissie is een meertalige instelling die moet worden geacht in staat te zijn in alle officiële talen van de Gemeenschap te werken. Een verzoekende onderneming kan niet stellen dat haar rechten van verdediging worden geschonden door het feit dat de mededeling van de punten van bezwaar en de beschikking waarbij de administratieve procedure wordt afgesloten, in een bepaalde officiële taal ter kennis worden gebracht, terwijl zij zich tijdens de administratieve procedure in twee andere talen heeft uitgedrukt, wanneer zij erkent dat zij ermee heeft ingestemd dat de stukken in eerstgenoemde taal ter kennis zouden worden gebracht.

(cf. punten 86, 414)

5. Het gedrag van een dochteronderneming kan met name aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer de dochteronderneming, ook al bezit zij eigen rechtspersoonlijkheid, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten. In een dergelijke situatie maken de moedermaatschappij en haar dochteronderneming immers deel uit van éénzelfde economische eenheid en vormen zij dus één enkele onderneming. Indien een moedermaatschappij en haar dochteronderneming één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, kan de Commissie dus een boetebeschikking tot de moedermaatschappij richten, zonder dat zij hoeft aan te tonen dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was.

In het bijzondere geval dat een moedermaatschappij 100 % bezit van het kapitaal van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, kan deze moedermaatschappij beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van deze dochteronderneming en bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming uitoefent.

In die omstandigheden is het voldoende dat de Commissie bewijst dat het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij om aan te nemen dat deze een beslissende invloed op het commerciële beleid van de dochter uitoefent. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij deze moedermaatschappij, die dit vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen verstrekt dat haar dochteronderneming zich op de markt zelfstandig gedraagt.

(cf. punten 94‑97, 310‑313)

6. In het bijzondere geval dat een moedermaatschappij 100 % bezit van het kapitaal van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming uitoefent. Wanneer de organisatorische, economische en juridische banden tussen deze ondernemingen een potentieel bewijs vormen dat de moedermaatschappijen invloed uitoefenen op de strategie van hun dochterondernemingen, is het gerechtvaardigd om hen als één economische eenheid te beschouwen.

Daarentegen kan de omstandigheid dat de verzoekende ondernemingen autonoom aan de administratieve procedure hebben deelgenomen en afzonderlijk op de mededeling van de punten van bezwaar hebben geantwoord, het vermoeden van aansprakelijkheid van de moedermaatschappijen voor het gedrag van hun dochterondernemingen niet weerleggen. Het feit dat de moedermaatschappij zich met betrekking tot de betrokken inbreuk als enige gesprekspartner van de Commissie heeft opgeworpen, kan immers weliswaar erop wijzen dat zij daadwerkelijk een beslissende invloed op het gedrag van de dochteronderneming heeft uitgeoefend, maar het feit dat de dochterondernemingen van een groep afzonderlijk antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar kan niet het bewijs opleveren dat deze dochterondernemingen zelfstandig zijn.

(cf. punten 96, 125‑127)

7. Volgens het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, dat geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de mededingingsregels van de Unie kan leiden, mag aan een onderneming slechts een sanctie worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd. Dit beginsel moet evenwel in overeenstemming worden gebracht met het begrip onderneming. De Commissie ontleent haar bevoegdheid om de boetebeschikking aan de moedermaatschappij van een groep vennootschappen te richten immers niet aan het feit dat de moedermaatschappij haar dochteronderneming heeft aangespoord de inbreuk te plegen, en nog minder aan het feit dat zij bij deze inbreuk betrokken was, maar aan het feit dat zij één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen. Bovendien kan de vroegere beslissingspraktijk van de Commissie niet op een bepaalde zaak worden toegepast. Beschikkingen in andere zaken kunnen immers slechts een indicatieve waarde hebben, aangezien de omstandigheden van de zaken niet identiek zijn.

Het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, maakt deel uit van de fundamentele rechten die in de rechtsorde van de Unie worden erkend, en is overigens bevestigd door artikel 6, lid 2, EU en artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de zwaarte van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden.

In deze context kan een regel betreffende de toerekenbaarheid van een inbreuk, zoals het vermoeden dat een moedermaatschappij die 100 % van het kapitaal van haar dochterondernemingen in handen heeft, een beslissende invloed op deze ondernemingen uitoefent, niet in strijd zijn met bovengenoemd vermoeden. Het Europees Hof voor de rechten van de mens heeft immers geoordeeld dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens niet in de weg staat aan feitelijke of wettelijke vermoedens die in de strafwetten zijn opgenomen, maar vereist dat hieraan redelijke grenzen worden gesteld, rekening houdend met de ernst van de betrokken belangen en met inachtneming van de rechten van de verdediging. Zo kan geen sprake zijn van een schending van het vermoeden van onschuld wanneer in mededingingsprocedures op grond van ervaringsregels bepaalde conclusies worden getrokken, voor zover de betrokken ondernemingen de mogelijkheid behouden om deze conclusies te weerleggen.

(cf. punten 106‑108, 112, 114 )

8. Het feit dat aan de hoofdmoedermaatschappij een sanctie kan worden opgelegd voor de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk staat er niet aan in de weg dat een sanctie wordt opgelegd aan een tussenholding of aan de dochteronderneming zelf, voor zover de Commissie ervan kon uitgaan dat deze vennootschappen één enkele onderneming vormden. In een dergelijk geval kan de Commissie dus ervoor opteren, indien aan alle voorwaarden voor toerekenbaarheid is voldaan, om een sanctie op te leggen aan de dochteronderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen, aan de tussenliggende moedermaatschappij die haar in die periode controleerde en aan de hoofdmoedermaatschappij van de groep. Binnen een vennootschapsgroep is een holding een vennootschap die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan.

(cf. punten 119, 122)

9. De Commissie is weliswaar niet verplicht in de motivering van een beschikking die zij moet geven om de toepassing van de mededingingsregels te verzekeren, in te gaan op alle punten van feitelijke en juridische aard, of op de overwegingen op basis waarvan zij een dergelijke beschikking heeft gegeven, maar is niettemin krachtens artikel 253 EG gehouden ten minste de feiten en de overwegingen te vermelden die in het bestek van haar beschikking van wezenlijk belang zijn, zodat de rechter van de Unie en de belanghebbende partijen kunnen weten in welke omstandigheden zij het Verdrag heeft toegepast. Bovendien moet een beschikking behoudens uitzonderlijke omstandigheden een motivering bevatten die hierin is geïncorporeerd, en kan zij niet achteraf voor het eerst voor de rechter worden geëxpliciteerd. De motivering moet dus in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld.

(cf. punten 133, 146, 399)

10. Wat de beoordeling door de rechter in eerste aanleg van de door een partij bij een geschil ingediende verzoeken om maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen betreft, staat het uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht of de gegevens waarover het met betrekking tot de aan hem voorgelegde zaken beschikt, eventueel aanvulling behoeven.

Het door een verzoekende onderneming ingediende verzoek om getuigenverhoren kan niet worden ingewilligd wanneer de verklaringen die zij via een dergelijk getuigenis voor het Gerecht wenst te verkrijgen, reeds voor de Commissie zijn afgelegd en deze van mening was dat zij niet door bewijsstukken worden gestaafd en zelfs door bepaalde stukken worden tegengesproken.

Een verzoek tot overlegging van een vroegere beschikking van de Commissie is niet noodzakelijk, aangezien de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken kan dienen.

(cf. punten 151‑153, 211)

11. Het beginsel ne bis in idem, dat ook is neergelegd in artikel 4 van protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, is een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie waarvan de rechter de eerbiediging verzekert. Op het gebied van het mededingingsrecht van de Unie verbiedt dit beginsel dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd door de Commissie wegens een mededingingsverstorende gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beschikking van de Commissie waartegen geen beroep meer openstaat. Voor de toepassing van het beginsel ne bis in idem is dus vereist dat uitspraak is gedaan over de vraag of de inbreuk is gepleegd, of dat is gecontroleerd of deze inbreuk op rechtmatige wijze is beoordeeld. Het beginsel ne bis in idem verbiedt dus uitsluitend dat opnieuw ten gronde wordt beoordeeld of de inbreuk is gepleegd, hetgeen hetzij tot oplegging van een tweede sanctie naast de eerste zou leiden wanneer de onderneming opnieuw aansprakelijk zou worden gesteld, hetzij tot oplegging van een eerste sanctie wanneer de onderneming bij de eerste beslissing niet en bij de tweede wel aansprakelijk zou worden geacht.

Wat de vraag betreft of een besluit van een nationale mededingingsautoriteit de Commissie kan beletten dezelfde onderneming opnieuw te veroordelen of te vervolgen, is de toepassing van het beginsel ne bis in idem afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed dezelfde zijn. Dit beginsel verbiedt dus om een persoon ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed meer dan één keer te bestraffen voor eenzelfde onrechtmatig gedrag.

Een voorlopig clementiebesluit van een nationale mededingingsautoriteit, dat de strafvervolging van een inbreuk op het mededingingsrecht niet definitief beëindigt, belet de Commissie niet om deze inbreuk vast te stellen en te bestraffen.

Ook al zou op het gebied van het mededingingsrecht van de Unie een beroep kunnen worden gedaan op artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord, dat de uitdrukking vormt van een algemeen beginsel van het recht van de Unie, namelijk het beginsel ne bis in idem, moet worden vastgesteld dat een voorlopig clementiebesluit van een nationale mededingingsautoriteit hoe dan ook niet kan worden geacht onder deze bepaling te vallen. De verlening van een voorlopige immuniteit voldoet immers niet aan het in deze bepaling gestelde vereiste dat de strafvervolging definitief beëindigd is.

(cf. punten 158‑161, 166‑167, 174‑176)

12. Wanneer de Commissie bij beschikking een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie bestraft nadat de nationale mededingingsautoriteiten voorlopige clementiebesluiten hebben vastgesteld, kan een verzoekende onderneming zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen wanneer zij geen bewijzen aanvoert waaruit blijkt dat de Commissie haar specifieke garanties heeft gegeven dat de besluiten van deze autoriteiten hen zouden beschermen tegen elke vervolging en veroordeling, en dat deze autoriteiten haar specifieke garanties hebben gegeven dat de door haar genomen besluiten de Commissie beletten, deze inbreuk vast te stellen en te bestraffen.

Het feit dat de Commissie geen rekening houdt met voorlopige clementiebesluiten van nationale mededingingsautoriteiten kan evenmin een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur opleveren. De Commissie is immers weliswaar krachtens het billijkheidsbeginsel verplicht rekening te houden met sancties die reeds wegens hetzelfde feit aan dezelfde onderneming zijn opgelegd, wanneer deze sancties zijn opgelegd wegens inbreuken op het kartelrecht van een lidstaat, dus wegens inbreuken die op het grondgebied van de Unie zijn gepleegd, maar een dergelijke situatie doet zich niet voor wanneer deze nationale autoriteiten geen sanctie aan de verzoekende onderneming hebben opgelegd.

(cf. punten 181, 185‑186)

13. De zwaarte van inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals met name de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. De omvang van de betrokken markt is in beginsel geen verplichte factor, maar slechts één van de relevante factoren voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en de Commissie is overigens niet verplicht om de betrokken markt af te bakenen of de omvang ervan te beoordelen wanneer de betrokken inbreuk een mededingingsverstorend doel heeft. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, schrijven immers niet voor dat het bedrag van de geldboeten wordt berekend op basis van de totale omzet of van de omzet van de ondernemingen op de betrokken markt, maar zij verzetten zich er evenmin tegen dat de Commissie ter bepaling van het bedrag van de geldboete van dergelijke omzetcijfers uitgaat om de algemene beginselen van het recht van de Unie in acht te nemen of wanneer de omstandigheden dit vereisen.

Wanneer de Commissie het algemene uitgangsbedrag van een geldboete voor een inbreuk in een lidstaat niet heeft vastgesteld op basis van de omvang van de betrokken markt, maar haar beschikking heeft gebaseerd op de aard en de geografische omvang van deze inbreuk, is de overweging dat het algemene uitgangsbedrag van een geldboete dat voor de mededingingsregeling in deze lidstaat is vastgesteld, de beperkte omvang van de betrokken markt moet weerspiegelen, op een onjuiste premisse gebaseerd en maakt de beschikking van de Commissie geen inbreuk op het evenredigheidsbeginsel.

Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat de weerslag van de inbreuk op de markt niet in aanmerking is genomen. Volgens punt 1 A, eerste alinea, van bovengenoemde richtsnoeren moet de Commissie immers bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk de concrete weerslag op de markt slechts onderzoeken wanneer blijkt dat deze weerslag meetbaar is. Bij de beoordeling van deze weerslag moet de Commissie uitgaan van de mededinging zoals die normaliter zonder inbreuk zou hebben bestaan. Wanneer de Commissie evenwel van mening is dat het onmogelijk is om de precieze weerslag van een inbreuk op de markt te meten, zonder dat de betrokken ondernemingen het tegendeel aantonen, en haar beschikking baseert op de zware aard en de geografische omvang van de inbreuk, zonder rekening te houden met de weerslag ervan op de markt, overschrijdt zij niet kennelijk de grenzen van de beoordelingsmarge waarover zij bij de vaststelling van geldboeten wegens inbreuken op de mededingingsregels beschikt.

(cf. punten 193, 208‑211, 215‑216, 218‑220, 226‑230, 239‑240, 243)

14. Ook al zou de Commissie, wanneer zij in één en dezelfde beschikking verschillende zeer zware inbreuken vaststelt, ervoor moeten zorgen dat er een zekere coherentie is tussen de algemene uitgangsbedragen en de omvang van de verschillende betrokken markten, wijst niets erop dat de algemene uitgangsbedragen die voor in verschillende lidstaten gepleegde inbreuken zijn vastgesteld, onderling incoherent zijn of dat bij de vaststelling ervan is afgeweken van een vermeende berekeningsmethode, wanneer de Commissie de algemene uitgangsbedragen op een hoger niveau heeft vastgesteld naarmate de markt groter was, zonder evenwel een precieze mathematische formule te hanteren, waartoe zij hoe dan ook niet verplicht is.

(cf. punten 235‑236)

15. Het is inherent aan de uitoefening van de krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 aan de Commissie toegekende bevoegdheden dat de betrokken ondernemingen bij de berekening van de uit hoofde van deze bepaling opgelegde geldboeten op een gedifferentieerde wijze worden behandeld. In het kader van haar beoordelingsmarge moet de Commissie immers de sancties individueel vaststellen op basis van de gedragingen en de specifieke eigenschappen van de betrokken ondernemingen, teneinde in elk concreet geval de volle werking van de mededingingsregels van de Unie te verzekeren. Zo kan het volgens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, in het geval van een inbreuk met een bepaalde zwaarte waarbij verscheidene ondernemingen betrokken zijn, zoals bij kartels, wenselijk zijn om op het algemene uitgangsbedrag een weging toe te passen teneinde een specifiek uitgangsbedrag vast te stellen dat rekening houdt met het gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging, met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd. Met name moet rekening worden gehouden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers, met name de consumenten, aanzienlijke schade te berokkenen.

Bovendien is de differentiëring tussen ondernemingen die aan eenzelfde inbreuk hebben deelgenomen, volgens punt 1 A, zevende alinea, van deze richtsnoeren niet in een rekenkundig regeltje te vatten. Het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel vereisen immers niet dat het uitgangsbedrag van de geldboete voor de verschillende leden van het kartel eenzelfde percentage van de individuele omzet bedraagt. Bij het onderzoek van de vraag of de indeling van de leden van een kartel in categorieën strookt met het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, mag het Gerecht dus in het kader van zijn toezicht op het rechtmatige gebruik van de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie op dit gebied beschikt, alleen toetsen of deze indeling samenhangend en objectief gerechtvaardigd is. Wanneer een onderneming slechts aan één deel van een mededingingsregeling heeft deelgenomen, is zij minder in staat om aanzienlijke schade toe te brengen aan de mededinging. Een beschikking van de Commissie waarbij het specifieke uitgangsbedrag op een andere wijze wordt bepaald voor een dergelijke onderneming, kan dus niet discriminerend zijn.

Voorts is het feit dat het uitgangsbedrag van de geldboete niet noodzakelijkerwijs voor alle leden van het kartel eenzelfde percentage van hun omzet bedraagt, eigen aan de methode die erin bestaat de ondernemingen in categorieën in te delen, die meebrengt dat vaste uitgangsbedragen worden vastgesteld voor de ondernemingen van eenzelfde categorie. Deze methode kan in beginsel niet worden afgekeurd, ook al gaat zij voorbij aan de verschillen in omvang tussen ondernemingen van eenzelfde categorie.

Ten slotte bevat het recht van de Unie geen algemeen geldend beginsel volgens hetwelk de sanctie evenredig moet zijn aan het gewicht van de onderneming op de markt van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft.

(cf. punten 247‑248, 253‑254, 259‑260, 263, 274, 277)

16. De noodzaak om te garanderen dat de geldboete een voldoende afschrikkende werking heeft, vereist – voor zover zij geen grond is om het algemene niveau van de geldboeten te verhogen in het kader van de uitvoering van een mededingingsbeleid – dat het bedrag van de geldboete wordt aangepast naargelang van de op de betrokken onderneming uit te oefenen invloed, zodat de geldboete, met name gelet op het financiële vermogen van de betrokken onderneming, niet te hoog of te laag uitvalt, en aldus voldoet aan het vereiste van doeltreffendheid en het evenredigheidsbeginsel.

De Commissie is gerechtigd om de totale omzet van elke aan een mededingingsregeling deelnemende onderneming als relevant criterium voor de vaststelling van een afschrikkingsfactor in aanmerking te nemen. Zo vormen de omvang en de totale middelen van een onderneming relevante criteria, gelet op het nagestreefde doel, de doeltreffendheid van de geldboete te verzekeren door het bedrag ervan aan te passen aan de totale middelen van de onderneming en aan haar vermogen om de nodige middelen ter betaling van deze geldboete te verzamelen. De vaststelling van het percentage waarmee het uitgangsbedrag moet worden verhoogd om van de geldboete een voldoende afschrikkende werking te doen uitgaan, beoogt immers eerder de doeltreffendheid van de geldboete te verzekeren, dan rekening te houden met de schadelijkheid van de inbreuk voor de normale mededinging, en dus met de zwaarte van deze inbreuk.

Een verhoging van het uitgangsbedrag ter verzekering van de afschrikkende werking van de geldboete is eveneens gerechtvaardigd. Deze werkwijze houdt in dat de leden van eenzelfde kartel verschillend worden behandeld om rekening te houden met de wijze waarop zij daadwerkelijk door de geldboete worden geraakt. Het loutere feit dat de Commissie bij de beoordeling van de noodzaak om het bedrag van de geldboeten te verhogen teneinde de afschrikkende werking ervan te verzekeren, uitgaat van de totale omzet van de deelnemers, en niet van de omzet die zij binnen de Unie of op de betrokken nationale markt hebben behaald, brengt niet met zich dat deze verhoging het gelijkheidsbeginsel schendt.

(cf. punten 285, 287, 292, 294‑295)

17. Het begrip recidive, zoals het in verschillende nationale rechtsstelsels wordt opgevat, houdt in dat een persoon nieuwe overtredingen pleegt nadat hij voor soortgelijke overtredingen is gestraft. Bovendien is in de niet-limitatieve lijst van verzwarende omstandigheden die een verhoging van het basisbedrag van de geldboete kunnen rechtvaardigen, die is opgenomen in punt 2 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, specifiek sprake van recidive door dezelfde onderneming(en) voor eenzelfde type inbreuk.

In dit verband kan niet worden aanvaard dat de Commissie zich bij de vaststelling van recidive als verzwarende omstandigheid op het standpunt stelt dat een onderneming aansprakelijk moet worden gehouden voor een vroegere inbreuk waarvoor haar geen sanctie is opgelegd bij een beschikking van de Commissie en waarvoor haar geen mededeling van punten van bezwaar is toegezonden, zodat deze onderneming tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van de beschikking waarbij de vroegere inbreuk is vastgesteld, niet de gelegenheid heeft gekregen om argumenten aan te voeren ter betwisting van de stelling dat zij samen met andere ondernemingen een economische eenheid vormt.

Deze conclusie dringt zich temeer op daar de Commissie bij de vaststelling van recidive niet gebonden kan zijn aan een eventuele verjaringstermijn, ook al vereist het evenredigheidsbeginsel dat de tijd tussen de betrokken inbreuk en een eerdere niet-nakoming van de mededingingsregels in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de vraag in hoeverre de onderneming geneigd is om deze regels te overtreden.

Voorts kan er weliswaar redelijkerwijs van worden uitgegaan dat een moedermaatschappij daadwerkelijk kennis heeft van een eerdere beschikking die de Commissie heeft gericht tot haar dochteronderneming waarvan zij bijna het volledige kapitaal in handen heeft, maar deze kennis kan niet wegnemen dat in de eerdere beschikking niet is vastgesteld dat deze moedermaatschappij en haar dochteronderneming een economische eenheid vormen waardoor deze moedermaatschappij aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de eerdere inbreuk en het bedrag van de haar opgelegde geldboeten wegens recidive zou kunnen worden verhoogd.

(cf. punten 308, 319‑320, 322)

18. De mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken vormt een instrument dat dient om met inachtneming van het recht van hogere rang de criteria te specificeren die de Commissie voornemens is toe te passen in het kader van de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van geldboeten die worden opgelegd wegens inbreuken op de mededingingsregels van de Unie. Hierdoor beperkt de Commissie haar eigen bevoegdheid, wat er evenwel niet aan in de weg staat dat zij een ruime beoordelingsmarge behoudt.

Zo beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsmarge wanneer zij dient te evalueren of de bewijzen die zijn verstrekt door een onderneming die te kennen heeft gegeven aanspraak te willen maken op de toepassing van de mededeling inzake medewerking, een significant toegevoegde waarde hebben in de zin van punt 21 van deze mededeling.

Tevens beschikt de Commissie, na te hebben vastgesteld dat het bewijsmateriaal een significant toegevoegde waarde heeft in de zin van punt 21 van de mededeling inzake medewerking, over een beoordelingsmarge wanneer zij het juiste niveau van de aan de betrokken onderneming te verlenen verlaging van de geldboete dient vast te stellen. Punt 23, sub b, eerste alinea, van deze mededeling voorziet immers in marges waarbinnen het bedrag van de geldboete voor de verschillende categorieën van de betrokken ondernemingen kan worden verlaagd. Gelet op deze beoordelingsmarge kan enkel een kennelijke overschrijding van deze marge door de rechter van de Unie worden afgekeurd.

In deze omstandigheden maakt de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout door de verlaging van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking binnen deze marge op het laagste niveau vast te stellen wanneer zij reeds beschikte over de door de betrokken onderneming verstrekte informatie of wanneer deze informatie geen betrekking had op feiten die haar niet eerder bekend waren en geen significant toegevoegd waarde had, ook al kon zij dan het vermogen van de Commissie om de inbreuk te bewijzen versterken. Een onderneming kan evenmin aanspraak maken op een aanvullende verlaging van de haar door de Commissie opgelegde geldboete op grond van het feit dat zij haar een document heeft verstrekt dat dateert uit de periode waarin de inbreuk is gepleegd, wanneer de Commissie reeds over dit document beschikte en de onderneming louter aanvullende toelichtingen heeft verstrekt om de betekenis ervan te verduidelijken.

Bovendien mag de Commissie bij haar beoordeling van de door de leden van een kartel verleende medewerking het gelijkheidsbeginsel niet schenden. Van een dergelijke schending is geen sprake wanneer de toegevoegde waarde van een krachtens de mededeling inzake medewerking ingediend verzoek wordt beoordeeld aan de hand van bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikte en een van de betrokken ondernemingen bewijsstukken uit de periode van de inbreuk heeft verstrekt die een significant toegevoegde waarde hebben, terwijl een andere onderneming slechts één bewijs uit de periode van de inbreuk heeft verstrekt, zodat de twee ondernemingen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden en de verschillende behandeling dus gerechtvaardigd is.

(cf. punten 332‑333, 335, 337, 350, 355, 357, 361, 363, 367‑369)

19. Een verzoekende onderneming waaraan een sanctie is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels van de Unie, kan niet op basis van het beginsel in dubio pro reo vorderen dat de haar door de Commissie opgelegde geldboete met een hoger percentage wordt verlaagd wanneer de overwegingen van de beschikking die betrekking hebben op de vaststelling van dit percentage volgens haar twijfels doen rijzen. Dit beginsel heeft immers betrekking op de levering van het bewijs van het bestaan van een inbreuk en dient om uit te maken of de feitelijke vaststellingen die de Commissie in de bestreden beschikking heeft verricht, worden gestaafd door de bewijzen die zij heeft verstrekt.

(cf. punt 343)

20. De mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken van 2002 voorziet, anders dan deel D, sub 2, tweede streepje, van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen van 1996, niet in een verlaging van het bedrag van de geldboete voor een onderneming die na ontvangst van de mededeling van de punten van bezwaar de feiten waarop de Commissie haar beschuldigingen baseert, niet fundamenteel betwist. Volgens eerstgenoemde mededeling moet een onderneming, om in aanmerking te komen voor een vermindering van de geldboete, de Commissie bewijsmateriaal van de vermoedelijke inbreuk verstrekken dat een significant toegevoegde waarde heeft vergeleken met het bewijsmateriaal waarover deze reeds beschikt.

Volgens de punten 21 en 22 van de mededeling inzake medewerking van 2002 houdt de Commissie bij de beoordeling van de toegevoegde waarde van de door een onderneming verstrekte bewijzen niet enkel rekening met de aard en/of nauwkeurigheid ervan, maar ook met het bewijsmateriaal waarover zij reeds beschikte op het ogenblik waarop de betrokken onderneming haar verzoek heeft ingediend. De Commissie gaat dus bij haar beoordeling zowel uit van de kwaliteit van de door de betrokken onderneming verleende medewerking als van de bewijzen waarover zij reeds beschikte.

(cf. punten 378‑379, 382, 393, 398)

21. Het recht om zich op de bescherming van het gewettigd vertrouwen te beroepen komt toe aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat een instantie van de Unie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt. Daarentegen kan een persoon geen schending van het vertrouwensbeginsel aanvoeren wanneer deze instantie hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan. Van dergelijke toezeggingen is sprake wanneer bevoegde en betrouwbare bronnen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen verstrekken.

In het kader van de vaststelling van het bedrag van een geldboete wegens een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie kan de aankondiging in de mededeling van de punten van bezwaar dat de Commissie overweegt om buiten het kader van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken een verlaging van de geldboete te verlenen, geen nauwkeurige toezegging vormen met betrekking tot de omvang of het percentage van de verlaging die in voorkomend geval aan de betrokken ondernemingen zal worden verleend. Een dergelijke verklaring kan dus in geen geval enig gewettigd vertrouwen dienaangaande doen ontstaan.

De vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie kan evenmin als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken dienen.

(cf. punten 421‑425)

22. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen.

Het evenredigheidsbeginsel wordt niet geschonden door een beschikking van de Commissie waarbij slechts een minimale verlaging van 1 % van de geldboete wordt verleend wegens het feit dat de feiten niet worden betwist, rekening houdend met de zeer geringe waarde van de medewerking die na de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar is verleend, wanneer deze verlaging wordt toegevoegd aan de verlagingen van de geldboete die reeds krachtens de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken zijn verleend.

(cf. punten 428, 432, 449)

23. De Commissie mag bij haar beoordeling van de door de leden van een kartel verleende medewerking het gelijkheidsbeginsel niet schenden. Afgezien van het feit dat de verlagingen van de boetebedragen die krachtens de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken zijn verleend, en de verlagingen die buiten het kader van deze mededeling zijn verleend, verschillende fasen in de berekening van het bedrag van de geldboeten vormen, bevinden de ondernemingen die zowel in het kader als buiten het kader van deze mededeling hebben meegewerkt, en de ondernemingen die enkel buiten het kader van deze mededeling hebben meegewerkt, zich niet in een vergelijkbare situatie. De Commissie mag dus een verlaging van de geldboete wegens de medewerking die buiten het kader van de mededeling inzake medewerking is verleend, rechtstreeks op het totale boetebedrag toepassen voor ondernemingen die niet in het kader van deze mededeling hebben meegewerkt, en op het reeds op grond van deze mededeling verlaagde bedrag voor ondernemingen die in het kader van deze mededeling hebben meegewerkt.

(cf. punten 435‑437)

24. Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat voor elke onderneming en ondernemingsvereniging die bij een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie betrokken is, de geldboete niet groter kan zijn dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. De in deze bepaling bedoelde omzet moet worden opgevat als de totale omzet van de betrokken onderneming. Aldus moet het in deze bepaling bedoelde plafond van 10 % van de omzet worden berekend op basis van de gezamenlijke omzet van alle vennootschappen die deel uitmaken van de als onderneming in de zin van artikel 81 EG handelende economische eenheid.

(cf. punten 443‑444)

25. In het kader van de vaststelling van het bedrag van de geldboeten die wegens een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie worden opgelegd, vereist het evenredigheidsbeginsel dat de geldboeten niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel, de naleving van de mededingingsregels te verzekeren, en dat het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, evenredig is aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan. Bovendien mag de Commissie bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten rekening houden met de noodzaak om ervoor te zorgen dat hiervan voldoende afschrikkende werking uitgaat.

In de eerste plaats behoren mededingingsregelingen die voornamelijk bestaan in geheime afspraken tussen concurrenten om de markten onderling te verdelen of de marktaandelen te bevriezen door de projecten voor de verkoop en de installatie van nieuwe liften en/of roltrappen onderling te verdelen, en om elkaar niet te beconcurreren op het gebied van het onderhoud en de modernisering van liften en roltrappen, naar hun aard zelf tot de zwaarste schendingen van artikel 81 EG. De vrij geringe omvang van de betrokken productmarkt, zo deze al zou vaststaan, is van minder belang dan alle andere factoren die de zwaarte van de inbreuk bepalen.

In de tweede plaats wordt de regel dat de geldboeten evenredig moeten zijn aan de omvang en de economische macht van de betrokken economische eenheden die handelen als ondernemingen in de zin van artikel 81 EG, niet geschonden wanneer de geldboeten het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond, dat beoogt te vermijden dat de geldboeten onevenredig zijn aan het gewicht van de onderneming, niet overschrijden.

In de derde plaats kan de Commissie bij de berekening van de geldboeten met name rekening houden met de omvang en de economische macht van de als onderneming in de zin van artikel 81 EG handelende economische eenheid. Het is evenwel mogelijk dat de relevante onderneming die in aanmerking moet worden genomen niet bestaat uit alle dochterondernemingen die aan de vastgestelde inbreuken hebben deelgenomen, maar wordt gevormd door de moedermaatschappij en al haar dochterondernemingen.

In de vierde plaats is de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten op basis van de zwaarte en de duur van de betrokken inbreuk niet verplicht, wanneer zij geldboeten oplegt aan verschillende bij eenzelfde inbreuk betrokken ondernemingen, ervoor te zorgen dat de definitieve bedragen van deze geldboeten waarop haar berekening uitkomt, elk verschil tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van hun totale omzet of hun omzet op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft, weerspiegelen. Het eindbedrag van de geldboete is immers niet zonder meer een geschikt element om te bepalen of de geldboete onevenredig is aan het gewicht van de kartelleden. Het eindbedrag van de geldboete wordt met name bepaald op basis van verschillende omstandigheden die verband houden met het individuele gedrag van de betrokken onderneming – en niet met haar marktaandeel of haar omzet – zoals de duur van de inbreuk, het bestaan van verzwarende of verzachtende omstandigheden en de mate van medewerking door deze onderneming.

(cf. punten 450‑456)

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

13 juli 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor installatie en onderhoud van liften en roltrappen – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Manipulatie van aanbestedingen – Marktverdeling – Prijsvaststelling”

In de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07,

ThyssenKrupp Liften Ascenseurs NV, gevestigd te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Turner en D. Mes, vervolgens door O. W. Brouwer en J. Blockx, advocaten,

verzoekster in zaak T‑144/07,

ThyssenKrupp Aufzüge GmbH, gevestigd te Neuhausen auf den Fildern (Duitsland),

ThyssenKrupp Fahrtreppen GmbH, gevestigd te Hamburg (Duitsland),

aanvankelijk vertegenwoordigd door U. Itzen en K. Blau-Hansen, vervolgens door U. Itzen, K. Blau-Hansen en S. Thomas, en ten slotte door K. Blau-Hansen en S. Thomas, advocaten,

verzoeksters in zaak T‑147/07,

ThyssenKrupp Ascenseurs Luxemburg Sàrl, gevestigd te Howald (Luxemburg), vertegenwoordigd door K. Beckmann, S. Dethof en U. Itzen, advocaten,

verzoekster in zaak T‑148/07,

ThyssenKrupp Elevator AG, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Klose en J. Ziebarth, advocaten,

verzoekster in zaak T‑149/07,

ThyssenKrupp AG, gevestigd te Duisburg (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Klusmann en S. Thomas, advocaten, vervolgens door M. Klusmann,

verzoekster in zaak T‑150/07,

ThyssenKrupp Liften BV, gevestigd te Krimpen aan den IJssel (Nederland), vertegenwoordigd door O. Brouwer en A. Stoffer, advocaten,

verzoekster in zaak T‑154/07,

tegen

Europese Commissie, in de zaken T‑144/07 en T‑154/07 vertegenwoordigd door A. Bouquet en R. Sauer als gemachtigden, bijgestaan door F. Wijckmans en F. Tuytschaever, advocaten, in de zaken T‑147/07 en T‑148/07 aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Sauer en O. Weber, vervolgens door R. Sauer en K. Mojzesowicz als gemachtigden, en in de zaken T‑149/07 en T‑150/07 vertegenwoordigd door R. Sauer en K. Mojzesowicz als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/E-1/38.823 – Liften en roltrappen), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro (rapporteur), kamerpresident, N. Wahl en A. Dittrich, rechters,

griffier: K. Andová, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzittingen op 3, 7 en 10 september 2009,

het navolgende

Arrest

1 De onderhavige zaken betreffen verzoeken tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 512 def. van de Commissie van 21 februari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/E-1/38.823 – Liften en roltrappen) (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 26 maart 2008 (PB C 75, blz. 19), of, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten.

2 In de bestreden beschikking heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat de volgende ondernemingen artikel 81 EG hebben geschonden:

– Kone Belgium NV (hierna: „Kone België”), Kone GmbH (hierna: „Kone Duitsland”), Kone Luxemburg Sàrl (hierna: „Kone Luxemburg”), Kone BV Liften en Roltrappen (hierna: „Kone Nederland”) en Kone Oyj (hierna: „KC”) (hierna samen of afzonderlijk: „Kone”);

– Otis NV (hierna: „Otis België”), Otis GmbH & Co. OHG (hierna: „Otis Duitsland”), General Technic-Otis Sàrl (hierna: „GTO”), General Technic Sàrl (hierna: „GT”), Otis BV (hierna: „Otis Nederland”), Otis Elevator Company (hierna: „OEC”) en United Technologies Corporation (hierna: „UTC”) (hierna samen of afzonderlijk: „Otis”);

– Schindler NV (hierna: „Schindler België”), Schindler Deutschland Holding GmbH (hierna: „Schindler Duitsland”), Schindler Sàrl (hierna: „Schindler Luxemburg”), Schindler Liften BV (hierna: „Schindler Nederland”) en Schindler Holding Ltd (hierna: „Schindler Holding”) (hierna samen of afzonderlijk: „Schindler”);

– ThyssenKrupp Liften Ascenseurs NV (hierna: „TKLA”), ThyssenKrupp Aufzüge GmbH (hierna: „TKA”), ThyssenKrupp Fahrtreppen GmbH (hierna: „TKF”), ThyssenKrupp Elevator AG (hierna: „TKE”), ThyssenKrupp AG (hierna: „TKAG”), ThyssenKrupp Ascenseurs Luxembourg Sàrl (hierna: „TKAL”) en ThyssenKrupp Liften BV (hierna: „TKL”) (hierna samen of afzonderlijk: „ThyssenKrupp”);

– Mitsubishi Elevator Europe BV (hierna: „MEE”).

3 Verzoeksters, TKLA, TKA, TKF, TKAL, TKE, TKAG en TKL behoren tot de groep ThyssenKrupp, die actief is in de liftensector, de staalsector, de automobielindustrie en de technologie‑ en de dienstensector. De moedermaatschappij van de groep is de beursgenoteerde vennootschap TKAG. TKE is een 100 %-dochteronderneming van TKAG en is als tussenholding de belangrijkste onderneming van de groep in de liftensector (punten 33‑37 van de bestreden beschikking).

4 ThyssenKrupp is via nationale dochterondernemingen actief in de sector van roltrappen en liften. Deze dochterondernemingen zijn met name, in België, TKLA, in Duitsland, TKA en TKF, in Luxemburg, TKAL, en in Nederland, TKL (punten 33‑37 van de bestreden beschikking). Op TKL na, die geen dochteronderneming van TKE is, zijn de hierbovengenoemde dochterondernemingen – direct of indirect – voor 100 % in handen van TKE en TKAG.

Administratieve procedure

1. Onderzoek van de Commissie

5 In de zomer van 2003 werd de Commissie ingelicht over het mogelijke bestaan van een kartel tussen de vier grootste Europese liften‑ en roltrappenfabrikanten die handelsactiviteiten in de Unie verrichten, namelijk Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp (punten 3 en 91 van de bestreden beschikking).

België

6 Vanaf 28 januari 2004 en in de loop van maart 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 14, leden 2 en 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp in België verificaties verricht (punten 92, 93, 95 en 97 van de bestreden beschikking).

7 Kone, Otis, ThyssenKrupp en Schindler hebben achtereenvolgens verzoeken ingediend krachtens de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) (hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”), die zij vervolgens hebben aangevuld (punten 94, 96, 98 en 103 van de bestreden beschikking).

8 Op 29 juni 2004 is krachtens punt 8, sub b, van deze mededeling een voorwaardelijke immuniteit verleend aan Kone (punt 99 van de bestreden beschikking).

9 Voorts heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) in de periode van september tot december 2004 informatieverzoeken gezonden aan de ondernemingen die in België aan de inbreuk hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de Belgische vereniging Agoria (punten 101 en 102 van de bestreden beschikking).

Duitsland

10 Vanaf 28 januari 2004 en in de loop van maart 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Otis en ThyssenKrupp in Duitsland verificaties verricht (punten 104 en 106 van de bestreden beschikking).

11 Op 12 en 18 februari 2004 heeft Kone het verzoek dat zij op 2 februari 2004 op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 voor België had ingediend, met informatie over Duitsland aangevuld. Otis heeft eveneens, in de periode van maart 2004 tot februari 2005, haar verzoek met betrekking tot België met informatie over Duitsland aangevuld. Schindler heeft op 25 november 2004 op grond van deze mededeling een verzoek ingediend dat informatie over Duitsland bevatte. Zij heeft dit verzoek tussen december 2004 en februari 2005 aangevuld. Ten slotte heeft ThyssenKrupp in december 2005 eveneens op grond van deze mededeling een verzoek met betrekking tot Duitsland bij de Commissie ingediend (punten 105, 107, 112 en 114 van de bestreden beschikking).

12 Voorts heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 in de periode van september tot november 2004 verzoeken om inlichtingen gezonden aan de ondernemingen die aan de inbreuk in Duitsland hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de verenigingen VDMA, VFA en VMA (punten 110, 111 en 113 van de bestreden beschikking).

Luxemburg

13 Op 5 februari 2004 heeft Kone haar verzoek van 2 februari 2004 met betrekking tot België met informatie over Luxemburg aangevuld. Otis en ThyssenKrupp hebben op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een mondeling verzoek met betrekking tot Luxemburg ingediend. Schindler heeft eveneens op grond van deze mededeling een verzoek met betrekking tot Luxemburg ingediend (punten 115, 118, 119 en 124 van de bestreden beschikking).

14 Vanaf 9 maart 2004 heeft de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Schindler en ThyssenKrupp te Luxemburg verificaties verricht (punt 116 van de bestreden beschikking).

15 Op 29 juni 2004 is krachtens punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 ingegaan op Kones verzoek voor zover dit betrekking had op Luxemburg, en is haar voor dit land een voorwaardelijke immuniteit verleend (punt 120 van de bestreden beschikking).

16 In september en oktober 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 verzoeken om inlichtingen gezonden aan de ondernemingen die aan de inbreuk in Luxemburg hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de Fédération luxembourgeoise des ascensoristes (punten 122 en 123 van de bestreden beschikking).

Nederland

17 In maart 2004 heeft Otis op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 een verzoek met betrekking tot Nederland ingediend, dat zij later heeft aangevuld. In april 2004 heeft ThyssenKrupp op grond van deze mededeling een verzoek ingediend, dat ook zij later – herhaaldelijk – heeft aangevuld. Ten slotte heeft Kone op 19 juli 2004 haar verzoek van 2 februari 2004 met betrekking tot België met informatie over Nederland aangevuld (punten 127, 129 en 130 van de bestreden beschikking).

18 Op 27 juli 2004 is krachtens punt 8, sub a, van bovengenoemde mededeling een voorwaardelijke immuniteit verleend aan Otis (punt 131 van de bestreden beschikking).

19 Vanaf 28 april 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 met name in de kantoren van de dochterondernemingen van Kone, Schindler, ThyssenKrupp en MEE in Nederland alsook in de lokalen van de vereniging Boschduin verificaties verricht (punt 128 van de bestreden beschikking).

20 In september 2004 heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003 verzoeken om inlichtingen gezonden aan de ondernemingen die aan de inbreuk in Nederland hebben deelgenomen, aan verschillende klanten in deze lidstaat en aan de verenigingen VLR en Boschduin (punten 133 en 134 van de bestreden beschikking).

2. Mededeling van de punten van bezwaar

21 Op 7 oktober 2005 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, die met name gericht was tot de hierboven in punt 2 genoemde vennootschappen. Alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben in antwoord op de punten van bezwaar van de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend (punten 135 en 137 van de bestreden beschikking).

22 Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden, aangezien geen enkele adressaat van de mededeling van punten van bezwaar daarom heeft verzocht (punt 138 van de bestreden beschikking).

3. Bestreden beschikking

23 Op 21 februari 2007 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld. Volgens deze beschikking hebben de adressaten ervan aan vier complexe inbreuken op artikel 81, lid 1, EG deelgenomen, dit in vier lidstaten, waarbij het telkens ging om één enkele voortdurende inbreuk. Zij hebben namelijk de markten onderling verdeeld door overeenkomsten te sluiten of overleg te plegen over de gunning van aanbestedingen en van overeenkomsten betreffende de verkoop, de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften en roltrappen (punt 2 van de bestreden beschikking).

24 Wat de adressaten van de bestreden beschikking betreft, heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de moedermaatschappijen naast hun dochterondernemingen in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland hoofdelijk aansprakelijk moesten worden gesteld voor de door deze dochterondernemingen gepleegde inbreuken op artikel 81 EG, omdat zij tijdens de duur van de inbreuk een beslissende invloed op hun commercieel beleid hadden kunnen uitoefenen en vermoed kon worden dat zij deze macht hadden aangewend (punten 608, 615, 622, 627 en 634‑641 van de bestreden beschikking). De moedermaatschappijen van MEE zijn niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het gedrag van hun dochteronderneming, omdat niet kon worden vastgesteld dat zij een beslissende invloed op haar gedrag hadden uitgeoefend (punt 643 van de bestreden beschikking).

25 Voor de berekening van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie in de bestreden beschikking de methode toegepast die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”). Zij heeft eveneens onderzocht of en in hoeverre de betrokken ondernemingen voldeden aan de in de mededeling inzake medewerking van 2002 gestelde vereisten.

26 De Commissie heeft de inbreuken als „zeer zwaar” gekwalificeerd, gelet op de aard ervan en op het feit dat elk ervan het gehele grondgebied van een lidstaat (België, Duitsland, Luxemburg of Nederland) bestreek, ook al kon de werkelijke weerslag ervan niet worden gemeten (punt 671 van de bestreden beschikking).

27 Om rekening te houden met de daadwerkelijke economische macht van de betrokken ondernemingen om de mededinging aanzienlijke schade toe te brengen, heeft de Commissie deze per land in verschillende categorieën ingedeeld op basis van de omzet die zij op de markt voor liften en/of roltrappen, waaronder in voorkomend geval die voor onderhouds‑ en moderniseringsdiensten, behaalden (punten 672 en 673 van de bestreden beschikking).

28 Wat het kartel in België betreft, zijn Kone en Schindler in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op basis van de zwaarte van de inbreuk op 40 000 000 EUR vastgesteld. Otis is in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 27 000 000 EUR vastgesteld. ThyssenKrupp is in de derde categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 16 500 000 EUR vastgesteld (punten 674 en 675 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 45 900 000 EUR en 33 000 000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk zeven jaar en acht maanden (van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor de betrokken ondernemingen met 75 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 70 000 000 EUR, voor Otis op 80 325 000 EUR, voor Schindler op 70 000 000 EUR en voor ThyssenKrupp op 57 750 000 EUR vastgesteld (punten 692 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697, 698 en 708‑710 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 733, 734, 749, 750 en 753‑755 van de bestreden beschikking). Op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 is Kone volledige immuniteit tegen geldboeten verleend. Otis heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling een verlaging van 40 % van de geldboete gekregen, en een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. ThyssenKrupp heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van deze mededeling een verlaging van 20 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler heeft een verlaging van 1 % van de geldboete gekregen wegens niet-betwisting van de feiten (punten 760‑777 van de bestreden beschikking).

29 Wat het kartel in Duitsland betreft, zijn Kone, Otis en ThyssenKrupp in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 70 000 000 EUR vastgesteld. Schindler is in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 17 000 000 EUR vastgesteld (punten 676‑679 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 119 000 000 EUR en 140 000 000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk van Kone, Otis en ThyssenKrupp acht jaar en vier maanden (van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze ondernemingen met 80 % verhoogd. Aangezien de inbreuk van Schindler vijf jaar en vier maanden (van 1 augustus 1995 tot 6 december 2000) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze onderneming met 50 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 126 000 000 EUR, voor Otis op 214 200 000 EUR, voor Schindler op 25 500 000 EUR en voor ThyssenKrupp op 252 000 000 EUR vastgesteld (punten 693 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697‑707 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 727‑729, 735, 736, 742‑744, 749, 750 en 753‑755 van de bestreden beschikking). Kone heeft de in punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2002 vastgestelde maximale verlaging van 50 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Otis heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, tweede streepje, van deze mededeling een verlaging van 25 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, derde streepje, van deze mededeling een verlaging van 15 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. ThyssenKrupp heeft een verlaging van 1 % van de geldboete gekregen wegens niet-betwisting van de feiten (punten 778‑813 van de bestreden beschikking).

30 Wat het kartel in Luxemburg betreft, zijn Otis en Schindler in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 10 000 000 EUR vastgesteld. Kone en ThyssenKrupp zijn in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 2 500 000 EUR vastgesteld (punten 680‑683 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 17 000 000 EUR en 5 000 000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk acht jaar en drie maanden (van 7 december 1995 tot 9 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor de betrokken ondernemingen met 80 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 4 500 000 EUR, voor Otis op 30 600 000 EUR, voor Schindler op 18 000 000 EUR en voor ThyssenKrupp op 9 000 000 EUR vastgesteld (punten 694 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697, 698 en 711‑714 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 730, 749, 750 en 753‑755 van de bestreden beschikking). Op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 is Kone volledige immuniteit tegen geldboeten verleend. Otis heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling een verlaging van 40 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler en ThyssenKrupp hebben enkel een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten gekregen (punten 814‑835 van de bestreden beschikking).

31 Wat het kartel in Nederland betreft, is Kone in de eerste categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 55 000 000 EUR vastgesteld. Otis is in de tweede categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 41 000 000 EUR vastgesteld. Schindler is in de derde categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van haar geldboete is op 24 500 000 EUR vastgesteld. ThyssenKrupp en MEE zijn in de vierde categorie ingedeeld. Het uitgangsbedrag van hun geldboete is op 8 500 000 EUR vastgesteld (punten 684 en 685 van de bestreden beschikking). Het uitgangsbedrag van de aan Otis en ThyssenKrupp op te leggen geldboete is respectievelijk met een factor 1,7 en een factor 2 vermenigvuldigd, om rekening te houden met hun omvang en hun totale middelen, zodat het uitgangsbedrag van hun geldboete respectievelijk is gebracht op 69 700 000 EUR en 17 000 000 EUR (punten 690 en 691 van de bestreden beschikking). Aangezien de inbreuk van Otis en ThyssenKrupp vijf jaar en tien maanden (van 15 april 1998 tot 5 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze ondernemingen met 55 % verhoogd. Aangezien de inbreuk van Kone en Schindler vier jaar en negen maanden (van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze ondernemingen met 45 % verhoogd. Aangezien de inbreuk van MEE vier jaar en één maand (van 11 januari 2000 tot 5 maart 2004) heeft geduurd, heeft de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete voor deze onderneming met 40 % verhoogd. Het basisbedrag van de geldboete is aldus voor Kone op 79 750 000 EUR, voor Otis op 108 035 000 EUR, voor Schindler op 35 525 000 EUR, voor ThyssenKrupp op 26 350 000 EUR en voor MEE op 11 900 000 EUR vastgesteld (punten 695 en 696 van de bestreden beschikking). De Commissie is ervan uitgegaan dat ThyssenKrupp als een recidiviste diende te worden beschouwd en heeft haar geldboete wegens deze verzwarende omstandigheid met 50 % verhoogd (punten 697, 698 en 715‑720 van de bestreden beschikking). Er zijn geen verzachtende omstandigheden ten voordele van de betrokken ondernemingen in aanmerking genomen (punten 724‑726, 731, 732, 737, 739‑741, 745‑748 en 751‑755 van de bestreden beschikking). Op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 is Otis volledige immuniteit tegen geldboeten verleend. ThyssenKrupp heeft binnen de marge van punt 23, sub b, eerste alinea, eerste streepje, van deze mededeling een verlaging van 40 % van de geldboete gekregen, alsook een verlaging van 1 % van de geldboete wegens niet-betwisting van de feiten. Schindler en MEE hebben een verlaging van 1 % van de geldboete gekregen wegens niet-betwisting van de feiten (punten 836‑855 van de bestreden beschikking).

32 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:

„Artikel 1

1. Wat België betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel, en elkaar niet te beconcurreren op het gebied van onderhouds‑ en moderniseringscontracten:

– Kone: [KC] en [Kone België]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004;

– Otis: [UTC], [OEC] en [Otis België]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler België]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004; en

– ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKLA]: van 9 mei 1996 tot 29 januari 2004;

2. Wat Duitsland betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel:

– Kone: [KC] en [Kone Duitsland]: van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003;

– Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Duitsland]: van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Duitsland]: van 1 augustus 1995 tot 6 december 2000; en

– ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE], [TKA] en [TKF]: van 1 augustus 1995 tot 5 december 2003.

3. Wat Luxemburg betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel, en elkaar niet te beconcurreren op het gebied van onderhouds- en moderniseringscontracten:

– Kone: [KC] en [Kone Luxemburg]: van 7 december 1995 tot 29 januari 2004;

– Otis: [UTC], [OEC], [Otis België], [GTO] en [GT]: van 7 december 1995 tot 9 maart 2004;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Luxemburg]: 7 december 1995 tot 9 maart 2004; en

– ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKAL]: van 7 december 1995 tot 9 maart 2004.

4. Wat Nederland betreft, hebben de volgende ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 81 [EG] door in de vermelde periodes regelmatig – in het kader van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende liften en roltrappen op nationaal niveau – gezamenlijk afspraken te maken om de markten te verdelen en openbare en particuliere aanbestedingen en andere overeenkomsten onderling te verdelen volgens een eerder voor de verkoop en de installatie overeengekomen verdeelsleutel, en elkaar niet te beconcurreren op het gebied van onderhouds- en moderniseringscontracten:

– Kone: [KC] en [Kone Nederland]: van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004;

– Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Nederland]: van 15 april 1998 tot 5 maart 2004;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Nederland]: van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004;

– ThyssenKrupp: [TKAG] en [TKL]: van 15 april 1998 tot 5 maart 2004; en

– [MEE]: van 11 januari 2000 tot 5 maart 2004.

Artikel 2

1. Voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde inbreuken in België worden de volgende geldboeten opgelegd:

– Kone: [KC] en [Kone België], hoofdelijk aansprakelijk: 0 EUR;

– Otis: [UTC], [OEC] en [Otis België], hoofdelijk aansprakelijk: 47 713 050 EUR;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler België], hoofdelijk aansprakelijk: 69 300 000 EUR; en

– ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKLA], hoofdelijk aansprakelijk: 68 607 000 EUR.

2. Voor de in artikel 1, lid 2, bedoelde inbreuken in Duitsland worden de volgende geldboeten opgelegd:

– Kone: [KC] en [Kone Duitsland], hoofdelijk aansprakelijk: 62 370 000 EUR;

– Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Duitsland], hoofdelijk aansprakelijk: 159 043 500 EUR;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Duitsland], hoofdelijk aansprakelijk: 21 458 250 EUR; en

– ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE], [TKA] en [TKF], hoofdelijk aansprakelijk: 374 220 000 EUR.

3. Voor de in artikel 1, lid 3, bedoelde inbreuken in Luxemburg worden de volgende geldboeten opgelegd:

– Kone: [KC] en [Kone Luxemburg], hoofdelijk aansprakelijk: 0 EUR;

– Otis: [UTC], [OEC], [Otis België], [GTO] en [GT], hoofdelijk aansprakelijk: 18 176 400 EUR;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Luxemburg], hoofdelijk aansprakelijk: 17 820 000 EUR; en

– ThyssenKrupp: [TKAG], [TKE] en [TKAL], hoofdelijk aansprakelijk: 13 365 000 EUR.

4. Voor de in artikel 1, lid 4, bedoelde inbreuken in Nederland worden de volgende geldboeten opgelegd:

– Kone: [KC] en [Kone Nederland], hoofdelijk aansprakelijk: 79 750 000 EUR;

– Otis: [UTC], [OEC] en [Otis Nederland], hoofdelijk aansprakelijk: 0 EUR;

– Schindler: Schindler Holding [...] en [Schindler Nederland], hoofdelijk aansprakelijk: 35 169 750 EUR;

– ThyssenKrupp: [TKAG] en [TKL], hoofdelijk aansprakelijk: 23 477 850 EUR; en

– [MEE]: 1 841 400 EUR.

[...]”

Procesverloop en conclusies van partijen

33 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 mei 2007 (in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07 en T‑150/07) en 8 mei 2007 (in zaak T‑154/07), hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

34 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten in de onderhavige zaken tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het schriftelijke vragen gesteld aan de partijen en hun verzocht, bepaalde stukken over te leggen, waaraan binnen de gestelde termijn is voldaan.

35 Ter terechtzitting van 3, 7 en 10 september 2009 hebben de partijen in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht. Daarop is de mondelinge behandeling in de zaken T‑144/07 en T‑148/07 afgesloten.

36 Op het ter terechtzitting geformuleerde verzoek van het Gerecht hebben verzoeksters in de zaken T‑147/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 bepaalde stukken overgelegd.

37 Bij brieven van 14 en 15 september 2009 hebben verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 ter griffie een „corrigendum” neergelegd van hun middel dat ten onrechte recidive is vastgesteld.

38 Bij beschikkingen van 20 oktober 2009 is de mondelinge behandeling in de zaken T‑144/07 en T‑148/07 heropend.

39 De „corrigenda” van verzoeksters zijn in de hierboven in punt 37 genoemde zaken bij de stukken gevoegd. De Commissie heeft haar opmerkingen over deze corrigenda ingediend en met name aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk zijn. Verzoeksters hebben hun opmerkingen dienaangaande ingediend. Vervolgens is de mondelinge behandeling in deze zaken afgesloten.

40 Na de partijen ter terechtzitting op dit punt te hebben gehoord, heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering de onderhavige zaken voor het arrest gevoegd.

41 Verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 verzoeken het Gerecht:

– de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover zij op hen betrekking heeft;

– subsidiair, het bedrag van de opgelegde geldboete te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

42 De Commissie verzoekt het Gerecht in elke zaak:

– het beroep te verwerpen;

– verzoeksters te verwijzen in de kosten.

Ten gronde

1. Voorafgaande opmerkingen

43 De beroepen die verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 hebben ingediend, hebben een tweeledig doel: zij verzoeken primair om nietigverklaring van de bestreden beschikking en subsidiair om intrekking of verlaging van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten.

44 Tot staving van hun beroepen voeren verzoeksters tien middelen aan. De eerste twee middelen, die respectievelijk verband houden met de onbevoegdheid van de Commissie en met de onrechtmatige vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de inbreuk, dienen ter ondersteuning van de verzoeken tot nietigverklaring van de bestreden beschikking.

45 De acht overige door verzoeksters aangevoerde middelen houden verband met de vaststelling van het bedrag van de geldboeten en dienen dus ter ondersteuning van de verzoeken tot intrekking of verlaging van de geldboeten. Het eerste middel, dat wordt aangevoerd door verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07, betreft de schending van het beginsel ne bis in idem. Het tweede middel, dat wordt aangevoerd door verzoeksters in de zaken T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07, betreft de schending van de richtsnoeren van 1998, het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel en de rechten van de verdediging bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten op basis van de zwaarte van de inbreuken. Het derde middel, dat door alle verzoeksters wordt aangevoerd, betreft de schending van de richtsnoeren van 1998, het evenredigheidsbeginsel, artikel 253 EG en het gelijkheidsbeginsel bij de toepassing van de gemeenschappelijke afschrikkingsfactor bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten. Het vierde middel, dat door alle verzoeksters wordt aangevoerd, betreft de schending van de richtsnoeren van 1998, het evenredigheidsbeginsel en de rechten van de verdediging bij de verhoging van het basisbedrag van de geldboeten met 50 % wegens recidive. Het vijfde middel, dat door alle verzoeksters wordt aangevoerd, betreft de schending van de mededeling inzake medewerking van 2002 en van het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel bij de beoordeling van hun medewerking. Het zesde middel, dat door alle verzoeksters wordt aangevoerd, betreft de schending van het vertrouwens-, het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van goed bestuur bij de vaststelling van het bedrag waarmee de geldboeten wegens de verleende medewerking worden verlaagd buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002. Het zevende middel, dat door alle verzoeksters wordt aangevoerd, betreft de schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. Het achtste en laatste middel, dat door verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 wordt aangevoerd, betreft de schending van het evenredigheidsbeginsel bij de berekening van het eindbedrag van de geldboeten.

2. Verzoeken tot nietigverklaring van de bestreden beschikking

Middel inzake onbevoegdheid van de Commissie

46 Het onderhavige middel bevat twee onderdelen, die een voor een zullen worden onderzocht. Het eerste onderdeel houdt in dat artikel 81, lid 1, EG is geschonden omdat de betrokken mededingingsregelingen de handel tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloeden. Het tweede onderdeel, dat subsidiair is geformuleerd, houdt in dat verordening nr. 1/2003, de mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten (PB 2004, C 101, blz. 43) (hierna: „mededeling inzake samenwerking binnen het netwerk”) en het gelijkheids‑ en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden omdat de Commissie het aan de betrokken nationale autoriteiten had moeten overlaten om de inbreuken te vervolgen.

Eerste onderdeel: schending van artikel 81, lid 1, EG, omdat de betrokken mededingingsregelingen de handel tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloeden

47 In punt 602 van de bestreden beschikking stelt de Commissie dat „de vier voornaamste fabrikanten van liften en roltrappen (daaronder begrepen [MEE] in het geval van Nederland), gelet op hun doorverwijzingsbeleid, in elke betrokken lidstaat een systeem van toewijzing van projecten hebben toegepast en uitgevoerd, wat ertoe kon leiden dat de handelsstromen afweken van de richting die zij anders zouden hebben gevolgd”. Zij baseert zich dienaangaande op de volgende punten.

48 In de eerste plaats stelt de Commissie vast dat „binnen de Unie bepaalde grensoverschrijdende transacties op het gebied van de verkoop en de installatie van liften en roltrappen en de levering van onderhouds‑ en moderniseringsdiensten plaatsvinden” (punt 86 van de bestreden beschikking; zie eveneens punt 596 van de bestreden beschikking).

49 Volgens de Commissie bevat haar dossier „verschillende voorbeelden van grensoverschrijdende handel waarbij voornamelijk KMO’s betrokken zijn, maar ook ten minste één grote onderneming, [MEE, die] eveneens de Belgische markt bevoorraadt via haar dochteronderneming in Nederland” (punt 87 van de bestreden beschikking). Voorts stelt de Commissie vast dat „de vier voornaamste fabrikanten eveneens af en toe reageren op grensoverschrijdende aanbestedingen binnen de Unie” en geeft zij enkele voorbeelden ter illustratie hiervan (punt 88 van de bestreden beschikking; zie eveneens punt 78 van de bestreden beschikking). Volgens de Commissie „zijn de klanten steeds meer geneigd om zich in het buitenland te bevoorraden” (punt 596 van de bestreden beschikking).

50 Voorts is het volgens de Commissie „een trend dat grote (multinationale) ondernemingen en ondernemingsgroepen die in verschillende lidstaten aanwezig zijn, zoals internationale hotelketens, het liefst overeenkomsten sluiten die meerdere lidstaten bestrijken” (punt 89 van de bestreden beschikking).

51 In de tweede plaats verwijst de Commissie naar het doorverwijzingsbeleid van de vier grootste fabrikanten van liften en roltrappen in Europa. Volgens de Commissie „[zou h]et aantal grensoverschrijdende transacties groter zijn indien [deze] [...] fabrikanten [...] niet weloverwogen een beleid toepasten dat erop gericht is bijna alle grensoverschrijdende offerteaanvragen af te wijzen en de klant naar de betrokken nationale dochteronderneming door te verwijzen” (punt 90 van de bestreden beschikking; zie eveneens punt 596 van de bestreden beschikking).

52 In de derde plaats merkt de Commissie in het kader van haar juridische beoordeling op dat „het feit dat een horizontaal kartel slechts één lidstaat bestrijkt niet betekent dat de ongeoorloofde overeenkomsten de handel tussen lidstaten niet ongunstig kunnen beïnvloeden” (punt 595 van de bestreden beschikking). Voorts herinnert zij aan de vaste rechtspraak dat „[d]e invloed die een overeenkomst op de handel tussen lidstaten kan hebben, [...] in het bijzonder [afhangt] van de positie en het gewicht van de partijen op de markt van de betrokken producten [arrest Hof van 28 april 1998, Javico, C‑306/96, Jurispr. blz. I‑1983, punt 17]” (punt 600 van de bestreden beschikking). Zij stelt tevens dat „[aangezien] de vier voornaamste fabrikanten van liften en roltrappen een groot deel van hun omzet behalen met de verkoop, de installatie, het onderhoud en de modernisering van liften en roltrappen en een – aan hun doorverwijzingsbeleid gekoppeld – systeem van toewijzing van projecten hebben opgezet en toegepast dat zich respectievelijk uitstrekte over het gehele grondgebied van België, Luxemburg, Duitsland en Nederland, ervan moet worden uitgegaan dat het de buitenlandse ondernemingen minder gemakkelijk werd gemaakt om hun goederen en diensten in de betrokken landen te verkopen, aangezien zij in deze landen dienden op te boksen tegen een groep van fabrikanten die samen het grootste deel van het aanbod op de markt voor hun rekening namen” (punt 600 van de bestreden beschikking).

53 Verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 stellen in wezen dat de inbreuken geen merkbare nadelige invloed hadden op de handel tussen lidstaten en dus geen schending vormen van artikel 81 EG.

54 Zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van de artikelen 81 EG en 82 EG, zijn de mededingingsregels van de Unie slechts op een mededingingsregeling of een ongeoorloofde praktijk van toepassing indien deze regeling of praktijk de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden (arrest Hof van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619, punt 40).

55 Bij de uitlegging en toepassing van deze voorwaarde dat de handel tussen lidstaten wordt beïnvloed, dient het uitgangspunt te zijn dat deze voorwaarde tot doel heeft, op het gebied van de mededingingsregels het toepassingsgebied van het recht van de Unie af te bakenen ten opzichte van het recht van de lidstaten. Zo is het recht van de Unie van toepassing op elke mededingingsregeling en elke gedraging die de vrije handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden op een wijze die schadelijk kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten, inzonderheid door afscherming van de nationale markten of door wijziging van de mededingingsstructuur op de gemeenschappelijke markt (arrest Manfredi e.a., aangehaald in punt 54, punt 41; arresten Hof van 23 november 2006, Asnef-Equifax en Administración del Estado, C‑238/05, Jurispr. blz. I‑11125, punt 33, en 25 januari 2007, Dalmine/Commissie, C‑407/04 P, Jurispr. blz. I‑829, punt 89).

56 Besluiten, overeenkomsten of feitelijke gedragingen kunnen de handel tussen lidstaten slechts ongunstig beïnvloeden indien zij op grond van een reeks feitelijke en juridische gegevens met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kunnen doen verwachten dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, invloed kunnen uitoefenen op het handelsverkeer tussen lidstaten, en wel zo dat gevreesd moet worden dat zij de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen lidstaten kunnen belemmeren. Deze invloed mag voorts niet van zeer geringe betekenis zijn (arrest Javico, aangehaald in punt 52, punt 16; arrest van 21 januari 1999, Bagnasco e.a., C‑215/96 en C‑216/96, Jurispr. blz. I‑135, punt 47, en arresten Manfredi e.a., aangehaald in punt 54, punt 42; Asnef-Equifax en Administración del Estado, aangehaald in punt 55, punt 34, en Dalmine/Commissie, aangehaald in punt 55, punt 90).

57 De ongunstige beïnvloeding van de intracommunautaire handel is dus in de regel het gevolg van verscheidene factoren, die, elk afzonderlijk, niet per se beslissend hoeven te zijn (arresten Bagnasco e.a., aangehaald in punt 56, punt 47; Manfredi e.a., aangehaald in punt 54, punt 43, en Asnef-Equifax en Administración del Estado, aangehaald in punt 55, punt 35).

58 Volgens verzoeksters wordt de handel tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloed door de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde inbreuken, aangezien de activiteiten op het gebied van liften en roltrappen op nationaal, of zelfs lokaal, niveau worden georganiseerd, met name omdat de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen een werk voor ervaren vaklieden is dat om redenen van economische efficiëntie slechts op lokaal niveau kan worden verricht, en omdat snel moet kunnen worden opgetreden en deze materie nationaal geregeld is. Internationale transacties zijn overigens uitzonderlijk. Volgens verzoeksters is de Commissie zelf van mening dat het gaat om nationale kartels.

59 Vastgesteld moet worden dat verzoeksters niet betwisten dat de vier in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde mededingingsregelingen het gehele grondgebied van België, Duitsland, Luxemburg en Nederland bestreken (punten 595 en 600 van de bestreden beschikking).

60 Volgens vaste rechtspraak heeft een mededingingsregeling die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijkt, naar haar aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting belemmert (arresten Hof van 17 oktober 1972, Vereeniging van Cementhandelaren/Commissie, 8/72, Jurispr. blz. 977, punt 29, en 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, Jurispr. blz. I‑1577, punt 95; arresten Manfredi e.a., aangehaald in punt 54, punt 45, en Asnef-Equifax en Administración del Estado, aangehaald in punt 55, punt 37; arresten Gerecht van 22 oktober 1997, SCK en FNK/Commissie, T‑213/95 en T‑8/96, Jurispr. blz. II‑1739, punt 179, en 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punt 180).

61 Uit deze rechtspraak volgt dat er op zijn minst een sterk vermoeden bestaat dat een mededingingsbeperkende praktijk die op het gehele grondgebied van een lidstaat wordt toegepast, kan bijdragen tot de afscherming van de markten en het intracommunautaire handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden. Dat vermoeden kan slechts worden ontzenuwd wanneer het onderzoek van de kenmerken van de overeenkomst en van de economische context waarin zij is gesloten, het tegendeel aantoont (arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 60, punt 181).

62 Om te beginnen heeft de Commissie, anders dan verzoeksters in de zaken T‑144/07, T‑147/07, T‑148/07, T‑149/07, T‑150/07 en T‑154/07 stellen, haar conclusie in de bestreden beschikking dat de mededingingsregelingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden in de zin van artikel 81, lid 1, EG, niet uitsluitend op deze rechtspraak gebaseerd. Uit de punten 47 tot en met 52 hierboven blijkt immers dat de Commissie zich in deze beschikking ook heeft gebaseerd op het feit dat met name de vier voornaamste in de bestreden beschikking genoemde fabrikanten hebben deelgenomen aan bepaalde grensoverschrijdende transacties op het gebied van de verkoop en de installatie van liften en roltrappen en op het gebied van onderhouds‑ en moderniseringsdiensten (punten 87, 88 en 596 van de bestreden beschikking).

63 Voorts moet worden vastgesteld dat de argumenten van verzoeksters betreffende de specifieke kenmerken van de betrokken markt, waaruit het nationale, of zelfs lokale, karakter ervan zou blijken, geen afbreuk kunnen doen aan de bewijskracht van de in de bestreden beschikking aangehaalde bewijsstukken (punten 88 en 90 van de bestreden beschikking), die aantonen dat op de in de bestreden beschikking bedoelde markt handel tussen lidstaten wordt gedreven. Hetzelfde geldt voor het argument dat internationale transacties uitzonderlijk zijn. Hiermee wordt enkel in twijfel getrokken dat de handel tussen lidstaten op merkbare wijze wordt beïnvloed en niet dat dergelijke handel bestaat.

64 Ten slotte vormt het doorverwijzingsbeleid van Kone, Otis, Schindler en ThyssenKrupp, zoals blijkt uit de bestreden beschikking, „op zich een aanwijzing dat de klanten het in zekere mate interessant vinden om een beroep te doen op leveranciers buiten de landsgrenzen” (punt 596 van de bestreden beschikking). Voorts heeft de Commissie met name gewezen op de deelname van buitenlandse ondernemingen aan nationale aanbestedingen (punt 78 van de bestreden beschikking) en op het bestaan van internationale aanbestedingen (punt 89 van de bestreden beschikking). Zoals de Commissie in punt 90 van de bestreden beschikking opmerkt, kan ervan worden uitgegaan dat het aantal grensoverschrijdende transacties groter zou zijn indien de vier bovengenoemde grote fabrikanten niet weloverwogen een beleid zouden voeren dat erop gericht is alle grensoverschrijdende aanvragen af te wijzen en de klanten naar de betrokken nationale dochteronderneming door te verwijzen.

65 Het argument van verzoeksters dat het doorverwijzingsbeleid door de aard van de betrokken activiteit is ingegeven, dient te worden verworpen. Dit argument wordt immers tegengesproken door het feit dat op de betrokken markt bepaalde grensoverschrijdende transacties worden verricht.

66 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie op basis van de in de vorige punten genoemde feitelijke vaststellingen en op basis van vaste rechtspraak (zie punt 60 hierboven) kon concluderen dat de in artikel 1 van de bestreden beschikking bedoelde mededingingsregelingen de handel tussen lidstaten ongunstig konden beïnvloeden.

67 Wat de vraag betreft of deze invloed merkbaar is, zij eraan herinnerd dat de invloed die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de handel tussen lidstaten kunnen hebben, in het bijzonder wordt beoordeeld met inachtneming van de positie en het gewicht van de partijen op de markt van de betrokken producten (arrest Hof van 10 juli 1980, Lancôme en Cosparfrance Nederland, 99/79, Jurispr. blz. 2511, punt 24; arrest Javico, aangehaald in punt 52, punt 17, en arrest Gerecht van 14 juli 1994, Parker Pen/Commissie, T‑77/92, Jurispr. blz. II‑549, punt 40).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in