Gerecht EU 5 oktober 2011, T-39/06, ECLI:EU:T:2011:562
Tekst
Zaak T‑39/06
Transcatab SpA
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Toerekenbaarheid van inbreuk makend gedrag – Geldboeten – Evenredigheid – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria – Vermoeden dat moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op 100 %-dochterondernemingen
(Art. 81 EG)
2. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 1)
3. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag – Berekening – Omzet die in aanmerking moet worden genomen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
4. Handelingen van de instellingen – Richtsnoeren voor berekening van geldboeten die bij schending van mededingingsregels worden opgelegd – Handeling die externe gevolgen beoogt te sorteren – Draagwijdte
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23 lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Inbreuken die uitsluitend wegens aard ervan als zeer ernstig worden aangemerkt
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)
6. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang
(Art. 81 EG en 253 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3)
7. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27)
8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsmarge van Commissie – Grenzen – Inachtneming van evenredigheidsbeginsel – Draagwijdte
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Afschrikkende werking van geldboete
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 5, sub b)
10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomst
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punten 1 A, eerste alinea, en 3, tweede streepje)
11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Beëindiging van inbreuk bij eerste stappen van Commissie – Draagwijdte
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3, derde streepje)
12. Recht van Unie – Beginselen – Bescherming van gewettigd vertrouwen – Voorwaarden
13. Landbouw – Mededingingsregels – Verordening nr. 26 – Toepassing van uitzondering voorzien voor overeenkomsten, besluiten en gedragingen die vereist zijn voor in artikel 33 EG omschreven doelstellingen – Voorwaarden
(Art. 33 EG en 81, lid 1, EG; verordening nr. 26 van de Raad, art. 2)
14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking van betrokken onderneming buiten werkingssfeer van clementieregeling – Voorwaarden
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededelingen 98/C/9/03, punt 3, zesde streepje, en 2002/C 45/03 van de Commissie)
15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Eerste geval van toepassing van mededingingsregels op bepaalde sector van economie – Beoordelingsmarge van Commissie
(Verordening nr. 1/2003; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)
16. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Ongezonde financiële situatie van betrokken sector – Beoordelingsmarge van Commissie
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
17. Procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten
(Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, sub c, en 48, lid 2)
18. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Voorwaarden
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punt 23, laatste alinea)
19. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die één enkele inbreuk vormen
(Art. 81, lid 1, EG)
1. Op het gebied van de mededinging kan het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een eigen rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen. Aangezien de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie immers deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, kan de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij richten, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was.
In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, kan enerzijds deze moedermaatschappij beslissende invloed op het gedrag van deze dochter uitoefenen, en bestaat er anderzijds een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk een dergelijke invloed uitoefent. Zo kan de Commissie, wanneer het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van de moedermaatschappij, aannemen dat die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, zonder aanvullend bewijs hoeven aan te voeren waaruit blijkt dat de moedermaatschappij een dergelijke invloed daadwerkelijk heeft uitgeoefend of ook maar de geringste kennis had van de inbreuk of de betrokkenheid van die dochteronderneming bij die inbreuk. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden, ten aanzien waarvan tegenbewijs is toegelaten. De moedermaatschappij dient dus het vermoeden te weerleggen met bewijsmateriaal dat kan aantonen dat haar dochteronderneming haar marktgedrag autonoom bepaalt en dat die twee ondernemingen dus niet één economische entiteit vormen. Anders wordt de uitoefening van zeggenschap aangetoond door het feit dat het vermoeden ontleend aan het bezit van het volledige kapitaal niet is weerlegd.
Het feit dat een dochteronderneming haar eigen lokale directie en eigen middelen heeft, toont op zich niet aan dat zij haar marktgedrag zelfstandig bepaalt ten opzichte van haar moedermaatschappij. Dat het beheer van de lopende activiteiten wordt toevertrouwd aan de lokale directie van een 100 %-dochteronderneming is namelijk een gebruikelijke praktijk en kan dus geen bewijs vormen voor de werkelijke autonomie van de dochterondernemingen.
(cf. punten 92‑94, 103, 106)
2. Op het gebied van de mededinging verlangt de eerbiediging van de rechten van verdediging dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd.
Dit beginsel is neergelegd in artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003, dat bepaalt dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden die duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert, opdat de betrokkenen weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt en zich kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Aan dit vereiste is voldaan wanneer in die beschikking aan betrokkenen geen andere dan in de mededeling van de punten van bezwaar opgenomen inbreuken ten laste worden gelegd en daarin slechts wordt uitgegaan van feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken.
Dit kan evenwel beknopt geschieden en de beschikking behoeft niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met de mededeling van de punten van bezwaar, daar deze mededeling een voorbereidend document is met zuiver voorlopige feitelijke en juridische beoordelingen. Toevoegingen aan de mededeling van de punten van bezwaar, waarmee wordt gereageerd op de antwoorden van de partijen en waaruit blijkt dat zij hun recht van verweer daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen, zijn dus toelaatbaar. In het licht van de administratieve procedure kan de Commissie ook de feitelijke of juridische argumenten die zij ter ondersteuning van haar bezwaren heeft aangevoerd, wijzigen of aanvullen.
Met betrekking tot de toerekenbaarheid aan een moedermaatschappij van een door haar 100 %-dochteronderneming gepleegde inbreuk is de Commissie overigens niet verplicht om in de mededeling van de punten van bezwaar andere elementen aan te voeren dan het bewijs van de omstandigheid dat de moedermaatschappij het kapitaal van haar dochterondernemingen in handen heeft.
(cf. punten 115‑117, 123)
3. Het plafond van 10 % van de omzet bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 dient te worden berekend op basis van de gezamenlijke omzet van alle vennootschappen die deel uitmaken van de als onderneming in de zin van artikel 81 EG handelende economische eenheid, daar alleen de gezamenlijke omzet van de vennootschappen van de groep een aanwijzing kan vormen van de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming.
(cf. punten 129‑130)
4. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, zijn een instrument waarmee, met inachtneming van het recht van hogere rang, de criteria worden gespecificeerd die de Commissie voornemens is toe te passen in het kader van de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van de geldboeten. Die richtsnoeren vormen niet de rechtsgrondslag van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, aangezien deze gebaseerd is op verordening nr. 1/2003, maar zij bepalen op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van bij deze beschikking opgelegde geldboeten dient te volgen, en waarborgen derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen.
De richtsnoeren kunnen dus weliswaar niet worden aangemerkt als rechtsregels die het bestuur hoe dan ook dient na te leven, maar vormen wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk, waarvan het bestuur in een concreet geval niet mag afwijken zonder dit te rechtvaardigen.
De zelfbeperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie die volgt uit de vaststelling van de richtsnoeren, is evenwel niet onverenigbaar met het behoud van een aanzienlijke beoordelingsmarge door de Commissie. Het feit dat de Commissie via de richtsnoeren haar aanpak van de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk heeft gepreciseerd, verzet zich immers niet ertegen dat zij deze zwaarte globaal beoordeelt aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder factoren die niet uitdrukkelijk in de richtsnoeren worden genoemd.
(cf. punten 141‑143)
5. Blijkens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, kunnen horizontale kartels die met name de vaststelling van de prijzen beogen, louter op grond van hun eigen aard als een „zeer zware” inbreuk worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen en zonder dat de beperkte omvang van de betrokken geografische markt zich tegen een dergelijke kwalificatie verzet. Deze conclusie vindt steun in het feit dat in de beschrijving van zware inbreuken uitdrukkelijk sprake is van de weerslag op de markt en van de gevolgen voor uitgestrekte gebieden van de gemeenschappelijke markt, terwijl in de beschrijving van zeer zware inbreuken niet staat dat er sprake moet zijn van enige concrete weerslag op de markt of van gevolgen die zich in een bepaald geografisch gebied doen gevoelen.
Voor de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk is beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Wat daarna met de reële marktprijzen gebeurde, kon worden beïnvloed door andere factoren, waarop de leden van het kartel geen greep hadden, zodat zij externe factoren die hun inspanningen hebben tegengewerkt, niet in hun voordeel kunnen aanvoeren als omstandigheden die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen.
Wanneer de uitvoering van een kartel is aangetoond, kan van de Commissie niet worden verlangd dat zij stelselmatig aantoont dat de afspraken de betrokken ondernemingen daadwerkelijk in staat hebben gesteld een hogere of – in het geval van inkoopkartels – een lagere transactieprijs te bereiken dan zonder het kartel het geval zou zijn geweest. Het zou buitensporig zijn een dergelijk bewijs – dat de inzet van aanzienlijke middelen zou vereisen – te verlangen, aangezien daarvoor hypothetische berekeningen moeten worden gemaakt op grond van economische modellen waarvan de juistheid door de rechter slechts moeilijk is na te gaan en waarvan de onfeilbaarheid geenszins is bewezen.
Bovendien is de omvang van de geografische markt geen zelfstandig criterium in die zin dat enkel inbreuken die het merendeel van de lidstaten treffen, als „zeer zwaar” kunnen worden gekwalificeerd. Noch het Verdrag, noch verordening nr. 1/2003, noch de richtsnoeren, noch de rechtspraak bieden steun aan de veronderstelling dat uitsluitend geografisch zeer omvangrijke mededingingsbeperkingen aldus kunnen worden aangemerkt. Voorts kunnen overeenkomsten die met name strekken tot vaststelling van de aankoopprijzen en tot verdeling van de aangekochte hoeveelheden, reeds op grond van hun aard als een zeer zware inbreuk worden gekwalificeerd, en is hiervoor niet nodig dat zij een bepaald geografisch gebied bestrijken. Hieruit volgt dat de omvang van de betrokken geografische markt, ook al zou deze beperkt zijn, zich niet verzet tegen de kwalificatie van de inbreuk als „zeer zwaar”.
(cf. punten 148‑149, 168‑169, 172)
6. In het kader van de vaststelling van geldboeten wegens schending van het mededingingsrecht is aan de motiveringsplicht voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de beoordelingsgegevens vermeldt aan de hand waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft kunnen beoordelen.
In het kader van analyses betreffende inbreuken op artikel 81 EG kan artikel 253 EG niet aldus worden uitgelegd dat het de Commissie voorschrijft in haar beschikkingen de redenen aan te geven waarom zij met betrekking tot de berekening van het bedrag van de geldboete geen andere benaderingen heeft gevolgd dan die welke daadwerkelijk in de eindbeschikking is toegepast.
(cf. punten 175, 177)
7. Wanneer de Commissie in haar mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk verklaart dat zij zal onderzoeken of aan de betrokken ondernemingen geldboeten dienen te worden opgelegd, en zij de voornaamste feitelijke en juridische gegevens vermeldt op grond waarvan een boete kan worden opgelegd, zoals de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de omstandigheid dat deze opzettelijk of uit onachtzaamheid is begaan, voldoet zij aan haar verplichting tot eerbiediging van het recht van de ondernemingen om te worden gehoord. Daardoor verstrekt de Commissie deze ondernemingen de nodige gegevens om zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van geldboeten te verdedigen.
Wanneer de Commissie de feitelijke en juridische gegevens heeft vermeld op basis waarvan de geldboete zou worden berekend, behoeft zij echter niet nader uit te leggen hoe zij elk van deze gegevens bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete zal gebruiken. Voorts kan de Commissie in haar beschikking ook de feitelijke of juridische argumenten die zij ter ondersteuning van haar bezwaren heeft aangevoerd, wijzigen of aanvullen in het licht van de administratieve procedure.
Hieruit volgt dat de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboeten voor de Commissie worden gewaarborgd doordat zij opmerkingen kunnen maken omtrent de duur, de zwaarte en het mededingingsverstorende karakter van de hun verweten feiten.
(cf. punten 180‑182)
8. In het kader van de procedures die de Commissie inleidt om schendingen van de mededingingsregels te bestraffen, houdt de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in dat de geldboeten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel, de naleving van de mededingingsregels te verzekeren, en dat het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, evenredig moet zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan. Meer bepaald impliceert het evenredigheidsbeginsel dat de Commissie de geldboete moet vaststellen in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze moet toepassen.
Noch verordening nr. 1/2003 noch de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, bepalen dat het bedrag van de geldboeten rechtstreeks op basis van de omvang van de betrokken markt dient te worden vastgesteld; de omvang van de betrokken markt is geen verplichte factor, maar slechts één van de relevante factoren voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk. Deze bepalingen verplichten de Commissie dus als zodanig niet om rekening te houden met de geringe omvang van de productmarkt.
Het toepasselijke recht bevat geen algemeen geldend beginsel volgens hetwelk de sanctie evenredig moet zijn aan de omzet van de onderneming op de betrokken markt. Bij de vaststelling van de geldboete mag zowel rekening worden gehouden met de totale omzet van de onderneming, die – zij het bij benadering en onvolledig – een aanwijzing vormt voor haar omvang en economische macht, als met het gedeelte van de omzet dat is behaald met de verkoop van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, en dat dus een indruk geeft van de omvang van deze inbreuk. Aan geen van deze omzetcijfers mag een belang worden toegekend dat niet in verhouding staat tot de overige beoordelingscriteria, zodat de vaststelling van een passende geldboete niet de uitkomst van een eenvoudige berekening op basis van de totale omzet kan zijn. Dit geldt in het bijzonder wanneer de betrokken goederen slechts een klein deel van deze omzet vertegenwoordigen. Voorts kan de geldboete niet onevenredig worden geacht op de loutere grond dat zij de omzet op de betrokken markt overschrijdt, voor zover de uiteindelijke geldboete 10 % van de totale omzet van de betrokken onderneming in het laatste jaar van de inbreuk niet overschrijdt.
(cf. punten 189‑190, 196‑197, 199)
9. Wanneer in het kader van de berekening van de geldboeten wegens inbreuk op de mededingingsregels het doel van de afschrikking betrekking heeft op het gedrag van de ondernemingen binnen de Unie, wordt de afschrikkingsfactor bepaald aan de hand van een groot aantal feiten en omstandigheden, en niet alleen op grond van de specifieke situatie van de betrokken onderneming.
De Commissie is niet verplicht om bij de bepaling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de deficitaire financiële situatie van een onderneming, aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt. Een onderneming kan de toepassing van de vermenigvuldigingscoëfficiënt voor afschrikking dus niet betwisten met het argument dat zij in de periode waarin het kartel actief was, verlies heeft geleden, waardoor zij sinds de inleiding van de administratieve procedure niet meer kon opereren op de door het kartel geraakte markt.
Dat een maatregel van een instelling het faillissement of de liquidatie van een bepaalde onderneming teweegbrengt, is als zodanig overigens door het Unierecht niet verboden. Weliswaar kan de liquidatie van een onderneming in haar bestaande rechtsvorm afbreuk doen aan de financiële belangen van de eigenaren, aandeelhouders of houders van participatiebewijzen, maar dat betekent nog niet dat ook de door de onderneming vertegenwoordigde personele, materiële en immateriële middelen hun waarde zouden verliezen.
(cf. punten 221‑224)
10. De verzachtende omstandigheid bedoeld in punt 3, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, namelijk het feit dat de inbreukmakende overeenkomsten of gedragingen niet daadwerkelijk zijn toegepast, is gebaseerd op het eigen gedrag van elke onderneming. Hieruit volgt dat bij de beoordeling van deze verzachtende omstandigheid geen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de inbreuk in haar geheel, die in aanmerking moeten worden genomen bij de evaluatie van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt ter beoordeling van de zwaarte ervan (punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren), maar met het individuele gedrag van elke onderneming, om het relatieve gewicht van de deelneming van elke onderneming aan de inbreuk te bepalen.
Overtreders kunnen hoe dan ook pas in aanmerking komen voor toepassing van punt 3, tweede streepje, van de richtsnoeren indien zij aantonen dat zij de concurrentie zijn aangegaan, of althans dat zij zo duidelijk en in aanzienlijke mate zijn tekortgeschoten in hun verplichting tot toepassing van de mededingingsregeling dat zij de werking van deze laatste hebben verstoord, en dat zij niet ogenschijnlijk met de overeenkomst hebben ingestemd en daardoor andere ondernemingen ertoe hebben aangezet de betrokken mededingingsregeling uit te voeren.
(cf. punten 273, 275)
11. Volgens punt 3, derde streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, kan het basisbedrag van de door de Commissie vastgestelde geldboete onder meer worden verlaagd wanneer de betrokken onderneming de inbreuk reeds bij de eerste stappen van de Commissie beëindigt.
Een dergelijke verlaging van de geldboete kan evenwel niet automatisch zijn, maar hangt af van een beoordeling van de omstandigheden van het concrete geval door de Commissie in het kader van haar beoordelingsbevoegdheid. De omstandigheden van het concrete geval kunnen de Commissie dus nopen om een onderneming die partij is bij een onrechtmatige overeenkomst, niet te laten profiteren van een dergelijke verlaging van het basisbedrag van de geldboete.
Zou de aanspraak op een verzachtende omstandigheid worden erkend in situaties waarin een onderneming partij is bij een kennelijk onrechtmatige overeenkomst waarvan zij wist of kon weten dat deze een inbreuk vormde, dan zou dit ondernemingen ertoe kunnen aanzetten een geheime overeenkomst zo lang mogelijk voort te zetten, in de hoop dat hun gedraging nooit aan het licht komt, terwijl zij weten dat, indien zij aan het licht komt, de geldboete zou kunnen worden verminderd. Een dergelijke erkenning zou de opgelegde geldboete elke afschrikkende werking ontnemen en afbreuk doen aan het nuttig effect van artikel 81, lid 1, EG.
Bovendien kan de beëindiging van een opzettelijk gepleegde inbreuk niet als verzachtende omstandigheid worden beschouwd, wanneer deze beëindiging is ingegeven door het optreden van de Commissie.
(cf. punten 282‑284)
12. Voor een beroep op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen moet aan drie voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet de betrokkene van de instanties nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. Ten tweede moeten deze toezeggingen gegronde verwachtingen kunnen wekken bij degene tot wie zij zijn gericht. Ten derde moeten de toezeggingen in overeenstemming zijn met de toepasselijke voorschriften.
Op het gebied van de mededinging kan uit het enkele feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete bepaalde factoren als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, niet worden afgeleid dat zij verplicht is dit in een latere beschikking eveneens te doen. Bijgevolg kan een onderneming geen argument ontlenen aan het feit dat deze verzachtende omstandigheid in andere inbreukgevallen is toegepast om zich te beroepen op een gewettigd vertrouwen op dit punt.
(cf. punten 289, 291)
13. Verordening nr. 26 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten, en met name artikel 2 ervan, voorziet in een uitzondering op de toepasselijkheid van artikel 81, lid 1, EG voor de overeenkomsten, besluiten en gedragingen betreffende de voortbrenging van of de handel in de in bijlage I bij het EG-Verdrag genoemde producten, die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 33 EG omschreven doelstellingen.
Als uitzondering op de algemene regel van artikel 81, lid 1, EG dient artikel 2 van verordening nr. 26 strikt te worden uitgelegd. Voorts is artikel 2, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 26, dat de betrokken uitzondering bevat, slechts van toepassing indien de betrokken overeenkomst bijdraagt tot de verwezenlijking van alle doelstellingen van artikel 33 EG. Bovendien blijkt uit de tekst zelf van artikel 2, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 26 dat de betrokken overeenkomst „vereist” moet zijn voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.
Nu geen mededeling en geen formele procedure heeft plaatsgevonden, kan een onderneming die heeft deelgenomen aan een kennelijke en zeer zware inbreuk op artikel 81 EG in de sector ruwe tabak niet stellen dat zij betwijfelde of de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van de bij verordening nr. 26 voorziene afwijking viel. Voorts is het in een systeem als dat van verordening nr. 26 uitgesloten dat private marktdeelnemers hun eigen beoordeling in de plaats kunnen stellen van die van de Commissie op het punt van de meest geschikte middelen ter bereiking van de doelstellingen van artikel 33 EG, en aldus onrechtmatige initiatieven nemen die zouden worden gerechtvaardigd door het feit dat zij die doelstellingen nastreefden. Bovendien is de handhaving van een echte mededinging op de markten voor landbouwproducten een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de gemeenschappelijke ordening van de betrokken markten. Een dergelijke onderneming kan dus niet stellen dat duidelijk mededingingsbeperkende overeenkomsten, waaraan zij heeft deelgenomen, de doelstellingen van artikel 33, lid 1, EG nastreefden.
(cf. punten 298‑300, 303, 305)
14. Volgens punt 3, zesde streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, kan het basisbedrag van de geldboete worden verlaagd wegens de daadwerkelijke medewerking van de onderneming in het kader van de procedure, buiten de werkingssfeer van de clementieregeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken. Deze specifieke verzachtende omstandigheid geldt slechts voor inbreuken die buiten de werkingssfeer van de clementieregeling vallen.
De toepassing van punt 3, zesde streepje, van de richtsnoeren mag er niet toe leiden dat de clementieregeling haar nuttig effect verliest. De clementieregeling schept namelijk een kader voor het belonen van ondernemingen die partij zijn of zijn geweest bij geheime kartels die de Unie treffen, voor hun medewerking aan het onderzoek van de Commissie. Uit de bewoordingen en de opzet van deze regeling volgt dus dat de ondernemingen in beginsel enkel een boetevermindering voor hun medewerking kunnen krijgen wanneer zij aan de strenge voorwaarden van de genoemde regeling voldoen.
Om het nuttig effect van de clementieregeling te bewaren, kan de Commissie dus enkel in uitzonderlijke gevallen aan een onderneming een boetevermindering op basis van punt 3, zesde streepje, van de richtsnoeren toekennen. Dit is met name het geval wanneer de medewerking die een onderneming verleent, die weliswaar verder gaat dan de wettelijke verplichting tot medewerking maar geen recht geeft op boetevermindering uit hoofde van de clementieregeling, objectief gezien nuttig is voor de Commissie.
(cf. punten 327‑330)
15. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, voorzien niet uitdrukkelijk in een verzachtende omstandigheid betreffende het ontbreken van precedenten op de door de inbreuk getroffen markt. Het laatste streepje van punt 3 van de richtsnoeren voorziet evenwel in de mogelijkheid dat de Commissie voor de toekenning van een vermindering van het basisbedrag van de geldboete rekening houdt met andere dan de in de eerdere streepjes genoemde omstandigheden. De Commissie beschikt bij de toepassing van verzachtende omstandigheden over een beoordelingsmarge. De Commissie is met name niet verplicht de geldboeten te matigen wanneer zij voor de eerste keer in een bepaalde sector optreedt.
(cf. punten 342‑343)
16. Wanneer zij een boete oplegt wegens inbreuk op de mededingingsregels is de Commissie niet verplicht om de ongezonde financiële situatie van de betrokken sector als verzachtende omstandigheid aan te merken. Kartels ontstaan immers over het algemeen wanneer een sector problemen heeft. Zou de Commissie verplicht zijn om rekening te houden met die problemen, dan zou de geldboete dus in nagenoeg alle kartelgevallen moeten worden verlaagd.
Het is juist dat in de beschikkingspraktijk van de Commissie structurele crises soms als verzachtende omstandigheid zijn aangemerkt, doch het feit dat de Commissie in eerdere zaken de economische situatie van de sector als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, betekent nog niet dat zij die praktijk noodzakelijkerwijs moet blijven volgen.
(cf. punten 352‑353)
17. Ter verzekering van de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling, is voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de wezenlijke omstandigheden, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Ofschoon het verzoekschrift op specifieke punten kan worden onderbouwd en aangevuld met verwijzingen naar passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, in dat verband geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële bestanddelen van het juridische betoog, die in het verzoekschrift moeten staan. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te bepalen die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen.
De dwingende voorwaarden van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zouden dus worden omzeild, wanneer de ontvankelijkheid werd aanvaard van middelen die in het verzoekschrift niet voldoende zijn uiteengezet, maar verwijzen naar middelen die mogelijkerwijs zijn opgeworpen door een derde in een andere zaak waarnaar in het verzoekschrift impliciet wordt verwezen.
Hoe dan ook is het Gerecht verplicht een in het petitum van het bij hem ingediende verzoekschrift geformuleerde vordering niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de wezenlijke feitelijke en juridische omstandigheden waarop deze vordering is gebaseerd, niet coherent en begrijpelijk worden weergegeven in de tekst van dat verzoekschrift zelf, waarbij het ontbreken van dergelijke gegevens in het verzoekschrift niet kan worden hersteld door ze ter terechtzitting naar voren te brengen.
(cf. punten 366, 371‑372)
18. Het is inherent aan de logica van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken dat die mededeling een klimaat van onzekerheid binnen de kartels wil creëren door de aangifte van het kartel bij de Commissie aan te moedigen. Deze onzekerheid vloeit juist voort uit het feit dat de kartelleden weten dat slechts één van hen immuniteit tegen geldboeten zal kunnen verkrijgen door de overige deelnemers aan de inbreuk aan te geven, zodat dezen het risico lopen dat hun geldboeten worden opgelegd. In het kader van dat systeem en volgens dezelfde logica komen de ondernemingen die het snelst meewerken, in aanmerking voor een ruimere verlaging van de geldboete die hun anders zou worden opgelegd, dan de ondernemingen die minder snel meewerken. De chronologische volgorde en de snelheid van medewerking van de kartelleden zijn dus essentiële onderdelen van het door de clementieregeling ingevoerde systeem.
De uitlegging van het doel van een bepaling van de clementieregeling moet evenwel stroken met de grondgedachte zelf van deze regeling. In die optiek moet punt 23, laatste alinea, van deze regeling worden uitgelegd als ertoe strekkende een onderneming, zelfs als zij niet als eerste een verzoek om immuniteit heeft ingediend inzake het betrokken kartel, te belonen wanneer zij de eerste is die de Commissie bewijsmateriaal verstrekt met betrekking tot feiten die de Commissie niet eerder bekend waren en die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van het kartel. Anders gezegd, wanneer het door een onderneming verstrekte bewijsmateriaal feiten betreft waarin de Commissie aanleiding kan zien haar beoordeling tot dan toe van de zwaarte of de duur van het kartel te wijzigen, wordt de onderneming die dat bewijsmateriaal verstrekt beloond met immuniteit ter zake van de beoordeling van de feiten die met dat bewijsmateriaal kunnen worden aangetoond.
Punt 23, laatste alinea, van de clementieregeling heeft dus geen betrekking op de gevallen waarin een onderneming enkel nieuw of vollediger bewijsmateriaal heeft verstrekt inzake feiten die de Commissie reeds bekend zijn. Die alinea is evenmin van toepassing op gevallen waarin een onderneming nieuwe feiten ter kennis brengt, die evenwel de beoordeling van de Commissie van de zwaarte of de duur van het kartel niet kunnen wijzigen. Deze bepaling is integendeel uitsluitend van toepassing op gevallen waarin aan twee voorwaarden is voldaan: de betrokken onderneming is de eerste die feiten bewijst die de Commissie niet eerder bekend waren, en die feiten, die een rechtstreeks gevolg hebben voor de zwaarte of de duur van het vermeende kartel, stellen de Commissie in staat tot nieuwe conclusies over de inbreuk te komen.
(cf. punten 379‑382)
19. Een onderneming die aan een inbreuk op de mededingingsregels heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormen en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beogen te leveren, is voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens verantwoordelijk voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk.
Eveneens kan een onderneming, zelfs indien vaststaat dat zij slechts rechtstreeks aan een of meer van de bestanddelen van het hele kartel heeft deelgenomen, voor een kartel in zijn geheel verantwoordelijk worden gesteld wanneer zij wist of noodzakelijkerwijs moest weten dat de heimelijke verstandhouding waaraan zij deelnam, deel uitmaakte van een algemeen plan en dat dit algemene plan alle bestanddelen van het kartel dekte.
(cf. punten 394‑395)
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
5 oktober 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag – Geldboeten – Evenredigheid – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Medewerking”
In zaak T‑39/06,
Transcatab SpA, gevestigd te Caserta (Italië), vertegenwoordigd door C. Osti en A. Prastaro, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Amato, vervolgens door V. Di Bucci, en ten slotte door É. Gippini Fournier en L. Malferrari als gemachtigden, bijgestaan door F. Ruggeri Laderchi, advocaat,
verweerster,
betreffende in de eerste plaats een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2005) 4012 def. van de Commissie van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië), in de tweede plaats een verzoek tot verlaging van de geldboete die aan Transcatab is opgelegd bij deze beschikking, en in de derde plaats een reconventionele vordering van de Commissie tot verhoging van deze geldboete,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Azizi, president, E. Cremona (rapporteur) en S. Frimodt Nielsen, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 november 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, Transcatab SpA, is een Italiaanse vennootschap, momenteel in liquidatie, die zich voornamelijk bezighield met de eerste bewerking van ruwe tabak. Ten tijde van de feiten van de onderhavige zaak was Transcatab de Italiaanse 100 %-dochteronderneming van Standard Commercial Corp. (hierna: „SCC”), een van de grootste onafhankelijke handelaars in bladtabak ter wereld. Op 13 mei 2005, tijdens de administratieve procedure, is SCC gefuseerd met Dimon Inc., waardoor een nieuwe entiteit met de naam Alliance One International, Inc. is ontstaan (hierna: „Alliance One”), die Transcatab voor 100 % in handen heeft.
1. Administratieve procedure
2 Op 15 januari 2002 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verzoeken om inlichtingen inzake de Italiaanse markt voor ruwe tabak gericht tot de beroepsverenigingen van Italiaanse tabaksbewerkers en ‑producenten, namelijk respectievelijk de Associazione professionale trasformatori tabacchi italiani (APTI, beroepsvereniging van Italiaanse tabaksbewerkers) en de Unione italiana tabacco (Unitab, Italiaanse tabaksbond).
3 Op 19 februari 2002 heeft de Commissie een verzoek om immuniteit voor geldboeten ontvangen van Deltafina SpA, bewerker en lid van APTI, op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „clementieregeling”).
4 Op 4 april 2002 is het beheerscomité van APTI bijeengekomen. Tijdens die bijeenkomst heeft Deltafina de deelnemers, onder wie Transcatab en Dimon Italia Srl (dochteronderneming van Dimon, die Mindo Srl is geworden) in kennis gesteld van haar verzoek om immuniteit en het besluit van de Commissie om haar voorwaardelijke immuniteit te verlenen.
5 Dezelfde dag heeft de Commissie op grond van punt 8 van de clementieregeling een verzoek om immuniteit voor geldboeten, subsidiair, op grond van de punten 20 tot en met 27 van die regeling, een verzoek tot verlaging van elke geldboete, ontvangen van Dimon Italia, en elke uren later op dezelfde grondslag een verzoek van Transcatab tot verlaging van elke geldboete.
6 Op 9 april 2002 heeft de Commissie op grond van punt 25 van de clementieregeling de ontvangst bevestigd van het verzoek van Transcatab. Transcatab heeft op 10 april 2002 een nieuw verzoek ingediend, bestaande uit een toelichting en 44 bijlagen. Op 30 april 2002 heeft de Commissie op grond van punt 25 van de clementieregeling ook de ontvangst daarvan bevestigd.
7 Op 18 en 19 april 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 verificaties verricht in de kantoren van Dimon Italia en Transcatab en in die van Trestina Azienda Tabacchi SpA en Romana Tabacchi SpA.
8 Op 8 oktober 2002 heeft de Commissie Dimon Italia en Transcatab meegedeeld dat zij van plan was om hun na afloop van de administratieve procedure een verlaging toe te kennen van respectievelijk 30 tot 50 % en 20 tot 30 % van het bedrag van de geldboete die hun anders wegens de eventueel vastgestelde inbreuken zou zijn opgelegd, aangezien zij respectievelijk de eerste en de tweede onderneming waren die bewijzen van de inbreuk hadden verstrekt in de zin van de clementieregeling.
9 Op 25 februari 2004 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, gericht tot tien ondernemingen of ondernemingsverenigingen, waaronder Deltafina, Dimon Italia, Transcatab en Romana Tabacchi (hierna: „bewerkers”) en de moedermaatschappijen van enkele van hen, onder meer SCC, Dimon en Universal Corp., de moedermaatschappij van Deltafina. De adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben de mogelijkheid gehad schriftelijk en tijdens de hoorzitting van 22 juni 2004 te antwoorden.
10 Na de vaststelling op 21 december 2004 van een addendum bij die mededeling van punten van bezwaar, inzake de schending door Deltafina van de in de clementieregeling geregelde verplichting tot medewerking in verband met de bekendmaking van haar verzoek om immuniteit (zie punt 4 hierboven), heeft op 1 maart 2005 een tweede hoorzitting plaatsgevonden.
11 Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft de Commissie, gezien het eindverslag van de raadadviseur-auditeur, op 20 oktober 2005 beschikking C(2005) 4012 def. in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak nr. COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië) vastgesteld (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 februari 2006 (PB L 353, blz. 45).
2. Bestreden beschikking
12 De bestreden beschikking heeft in de eerste plaats betrekking op een horizontaal kartel dat is uitgevoerd door de bewerkers op de Italiaanse markt voor ruwe tabak.
13 In het kader van dat kartel hebben de bewerkers in de periode 1995 tot begin 2002 de voorwaarden voor de aankoop van ruwe tabak in Italië vastgesteld met betrekking tot zowel de rechtstreekse aankoop bij de producenten als de aankoop bij „derde partijen/verpakkers”, met name door prijsvaststelling en marktverdeling.
14 De bestreden beschikking heeft ook betrekking op twee andere inbreuken, die moeten worden onderscheiden van de door de bewerkers uitgevoerde mededingingsregeling en die hebben plaatsgevonden van begin 1999 tot eind 2001 en wat APTI betreft bestonden in de vastlegging van de contractprijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met Unitab over bedrijfstakovereenkomsten zou hanteren, en wat Unitab betreft in de vastlegging van de prijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met APTI over dezelfde overeenkomsten zou hanteren.
15 De Commissie beschouwt in de bestreden beschikking de praktijken van de bewerkers als één voortdurende inbreuk op artikel 81, lid 1, EG (zie met name de punten 264‑269 van de bestreden beschikking).
16 In artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking heeft zij de bewerkers evenals Universal en Alliance One, die is ontstaan uit de fusie tussen Dimon en SCC, verantwoordelijk gesteld voor het kartel.
17 In artikel 2 van de bestreden beschikking heeft de Commissie geldboeten opgelegd aan de in het vorige punt bedoelde ondernemingen en aan APTI en Unitab (zie punt 71 hieronder).
Adressaten van de bestreden beschikking
18 De punten 325 tot en met 351 van de bestreden beschikking zijn gewijd aan de vaststelling van de adressaten ervan.
19 Om te beginnen heeft de Commissie verwezen naar vaste rechtspraak op grond waarvan onder het begrip „onderneming” in de context van het mededingingsrecht moet worden verstaan een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst bestaande economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (punt 325 van de bestreden beschikking).
20 Vervolgens heeft de Commissie uiteengezet dat was aangetoond dat Deltafina, Dimon Italia, Transcatab en Romana Tabacchi, evenals APTI en Unitab, tijdens de duur van de respectieve inbreuken rechtstreeks aan de vastgestelde inbreuken hadden deelgenomen en dat bijgevolg elk van die ondernemingen en verenigingen adressaat van de bestreden beschikking was (punt 327 van de bestreden beschikking).
21 De Commissie heeft haar analyse voortgezet met het onderzoek van de kwestie van de toerekenbaarheid van het inbreukmakende gedrag van bepaalde dochterondernemingen (Deltafina, Dimon Italia en Transcatab) aan hun respectieve moedermaatschappijen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat tijdens de duur van de inbreuken Deltafina een 100 %-dochteronderneming van Universal was, Dimon Italia een 100 %-dochteronderneming van Dimon en Transcatab een 100 %-dochteronderneming van SCC (punt 328 van de bestreden beschikking).
22 De Commissie heeft met name opgemerkt dat volgens de rechtspraak een moedermaatschappij verantwoordelijk kon worden gehouden voor het ongeoorloofde gedrag van haar dochteronderneming wanneer deze laatste niet zelfstandig haar marktgedrag kan bepalen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat kon worden aangenomen dat wanneer een moedermaatschappij het volledige kapitaal van de dochteronderneming bezit, zij een beslissende invloed uitoefent op het gedrag van die dochteronderneming wanneer zij een inbreuk pleegt op artikel 81, lid 1, EG (punten 329 en 330 van de bestreden beschikking).
23 In punt 331 van de bestreden beschikking heeft zij vastgesteld dat wat Deltafina, Dimon en Transcatab betreft terecht kon worden aangenomen dat zij niet zelfstandig waren, daar zij voor 100 % in handen waren, dan wel, in het geval van Dimon Italia, waren geweest van hun respectieve moedermaatschappijen.
24 Onder afwijzing van de door die ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aangevoerde stelling dat naast de 100 %-zeggenschap andere elementen noodzakelijk zijn, heeft de Commissie gepreciseerd dat elk vermoeden van een dergelijke invloed in het geval van een 100 %-dochteronderneming weerlegbaar was. Het tegenbewijs moet worden geleverd door de partij die een dergelijk vermoeden wil weerleggen met „sterke bewijzen”; dit kunnen niet enkel algemene inlichtingen zijn die niet worden gestaafd door overtuigend bewijs (punt 334 van de bestreden beschikking).
25 In dit verband heeft de Commissie achtereenvolgens de argumenten van de moedermaatschappijen onderzocht die adressaten van de bestreden beschikking waren.
26 De Commissie heeft om te beginnen het algemene argument van de moedermaatschappijen inzake de volledige verantwoordelijkheid van de lokale directie voor de activiteiten van hun respectieve dochterondernemingen afgewezen. Het feit dat Dimon en SCC bij de 100 %-verwerving van hun respectieve dochterondernemingen de bestaande directie hadden gehandhaafd betekent volgens haar niet dat zij geen beslissende invloed uitoefenden op hun respectieve Italiaanse dochterondernemingen, want het is gebruikelijk de lokale directie van een 100 %-dochteronderneming te belasten met de dagelijkse bedrijfsvoering (punt 338 van de bestreden beschikking).
27 Volgens de Commissie heeft geen van die ondernemingen in algemene zin aangetoond dat haar groep specifieke kenmerken heeft waardoor de activiteiten van haar dochteronderneming zich in aanzienlijke mate onttrokken aan haar invloed (punt 339 van de bestreden beschikking).
28 In dit verband heeft de Commissie de hechtheid van de economische betrekkingen tussen Deltafina, Dimon Italia, Transcatab en hun respectieve moedermaatschappijen onderzocht, die zou aantonen dat de Italiaanse dochterondernemingen een economische eenheid met de rest van hun groep vormden. De Commissie heeft in dit verband opgemerkt dat de betrokken groepen de grootste handelaren in bladtabak ter wereld waren en dat zij vaak de door hun Italiaanse dochterondernemingen gekochte tabak kochten en verkochten (punt 340 van de bestreden beschikking).
29 Wat SCC betreft heeft de Commissie opgemerkt dat zij voordat zij alle aandelen van Transcatab verwierf, reeds samen met haar Italiaanse partner zeggenschap over haar had. Dat SCC na die verwerving „niets heeft veranderd in de directies” van haar dochteronderneming kon bijgevolg niet worden beschouwd als bewijs dat zij geen enkele invloed had uitgeoefend op de bestuurders nadat zij volledig eigenaar was geworden. Wat met name de overdracht van de uitvoerende bevoegdheden aan de algemeen directeur van Transcatab betreft, heeft de Commissie verklaard dat zij niet over informatie beschikte waaruit kon worden afgeleid dat hij niet was benoemd door SCC, net als de andere leden van de raad van bestuur (punten 341 en 342 van de bestreden beschikking).
30 De Commissie heeft vervolgens het argument van SCC afgewezen, dat er geen communicatiekanaal bestond tussen haar en haar dochteronderneming (punten 343 en 344 van de bestreden beschikking).
31 In dit verband heeft zij opgemerkt dat de activiteiten van Transcatab waren beschouwd als die van Standard Commercial Tobacco Co. Inc., een participatiemaatschappij binnen de groep SCC, voor 100 % in het bezit van SCC, en dat ze waren onderzocht in het kader van de activiteiten van de groep, waaronder de verkopen van de groep SCC aan de sigarettenfabrikanten. Daaruit heeft zij afgeleid dat de resultaten van de activiteiten van Transcatab waren gerapporteerd aan hogere niveaus binnen de groep en vervolgens waren geconsolideerd (punt 344 van de bestreden beschikking).
32 De Commissie heeft gepreciseerd dat, aangezien de groepen waartoe Transcatab en Dimon Italia tijdens de inbreuk behoorden, waren opgehouden te bestaan na hun fusie tot de nieuwe entiteit Alliance One, die entiteit als rechtsopvolgster van die twee groepen adressaat was van de bestreden beschikking (punt 349 van de bestreden beschikking).
33 Gelet op deze verschillende factoren heeft de Commissie in punt 351 van de bestreden beschikking geconcludeerd dat Deltafina, Universal, Mindo (voorheen Dimon Italia), Transcatab, Alliance One, Romana Tabacchi, APTI en Unitab verantwoordelijk moesten worden gehouden voor de inbreuken en de adressaten van de bestreden beschikking waren.
Berekening van het bedrag van de geldboete
34 In de punten 356 tot en met 404 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de kwestie van de aan de adressaten ervan op te leggen geldboete onderzocht.
35 De bedragen van de geldboeten zijn door de Commissie vastgesteld op basis van de zwaarte en de duur van de betrokken inbreuken, de twee criteria die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 23, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), en in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 (punten 356 en 357 van de bestreden beschikking).
Vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten
36 Wat de zwaarte van de betrokken inbreuk betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat zij bij de beoordeling van deze factor de eigen aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en de omvang van de betrokken geografische markt in aanmerking moest nemen (punt 365 van de bestreden beschikking).
37 Vervolgens heeft de Commissie aangegeven dat de productie van ruwe tabak in Italië in 2001, het laatste volledige jaar waarin de inbreuk is gepleegd, 38 % van de productie binnen de quota in de Europese Unie uitmaakte en een waarde had van 67,338 miljoen EUR (punt 366 van de bestreden beschikking).
38 Wat de aard van de inbreuk betreft heeft de Commissie vastgesteld dat die zeer zwaar was, aangezien zij bestond in de vaststelling van de aankoopprijzen voor verschillende soorten ruwe tabak in Italië en de verdeling van de aangekochte hoeveelheden. Onder verwijzing naar het gedeelte van de bestreden beschikking waarin de mededingingsbeperking werd onderzocht (punten 272 e.v.), heeft de Commissie hieraan toegevoegd dat inkoopkartels afbreuk kunnen doen aan de bereidheid van producenten om een bepaalde productie te halen en ook de concurrentie tussen bewerkingsbedrijven op de downstreammarkten kunnen beperken. Zij stelde onder meer dat dit met name het geval was in zaken zoals deze, waar het door het kartel getroffen product, in casu ruwe tabak, een belangrijke grondstof was voor de activiteiten die door marktdeelnemers downstream, in casu de eerste bewerking en de verkoop van bewerkte tabak, werden verricht (punten 367 en 368 van de bestreden beschikking).
39 In punt 369 van de bestreden beschikking heeft de Commissie op basis van deze overwegingen geconcludeerd dat de door de bewerkingsbedrijven gepleegde inbreuk als zeer zwaar moest worden gekwalificeerd.
40 In de punten 370 tot en met 376 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vervolgens de kwestie van het „specifieke gewicht” en de „afschrikkende werking” onderzocht. In dit verband heeft zij aangegeven dat bij de vaststelling van het boetebedrag rekening moest worden gehouden met het „specifieke gewicht van elke onderneming en met de waarschijnlijke weerslag van het ongeoorloofde gedrag ervan” (punt 370 van de bestreden beschikking).
41 Aldus was de Commissie van mening dat de geldboeten op basis van de marktpositie van elk van de betrokken partijen moesten worden bepaald (punt 371 van de bestreden beschikking).
42 Dienaangaande stelde zij dat wat Deltafina betreft het uitgangsbedrag van de geldboete het hoogst moest zijn omdat zij de grootste afnemer was, aangezien haar marktaandeel in 2001 ongeveer 25 % bedroeg (punt 372 van de bestreden beschikking).
43 Aangezien zij kleinere marktaandelen ter zake hadden, in 2001 ongeveer 9 à 11 %, was de Commissie van mening dat Transcatab, Dimon Italia en Romana Tabacchi „moesten worden gehergroepeerd” en dat het uitgangsbedrag van de geldboete voor hen lager moest zijn (punt 373 van de bestreden beschikking).
44 De Commissie was evenwel van mening dat een uitgangsbedrag dat enkel de marktpositie weerspiegelde Deltafina, Dimon Italia (Mindo) en Transcatab onvoldoende zou afschrikken, aangezien zij weliswaar een vrij beperkte omzet hadden, maar deel uitmaakten – of, in het geval van Mindo, deel hadden uitgemaakt – van multinationale groepen met een aanzienlijke economische en financiële macht, die behoorden tot de belangrijkste tabakshandelaars ter wereld en binnen de tabaksindustrie op verschillende niveaus en op verschillende geografische markten actief waren (punt 374 van de bestreden beschikking).
45 Om van de geldboete een afschrikkende werking te doen uitgaan heeft de Commissie bijgevolg overwogen dat op het voor Deltafina bepaalde uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,5 – dus een verhoging met 50 % – moest worden toegepast, en op het voor Dimon Italia (Mindo) en Transcatab vastgestelde uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,25 – dus een verhoging met 25 % (punt 375 van de bestreden beschikking).
46 Aldus heeft de Commissie in punt 376 van de bestreden beschikking het uitgangsbedrag van de geldboeten als volgt vastgesteld:
– Deltafina: 37,5 miljoen EUR;
– Transcatab: 12,5 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo): 12,5 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 10 miljoen EUR.
Vaststelling van het basisbedrag van de geldboeten
47 In de punten 377 en 378 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de kwestie van de duur van de inbreuk onderzocht.
48 Zij heeft overwogen dat het door de bewerkers uitgevoerde kartel was begonnen op 29 september 1995 en volgens hun verklaringen op 19 februari 2002 was opgehouden te bestaan. Aldus heeft de Commissie gemeend dat een verhoging met 60 % moest worden toegepast op het uitgangsbedrag van de aan de bewerkers opgelegde geldboeten, behalve voor Romana Tabacchi, waarvan de deelneming korter was geweest.
49 De aan de adressaten van de bestreden beschikking opgelegde basisbedragen van de geldboeten zijn derhalve als volgt vastgesteld:
– Deltafina: 60 miljoen EUR;
– Transcatab: 20 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo): 20 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 12,5 miljoen EUR.
Verzachtende omstandigheden
50 In de punten 380 tot en met 398 van de bestreden beschikking heeft de Commissie onderzocht of verzachtende omstandigheden in aanmerking moesten worden genomen.
51 Wat met name Transcatab betreft, heeft de Commissie al haar argumenten om voor haar verzachtende omstandigheden te laten gelden, afgewezen.
52 Om te beginnen heeft de Commissie opgemerkt dat de uitvoering van het kartel van de bewerkers geen verband hield met de binnen APTI gesloten bedrijfstakovereenkomsten. Zij heeft daaruit afgeleid dat de Italiaanse regelgeving het gedrag van de bewerkers niet had aangemoedigd, die op basis van dat argument derhalve niet in aanmerking konden komen voor vermindering van het bedrag van hun geldboete (punt 381 van de bestreden beschikking).
53 Vervolgens heeft de Commissie het argument van de bewerkers afgewezen, dat zij in aanmerking moesten komen voor een vermindering aangezien zij de inbreuk vóór het optreden van de Commissie hadden beëindigd. In dit verband heeft de Commissie herinnerd aan de rechtspraak dat in zaken die betrekking hebben op ernstige inbreuken op de mededingingsregels, waarin partijen wisten of noodzakelijkerwijs moesten weten dat hun gedrag fundamenteel onrechtmatig was, het feit dat zij daaraan voor het optreden van de Commissie een einde maken, in beginsel niet hoeft te leiden tot vermindering van de geldboete bij de berekening daarvan (punt 382 van de bestreden beschikking).
54 Ook kon het kartel volgens de Commissie niet worden geacht niet te zijn uitgevoerd, aangezien uit de beschrijving van de feiten voortvloeide dat partijen de uitvoering van het kartel hadden zekergesteld via onder meer hun deelneming aan regelmatige bijeenkomsten en aan regelmatige informatie-uitwisseling over de prijzen en hoeveelheden tijdens de aankoopperiode (punt 383 van de bestreden beschikking).
55 Ten slotte heeft de Commissie het argument van Transcatab afgewezen, dat de specifieke economische en sociale context van de markt voor ruwe tabak in Italië in aanmerking moest worden genomen bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete op grond van punt 5, sub b, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”). De Commissie heeft opgemerkt dat dit punt 5, sub b, van de richtsnoeren bij uitzondering werd toegepast, en dat de betrokken zaak niet hetzelfde was als of vergelijkbaar was met de door Transcatab ter onderbouwing van haar argument genoemde zaak. De Commissie heeft daaraan nog toegevoegd dat niet werd aanvaard dat het bestaan van onrechtmatige gedragingen die de tabakdsector in bepaalde Italiaanse regio’s troffen een beslissende oorzaak van de betrokken gedragingen kon zijn, en dat de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten veel te onzekere en te ver in de toekomst gelegen effecten had om de inaanmerkingneming ervan als verzachtende omstandigheid te rechtvaardigen (punt 384 van de bestreden beschikking).
56 Vervolgens heeft de Commissie de bijzondere situatie van Deltafina onderzocht en geconcludeerd dat wegens de door haar verleende medewerking haar geldboete met 50 % moest worden verlaagd (punten 385‑398 van de bestreden beschikking).
57 De Commissie heeft het bedrag van de geldboeten na toepassing van de verzachtende omstandigheden als volgt vastgesteld (punt 399 van de bestreden beschikking):
– Deltafina: 30 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo): 20 miljoen EUR;
– Transcatab: 20 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 8,75 miljoen EUR.
58 Ten slotte heeft de Commissie aangegeven dat volgens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemingsvereniging de geldboete niet groter mag zijn dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. Zij heeft hieraan toegevoegd dat wanneer de betrokken ondernemingen tot een groep behoren en is aangetoond dat de moedermaatschappijen een beslissende invloed op die ondernemingen hebben uitgeoefend en derhalve hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de aan hun dochteronderneming opgelegde geldboete, de wereldomzet van de groep in aanmerking moet worden genomen bij de vaststelling van het bovengenoemde plafond van 10 % (punten 400 en 401 van de bestreden beschikking).
59 Om die reden heeft zij aangegeven dat het bedrag van de aan Romana Tabacchi opgelegde geldboete niet hoger mocht zijn dan 2,05 miljoen EUR en dat de andere geldboeten op grond van die bepaling niet hoefden te worden verlaagd (punten 402 en 403 van de bestreden beschikking).
Toepassing van de clementieregeling
60 In de punten 405 tot en met 500 van de bestreden beschikking is de Commissie ingegaan op de toepassing in casu van de clementieregeling.
61 Deltafina, Dimon Italia en Transcatab hebben alle drie verzocht om in aanmerking te komen voor toepassing van die regeling. Wat Deltafina betreft, heeft de Commissie aangegeven dat zij haar voorwaardelijke immuniteit had verleend. Voorts heeft de Commissie gepreciseerd dat zij tot de voorlopige conclusie was gekomen dat Dimon Italia en Transcatab respectievelijk de eerste en de tweede onderneming waren die bewijzen van de vermoedelijke inbreuk hadden verstrekt die een significante toegevoegde waarde verleenden aan de bewijzen die reeds in haar bezit waren, in de zin van punt 22 van de clementieregeling (punten 405‑407 van de bestreden beschikking).
62 Na de situatie van Deltafina te hebben onderzocht en te hebben geconcludeerd dat haar geen immuniteit kon worden verleend omdat zij de in de clementieregeling van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet was nagekomen (zie punten 408‑484 van de bestreden beschikking en de punten 4 en 10 hierboven), heeft de Commissie de situatie van Dimon Italia en Transcatab onderzocht.
63 Ten eerste heeft de Commissie vastgesteld dat het feit dat geen definitieve immuniteit aan Deltafina is verleend geen rechtstreekse invloed had op de manier waarop de clementieregeling moest worden toegepast op Dimon Italia en Transcatab (punten 485‑491 van de bestreden beschikking).
64 Ten tweede heeft zij de verlaging van de geldboete bepaald die op grond van die regeling onder meer aan Transcatab kon worden toegekend.
65 In dit verband heeft de Commissie om te beginnen vastgesteld dat Transcatab had voldaan aan de haar opgelegde voorwaarden, namelijk dat zij haar deelneming aan de inbreuk uiterlijk op de datum van de overlegging van het bewijsmateriaal beëindigde (punten 492 en 493 van de bestreden beschikking).
66 Vervolgens heeft de Commissie aangegeven dat zij om het niveau van de vermindering te bepalen rekening hield met de datum van indiening van het bewijsmateriaal, de mate waarin dat bewijsmateriaal een toegevoegde waarde leverde, en de omvang en de continuïteit van de samenwerking van de ondernemingen na de datum van indiening van het bewijsmateriaal (punt 494 van de bestreden beschikking).
67 Aldus heeft de Commissie in de eerste plaats opgemerkt dat Transcatab haar clementieverzoek had ingediend voordat zij actief verificaties had verricht, dat haar verzoek betrekking had op de gehele duur van de inbreuk en dat het verstrekte bewijsmateriaal in velerlei opzichten het materiaal waarover de Commissie reeds beschikte had bevestigd (punt 495 van de bestreden beschikking)
68 Wat specifiek de door Transcatab verstrekte documenten betreft heeft de Commissie in de tweede plaats erkend dat de daarin vermelde feiten bijzonder gedetailleerd waren en zeer nuttig waren voor het begrip van de inbreuk, met name van bepaalde aspecten daarvan (zoals het sluiten van een bedrijfstakovereenkomst in 1999 voor de overproductie van tabak in 1998). Zij heeft evenwel opgemerkt dat geen van de feiten waarvoor Transcatab bewijsmateriaal had geleverd haar niet bekend was (punt 497 van de bestreden beschikking).
69 Ten slotte heeft de Commissie ook erkend dat Transcatab gedurende de hele procedure met haar had samengewerkt en dat zij de feiten waarop de Commissie zich in de mededeling van punten van bezwaar had gebaseerd, niet had betwist (punt 498 van de bestreden beschikking).
70 Aldus heeft de Commissie geconcludeerd dat Transcatab in aanmerking moest komen voor het hoogste verlagingspercentage dat is voorzien binnen de desbetreffende marge, namelijk een verlaging met 30 % (punt 499 van de bestreden beschikking).
71 Ingevolge artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 heeft de Commissie ten slotte de geldboeten voor de ondernemingen en ondernemingsverenigingen tot welke de bestreden beschikking was gericht, als volgt vastgesteld (zie artikel twee van de bestreden beschikking):
– Deltafina en Universal, hoofdelijk aansprakelijk: 30 miljoen EUR;
– Dimon Italia (Mindo) en Alliance One: 10 miljoen EUR; waarbij Alliance One volledig aansprakelijk is en Mindo slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor 3 990 000 EUR;
– Transcatab en Alliance One, hoofdelijk aansprakelijk: 14 miljoen EUR;
– Romana Tabacchi: 2,05 miljoen EUR;
– APTI: 1 000 EUR;
– Unitab: 1 000 EUR.
Procesverloop en conclusies van partijen
72 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 januari 2006, heeft Alliance One beroep ingesteld, onder meer tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking (zaak T‑25/06). Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 februari 2006, heeft Transcatab het onderhavige beroep ingesteld.
73 In het verzoekschrift heeft Alliance One verzocht om voeging van die zaak met de onderhavige zaak. Transcatab heeft in het verzoekschrift hetzelfde verzoek ingediend.
74 Het Gerecht heeft aan dit voegingsverzoek geen gevolg gegeven.
75 Op 24 november 2009 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang krachtens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een schriftelijke vraag gesteld aan Transcatab, waarop zij binnen de gestelde termijn heeft geantwoord. De Commissie heeft op 4 februari 2010 haar opmerkingen over het antwoord van Transcatab ingediend.
76 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang Transcatab verzocht een document over te leggen. Het document is binnen de gestelde termijn overgelegd.
77 Ter terechtzitting van 30 november 2010 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
78 Ter terechtzitting heeft het Gerecht krachtens artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering Transcatab verzocht nog een document over te leggen. Op 22 december 2010 heeft Transcatab dat document overgelegd.
79 Transcatab concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking gedeeltelijk nietig te verklaren;
– de haar opgelegde geldboete te verlagen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
80 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– het bedrag van de geldboete krachtens de hem op grond van artikel 229 EG toegekende bevoegdheden vast te stellen op 15 miljoen EUR;
– Transcatab te verwijzen in de kosten.
In rechte
81 Ter ondersteuning van haar beroep voert Transcatab vijf middelen aan, waarvan sommige in een aantal onderdelen uiteenvallen. In het eerste middel stelt Transcatab in wezen dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door Alliance One verantwoordelijk te stellen voor haar gedrag, dat zij haar standpunt ter zake onvoldoende heeft gemotiveerd en dat zij tevens haar rechten van verdediging heeft geschonden. Het tweede middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting, een gebrekkige en incoherente motivering, schending van de rechten van verdediging, en schending van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen bij de vaststelling van de geldboete. Het derde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en gebrekkige motivering bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete, gelet op de beoordeling van de duur van de inbreuk, aan schending van het beginsel ne bis in idem in verband met de aan APTI opgelegde geldboete, en aan schending van het beginsel van gelijke behandeling. In het vierde middel stelt Transcatab dat de Commissie in de bestreden beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat geen van de door haar aangevoerde verzachtende omstandigheden toepasselijk was. In het vijfde middel stelt zij ten slotte dat de Commissie de clementieregeling onjuist heeft toegepast.
82 Volgens de Commissie is Transcatab met haar derde middel teruggekomen van haar eerdere medewerking, bestaande in het niet betwisten van de in de mededeling van punten van bezwaar vastgestelde feiten. De Commissie verzoekt het Gerecht derhalve bij wijze van reconventionele vordering, de vermindering van de geldboete van Transcatab terug te brengen van 30 tot 25 % en in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht de geldboete dus vast te stellen op 15 miljoen EUR.
1. Het eerste middel: toerekening van de inbreuk aan de moedermaatschappij van Transcatab
Het eerste onderdeel van het eerste middel: onjuiste uitlegging van de rechtspraak, negeren van het verstrekte bewijsmateriaal en schending van de rechten van verdediging
Argumenten van partijen
83 In de eerste plaats betwist Transcatab de conclusie in de bestreden beschikking, dat het enkele feit dat SCC gedurende de inbreukperiode 100 % van haar kapitaal in handen had voldoende is om te vermoeden dat zij verantwoordelijk is voor het inbreukmakende gedrag van haar dochteronderneming. Dat vermoeden is in strijd met de rechtspraak. Volgens Transcatab moet de Commissie bewijs leveren van andere aanwijzingen die erop duiden dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed heeft uitgeoefend op haar dochteronderneming. In casu heeft de Commissie de verantwoordelijkheid van SCC enkel vermoed en geen andere aanwijzingen verstrekt ter ondersteuning van die verantwoordelijkheid. Aldus heeft zij de bewijslast omgekeerd, die niet berust op Transcatab of haar moedermaatschappij, maar op de Commissie zelf.
84 In de tweede plaats stelt Transcatab dat SCC de Commissie voldoende gegevens heeft verstrekt om te bewijzen dat zij niets te maken had met het gedrag van Transcatab. Het gaat daarbij zowel om de beschrijving van de lokale realiteit van de Italiaanse markt als de kenmerken van de structuur van de groep SCC waaruit de onafhankelijkheid van haar dochterondernemingen bleek. Verder hebben ze betrekking op de autonomie van haar raad van bestuur en van haar algemeen directeur.
85 Voorts stelt Transcatab in repliek dat de bewering van de Commissie dat het vermoeden van beslissende invloed enkel kan worden weerlegd wanneer de deelneming uitsluitend financieel is, in strijd is met de rechtspraak. Volgens haar heeft de Commissie de tijdens de administratieve procedure overgelegde bewijzen niet zorgvuldig bestudeerd en zich ertoe beperkt alle argumenten op basis van niet-onderbouwde vooroordelen af te wijzen. Ten eerste is de stelling dat het onwaarschijnlijk is dat een moedermaatschappij het beheer van een dochteronderneming volledig kan overdragen ongefundeerd. Zoals Transcatab tijdens de administratieve procedure heeft aangetoond, staat de vertakte structuur van de groep namelijk in de weg aan een eenvormig beheer. Ten tweede heeft de Commissie het vermoeden van beslissende invloed zelfs toegepast voor de periode waarin SCC slechts 50 % van het kapitaal van Transcatab bezat, terwijl Transcatab en SCC hadden bewezen dat de raad van bestuur en de algemeen directeur van Transcatab, die over alle beheersbevoegdheden van de onderneming beschikten, waren benoemd voordat SCC de exclusieve zeggenschap over Transcatab verkreeg. Ten derde is het feit dat bepaalde documenten in het Engels zijn opgesteld niet voldoende als bewijs van de invloed van de moedermaatschappij op het beheer van de commerciële activiteiten van Transcatab. Concluderend heeft de Commissie alle overgelegde bewijzen afgewezen, zonder toereikende of coherente motivering en zonder daar andere documenten met een gelijkwaardige bewijskracht tegenover te stellen. De Commissie is haar verplichting om de zaak onpartijdig te onderzoeken dus niet nagekomen.
86 In de derde plaats heeft de Commissie de rechten van verdediging van Alliance One geschonden, daar zij in de bestreden beschikking documenten van het dossier heeft gebruikt die niet in de mededeling van punten van bezwaar waren genoemd, waardoor SCC zich niet kon uitspreken over de inhoud ervan, en dus inbreuk werd gemaakt op het gewettigd vertrouwen van haar rechtsopvolgster, Alliance One. Transcatab erkent dat het om bij de partijen bekende documenten ging. Omdat deze documenten evenwel niet waren genoemd in de mededeling van punten van bezwaar, konden partijen terecht denken dat ze niet van belang waren voor de zaak en dat zij daarover geen standpunt hoefden te bepalen. In repliek en ter terechtzitting heeft Transcatab verklaard dat zij schending van haar rechten van verdediging aanvoerde.
87 De Commissie concludeert tot afwijzing van de argumenten van Transcatab. Wat met name de grief inzake schending van de rechten van verdediging van Alliance One betreft, twijfelt de Commissie aan de ontvankelijkheid daarvan, daar Transcatab geen schending van haar eigen rechten, maar van die van een andere partij aanvoert. De uitbreiding van de grief tot Transcatabs rechten van verdediging is te laat en derhalve niet-ontvankelijk.
Beoordeling door het Gerecht
– Schending van de regels met betrekking tot de toerekenbaarheid van gedragingen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij
88 Wat de eerste grief van Transcatab betreft dient eraan te worden herinnerd dat het mededingingsrecht ziet op de activiteiten van ondernemingen (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 59) en dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 112, en 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 54).
89 Voorts heeft de rechtspraak gepreciseerd dat onder het begrip onderneming in deze context moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (arrest Hof van 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio, C‑217/05, Jurispr. blz. I‑11987, punt 40, en arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 55; arrest Gerecht van 15 september 2005, DaimlerChrysler/Commissie, T‑325/01, Jurispr. blz. II‑3319, punt 85).
90 Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, heeft zij zich ter zake te verantwoorden in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke verantwoordelijkheid (zie in die zin arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 145, en 11 december 2007, ETI e.a., C‑280/06, Jurispr. blz. I‑10893, punt 39, en arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 56).
91 De inbreuk op het mededingingsrecht moet op ondubbelzinnige wijze worden toegerekend aan een rechtspersoon, waaraan eventueel een geldboete kan worden opgelegd. Voor de toepassing en de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van de Commissie op het gebied van het mededingingsrecht moet namelijk steeds een rechtspersoon worden gezocht tot welke de handeling zal worden gericht (zie in die zin arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, „PVC II”, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 978).
92 Het is vaste rechtspraak dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een eigen rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die de twee juridische entiteiten verenigen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Aangezien de moedermaatschappij en haar dochteronderneming in een dergelijke situatie immers deel uitmaken van één economische eenheid en derhalve één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen, kan de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten tot de moedermaatschappij richten, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 59).
94 Uit de rechtspraak volgt ook dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij 100 % van het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, enerzijds deze moedermaatschappij beslissende invloed op het gedrag van deze dochter kan uitoefenen, en anderzijds er een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij daadwerkelijk een dergelijke invloed uitoefent (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat de moedermaatschappij het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit, om te vermoeden dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt die aantonen dat haar dochteronderneming zich zelfstandig op de markt gedraagt (zie in die zin arrest Hof van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925, punt 29, en arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 61).
96 In de punten 28 en 29 van het arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 95 hierboven, heeft het Hof weliswaar naast het bezit van 100 % van het kapitaal van de dochter, andere omstandigheden in aanmerking genomen, zoals de niet-betwisting van de invloed van de moedermaatschappij op het commerciële beleid van haar dochter en de gemeenschappelijke vertegenwoordiging van de twee ondernemingen in de administratieve procedure, maar dit neemt niet weg dat het Hof die omstandigheden slechts heeft vermeld teneinde alle elementen uiteen te zetten waarop het Gerecht zijn redenering had gebaseerd, en niet om de toepassing van het in punt 94 hierboven genoemde vermoeden afhankelijk te stellen van het overleggen van extra aanwijzingen betreffende de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, Jurispr. blz. II‑2567, punt 57).
97 Uit de bestreden beschikking volgt dat de Commissie voor de toerekening van de verantwoordelijkheid van de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij is uitgegaan van de veronderstelling dat een dergelijke toerekening mogelijk is wanneer de moedermaatschappij en haar dochter tot dezelfde economische eenheid behoren en dus één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen (punt 325 van de bestreden beschikking).
98 Het basisuitgangspunt van de Commissie om vast te stellen dat het gedrag van de dochter aan de moedermaatschappij kon worden toegerekend, is dat de dochteronderneming haar marktgedrag niet autonoom kan bepalen. Dit gebrek aan zelfstandigheid is namelijk het gevolg van een „beslissende invloed” van de moedermaatschappij op het gedrag van haar dochter, waarbij de daadwerkelijke uitoefening van een dergelijke invloed volgens de rechtspraak kan worden aangenomen wanneer de moedermaatschappij het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit (zie de punten 329 en 330 van de bestreden beschikking).
99 In punt 331 van de bestreden beschikking heeft de Commissie aldus overwogen dat Transcatab in casu „niet autonoom was” daar zij voor 100 % in handen was van haar moedermaatschappij, SCC.
100 Anders dan Transcatab in repliek stelt, namelijk dat de Commissie in casu een vermoeden „iuris tantum” heeft omgezet in een vermoeden „iuris et de iure”, past deze redenering wel in de logica van een weerlegbaar vermoeden. Zo wordt, net als bij andere vermoedens die zijn toegelaten in het mededingingsrecht, een feit dat door de Commissie terecht kan worden vermoed, als bewezen beschouwd voor zover de betrokken onderneming het vermoeden niet weerlegt met sluitend tegenbewijs (arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 90 hierboven, punten 121 en 126, en arrest Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punten 162 en 167). Voorts leidt dit vermoeden, aangezien het weerlegbaar is en dus in elk individueel geval kan worden ontkracht, niet automatisch tot het toerekenen van de verantwoordelijkheid aan de moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van de persoonlijke verantwoordelijkheid waarop het mededingingsrecht van de Unie is gebaseerd.
101 De Commissie heeft de regels inzake de toerekenbaarheid van het gedrag van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij dus niet geschonden door in wezen SCC, waarvan Alliance One de rechtsopvolgster is, verantwoordelijk te houden voor de door Transcatab gepleegde inbreuk.
102 Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door de argumenten van Transcatab in antwoord op de schriftelijke vraag van het Gerecht inzake de consequenties die moeten worden getrokken uit het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven. Ten eerste heeft dat arrest volgens haar de eerdere rechtspraak onjuist uitgelegd, met name het arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 95 hierboven, en is de rechtspraak hoe dan ook niet eenduidig in dit verband. Ten tweede is de feitelijke achtergrond van de zaak die tot dat arrest heeft geleid, anders dan de onderhavige, daar er verscheidene dochterondernemingen bij het kartel waren betrokken en het derhalve moeilijker was om aan te tonen dat de moedermaatschappij niet op de hoogte was van de concurrentieverstorende activiteiten. Wat het eerste argument betreft, volstaat de vaststelling dat volgens het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven (zie ook in die zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, Jurispr. blz. I‑8241, punten 60 en 61), het Hof niet alleen rekening heeft gehouden met de rechtspraak waarop Transcatab haar argumentatie voornamelijk steunt, met name het arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, aangehaald in punt 95 hierboven, maar ook een eenduidige uitlegging heeft gegeven van de eerdere rechtspraak (arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punten 58‑62). Wat het tweede argument betreft volstaat de vaststelling dat het vermeende verschil tussen de twee zaken volkomen irrelevant is, daar het criterium voor de toerekening van de verantwoordelijkheid in de zaak die heeft geleid tot het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, geenszins het criterium van directe of indirecte kennis van de moedermaatschappij van de door de dochteronderneming(en) verrichte activiteiten was. Hoe dan ook, zoals de Commissie terecht opmerkt, is een dergelijke factor in dat arrest niet in aanmerking genomen.
– Negeren van het bewijsmateriaal dat is verstrekt ter weerlegging van het vermoeden
103 Zoals uiteengezet in de punten 94 en 95 hierboven, kan de Commissie, wanneer het volledige kapitaal van een dochteronderneming in handen is van de moedermaatschappij, aannemen dat die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, zonder aanvullend bewijs hoeven aan te voeren waaruit blijkt dat de moedermaatschappij een dergelijke invloed daadwerkelijk heeft uitgeoefend of ook maar de geringste kennis had van de inbreuk of de betrokkenheid van die dochteronderneming bij die inbreuk. Het gaat om een weerlegbaar vermoeden, ten aanzien waarvan tegenbewijs is toegelaten. Anders dan Transcatab stelt, dient SCC – die ten tijde van de inbreukperiode 100 % van het kapitaal van Transcatab bezat (zie punt 336 van de bestreden beschikking) – bijgevolg dat vermoeden te weerleggen met bewijsmateriaal dat kan aantonen dat haar dochteronderneming haar marktgedrag autonoom bepaalt en dat die twee ondernemingen dus niet één economische entiteit vormen. Anders wordt de uitoefening van zeggenschap aangetoond door het feit dat het vermoeden ontleend aan het bezit van het volledige kapitaal niet is weerlegd (zie in die zin arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punten 60‑62 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest Gerecht van 30 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑175/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 93).
104 In casu heeft de Commissie de punten 335 tot en met 344 van de bestreden beschikking gewijd aan het onderzoek van de door SCC aangevoerde argumenten en bewijsstukken in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar om te bewijzen dat zij geen beslissende invloed had uitgeoefend op het commerciële beleid van Transcatab, en gemeend dat deze het vermoeden niet konden weerleggen.
105 In het verzoekschrift stelt Transcatab slechts, zonder haar argumenten te onderbouwen, dat SCC tijdens de administratieve procedure heeft aangetoond dat zij een gedecentraliseerde structuur had, met een eigen volledig onafhankelijke lokale directie waaraan alle taken waren overgedragen, juist gelet op de bijzonderheden van de Italiaanse markt voor ruwe tabak, en dat de leden van haar raad van bestuur en haar algemeen directeur autonoom waren en geen directe of indirecte band met SCC hadden. Transcatab heeft evenwel niet aangegeven welke eventuele fouten de Commissie in de bestreden beschikking heeft gemaakt op het punt van de beoordeling van dat bewijsmateriaal. Pas in repliek, in antwoord op bepaalde argumenten van de Commissie, voert zij een aantal argumenten aan waarmee zij de bestreden beschikking indirect bekritiseert.
106 Hoe dan ook moet om te beginnen worden opgemerkt dat, zoals de Commissie in punt 338 van de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld, het feit dat een dochteronderneming haar eigen lokale directie en eigen middelen heeft, op zich niet aantoont dat zij haar marktgedrag zelfstandig bepaalt ten opzichte van haar moedermaatschappij. Dat het beheer van de lopende activiteiten wordt toevertrouwd aan de lokale directie van een 100 %-dochteronderneming is namelijk een gebruikelijke praktijk en kan dus geen bewijs vormen voor de werkelijke autonomie van de dochterondernemingen. Dit geldt ook voor het argument inzake de vermeende kenmerken van de Italiaanse markt voor ruwe tabak, aangezien die kenmerken een moedermaatschappij niet beletten volledig een effectief toezicht op haar dochteronderneming uit te oefenen.
107 Voorts heeft de Commissie in de punten 341 en 342 van de bestreden beschikking ten eerste gepreciseerd dat SCC voordat zij het volledige kapitaal van Transcatab verwierf, reeds met haar Italiaanse partner zeggenschap had over die onderneming, en dat het feit dat zij niets in de directie van Transcatab heeft veranderd na verwerving van de zeggenschap, derhalve niet kan worden beschouwd als bewijs dat zij geen invloed op haar dochteronderneming heeft uitgeoefend nadat zij daarvan volledig eigenaar was geworden. De Commissie heeft ten tweede opgemerkt dat de overdracht van de uitvoerende bevoegdheden aan de algemeen directeur van Transcatab, die bij gebreke van bewijs van het tegendeel redelijkerwijs kon worden geacht te zijn benoemd door SCC, de andere leden van de raad van bestuur niet had belet uitvoerende functies te bezetten en uitvoerende taken uit te oefenen.
108 De Commissie heeft evenwel terecht, bij gebreke van een verklaring van SCC, belang gehecht aan het feit dat SCC, toen zij de enige aandeelhouder werd en alle bevoegdheden had om de raad van bestuur geheel of gedeeltelijk te vernieuwen, geen enkele maatregel in die richting heeft genomen. Daaruit volgt dat het feit dat de leden van de raad van bestuur, met name de algemeen directeur, in functie bleven, uitsluitend kan worden toegeschreven aan een besluit van SCC als enig aandeelhouder van Transcatab.
109 Bovendien kan het feit dat één persoon, de algemeen directeur, beschikt over ruime bevoegdheden die hem zijn overgedragen door de raad van bestuur, veeleer erop wijzen dat de moedermaatschappij de uitoefening van de zeggenschap over haar dochteronderneming wilde vereenvoudigen, juist door de rol van de raad van bestuur tot marginale activiteiten te beperken en alle bevoegdheden te concentreren bij een „vertrouwenspersoon”. Het is namelijk niet aannemelijk dat een multinational alle bevoegdheden van een dochteronderneming die actief is op een nationale markt, zoals in het geval van Transcatab, overdraagt – of zelfs instemt met een reeds vóór de verwerving van de volledige zeggenschap bestaande overdracht van bevoegdheden – aan een natuurlijke persoon die, volledig zelfstandig en zonder door de enig aandeelhouder te zijn benoemd, op zijn beurt de leden van de raad van bestuur zou kiezen, waardoor geen enkele andere persoon ook maar enige invloed op het management van de onderneming kan uitoefenen, en die de facto aan niemand rekenschap van zijn handelingen zou hoeven af te leggen.
110 Aldus, en ook gelet op het feit dat een overdracht van bevoegdheden aan de algemeen directeur van een dochteronderneming geenszins ongebruikelijk is, kan een dergelijk argument het vermoeden van door de moedermaatschappij van Transcatab uitgeoefende zeggenschap niet weerleggen.
111 Wat vervolgens het argument betreft waarmee de conclusie wordt bekritiseerd die de Commissie zou hebben getrokken uit het feit dat bepaalde documenten in het Engels waren gesteld, volstaat de vaststelling dat, anders dan Transcatab stelt, die documenten, genoemd in de punten 343 tot en met 346 van de bestreden beschikking, niet beoogden aan te tonen dat de moedermaatschappijen het gedrag van hun Italiaanse dochterondernemingen konden beïnvloeden of daadwerkelijk hebben beïnvloed, en nog minder dat de betrokken moedermaatschappijen op de hoogte waren van het betrokken kartel. Integendeel, de Commissie heeft bepaalde documenten uit het administratieve dossier slechts gebruikt om de mate van geloofwaardigheid vast te stellen van de door SCC aangevoerde bewijsstukken en argumenten in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ter weerlegging van het vermoeden van een beslissende invloed op Transcatab.
112 Ten slotte blijkt geenszins uit de bestreden beschikking, anders dan Transcatab in repliek stelt, dat het vermoeden van beslissende invloed enkel kan worden weerlegd wanneer de participatie van de moedermaatschappij uitsluitend financieel is.
113 De grief inzake het negeren van het ter weerlegging van het vermoeden verstrekte bewijsmateriaal moet bijgevolg worden afgewezen.
– Schending van de rechten van verdediging
114 Wat de derde grief van Transcatab betreft, wordt in herinnering gebracht dat de eerbiediging van de rechten van verdediging tijdens administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid een algemeen beginsel van Unierecht vormt, waarvan de rechterlijke instanties van de Unie de eerbiediging verzekeren (zie arrest Hof van 3 september 2009, Prym en Prym Consumer/Commissie, C‑534/07 P, Jurispr. blz. I‑7415, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Volgens vaste rechtspraak verlangt de eerbiediging van de rechten van verdediging dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd (arresten Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 10, en 6 april 1995, BPB Industries en British Gypsum/Commissie, C‑310/93 P, Jurispr. blz. I‑865, punt 21).
116 Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 weerspiegelt dit beginsel, voor zover het bepaalt dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden die duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert (zie in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, aangehaald in punt 88 hierboven, punt 67), opdat de betrokkenen weten welke gedragingen de Commissie hun verwijt en zich kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Aan dit vereiste is voldaan wanneer in die beschikking aan betrokkenen geen andere dan in de mededeling van punten van bezwaar opgenomen inbreuken ten laste worden gelegd en daarin slechts van feiten wordt uitgegaan waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken (zie in die zin arrest Gerecht van 19 maart 2003, CMA CGM e.a./Commissie, T‑213/00, Jurispr. blz. II‑913, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117 Dit kan evenwel beknopt geschieden en de beschikking behoeft niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met de mededeling van punten van bezwaar (zie in die zin arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, aangehaald in punt 115 hierboven, punt 14), daar deze mededeling een voorbereidend document is met zuiver voorlopige feitelijke en juridische beoordelingen (zie in die zin arrest Hof van 17 november 1987, BAT en Reynolds/Commissie, 142/84 en 156/84, Jurispr. blz. 4487, punt 70). Toevoegingen aan de mededeling van punten van bezwaar, waarmee wordt gereageerd op de antwoorden van de partijen en waaruit blijkt dat zij hun recht van verweer daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen, zijn dus toelaatbaar. In het licht van de administratieve procedure kan de Commissie ook de feitelijke of juridische argumenten die zij ter ondersteuning van haar bezwaren heeft aangevoerd, wijzigen of aanvullen (zie in die zin arresten Gerecht van 28 februari 2002, Compagnie générale maritime e.a./Commissie, T‑86/95, Jurispr. blz. II‑1011, punt 448, en 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie, T‑310/01, Jurispr. blz. II‑4071, punt 438).
118 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat de omstandigheid dat rekening wordt gehouden met een door een onderneming in de loop van de administratieve procedure aangevoerd argument, zonder dat deze onderneming de gelegenheid heeft gekregen vóór de vaststelling van de eindbeschikking haar standpunt ter zake kenbaar te maken, op zichzelf geen schending van de rechten van verdediging vormt (beschikking Hof van 10 juli 2001, Irish Sugar/Commissie, C‑497/99 P, Jurispr. blz. I‑5333, punt 24).
119 Ten slotte moet ook in herinnering worden gebracht dat volgens de rechtspraak de rechten van verdediging zijn geschonden indien zonder de door de Commissie begane onregelmatigheid de door haar gevoerde administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden. Om een dergelijke schending te bewijzen, moet een verzoekende onderneming genoegzaam aantonen, niet dat de beschikking van de Commissie anders zou hebben geluid, maar wel dat zij zich zonder de onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen, bijvoorbeeld omdat zij voor haar verweer stukken had kunnen gebruiken waartoe haar tijdens de administratieve procedure geen toegang was verleend (zie in die zin arresten Hof van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10821, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, Jurispr. blz. I‑6375, punt 28).
120 In casu kon de Commissie zich in de mededeling van punten van bezwaar voor de onderbouwing van de toerekening van de verantwoordelijkheid aan SCC voor de inbreuk op het kartelrecht door Transcatab, waarvan zij 100 % van het kapitaal bezat, in principe in het licht van de in de punten 94 tot en met 96 hierboven in de rechtspraak ontwikkelde beginselen beperken tot de vaststelling van de deelnemingsverhouding tussen moeder- en dochterondernemingen (zie de punten 336‑338 van de mededeling van punten van bezwaar). Op grond van deze in de rechtspraak ontwikkelde beginselen diende de Commissie in haar eindbeschikking dus een standpunt in te nemen over de door partijen aangevoerde argumenten in antwoord op die mededeling (zie de punten 335 e.v. van de bestreden beschikking), ter weerlegging van het betrokken vermoeden.
121 Wat de stelling van Transcatab betreft dat de Commissie in de bestreden beschikking gebruik heeft gemaakt van documenten die niet in de mededeling van punten van bezwaar waren genoemd, moet voorts worden opgemerkt dat de Commissie feitelijk pas in de punten 335 tot en met 344 van de bestreden beschikking, in het kader van de beoordeling van de door partijen tijdens de administratieve procedure aangevoerde argumenten en bewijzen, op bepaalde aspecten en specifieke documenten inzake de relatie tussen SCC en Transcatab ingaat en daarbij verwijst naar documenten uit het administratieve dossier. De inaanmerkingneming van die aspecten en documenten kon de doeltreffendheid van de uitoefening van de rechten van verdediging van Transcatab dus niet aantasten, temeer niet daar zij tijdens de administratieve procedure toegang had tot die documenten – waarover zij hoe dan ook reeds beschikte.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex