Gerecht EU 9 juli 2003, T-224/00, ECLI:EU:T:2003:195
Tekst
Trefwoorden
1. Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vormvereisten - Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen
(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 19, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1)
2. Gemeenschapsrecht - Algemene rechtsbeginselen - Niet-terugwerkende kracht van strafrechtelijke bepalingen - Werkingssfeer - Geldboeten opgelegd wegens schending van mededingingsregels - Daaronder begrepen - Schending wegens toepassing van richtsnoeren voor berekening van geldboeten op inbreuk die vóór vaststelling ervan is gepleegd - Geen
(Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, art. 7; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
3. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Beoordelingsmarge van Commissie - Mogelijkheid om geldboeten te verhogen ter versterking van afschrikkende werking
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
4. Gemeenschapsrecht - Beginselen - Bescherming van gewettigd vertrouwen - Voorwaarden - Bescherming tegen uitoefening door Commissie van haar bevoegdheid om geldboeten wegens schending van mededingingsregels te verhogen - Geen
(Verordening nr. 17 van de Raad)
5. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Communautaire sancties en sancties, in lidstaat of derde staat opgelegd wegens schending van nationaal mededingingsrecht - Schending van beginsel ne bis in idem" - Geen - Cumulatie - Toelaatbaarheid - Verplichting van Commissie om bij bepaling van bedrag van geldboete rekening te houden met in lidstaat wegens zelfde feiten opgelegde sanctie - Geen soortgelijke verplichting wanneer sanctie in derde staat is opgelegd
(Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, art. 4; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
6. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Mogelijkheid om geldboeten te verhogen ter versterking van afschrikkende werking
(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
7. Mededinging - Mededingingsregelingen - Vaststelling van prijzen - Inbreuk die als zeer zwaar kan worden aangemerkt, hoewel vastgestelde prijzen louter richtprijzen zijn
(Art. 81 EG)
8. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Vaststelling van prijzen - Verplichting van Commissie om bij beoordeling van weerslag van inbreuk uit te gaan van mededinging zoals die zonder inbreuk zou hebben bestaan
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
9. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Inaanmerkingneming van gevolgen van gehele inbreuk, los van feitelijke houding die onderneming naar eigen zeggen heeft aangenomen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
10. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Richtsnoeren van Commissie - Verplichting voor Commissie om zich hieraan te houden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
11. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Inaanmerkingneming van totale omzet van betrokken onderneming en van omzet uit verkoop van goederen waarop inbreuk betrekking heeft - Grenzen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
12. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Mate waarin werkelijk schade op betrokken markt kan worden veroorzaakt - Relevantie van marktaandeel van betrokken onderneming
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
13. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Werkelijke invloed van inbreukmakend gedrag van elke onderneming op mededinging - Relevantie van omzet met producten waarop concurrentiebeperkende gedragingen betrekking hebben
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
14. Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Betwisting van feiten die in aanmerking zijn genomen in beschikking waarbij schending van mededingingsregels wordt bestraft - Ontvankelijkheid - Voorwaarde - Niet-erkenning van deze feiten tijdens administratieve procedure
(Art. 230 EG)
15. Mededinging - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(Art. 81, lid 1, EG)
16. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Rol die elke bij inbreuk betrokken onderneming heeft gespeeld
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
17. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomst - Beoordeling aan hand van individueel gedrag van elke onderneming
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
18. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Uitvoering van conformeringsprogramma om aan communautaire mededingingsregels te voldoen - Inaanmerkingneming niet dwingend vereist
(Art. 81, lid 1, sub a en b, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
19. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Verlaging van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking - Voorwaarden - Verstrekking door onderneming van informatie over feiten waarvoor haar sanctie kan worden opgelegd
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
20. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Verlaging van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking waardoor kan worden uitgemaakt in welke mate andere onderneming heeft meegewerkt
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
21. Mededinging - Administratieve procedure - Verificatiebevoegdheden van Commissie - Inachtneming van algemeen beginsel dat bescherming tegen willekeurige of onevenredige ingrepen van openbaar gezag eist - Onmogelijkheid clandestiene video- of geluidsopnames te gebruiken of te maken
(Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, art. 8; verordening nr. 17 van de Raad)
22. Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Berekeningsmethode zoals vastgelegd in door Commissie vastgestelde richtsnoeren - Toepassing van percentages op basisbedrag van geldboete
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
Samenvatting
$$1. Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Deze uiteenzetting moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn opdat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht eventueel zonder andere ondersteunende informatie uitspraak kan doen op het beroep. Het verzoekschrift moet bijgevolg duidelijk laten uitkomen, op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de loutere vermelding van dit middel niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet.
( cf. punt 36 )
2. Het beginsel dat strafbepalingen geen terugwerkende kracht hebben, is een beginsel dat de rechtsstelsels van alle lidstaten gemeen hebben en dat ook in artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens is erkend; het is tevens een van de algemene rechtsbeginselen waarvan de gemeenschapsrechter de eerbiediging verzekert.
Ook al hebben beschikkingen waarbij de Commissie geldboeten oplegt wegens schending van het mededingingsrecht, blijkens artikel 15, lid 4, van verordening nr. 17 geen strafrechtelijk karakter, toch moet de Commissie tijdens elke administratieve procedure die tot de oplegging van een sanctie op grond van de mededingingsregels van het Verdrag kan leiden, de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het verbod van terugwerkende kracht, in acht nemen. Dit veronderstelt dat de sancties die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming worden opgelegd, overeenstemmen met die welke ten tijde van de inbreuk waren bepaald.
Uit dit oogpunt vormt de wijziging die de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, ten opzichte van de vroegere administratieve praktijk van de Commissie zouden veroorzaken, geen wijziging van het rechtskader voor de bepaling van het bedrag van de geldboeten die kunnen worden opgelegd, welke in strijd is met het algemene verbod van terugwerkende kracht van strafbepalingen en met het beginsel van rechtszekerheid.
Enerzijds fungeert de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie immers zelf niet als rechtskader voor de geldboeten in mededingingszaken, aangezien dit kader uitsluitend wordt bepaald door verordening nr. 17, waarvan de richtsnoeren niet afwijken. Anderzijds kan de invoering door de Commissie van een nieuwe methode voor de berekening van geldboeten, die in bepaalde gevallen tot een verhoging van het algemene niveau van de geldboeten kan leiden, zonder dat hierbij evenwel de in deze verordening vastgelegde bovengrens wordt overschreden, niet worden beschouwd als een verhoging met terugwerkende kracht van de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 rechtens vastgelegde geldboeten, gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie volgens verordening nr. 17 beschikt.
( cf. punten 39-41, 51-55 )
3. De Commissie beschikt in het kader van verordening nr. 17 bij de bepaling van de geldboeten over een beoordelingsvrijheid om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven. Verder ontneemt het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet de mogelijkheid dit niveau binnen de door verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen indien dit noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren. Voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels moet de Commissie integendeel het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen.
( cf. punten 56, 181 )
4. Het recht om zich op het vertrouwensbeginsel te beroepen, komt toe aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat een gemeenschapsinstantie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt. Evenwel kan geen schending van het vertrouwensbeginsel worden aangevoerd wanneer die instantie geen concrete toezeggingen heeft gedaan.
De marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun discretionaire bevoegdheid kan worden gewijzigd. Voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels moet de Commissie het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van het mededingingsbeleid kunnen aanpassen. Bijgevolg ontneemt het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet de mogelijkheid dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen.
( cf. punten 62, 64-65 )
5. Het beginsel ne bis in idem, dat ook is vastgelegd in artikel 4 van protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht waarvan de rechter de eerbiediging verzekert. Op het gebied van het communautaire mededingingsrecht verbiedt dit beginsel dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd door de Commissie wegens een mededingingsverstorende gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beschikking van de Commissie waartegen geen beroep meer openstaat.
Daarentegen is cumulatie van een communautaire en een nationale sanctie mogelijk als gevolg van het feit dat er twee parallelle procedures met verschillende doelstellingen bestaan, op grond van de bijzondere bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de lidstaten inzake mededingingsregelingen. Een algemene billijkheidseis houdt evenwel in, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete rekening houdt met sancties die dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit zijn opgelegd, wanneer deze sancties zijn opgelegd wegens inbreuken op het kartelrecht van een lidstaat, die bijgevolg op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gepleegd.
Aangezien deze mogelijke cumulatie van sancties wordt gerechtvaardigd door het feit dat met de nationale en de communautaire procedure verschillende doeleinden worden nagestreefd, kan het beginsel ne bis in idem a fortiori geen toepassing vinden wanneer de Commissie heeft beslist om een geldboete aan een onderneming op te leggen wegens haar deelneming aan een mededingingsregeling die reeds door de autoriteiten of de rechterlijke instanties van een derde staat is bestraft, daar de door de Commissie en de autoriteiten of de rechterlijke instanties van een derde staat gevoerde procedures en opgelegde sancties vanzelfsprekend niet dezelfde doeleinden nastreven. Bovendien bestaat er thans geen internationaal publiekrechtelijk beginsel dat de autoriteiten of de rechterlijke instanties van verschillende staten verbiedt een persoon voor dezelfde feiten te vervolgen en te veroordelen.
Verder is de op billijkheidsgronden gebaseerde verplichting van de Commissie om bij de bepaling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met sancties die reeds aan dezelfde onderneming zijn opgelegd wegens inbreuken op het kartelrecht van een lidstaat, die dus op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gepleegd, het gevolg van de bijzondere situatie die voortvloeit uit de nauwe onderlinge vervlechting tussen de nationale markten van de lidstaten en de gemeenschappelijke markt en uit de bijzondere wijze waarop de bevoegdheden inzake mededingingsregelingen tussen de Gemeenschap en de lidstaten op eenzelfde grondgebied - de gemeenschappelijke markt - zijn verdeeld. Een dergelijke rechtvaardiging ontbreekt natuurlijk wanneer de eerste beslissingen van repressieve aard tegen een onderneming zijn getroffen door de autoriteiten of rechterlijke instanties van een derde staat wegens schending van hun mededingingsregels, en de Commissie is dus niet verplicht om bij de bepaling van het bedrag van de geldboete die aan deze onderneming wegens een inbreuk op het communautaire mededingingsrecht wordt opgelegd, rekening te houden met deze beslissingen.
( cf. punten 85-87, 89-90, 92, 99-100 )
6. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is een van de middelen die de Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen. Tot deze taak behoort de verplichting om individuele inbreuken te onderzoeken en te bestraffen, maar zij omvat ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop gericht is, op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen.
Daaruit volgt dat de Commissie de bevoegdheid heeft om het niveau van de geldboeten vast te stellen met het oog op een versterking van de afschrikkende werking ervan, wanneer bepaalde soorten inbreuken - wegens de winst die sommige van de betrokken ondernemingen daarmee kunnen behalen - nog steeds betrekkelijk veel voorkomen, hoewel de onwettigheid ervan reeds bij het begin van het communautaire mededingingsbeleid is vastgesteld.
( cf. punten 105-106 )
7. De vaststelling van een prijs, zelfs van een loutere richtprijs, in het kader van een mededingingsregeling heeft negatieve gevolgen voor de mededinging, aangezien alle deelnemers aan de mededingingsregeling hierdoor met een redelijke mate van zekerheid kunnen voorzien welk prijsbeleid hun concurrenten zullen volgen. Dergelijke mededingingsregelingen grijpen rechtstreeks in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt in en kunnen als zeer zware inbreuken worden aangemerkt. Door de gemeenschappelijke wil kenbaar te maken om een bepaald prijsniveau voor hun producten toe te passen, bepalen de betrokken producenten immers niet langer zelfstandig hun beleid op de markt, waardoor zij inbreuk maken op de in de verdragsbepalingen inzake de mededinging besloten liggende voorstelling.
( cf. punten 119-120 )
8. Bij de bepaling van de zwaarte van een inbreuk op het gebied van de mededinging moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke bepalingen en de economische omstandigheden waaronder het gelaakte gedrag heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt moet de Commissie uitgaan van de mededinging zoals die normaliter zonder inbreuk zou hebben bestaan.
Hieruit volgt dat bij prijskartels de Commissie moet vaststellen dat de overeenkomsten de betrokken ondernemingen werkelijk in staat hebben gesteld hogere transactieprijzen te bereiken dan zonder kartel tot stand waren gekomen.
Verder vloeit hieruit voort dat de Commissie bij haar beoordeling alle objectieve omstandigheden op de betrokken markt in aanmerking moet nemen, en hierbij de economische context en, zo nodig, de toepasselijke bepalingen in haar overwegingen moet betrekken.
( cf. punten 150-152 )
9. Bij de bestraffing van verboden mededingingsregelingen is de feitelijke houding die een bepaalde onderneming naar eigen zeggen heeft aangenomen, irrelevant voor de beoordeling van de weerslag van een mededingingsregeling op de markt; enkel de gevolgen van de inbreuk in haar geheel dienen in aanmerking te worden genomen.
( cf. punten 160, 167 )
10. De Commissie mag niet afwijken van de regels die zij zichzelf heeft opgelegd. Wanneer de Commissie in het bijzonder richtsnoeren vaststelt die dienen om met inachtneming van het Verdrag de criteria te preciseren die zij van plan is toe te passen bij de uitoefening van haar bevoegdheid om de zwaarte van de inbreuk te beoordelen, volgt hieruit een zelfbeperking van deze bevoegdheid, aangezien zij zich dient te houden aan de indicatieve regels die zij zichzelf heeft opgelegd.
( cf. punt 182 )
11. Mogelijke factoren ter beoordeling van de zwaarte van een inbreuk op de communautaire mededingingsregels zijn naar gelang van het geval onder meer: de hoeveelheid en de waarde van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, alsook de omvang en de economische macht van de onderneming en derhalve de invloed die deze op de markt heeft kunnen uitoefenen. Hieruit volgt enerzijds dat voor de vaststelling van de geldboete zowel rekening mag worden gehouden met de totale omzet van de onderneming, die - zij het ook benaderend en onvolkomen - een indruk geeft van haar omvang en economische macht, als met het gedeelte van de omzet dat is behaald met de verkoop van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, en dat dus een indruk kan geven van de omvang van de inbreuk. Anderzijds volgt hieruit dat aan geen van deze omzetcijfers een belang mag worden toegekend dat niet in verhouding staat tot de overige beoordelingselementen, zodat de vaststelling van een passend bedrag van de geldboete niet de resultante kan zijn van een eenvoudige berekening op basis van de totale omzet.
( cf. punten 58, 188 )
12. In het kader van de bepaling van het bedrag van de geldboeten die wegens schending van de communautaire mededingingsregels worden opgelegd, houdt het onderzoek van de werkelijke mogelijkheid van de bestrafte ondernemingen om significante schade op een bepaalde markt te veroorzaken een beoordeling in van de werkelijke slagkracht van deze ondernemingen op de markt die ongunstig wordt beïnvloed, dat wil zeggen van hun invloed op deze markt. Relevant in dat verband is het marktaandeel van een onderneming op de betrokken markt, maar niet de totale omzet ervan.
( cf. punt 193 )
13. In het kader van de bepaling van het bedrag van de geldboeten die wegens schending van de communautaire mededingingsregels worden opgelegd, houdt de beoordeling van het specifieke gewicht, dat wil zeggen van de werkelijke invloed, van de inbreuk van elke onderneming - die de Commissie voortaan dient te verrichten volgens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, wanneer zij van mening is dat de uitgangsbedragen van de geldboeten moeten worden gewogen omdat het gaat om een inbreuk (van het type kartel) waarbij verscheidene ondernemingen betrokken zijn die aanzienlijk van omvang verschillen -, in dat de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk en niet de slagkracht van de betrokken onderneming in termen van omvang of economische macht wordt vastgesteld. Het gedeelte van de omzet dat voortvloeit uit de verkoop van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, kan een juiste aanwijzing vormen van de omvang van een inbreuk op de betrokken markt. In het bijzonder geeft de omzet die is behaald met de producten waarop de concurrentiebeperkende gedragingen betrekking hadden, als objectieve maatstaf de schadelijkheid van deze gedragingen voor de normale mededinging correct weer.
( cf. punten 194, 196 )
14. Zonder uitdrukkelijke bekentenis van de beschuldigde onderneming dat zij de mededinging heeft verstoord, zal de Commissie de feiten nog moeten bewijzen, terwijl de onderneming de vrijheid behoudt om te zijner tijd, met name tijdens de contentieuze procedure, alle verweermiddelen die haar nuttig lijken, aan te wenden. Daarentegen kan dit niet het geval zijn wanneer de betrokken onderneming de feiten heeft erkend. Wanneer dus de onderneming tijdens de administratieve procedure uitdrukkelijk de feiten heeft erkend die de Commissie haar in de mededeling van de punten van bezwaar ten laste heeft gelegd, moeten deze feiten worden geacht vast te staan, en kan de onderneming ze niet meer in het kader van de contentieuze procedure voor het Gerecht betwisten.
( cf. punt 227 )
15. Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen, en dit los van de gevolgen die deze wil op de markt heeft kunnen hebben. Aangezien er, althans met betrekking tot de prijsinitiatieven, wilsovereenstemming tussen de betrokken ondernemingen bestaat, mag de Commissie deze als een overeenkomst in de zin van deze bepaling kwalificeren.
( cf. punt 228 )
16. Wanneer een inbreuk door meerdere ondernemingen is gepleegd, moet bij de bepaling van de geldboeten het relatieve gewicht van de deelneming van elk van hen worden onderzocht, hetgeen met name impliceert dat wordt vastgesteld welke rol zij elk tijdens de duur van hun deelneming aan de inbreuk hebben gespeeld.
Hieruit vloeit met name voort, dat bij de berekening van de geldboete rekening moet worden gehouden met het feit dat een of meerdere ondernemingen binnen een kartel als kopstuk zijn opgetreden, omdat de ondernemingen die een dergelijke rol hebben gespeeld, in vergelijking met de andere ondernemingen een bijzondere verantwoordelijkheid moeten dragen.
( cf. punten 238-239 )
17. Punt 3, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dat betrekking heeft op het feit dat een overeenkomst niet daadwerkelijk is toegepast", dient aldus te worden uitgelegd dat het niet doelt op het geval dat een kartel in zijn geheel niet is uitgevoerd, waarbij het eigen gedrag van elke onderneming buiten beschouwing wordt gelaten, maar wel op het individuele gedrag van elke onderneming.
( cf. punten 263-265 )
18. Het is weliswaar van belang dat een onderneming maatregelen heeft getroffen om te vermijden dat leden van haar personeel zich in de toekomst opnieuw aan inbreuken op het communautaire mededingingsrecht schuldig maken, doch deze omstandigheid doet niets af aan het feit, dat de vastgestelde inbreuk daadwerkelijk is begaan. Het enkele feit dat de Commissie in een aantal van haar vroegere beschikkingen de toepassing van een programma om de gedragingen van de onderneming met de communautaire mededingingsregels in overeenstemming te brengen als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, betekent dus niet dat zij verplicht is om in een bepaald geval op dezelfde wijze te handelen.
De Commissie hoeft een dergelijk element dus niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen, zolang zij maar het beginsel van gelijke behandeling in acht neemt, volgens hetwelk ondernemingen tot wie eenzelfde beschikking is gericht, op dit punt niet verschillend mogen worden beoordeeld.
( cf. punten 280-281 )
19. Het feit dat een onderneming de Commissie in het kader van haar onderzoek naar een mededingingsregeling informatie ter beschikking stelt over handelingen waarvoor zij op grond van verordening nr. 17 hoe dan ook geen geldboete had kunnen krijgen, vormt geen medewerking die binnen de werkingssfeer van de mededeling van de Commissie inzake medewerking valt, laat staan een medewerking in de zin van punt D daarvan, dat met name betrekking heeft op de verstrekking van inlichtingen dan wel schriftelijke of andere bewijsstukken die bijdragen tot het bewijs van het bestaan van de inbreuk.
( cf. punt 297 )
20. De verstrekking door een onderneming van informatie die op zich de Commissie niet in staat heeft gesteld gemakkelijker een inbreuk vast te stellen, maar haar niettemin de gelegenheid heeft geboden de mate waarin een andere onderneming tijdens de procedure heeft meegewerkt, nauwkeuriger te beoordelen bij de bepaling van haar geldboete, en die dus de taak van de Commissie bij het verrichten van haar onderzoek heeft vergemakkelijkt, is geen medewerking binnen de werkingssfeer van de mededeling inzake medewerking, maar een daadwerkelijke medewerking buiten de werkingssfeer van de mededeling in de zin van punt 3, zesde streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd.
Bijgevolg moet de geldboete verder worden verminderd wegens verzachtende omstandigheden, omdat anders in strijd met deze bepaling wordt gehandeld.
Dit geldt temeer, daar de Commissie bij de beoordeling van de medewerking van de ondernemingen niet mag ingaan tegen het beginsel van gelijke behandeling. Een onderneming die niet alleen in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk de feiten heeft erkend, maar ook de taak van de Commissie op andere punten heeft vergemakkelijkt in het kader van een daadwerkelijke medewerking in de zin van punt 3, zesde streepje, van de richtsnoeren, kan immers niet worden vergeleken met een onderneming die de feiten heeft erkend, zonder verdere informatie te verstrekken.
( cf. punten 305-309 )
21. Wat het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens gewaarborgde recht op bescherming van het privé-leven betreft, is het bestaan aanvaard van een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht volgens hetwelk iedere persoon, of het nu gaat om een natuurlijke of een rechtspersoon, recht heeft op bescherming tegen willekeurige of onredelijke ingrepen door het openbaar gezag in zijn privé-sfeer. De uitoefening van de door verordening nr. 17 aan de Commissie verleende controlebevoegdheid wordt door het Hof en het Gerecht aan dit beginsel getoetst.
De eerbiediging van bovenbedoeld algemeen beginsel vereist met name dat ingrepen van het openbaar gezag een wettelijke grondslag hebben en op bij de wet vastgestelde gronden gerechtvaardigd zijn. Verordening nr. 17 bevat geen enkele bepaling over de mogelijkheid clandestiene video- of geluidsopnames te maken en te gebruiken.
( cf. punten 340-341 )
22. Gelet op de formulering van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, moeten de procentuele verhogingen of verminderingen wegens verzwarende of verzachtende omstandigheden worden toegepast op het basisbedrag van de geldboete dat is vastgesteld op basis van de zwaarte en de duur van de inbreuk, en niet op het bedrag van een verhoging die reeds op basis van de duur van de inbreuk is toegepast, of op de uitkomst van een eerste verhoging of vermindering wegens een verzwarende of verzachtende omstandigheid. Deze methode van de berekening van de geldboeten kan een gelijke behandeling verzekeren van verschillende ondernemingen die aan hetzelfde kartel hebben deelgenomen.
( cf. punt 378 )
Partijen
In zaak T-224/00,
Archer Daniels Midland Company, gevestigd te Decatur, Illinois (Verenigde Staten van Amerika),
Archer Daniels Midland Ingredients Ltd, gevestigd te Erith (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door L. Martin Alegi en E. W. Batchelor, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal en W. Wils als gemachtigden, bijgestaan door J. Flynn, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende enerzijds een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2001/418/EG van de Commissie van 7 juni 2000 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/36.545/F3 - Aminozuren) (PB 2001, L 152, blz. 24) of tot verlaging van de aan verzoeksters opgelegde geldboete, en anderzijds een reconventionele vordering van de Commissie tot verhoging van deze geldboete,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, V. Tiili en P. Mengozzi, rechters,
griffier: D. Christensen, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 april 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeksters, Archer Daniels Midland Company (hierna: ADM Company") en haar Europese dochtermaatschappij Archer Daniels Midland Ingredients Ltd (hierna: ADM Ingredients"), zijn werkzaam in de sector van de verwerking van granen en oliehoudende zaden. In 1991 begaven zij zich op de markt voor lysine.
2 Lysine is het belangrijkste aminozuur dat voor voedingsdoeleinden in diervoeding wordt gebruikt. Synthetische lysine wordt gebruikt als supplement in voeding die niet voldoende natuurlijke lysine bevat, bijvoorbeeld granen, om diervoedingsdeskundigen in staat te stellen diëten op basis van proteïnen samen te stellen die aan de voedingsbehoeften van de dieren voldoen. Voeding waaraan synthetische lysine is toegevoegd, kan ook dienen ter vervanging van voeding die een voldoende hoeveelheid natuurlijke lysine bevat, zoals soja.
3 In 1995 werden na een geheim onderzoek door het Federal Bureau of Investigation (FBI) in de Verenigde Staten huiszoekingen verricht in de kantoren van verschillende ondernemingen die actief zijn op de lysinemarkt. In augustus en oktober 1996 werden ADM Company en de vennootschappen Kyowa Hakko Kogyo Co Ltd (hierna: Kyowa"), Sewon Corp. Ltd, Cheil Jedang Corp. (hierna: Cheil") en Ajinomoto Co Inc door de autoriteiten van de Verenigde Staten ervan beschuldigd dat zij tussen juni 1992 en juni 1995 een kartel hadden gevormd dat de prijzen van lysine had vastgesteld en de verkoophoeveelheden voor dit product had verdeeld. Na een schikking met het Amerikaanse Ministerie van Justitie werd aan deze ondernemingen door de rechter die de zaak diende te beoordelen, een geldboete opgelegd, namelijk 10 miljoen USD aan Kyowa Hakko Kogyo en Ajinomoto, 70 miljoen USD aan ADM Company en 1,25 miljoen USD aan Cheil. De geldboete van Sewon Corp. bedroeg, volgens haarzelf, 328 000 USD. Verder werden drie topmannen van ADM Company voor hun rol in het kartel tot een gevangenisstraf en geldboeten veroordeeld.
4 In juli 1996 bood Ajinomoto op basis van mededeling 96/C 207/04 van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: mededeling inzake medewerking") de Commissie haar medewerking aan bij het vaststellen van het bestaan van een kartel op de lysinemarkt en de gevolgen ervan in de Europese Economische Ruimte (hierna: EER").
5 Op 11 en 12 juni 1997 heeft de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), verificaties verricht in de Europese inrichtingen van ADM Company en van Kyowa Hakko Europe GmbH. Na deze verificaties gaven Kyowa Hakko Kogyo en Kyowa Hakko Europe te kennen dat zij met de Commissie wensten samen te werken en verstrekten zij haar bepaalde informatie, met name een chronologisch overzicht van de vergaderingen tussen de lysineproducenten.
6 Op 28 juli 1997 verzocht de Commissie overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 ADM Company en ADM Ingredients, Sewon Corp. en haar Europese dochtermaatschappij Sewon Europe GmbH (hierna samen: Sewon"), alsook Cheil om inlichtingen betreffende hun gedragingen op de markt voor aminozuren en de in de desbetreffende verzoeken genoemde kartelvergaderingen. Nadat de Commissie bij brief van 14 oktober 1997 ADM Ingredients en ADM Company erop had gewezen dat zij niet op haar verzoeken hadden geantwoord, heeft ADM Ingredients op het verzoek van de Commissie betreffende de lysinemarkt geantwoord. ADM Company antwoordde helemaal niet.
7 Op 30 oktober 1998 zond de Commissie op basis van de verstrekte informatie aan ADM Company en ADM Ingredients (hierna samen: ADM") en aan de andere betrokken ondernemingen, namelijk Ajinimoto en haar Europese dochtermaatschappij, Eurolysine SA (hierna samen: Ajinimoto"), Kyowa Hakko Kogyo en haar Europese dochtermaatschappij Kyowa Hakko Europe (hierna samen: Kyowa"), Daesang Corp. (voorheen Sewon Corp.) en haar Europese dochtermaatschappij, Sewon Europe, en Cheil, een mededeling van de punten van bezwaar wegens schending van artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst over de EER (hierna: EER-overeenkomst"). In deze mededeling van de punten van bezwaar verweet de Commissie deze ondernemingen dat zij vanaf september 1990 (Ajinimoto, Kyowa en Sewon), maart 1991 (Cheil) en juni 1992 (ADM) tot juni 1995 de prijzen van lysine in de EER en verkoopquota voor deze markt hadden vastgesteld en informatie over hun verkoopcijfers hadden uitgewisseld. Na ontvangst van deze mededeling van punten van bezwaar deelden verzoeksters de Commissie mee dat zij de feiten niet betwistten.
8 Na een hoorzitting met de betrokken ondernemingen op 1 maart 1999 zond de Commissie hun op 17 augustus 1999 een aanvullende mededeling van punten van bezwaar betreffende de duur van het kartel, waarin zij tot de conclusie kwam dat Ajinomoto, Kyowa en Sewon ten minste vanaf juni 1990, Cheil ten minste vanaf begin 1991 en verzoeksters vanaf 23 juni 1992 aan het kartel hadden deelgenomen. In hun antwoord van 6 oktober 1999 op deze aanvullende mededeling van punten van bezwaar bevestigden verzoeksters dat zij de ten laste gelegde feiten niet betwistten.
9 Aan het einde van de procedure heeft de Commissie beschikking 2001/418/EG van 7 juni 2000 gegeven inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/36.545/F3 - Aminozuren) (PB 2001, L 152, blz. 24; hierna: beschikking"). De beschikking is bij brief van 16 juni 2000 aan verzoeksters betekend.
10 De beschikking bevat de volgende bepalingen:
Artikel 1
[ADM Company] en haar Europese dochteronderneming [ADM Ingredients], Ajinomoto Company Incorporated, en haar Europese dochteronderneming Eurolysine SA, Kyowa Hakko Kogyo Company Limited en haar Europese dochteronderneming Kyowa Hakko Europe GmbH, Daesang Corporation en haar Europese dochteronderneming Sewon Europe GmbH, alsmede [Cheil] hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst door deel te nemen aan afspraken over prijzen, verkoophoeveelheden en uitwisseling van afzonderlijke informatie over verkochte hoeveelheden synthetische lysine voor de gehele EER.
De duur van de inbreuk was als volgt:
- [ADM Company] en [ADM Ingredients]: van 23 juni 1992 tot 27 juni 1995,
- Ajinomoto Company, Incorporated, en Eurolysine SA: ten minste van juli 1990 tot 27 juni 1995,
- Kyowa Hakko Kogyo Company Limited en Kyowa Hakko Europe GmbH: ten minste van juli 1990 tot 27 juni 1995,
- Daesang Corporation en Sewon Europe GmbH: ten minste van juli 1990 tot 27 juni 1995,
- [Cheil]: van 27 augustus 1992 tot 27 juni 1995.
Artikel 2
Aan de in artikel 1 genoemde ondernemingen worden wegens de in dit artikel vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:
a) [ADM Company] en
[ADM Ingredients],
hoofdelijk aansprakelijk, een geldboete van: 47 300 000 EUR
b) Ajinomoto Company, Incorporated en Eurolysine SA,
hoofdelijk aansprakelijk, een geldboete van 28 300 000 EUR
c) Kyowa Hakko Kogyo Company Limited en
Kyowa Hakko Europe GmbH,
hoofdelijk aansprakelijk, een geldboete van 13 200 000 EUR
d) Daesang Corporation en
Sewon Europe GmbH,
hoofdelijk aansprakelijk, een geldboete van 8 900 000 EUR
e) [Cheil], een geldboete van 12 200 000 EUR
[...]"
11 Bij de berekening van de geldboeten heeft de Commissie in de beschikking gebruik gemaakt van de methode die is beschreven in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: richtsnoeren"), en van de mededeling inzake medewerking.
12 In de eerste plaats heeft zij het basisbedrag van de geldboete, dat wordt bepaald naar gelang van de zwaarte en de duur van de inbreuk, voor ADM vastgesteld op 39 miljoen euro. Voor Ajinomoto, Kyowa, Cheil en Sewon werd het basisbedrag van de geldboete vastgesteld op respectievelijk 42, 21, 19,5 en 21 miljoen euro (punt 314 van de beschikking).
13 Bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete op grond van de zwaarte van de inbreuk, stelde de Commissie om te beginnen dat de betrokken ondernemingen een zeer zware inbreuk hadden gepleegd, gelet op de aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de lysinemarkt in de EER en de omvang van de betrokken geografische markt. Op basis van de totale omzet van de bij de inbreuk betrokken ondernemingen in het laatste jaar van de inbreuk kwam de Commissie vervolgens tot de bevinding dat er een aanzienlijk verschil was in de omvang van deze ondernemingen, zodat zij hen gedifferentieerd heeft behandeld. Bijgevolg werd het uitgangsbedrag van de geldboete vastgesteld op 30 miljoen euro voor ADM en Ajinimoto, en op 15 miljoen euro voor Kyowa, Cheil en Sewon (punt 305 van de beschikking).
14 Om rekening te houden met de duur van de door elke onderneming gepleegde inbreuk en het basisbedrag van hun respectieve geldboeten vast te stellen, verhoogde de Commissie het aldus bepaalde uitgangsbedrag met 10 % per jaar, dat wil zeggen met 30 % voor ADM en Cheil en met 40 % voor Ajinimoto, Kyowa en Sewon (punt 313 van de beschikking).
15 In de tweede plaats werden de basisbedragen van de geldboete voor ADM en Ajinomoto wegens verzwarende omstandigheden elk verhoogd met 50 %, dat wil zeggen met 19,5 miljoen euro voor ADM en met 21 miljoen euro voor Ajinomoto, omdat deze ondernemingen een leidinggevende rol hadden gespeeld in het kader van de inbreuk (punt 356 van de beschikking).
16 In de derde plaats heeft de Commissie de - op grond van de duur van de inbreuk toegepaste - verhoging van de geldboete van Sewon met 20 % verminderd wegens verzachtende omstandigheden, omdat deze onderneming vanaf begin 1995 een passieve rol in het kartel had gespeeld (punt 365 van de beschikking). Bovendien heeft de Commissie het basisbedrag van de geldboete van elk van de betrokken ondernemingen met 10 % verminderd omdat zij alle de inbreuk hadden beëindigd zodra een overheidsinstantie maatregelen had genomen (punt 384 van de beschikking).
17 In de vierde plaats heeft de Commissie een belangrijke vermindering" van de geldboete in de zin van titel D van de mededeling inzake medewerking toegekend. Op die grond heeft de Commissie aan Ajinimoto en Sewon een vermindering verleend van 50 % van de geldboete die zou zijn opgelegd indien zij niet met de Commissie hadden meegewerkt, aan Kyowa en Cheil een vermindering van 30 % en, ten slotte, aan ADM een vermindering van 10 % (punten 431, 432 en 435 van de beschikking).
Procesverloop en conclusies van partijen
18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 augustus 2000, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
19 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht, schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden. Verweerster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
20 Ter terechtzitting van 25 april 2002 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
21 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- de bepaling van de beschikking waarbij hun een geldboete wordt opgelegd, nietig te verklaren of deze geldboete te verlagen;
- de Commissie in alle kosten te verwijzen;
- de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van alle kosten in verband met het stellen van de zekerheid voor de betaling van de geldboete.
22 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- de geldboete van verzoeksters te verhogen;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen.
De primaire vordering tot nietigverklaring van de bepaling van de beschikking waarbij ADM een geldboete wordt opgelegd, of tot verlaging van deze geldboete
I - Toepasselijkheid van de richtsnoeren
23 Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij de geldboete heeft berekend op basis van de in de richtsnoeren vastgestelde criteria, hoewel reeds vóór de bekendmaking van deze richtsnoeren een einde was gekomen aan het gelaakte kartel. Aldus heeft de Commissie volgens hen het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, het verbod van terugwerkende kracht van sancties en het beginsel van gelijke behandeling geschonden.
Argumenten van partijen
1. Schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en van het verbod van terugwerkende kracht van sancties.
Ontvankelijkheid van het middel
24 De Commissie acht het middel niet-ontvankelijk voorzover het betrekking heeft op een schending van het verbod van terugwerkende kracht. Volgens haar voeren verzoeksters dienaangaande geen juridische argumenten aan en preciseren zij met name niet of en in hoeverre het verbod van terugwerkende kracht" dient te worden onderscheiden van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
25 Verzoeksters stellen dat de schending van het verbod van terugwerkende kracht in hun verzoekschrift duidelijk is uiteengezet.
Ten gronde
26 Volgens verzoeksters wijkt de in de richtsnoeren vastgestelde methode voor de berekening van het bedrag van de geldboeten radicaal af van de vroegere praktijk van de Commissie ter zake, die, zoals de Commissie in haar beschikking (punt 318) heeft erkend, inhield dat de geldboete werd vastgesteld op grond van een basistarief dat een bepaald percentage was van de omzet op de relevante communautaire markt. Daarentegen voeren de richtsnoeren thans een vast tarief in voor de geldboete, bijvoorbeeld 20 miljoen euro bij een zeer zware inbreuk, ongeacht de omzet van het betrokken product. Aangezien de vorige methode voor de berekening van het bedrag van de geldboeten uitvoerig ter kennis was gebracht van de marktdeelnemers en nog van kracht was ten tijde van de inbreuk, kon de Commissie aan de richtsnoeren geen terugwerkende kracht verlenen zonder het beginsel van rechtszekerheid te schenden en hun gewettigde vertrouwen te beschamen.
27 Het argument van de Commissie in punt 317 van de beschikking, dat is ontleend aan het arrest van het Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie (T-141/94, Jurispr. blz. II-347, punt 666), is volgens verzoeksters kennelijk onjuist. Anders dan bij de in dat arrest bedoelde onderneming, die werd bestraft overeenkomstig de regels die ten tijde van de inbreuk van kracht waren, is in het geval van ADM een berekeningsmethode toegepast die in de periode waarin de inbreuk werd gepleegd, zelfs nog niet in overweging was genomen.
28 Verder zijn verzoeksters van mening dat de retroactieve toepassing van de richtsnoeren niet wordt gerechtvaardigd door de discretionaire bevoegdheid van de Commissie om haar algemene beleid inzake geldboeten aan te passen. De rechtspraak uit het arrest van het Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie (100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 108), en het arrest van het Gerecht van 10 maart 1992, Solvay/Commissie (T-12/89, Jurispr. blz. II-907), is in casu niet van toepassing, aangezien deze rechtspraak betrekking heeft op zaken waarin de wijzigingen van de geldboeten niet het gevolg waren van een volledige wijziging van de methode, maar van een loutere verhoging van de percentages die werden toegepast op de omzet uit de verkoop van het betrokken product. Bovendien was volgens verzoeksters, anders dan bij de beleidswijzigingen die in bovengenoemde arresten aan de orde waren, het doel van afschrikking ten tijde van de vaststelling van de beschikking voldoende bereikt door de bekendmaking van de richtsnoeren, zodat het kennelijk overdreven was om daaraan terugwerkende kracht te verlenen. In elk geval kan de beoordelingsmarge waarover de Commissie bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten beschikt, in geen geval ertoe leiden dat geldboeten worden opgelegd die vijftien tot twintig keer zo hoog zijn als die welke volgens de praktijk ten tijde van de inbreuk zouden zijn opgelegd. Bijgevolg heeft de Commissie het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht geschonden.
29 Het argument dat het in de Verenigde Staten ook gebruikelijk is dat de sanctie voor een strafrechtelijke inbreuk wordt vastgesteld op basis van de gangbare praktijk op het ogenblik van de beslissing en niet op basis van de praktijk ten tijde van de inbreuk, faalt volgens verzoeksters. Zoals blijkt uit de handleiding bij de richtsnoeren van de Sentencing Commission van de Verenigde Staten [punt 1 B 1.11(b)(1)] en uit een uitspraak van een federaal hof van beroep [arrest United States v. Kimler, 167 F. 3d 889, (5th Circ. 1999)], is de retroactieve toepassing van nieuwe richtsnoeren inzake geldboeten door de regel ex post facto in de grondwet van de Verenigde Staten verboden, wanneer als gevolg daarvan een zwaardere sanctie wordt opgelegd dan die welke gold op het ogenblik dat de inbreuk werd gepleegd.
30 Volgens de Commissie is er geen sprake van retroactieve bestraffing, aangezien de richtsnoeren de volgens artikel 15 van verordening nr. 17 geldende sancties niet wijzigen, maar enkel uiteenzetten hoe de Commissie van plan is haar bevoegdheid om geldboeten op te leggen uit te oefenen door rekening te houden met de zwaarte en de duur van de inbreuk.
31 Verder stelt zij dat zij vóór de vaststelling van haar richtsnoeren weliswaar vaak de omzet als grondslag heeft genomen, maar dat het geenszins om een constante praktijk ging.
32 Ten slotte kan de Commissie volgens de rechtspraak op elk ogenblik het algemene niveau van de geldboeten optrekken, in voorkomend geval na de mededeling van de punten van bezwaar (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 22 en 109). In casu waren de richtsnoeren evenwel bijna een jaar vóór de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar aan elk van de betrokken ondernemingen bekendgemaakt.
2. Schending van het beginsel van gelijke behandeling
33 Volgens verzoeksters is de toepassing van de richtsnoeren in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, aangezien zij ertoe leidt dat ondernemingen die een inbreuk op het mededingingsrecht hebben gepleegd, worden gedifferentieerd, niet naar het tijdstip waarop de inbreuk is gepleegd, maar naar het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, dat willekeurig door de Commissie wordt bepaald. Als voorbeeld vermelden verzoeksters dat aan de onderneming, bedoeld in beschikking 97/624/EG van de Commissie van 14 mei 1997 inzake een procedure op grond van artikel [82] van het EG-Verdrag (IV/34.621, 35.059/F-3 - Irish Sugar plc) (PB L 258, blz. 1), een geldboete is opgelegd ten belope van slechts 6,8 % van haar omzet op de relevante markt, terwijl de betrokken inbreuk uit dezelfde periode dateerde als het lysinekartel. Anders dan de Commissie stelt, vormt het feit dat de richtsnoeren inmiddels zijn bekendgemaakt, volgens hen geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor de verschillende behandeling van ADM.
34 Volgens de Commissie bevinden twee ondernemingen die op hetzelfde ogenblik dezelfde inbreuk hebben gepleegd, maar aan wie op verschillende tijdstippen een sanctie wordt opgelegd, zich in een verschillende situatie indien intussen het beleid inzake geldboeten is gewijzigd. Het beginsel van gelijke behandeling zou wel geschonden zijn indien tegelijkertijd zowel het ene als het andere beleid werd toegepast.
35 Op het argument dat de Commissie het tijdstip waarop zij haar beschikking geeft willekeurig bepaalt, antwoordt zij dat de duur van een procedure afhangt van een aantal toevallige omstandigheden, zoals de complexiteit en de omvang van het kartel en de uitoefening van de rechten van de verdediging. Zij voegt hieraan toe dat ondernemingen die hun kartel langer geheim hebben kunnen houden en pas laat zijn ontmaskerd, hiervan niet moeten kunnen profiteren door ook nog eens te eisen dat hun een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met die welke is opgelegd aan ondernemingen die in dezelfde periode inbreuken hebben gepleegd.
Beoordeling door het Gerecht
1. Schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en van het verbod van terugwerkende kracht van sancties
Ontvankelijkheid van het middel
36 Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Deze uiteenzetting moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn opdat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht eventueel zonder andere ondersteunende informatie uitspraak kan doen op het beroep. Het verzoekschrift moet bijgevolg duidelijk laten uitkomen, op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de loutere vermelding van dit middel niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet (arresten Gerecht van 12 januari 1995, Viho/Commissie, T-102/92, Jurispr. blz. II-17, punt 68, en 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T-352/94, Jurispr. blz. II-1989, punt 333).
37 In casu verwijten verzoeksters de Commissie op verschillende plaatsen in het verzoekschrift duidelijk dat zij de richtsnoeren met terugwerkende kracht heeft toegepast, en leiden zij uitdrukkelijk hieruit af dat de Commissie het verbod van terugwerkende kracht heeft geschonden. Deze uiteenzetting was bovendien voldoende duidelijk en nauwkeurig, aangezien zij de Commissie niet heeft belet om reeds in haar verweerschrift op de aangevoerde argumenten te antwoorden, en zij het Gerecht in staat stelt zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.
38 Bijgevolg dient het betoog van de Commissie te worden verworpen en dient het middel in zijn geheel ontvankelijk te worden verklaard.
Ten gronde
- Schending van het verbod van terugwerkende kracht van sancties en van het beginsel van rechtszekerheid
39 Het beginsel dat strafbepalingen geen terugwerkende kracht mogen hebben, is een beginsel dat de rechtsstelsels van alle lidstaten gemeen hebben en dat ook in artikel 7 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is erkend; het is tevens een van de algemene rechtsbeginselen waarvan de gemeenschapsrechter de eerbiediging verzekert (arrest Hof van 10 juli 1984, Kirk, 63/83, Jurispr. blz. 2689, punt 22, en arrest Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T-23/99, Jurispr. blz. II-1705, punt 219).
40 Ook al hebben beschikkingen waarbij de Commissie geldboeten oplegt wegens schending van het mededingingsrecht, blijkens artikel 15, lid 4, van verordening nr. 17 geen strafrechtelijk karakter (arrest Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T-83/91, Jurispr. blz. II-755, punt 235), toch moet de Commissie tijdens de gehele administratieve procedure die tot de oplegging van een sanctie op grond van de mededingingsregels van het Verdrag kan leiden, de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het verbod van terugwerkende kracht, in acht nemen (zie, naar analogie, betreffende de rechten van de verdediging, arrest Hof van 9 november 1983, Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 7, en arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 220).
41 Dit veronderstelt dat de sancties die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming worden opgelegd, overeenstemmen met die welke ten tijde van de inbreuk waren bepaald (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 221).
42 Dienaangaande dient te worden gepreciseerd, dat de sancties die de Commissie wegens inbreuken op de communautaire mededingingsregels kan opleggen, worden omschreven in artikel 15 van verordening nr. 17, dat is vastgesteld vóór de datum waarop de inbreuk is gepleegd. De Commissie is niet bevoegd verordening nr. 17 te wijzigen of hiervan af te wijken, al was het maar door middel van algemene regels die zij zichzelf oplegt. Aangezien vaststaat dat de Commissie het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete volgens de in de richtsnoeren uiteengezette algemene methode voor de berekening van geldboeten heeft bepaald, moet worden vastgesteld dat zij binnen het kader van de in artikel 15 van verordening nr. 17 bedoelde sancties is gebleven (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 222).
43 Volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 kan de Commissie immers, wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid [...] inbreuk maken op artikel [81], lid 1, [...] van het Verdrag [...], bij beschikking aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste één miljoen [euro], of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, indien bedoeld bedrag hoger is dan één miljoen [euro]". Volgens dezelfde bepaling moet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete [...] niet alleen rekening [worden] gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk" (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 223).
44 Volgens punt 1, eerste alinea, van de richtsnoeren moet het basisbedrag voor de berekening van geldboeten worden bepaald naar gelang van de zwaarte en de duur van de inbreuk, de enige criteria die in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 worden genoemd (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 224).
45 Volgens de richtsnoeren gaat de Commissie bij de berekening van de geldboeten uit van een bedrag dat wordt bepaald op basis van de zwaarte van de inbreuk (hierna: algemeen uitgangsbedrag"). Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk dient rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt (punt 1, sub A, eerste alinea). Aldus worden de inbreuken in drie grote categorieën ingedeeld: niet te ernstige inbreuken", waarvoor de geldboete kan variëren van 1 000 tot 1 miljoen euro, zware inbreuken", waarvoor de geldboete kan variëren van 1 miljoen tot 20 miljoen euro, en zeer zware inbreuken", waarvoor de geldboete meer dan 20 miljoen euro kan bedragen (punt 1, sub A, tweede alinea, eerste tot en met derde streepje) (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 225).
46 Vervolgens wordt in de richtsnoeren verklaard, dat binnen elk van bovenbedoelde categorieën van inbreuken, en in het bijzonder in die van de zware" en zeer zware" inbreuken, de scala van sancties die aan de ondernemingen kunnen worden opgelegd, het mogelijk maakt naar gelang van de aard van de gepleegde inbreuken te differentiëren (punt 1, sub A, derde alinea). Verder moet ook rekening worden gehouden met de werkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers, met name de consumenten, aanzienlijke schade te berokkenen, en moet het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau worden gesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat (punt 1, sub A, vierde alinea). Bovendien kan rekening worden gehouden met het feit dat grootschalige ondernemingen meestal over voldoende juridisch-economische kennis en middelen beschikken om zich beter van het inbreukmakende karakter van hun gedragingen en van de gevolgen ervan uit het oogpunt van het mededingingsrecht rekenschap te geven (punt 1, sub A, vijfde alinea) (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punten 225 en 226).
47 Binnen elk van de drie hierboven genoemde categorieën kan het in gevallen waar meerdere ondernemingen bij de inbreuk betrokken zijn, zoals bij kartels, wenselijk zijn op het vastgestelde bedrag een weging toe te passen om rekening te houden met het specifieke gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging, met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd, en bijgevolg het algemeen uitgangsbedrag aan te passen naar gelang van de specifieke positie van elke onderneming (hierna: specifiek uitgangsbedrag") (punt 1, sub A, zesde alinea) (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 227).
48 Wat de duur van de inbreuk betreft, wordt in de richtsnoeren een onderscheid gemaakt tussen inbreuken van korte duur (over het algemeen korter dan één jaar), waarvoor het op basis van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde uitgangsbedrag niet behoeft te worden verhoogd, inbreuken van middellange duur (over het algemeen één tot vijf jaar), waarvoor dit bedrag met 50 % kan worden verhoogd, en inbreuken van lange duur (over het algemeen meer dan vijf jaar), waarvoor dit bedrag voor elk jaar met 10 % kan worden verhoogd (punt 1, sub B, eerste alinea, eerste tot en met derde streepje) (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 228).
49 Verder bevatten de richtsnoeren een niet-exhaustieve lijst van verzwarende en verzachtende omstandigheden die in aanmerking kunnen worden genomen om het basisbedrag te verhogen of te verminderen, alsook een verwijzing naar de mededeling inzake medewerking (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 229).
50 Als algemene opmerking wordt hieraan in de richtsnoeren toegevoegd dat het eindresultaat van de berekening van de geldboete volgens deze methode (basisbedrag met verhogings- respectievelijk verlagingscoëfficiënt) ingevolge artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 in geen geval 10 % van de mondiale omzet van de ondernemingen mag overschrijden (punt 5, sub a). Verder dient volgens de richtsnoeren, naar gelang van de omstandigheden, na uitvoering van bovengenoemde berekeningen, rekening te worden gehouden met bepaalde objectieve gegevens, zoals de specifieke economische context, het economische of financiële voordeel dat de inbreukmakers eventueel hebben behaald, de specifieke kenmerken van de betrokken ondernemingen en hun vermogen om in een bepaalde sociale context daadwerkelijk te betalen, om uiteindelijk de bedragen van de voorgenomen geldboeten bij te stellen (punt 5, sub b) (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 230).
51 Bijgevolg worden de geldboeten volgens de in de richtsnoeren vastgelegde methode nog steeds berekend aan de hand van de twee in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 genoemde criteria, namelijk de zwaarte en de duur van de inbreuk, terwijl tegelijkertijd de in deze bepaling vastgestelde bovengrens ten opzichte van de omzet van elke onderneming in acht wordt genomen (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 231).
52 Derhalve blijven de richtsnoeren binnen het rechtskader waarbinnen volgens deze bepaling sancties kunnen worden opgelegd (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 232).
53 Anders dan verzoeksters stellen, vormt de wijziging die de richtsnoeren ten opzichte van de vroegere administratieve praktijk van de Commissie zouden veroorzaken, evenmin een wijziging van het rechtskader tot bepaling van het bedrag van de geldboeten die kunnen worden opgelegd, welke in strijd is met het algemene verbod van terugwerkende kracht van strafbepalingen en met het beginsel van rechtszekerheid (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 233).
54 Enerzijds fungeert de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie zelf niet als rechtskader voor de geldboeten in mededingingszaken, aangezien dit kader uitsluitend door verordening nr. 17 wordt bepaald. (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 234).
55 Anderzijds kan de invoering door de Commissie van een nieuwe methode voor de berekening van geldboeten, die in bepaalde gevallen tot een verhoging van het algemene niveau van de geldboeten kan leiden, zonder dat hierbij evenwel de in deze verordening vastgelegde bovengrens wordt overschreden, niet worden beschouwd als een verhoging met terugwerkende kracht van de bij artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 rechtens vastgelegde geldboeten, gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie volgens verordening nr. 17 beschikt (arrest LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punt 235).
56 Het argument dat de berekening van de geldboeten volgens de in de richtsnoeren uiteengezette methode, namelijk op basis van een bedrag dat in beginsel afhangt van de zwaarte van de inbreuk, tot gevolg kan hebben dat de Commissie hogere geldboeten oplegt dan voordien, is niet relevant. Volgens vaste rechtspraak beschikt de Commissie immers in het kader van verordening nr. 17 bij de bepaling van de geldboeten over een beoordelingsbevoegdheid om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven (arresten Gerecht van 6 april 1995, Martinelli/Commissie, T-150/89, Jurispr. blz. II-1165, punt 59; 11 december 1996, Van Megen Sports/Commissie, T-49/95, Jurispr. blz. II-1799, punt 53, en 21 oktober 1997, Deutsche Bahn/Commissie, T-229/94, Jurispr. blz. II-1689, punt 127). Verder ontneemt het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet de mogelijkheid dit niveau binnen de door verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen indien dit noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 109; arrest Solvay/Commissie, reeds aangehaald, punt 309, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, Europa Carton/Commissie, T-304/94, Jurispr. blz. II-869, punt 89). Voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels moet de Commissie integendeel het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen (arresten Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 109, en LR AF 1998/Commissie, reeds aangehaald, punten 236 en 237).
57 De strikte uitlegging van bovenbedoelde rechtspraak op basis waarvan verzoeksters betwisten dat deze in de onderhavige zaak van toepassing is, kan overigens niet worden aanvaard. Deze rechtspraak is immers in algemene bewoordingen gesteld zodat het niet mogelijk is het geval uit te sluiten waarin de verhoging van de opgelegde geldboeten het gevolg is van het feit dat de Commissie voor de berekening van de geldboeten zoals deze rechtens zijn vastgelegd in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, een nieuwe methode heeft ingevoerd.
58 Voorzover de Commissie wordt verweten dat zij het bedrag van de geldboete niet heeft bepaald op basis van de omzet uit de verkoop van lysine in de EER, dat wil zeggen uit de verkoop van het product waarop de inbreuk op de betrokken geografische markt betrekking had, dient er ten slotte aan te worden herinnerd, dat de enige uitdrukkelijke verwijzing in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 naar de omzet betrekking heeft op de bovengrens die de geldboete niet mag overschrijden. Bovendien heeft deze omzet volgens vaste rechtspraak betrekking op de totale omzet van de onderneming (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 119; arresten Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie, T-43/92, Jurispr. blz. II-441, punt 160, en 6 april 1995, Cockerill-Sambre/Commissie, T-144/89, Jurispr. blz. II-947, punt 98). Reeds vóór de vaststelling van de richtsnoeren is geoordeeld, dat de Commissie voor de vaststelling van de geldboete zowel rekening mag houden met de totale omzet van de onderneming, die - zij het ook benaderend en onvolkomen - een indruk geeft van de omvang en de economische macht van de onderneming, als met het deel van de omzet dat is behaald met de goederen waarop de inbreuk betrekking had, en dat dus een indruk kan geven van de omvang van de inbreuk. Verder mag aan geen van deze omzetcijfers een belang worden toegekend dat niet in verhouding staat tot de overige beoordelingselementen, zodat de vaststelling van een passende geldboete niet de resultante kan zijn van een eenvoudige berekening op basis van de totale omzet (zie met name arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punten 120 en 121; arresten Gerecht van 14 juli 1994, Parker Pen/Commissie, T-77/92, Jurispr. blz. II-549, punt 94, en 14 mei 1998, SCA Holding/Commissie, T-327/94, Jurispr. blz. II-1373, punt 176).
59 Verder is vóór de vaststelling van de richtsnoeren ook geoordeeld, dat de Commissie gerechtigd is de geldboete te berekenen zonder de verschillende omzetcijfers van de betrokken ondernemingen in aanmerking te nemen, onverminderd de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, waarin de bovengrens van de op te leggen geldboete wordt bepaald. Zo heeft het Hof geoordeeld, dat de Commissie eerst het totale bedrag van de geldboete mag bepalen en dit vervolgens over de ondernemingen mag verdelen naar gelang van het gemiddelde marktaandeel van elk van hen en de verzachtende of verzwarende omstandigheden die voor elk van hen in aanmerking kunnen worden genomen (zie arresten Hof van 15 juli 1970, Boehringer/Commissie, 45/69, Jurispr. blz. 769, punt 55, en 8 november 1983, IAZ e.a./Commissie, 96/82-102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, Jurispr. blz. 3369, punten 51-53).
60 Uit bovenbedoelde rechtspraak volgt dat verzoeksters, ongeacht de thans in de richtsnoeren beschreven methode, hoe dan ook niet konden verlangen dat de uiteindelijke geldboete zou worden vastgesteld op basis van een percentage van hun omzet op de betrokken markt.
61 Gelet op een en ander dient het middel inzake schending van het verbod van terugwerkende kracht van sancties en van het rechtszekerheidsbeginsel te worden verworpen.
- Schending van het vertrouwensbeginsel
62 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat het recht om zich op het vertrouwensbeginsel te beroepen, toekomt aan iedere particulier die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat een gemeenschapsinstantie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt (arresten Hof van 11 maart 1987, Van den Bergh en Jurgens en Van Dijk Food Products/Commissie, 265/85, Jurispr. blz. 1155, punt 44, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punt 26). Verder kan geen schending van het vertrouwensbeginsel worden aangevoerd wanneer die instantie geen concrete toezeggingen heeft gedaan (zie arrest Gerecht van 18 januari 2000, Mehibas Dordtselaan/Commissie, T-290/97, Jurispr. blz. II-15, punt 59, en de aangehaalde rechtspraak).
63 In casu kan worden volstaan met de opmerking dat verzoeksters zich niet beroepen op enige gedraging van een gemeenschapsinstantie die bij hen de verwachting heeft kunnen wekken dat de vroegere methode, die volgens hen constant door de Commissie werd toegepast, zou worden gehandhaafd. Zij betogen enkel dat de vroegere beschikkingspraktijk dient te worden gevolgd. Bij ondernemingen die betrokken zijn in een administratieve procedure die kan leiden tot de oplegging van een geldboete, kan evenwel onmogelijk het gewettigd vertrouwen ontstaan dat de Commissie een beschikkingspraktijk inzake de berekening van het bedrag van de geldboeten zal handhaven die zij in het verleden zou hebben gevolgd.
64 Volgens vaste rechtspraak (arresten Hof van 14 februari 1990, Delacre e.a./Commissie, C-350/88, Jurispr. blz. I-395, punt 33, en 23 november 2000, British Steel/Commissie, C-1/98 P, Jurispr. blz. I-10349, punt 52) mogen de marktdeelnemers immers niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun discretionaire bevoegdheid kan worden gewijzigd.
65 Uit de rechtspraak (zie met name arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 109) blijkt duidelijk, dat voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels de Commissie het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van het mededingingsbeleid moet kunnen aanpassen. Bijgevolg ontneemt het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet de mogelijkheid dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen.
66 Bovendien is de Commissie volgens diezelfde rechtspraak niet gehouden in de mededeling van de punten van bezwaar de mogelijkheid te vermelden dat haar beleid inzake het algemene niveau van de geldboeten zal worden gewijzigd, wanneer deze mogelijkheid afhankelijk is van algemene overwegingen betreffende het mededingingsbeleid en geen rechtstreeks verband houdt met de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaken (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 22).
67 Aangezien de richtsnoeren, waarin de Commissie een nieuwe algemene methode voor de berekening van geldboeten heeft vastgelegd, vóór de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar aan elk van de kartelleden en los van de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak zijn vastgesteld, kunnen verzoeksters de Commissie zeker niet verwijten dat zij voor de bepaling van de geldboete deze methode heeft toegepast, tenzij zij bewijzen, wat in casu niet is gebeurd, dat deze instelling bij hen een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat zij deze methode niet zou toepassen.
68 Bijgevolg moet de grief inzake schending van het vertrouwensbeginsel worden afgewezen.
2. Schending van het beginsel van gelijke behandeling
69 Volgens vaste rechtspraak wordt het beginsel van gelijke behandeling slechts geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest Gerecht van 14 mei 1998, BPB de Eendracht/Commissie, T-311/94, Jurispr. blz. II-1129, punt 309, en de aangehaalde rechtspraak).
70 Op het gebied van de bestraffing van inbreuken op de mededingingsregels vereist de eerbiediging van dit beginsel ongetwijfeld, dat aan ondernemingen die in eenzelfde periode soortgelijke inbreuken hebben gepleegd, dezelfde wettelijke sancties worden opgelegd, ongeacht de datum - die noodzakelijkerwijs zal variëren - waarop de beschikking tegen hen is gegeven. In dit opzicht is dit beginsel nauw verbonden met het verbod van terugwerkende kracht van straffen, volgens hetwelk de aan een onderneming wegens inbreuk op de mededingingsregels opgelegde sanctie moet overeenstemmen met die welke ten tijde van de inbreuk gold.
71 In casu kunnen verzoeksters evenwel geen schending van dit beginsel aanvoeren op de loutere grond dat de Commissie de geldboete bij de berekening van de richtsnoeren heeft toegepast en niet de methode die is gehanteerd in een aantal beschikkingen - zoals beschikking 97/624 - die dateren van vóór de inwerkingtreding van de richtsnoeren, waarbij de uiteindelijke geldboete werd vastgesteld op basis van een percentage van de omzet uit de verkoop van het product waarop de inbreuk op de relevante geografische markt betrekking had.
72 Zoals reeds is vastgesteld, vormt de wijziging die de vaststelling van de richtsnoeren voor de bestaande administratieve praktijk kon teweegbrengen, immers geen wijziging van het rechtskader tot bepaling van het bedrag van de geldboeten die kunnen worden opgelegd wegens inbreuken op de communautaire mededingingsregels, aangezien dit kader uitsluitend door verordening nr. 17 wordt bepaald. Volgens de in de richtsnoeren vastgelegde methode worden de geldboeten nog steeds berekend aan de hand van de twee in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 genoemde criteria, namelijk de zwaarte en de duur van de inbreuk, terwijl tegelijkertijd de in deze bepaling vastgestelde bovengrens ten opzichte van de omzet van elke onderneming in acht wordt genomen. Dat in de richtsnoeren een nieuwe berekeningsmethode wordt vastgelegd, waarin de factoren worden opgesomd die voor de beoordeling van de zwaarte en de duur van de inbreuk in aanmerking moeten worden genomen, leidt dus niet tot een wijziging van de geldboeten waaraan de ondernemingen zich reeds vóór de vaststelling van deze richtsnoeren blootstelden.
73 Het feit dat de geldboete van ADM is berekend op basis van de in de richtsnoeren beschreven methode, kan dus niet betekenen dat zij is gediscrimineerd ten opzichte van ondernemingen die in dezelfde periode inbreuken op de communautaire mededingingsregels hebben gepleegd, maar die om redenen in verband met het tijdstip waarop de inbreuk is ontdekt, of met het verloop van de tegen hen ingestelde administratieve procedure, vóór de inwerkingtreding van de richtsnoeren zijn veroordeeld. In beide gevallen immers bleven de geldboeten waaraan deze ondernemingen zich ten tijde van de inbreuk blootstelden, binnen de grenzen van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.
74 Zelfs indien de Commissie haar beschikking vroeger had gegeven en de richtsnoeren niet had kunnen toepassen, hadden verzoeksters volgens de hierboven in de punten 58 en 59 aangehaalde rechtspraak die van vóór de richtsnoeren dateert, niet kunnen verlangen dat hun geldboete werd bepaald op basis van de omzet uit de verkoop van het product waarop de inbreuk op de desbetreffende markt betrekking had, en dat enkel omdat de geldboeten die waren opgelegd aan ondernemingen die in dezelfde periode inbreuken op de communautaire mededingingsregels hadden gepleegd, volgens deze methode waren berekend.
75 Bijgevolg moet de grief inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling worden afgewezen.
II - Invloed van de reeds in andere landen opgelegde geldboeten
76 Verzoeksters verwijten de Commissie, dat zij bij de bepaling van de geldboete geen rekening heeft gehouden met de geldboeten die reeds in andere landen wegens dezelfde feiten aan ADM waren opgelegd. Ter ondersteuning van deze grief stellen zij dat het verbod van cumulatie van sancties is geschonden, en dat geen rekening is gehouden met de afschrikkende werking van reeds opgelegde geldboeten.
Argumenten van partijen
1. Het verbod van cumulatie van sancties en de verplichting van de Commissie om rekening te houden met reeds opgelegde geldboeten
77 Volgens verzoeksters heeft de Commissie, door haar weigering om de geldboeten die reeds in de Verenigde Staten en Canada aan ADM Company waren opgelegd, in mindering te brengen op de bij de beschikking opgelegde geldboete, het verbod van cumulatie van sancties voor eenzelfde inbreuk geschonden. Volgens het arrest van het Hof van 14 december 1972, Boehringer/Commissie (7/72, Jurispr. blz. 1281), is de Commissie verplicht een door de autoriteiten van een derde land opgelegde straf in mindering te brengen, indien door de Commissie en door deze autoriteiten aan de verzoekende onderneming dezelfde feiten ten laste worden gelegd. Dat is in casu precies het geval aangezien, anders dan in de zaak waarin het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, is gewezen, het door de Amerikaanse en de Canadese autoriteiten bestrafte kartel qua voorwerp, plaats en duur hetzelfde was als het kartel waarvoor een sanctie was opgelegd door de Commissie, die zich overigens had gebaseerd op het door de Amerikaanse autoriteiten verzamelde bewijsmateriaal.
78 Verzoeksters zijn het niet eens met de vaststelling in de beschikking dat de in de Verenigde Staten en Canada opgelegde geldboeten uitsluitend rekening hielden met de concurrentieverstorende gevolgen van het kartel binnen deze rechtsgebieden (punt 311 van de beschikking). Uit het vonnis dat op 15 oktober 1996 in de Verenigde Staten tegen ADM Company is gewezen, blijkt volgens hen integendeel dat het gewraakte kartel een mondiale omvang had en de handel in de Verenigde Staten en elders" belemmerde. Verder was de opgelegde geldboete bijzonder hoog wegens de geografische omvang van de inbreuk. Ook in de procedure in Canada werd specifiek rekening gehouden met het feit dat het een mondiaal kartel betrof.
79 Zelfs indien de verklaring van de Commissie juist is, is het feit dat andere autoriteiten slechts met de lokale effecten van een inbreuk rekening hebben gehouden, volgens hen hoe dan ook irrelevant voor de toepassing van het verbod van cumulatie van sancties. Volgens het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, is ter zake immers enkel relevant dat dezelfde gedragingen ten laste worden gelegd. Deze benadering wordt bevestigd door de praktijk van de Commissie zelf, die in een beschikking van 1983 de geldboete van ondernemingen die aan een kartel hadden deelgenomen, heeft verminderd met de reeds door de Duitse autoriteiten vastgestelde geldboete, hoewel zij slechts uitspraak deed over de aspecten van het kartel die geen verband hielden met Duitsland [zie beschikking 83/546/EEG van de Commissie van 17 oktober 1983 inzake een procedure op grond van artikel [81] van het EEG-Verdrag (IV/30.064 - gietijzeren en -stalen walsen) (PB L 317, blz. 1)].
80 Uit deze vroegere praktijk van de Commissie blijkt ook dat zij, door haar weigering rekening te houden met de reeds aan ADM Company opgelegde geldboeten, niet alleen het verbod van cumulatie van sancties, maar ook het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.
81 Ten slotte zijn verzoeksters van mening dat de Commissie het verbod van cumulatie van sancties ook heeft geschonden door rekening te houden met de mondiale omzet van ADM, dus inclusief de omzet in de Verenigde Staten, waarmee de Amerikaanse, de Canadese en de Mexicaanse autoriteiten reeds rekening hadden gehouden om zeer hoge geldboeten vast te stellen. Om een dubbele sanctie te vermijden, had de Commissie volgens verzoeksters dus slechts rekening mogen houden met het deel van de omzet dat was behaald met de verkoop van lysine in de EER.
82 De Commissie betoogt in wezen, dat de door de autoriteiten van derde landen opgelegde geldboeten slechts een sanctie vormen voor inbreuken op hun nationale mededingingsrecht, en dat deze autoriteiten niet bevoegd zijn om sancties op te leggen voor schendingen van het communautaire mededingingsrecht. Dat verschillende autoriteiten dezelfde feiten hebben moeten onderzoeken, is irrelevant, aangezien eenzelfde feit voor meerdere rechtsorden een inbreuk kan opleveren. Haar beschikkingspraktijk geldt niet voor geldboeten die door de autoriteiten van derde landen zijn opgelegd, maar voor die welke door de autoriteiten van de lidstaten zijn opgelegd, en beoogt juist te voorkomen dat een mededingingsverstorende gedraging in de Gemeenschap zelf tweemaal wordt bestraft.
2. De afschrikkende werking van de reeds opgelegde geldboeten
83 Volgens verzoeksters heeft de Commissie bij de bepaling van het bedrag van geldboete geen rekening gehouden met het feit dat de geldboeten en de schadevergoeding waartoe ADM Company reeds in derde landen was veroordeeld, volstonden om haar van elke nieuwe inbreuk op het mededingingsrecht te weerhouden. Volgens hen is ADM dus reeds voldoende gestraft.
84 De Commissie antwoordt hierop dat zij, wanneer zij haar bevoegdheid uitoefent om geldboeten op te leggen, rekening houdt met de noodzaak van preventie binnen de Europese Gemeenschap. Een onderneming die aan een mondiaal kartel heeft deelgenomen, kan geen mildere behandeling verwachten dan een onderneming die deelneemt aan een kartel dat beperkt is tot Europa. Het gewenste afschrikkingseffect ten aanzien van ondernemingen als ADM zou niet worden bereikt, indien de Commissie geen zware geldboeten wegens flagrante inbreuken op het communautaire mededingingsrecht zou mogen opleggen omdat aan de inbreukmaker reeds geldboeten zijn opgelegd wegens schending van het mededingingsrecht van derde landen. Verder staat de hoogte van de schadevergoeding die in een burgerlijke procedure wordt gevorderd, los van de vraag welke administratieve sanctie het meest geëigend is.
Beoordeling door het Gerecht
1. Schending van het verbod van cumulatie van sancties en van de vermeende verplichting van de Commissie om eerder opgelegde sancties in aanmerking te nemen
85 Volgens de rechtspraak vormt het beginsel ne bis in idem, dat ook is vastgelegd in artikel 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM, een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht waarvan de rechter de eerbiediging verzekert (arresten Hof van 5 mei 1966, Gutmann/Commissie, 18/65 en 35/65, Jurispr. blz. 149, 172, en 14 december 1972, Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, punt 3; arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T-305/94-T-307/94, T-313/94-T-316/94, T-318/94, T-325/94, T-328/94, T-329/94 en T-335/94, Jurispr. blz. II-931, punt 96, dat op dit punt is bevestigd door arrest Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P-C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, punt 59).
86 Op het gebied van het communautaire mededingingsrecht verbiedt dit beginsel dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd door de Commissie wegens een mededingingsverstorende gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beschikking van de Commissie waartegen geen beroep meer openstaat.
87 Verder is in de rechtspraak erkend, dat cumulatie van een communautaire en een nationale sanctie mogelijk is als gevolg van het feit dat er twee parallelle procedures met verschillende doelstellingen bestaan, wat toelaatbaar is op grond van de bijzondere bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de lidstaten inzake mededingingsregelingen. Een algemene billijkheidseis houdt evenwel in, dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete rekening houdt met sancties die dezelfde onderneming wegens hetzelfde feit mochten zijn opgelegd, wanneer deze sancties zijn opgelegd wegens inbreuken op het kartelrecht van een lidstaat, die bijgevolg op het grondgebied van de Gemeenschap zijn gepleegd (zie arresten Hof van 13 februari 1969, Wilhelm e.a., 14/68, Jurispr. blz. 1, punt 11, en 14 december 1972, Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, punt 3; arresten Gerecht van 6 april 1995, Tréfileurope/Commissie, T-141/89, Jurispr. blz. II-791, punt 191, en Sotralentz/Commissie, T-149/89, Jurispr. blz. II-1127, punt 29).
88 Het argument van verzoeksters dat de Commissie, door hun een geldboete op te leggen wegens hun deelneming aan een kartel waarvoor reeds door de Amerikaanse en de Canadese autoriteiten een sanctie was opgelegd, het beginsel ne bis in idem heeft geschonden volgens hetwelk aan eenzelfde persoon voor dezelfde inbreuk geen tweede sanctie kan worden opgelegd, kan door het Gerecht niet worden aanvaard.
89 Dienaangaande behoeft er enkel aan te worden herinnerd, dat de gemeenschapsrechter heeft erkend dat er twee parallelle procedures tegen een onderneming kunnen worden gevoerd wegens eenzelfde inbreuk en dat dus een dubbele sanctie kan worden opgelegd, de ene door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, de andere door de Gemeenschap. Deze mogelijke cumulatie van sancties wordt gerechtvaardigd door het feit dat met deze procedures verschillende doeleinden worden nagestreefd (zie arresten Wilhelm e.a., reeds aangehaald, punt 11, Tréfileurope/Commissie, reeds aangehaald, punt 191, en Sotralentz/Commissie, reeds aangehaald, punt 29).
90 In deze omstandigheden kan het beginsel ne bis in idem in casu a fortiori geen toepassing vinden, daar de door de Commissie en door de Amerikaanse en de Canadese autoriteiten gevoerde procedures en opgelegde sancties vanzelfsprekend niet dezelfde doeleinden nastreven. In het eerste geval gaat het erom te voorkomen dat de mededinging op het grondgebied van de Europese Unie of in de EER wordt vervalst, terwijl in het tweede geval de bescherming van de Amerikaanse of de Canadese markt wordt nagestreefd.
91 Deze conclusie vindt steun in de omvang van het verbod van cumulatie van sancties, zoals vastgelegd in artikel 4 van protocol nr. 7 bij het EVRM en zoals toegepast door het Europees Hof tot bescherming van de rechten van de mens. Uit de tekst van deze bepaling volgt dat dit beginsel enkel tot gevolg heeft dat rechterlijke instanties van een lidstaat geen strafrechtelijke vervolging mogen instellen of een straf mogen opleggen wegens een inbreuk waarvoor de beschuldigde in dezelfde staat reeds is vrijgesproken of veroordeeld. Het beginsel ne bis in idem verzet zich er daarentegen niet tegen dat een persoon meer dan eenmaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd of bestraft in twee of meer verschillende staten (zie EHRM, arrest Krombach/Frankrijk van 29 februari 2000, niet gepubliceerd).
92 Verder dient te worden beklemtoond, dat er thans geen internationaal publiekrechtelijk beginsel bestaat dat de autoriteiten of de rechterlijke instanties van verschillende staten verbiedt een persoon voor dezelfde feiten te vervolgen en te veroordelen. Een dergelijk verbod kan thans dus enkel voortvloeien uit een zeer nauwe internationale samenwerking die uitmondt in de vaststelling van gemeenschappelijke regels zoals die welke zijn opgenomen in de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19), die op 19 juni 1990 te Schengen (Luxemburg) is ondertekend. Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoeksters niet hebben aangevoerd dat er tussen de Gemeenschap en derde landen zoals de Verenigde Staten of Canada, een overeenkomst bestaat waarin een dergelijk verbod is opgelegd.
93 Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat op 7 december 2000 is afgekondigd te Nice (PB 2000, C 364, blz. 1), bepaalt weliswaar dat niemand opnieuw in een strafrechtelijke procedure kan worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet, doch de toepassing van dit Handvest dient, nog los van de vraag of het bindende rechtskracht heeft, beperkt te blijven tot het grondgebied van de Unie, en het in artikel 50 ervan omschreven recht is uitdrukkelijk beperkt tot gevallen waarin de beslissing tot vrijlating of veroordeling binnen dit grondgebied is genomen.
94 Voorzover verzoeksters een schending van het beginsel ne bis in idem aanvoeren op grond dat het betrokken kartel ook buiten het grondgebied van de Gemeenschap is veroordeeld, of dat de Commissie in de beschikking de totale omzet van ADM in aanmerking heeft genomen, inclusief de omzet van ADM Company in de Verenigde Staten en Canada, die de Amerikaanse en de Canadese autoriteiten reeds bij de vaststelling van geldboeten in aanmerking hebben genomen, dient deze grief derhalve te worden afgewezen.
95 Het argument van verzoeksters dat de Commissie, door haar weigering om de geldboeten die reeds in de Verenigde Staten en Canada aan ADM Company waren opgelegd, in mindering te brengen op de bij de beschikking opgelegde geldboete, of door de totale omzet van ADM in aanmerking te nemen, het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, heeft geschonden, volgens hetwelk de Commissie verplicht is een door de autoriteiten van een derde land opgelegde sanctie in mindering te brengen indien de door de Commissie en door deze autoriteiten aan de verzoekende onderneming ten laste gelegde feiten dezelfde zijn, kan evenmin door het Gerecht worden aanvaard.
96 In het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, heeft het Hof namelijk vastgesteld dat de vraag of de Commissie ook kan zijn gehouden een door de gezagsorganen van een derde staat opgelegde straf in mindering te brengen, slechts behoeft te worden beantwoord wanneer de feiten welke aan verzoekster enerzijds door de Commissie en anderzijds door de Amerikaanse autoriteiten zijn ten laste gelegd, dezelfde zijn" (punt 3).
97 Verzoeksters leiden uit dit punt 3 a contrario af, dat de Commissie verplicht was rekening te houden met de sancties die door de Amerikaanse en de Canadese autoriteiten aan ADM Company waren opgelegd wegens haar deelname aan het mondiale lysinekartel, dat qua voorwerp, plaats en duur hetzelfde was als het kartel dat door de Commissie is bestraft in haar beschikking waarin aan verzoeksters een geldboete van 47,3 miljoen euro wordt opgelegd.
98 In de eerste plaats blijkt evenwel duidelijk uit de formulering van punt 3 van het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, dat het Hof zich niet heeft uitgesproken over de vraag of de Commissie een door de autoriteiten van een derde land opgelegde sanctie in mindering moet brengen, indien deze instelling en deze autoriteiten tegen een onderneming dezelfde feiten in aanmerking hebben genomen. Uit bovenbedoeld punt blijkt dat volgens het Hof deze vraag pas behoeft te worden onderzocht, indien is gebleken dat door de Commissie en door de autoriteiten van een derde land inderdaad dezelfde feiten ten laste zijn gelegd.
99 In de tweede plaats heeft het Hof, wegens de bijzondere situatie die voortvloeit uit de nauwe onderlinge vervlechting tussen de nationale markten van de lidstaten en de gemeenschappelijke markt en uit de bijzondere wijze waarop de bevoegdheden inzake mededingingsregelingen tussen de Gemeenschap en de lidstaten op eenzelfde grondgebied - de gemeenschappelijke markt - zijn verdeeld, na te hebben erkend dat een onderneming tweemaal kan worden vervolgd, geoordeeld dat gelet op de dubbele sanctie die hieruit kan voortvloeien, op billijkheidsgronden de eerste beslissing van repressieve aard in aanmerking dient te worden genomen (zie arrest Wilhelm e.a., reeds aangehaald, punt 11, en conclusie van advocaat-generaal Mayras bij arrest van 14 september 1972, Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, Jurispr. blz. 1293, 1301-1303).
100 Een dergelijke situatie doet zich in casu evenwel natuurlijk niet voor, zodat verzoeksters, aangezien zij niet een uitdrukkelijke bepaling van een overeenkomst hebben aangevoerd volgens welke de Commissie bij de bepaling van de geldboete rekening moet houden met sancties die reeds door de autoriteiten of rechterlijke instanties van een derde land, zoals de Verenigde Staten of Canada, aan dezelfde onderneming voor hetzelfde feit zijn opgelegd, de Commissie niet kunnen verwijten dat zij in casu deze vermeende verplichting niet is nagekomen.
101 Hoe het ook zij, zelfs indien a contrario uit het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, kon worden afgeleid dat de Commissie een door de autoriteiten van een derde land opgelegde sanctie in mindering moet brengen, indien de door deze instelling en door deze autoriteiten tegen de betrokken onderneming in aanmerking genomen feiten dezelfde zijn, dient te worden opgemerkt dat het bewijs hiervan, dat door verzoeksters dient te worden geleverd (arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, punt 5), in casu niet is geleverd.
102 Uit het vonnis dat de United States District Court op 15 oktober 1996 heeft geveld op basis van de met het Amerikaanse Ministerie van Justitie getroffen schikking, blijkt dat ADM Company in de Verenigde Staten is veroordeeld tot een geldboete van 70 miljoen USD voor haar deelneming aan het lysinekartel en van 30 miljoen USD voor haar deelneming aan een citroenzuurkartel. Uit de door verzoeksters overgelegde stukken blijkt dat ADM Company voor haar deelneming aan een lysine- en een citroenzuurkartel ook in Canada is veroordeeld, en wel tot een geldboete van 16 miljoen CAD. De veroordelingen in de Verenigde Staten en Canada hebben dus kennelijk betrekking op een ruimere groep van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen. In het bijzonder heeft de Amerikaanse rechter bij de bepaling van de geldboete de omvang van de handelstransacties op zowel de lysine- als de citroenzuurmarkt" in aanmerking genomen (punt 7 van het vonnis).
103 Zelfs indien de veroordeling voor het lysinekartel los staat van de veroordeling voor het citroenzuurkartel, dient te worden beklemtoond dat, hoewel in het Amerikaanse vonnis wordt vastgesteld dat het lysinekartel tot doel had om in de Verenigde Staten en daarbuiten" de productie van lysine te beperken en de prijs ervan te verhogen, geenszins is aangetoond dat de veroordeling in de Verenigde Staten ook betrekking had op de uitvoering of de gevolgen van het kartel buiten dit land (zie in die zin arrest van 14 december 1972, Boehringer/Commissie, reeds aangehaald, punt 6), en in het bijzonder in de EER, hetgeen overigens een kennelijke inbreuk zou hebben gevormd op de territoriale bevoegdheid van de Commissie. Dit laatste geldt ook voor de veroordeling in Canada. Dienaangaande is ter terechtzitting gebleken dat de door de Amerikaanse en de Canadese rechtscolleges opgelegde geldboeten zijn berekend op basis van de omzet van ADM Company op het grondgebied van deze twee staten. Verder kan niet worden betwist, dat de Commissie haar eigen onderzoek heeft gevoerd (punten 167-175 van de beschikking) en de haar voorgelegde bewijzen zelf heeft beoordeeld (zie in die zin arrest Krombach/Frankrijk, reeds aangehaald).
104 Bijgevolg dient de grief van verzoeksters dat de Commissie een verplichting die op haar zou rusten, om de reeds door de autoriteiten van een derde land opgelegde sancties in mindering te brengen, niet is nagekomen, alsook de zijdelings door verzoeksters aangevoerde grief dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden, te worden afgewezen aangezien de verwijzing naar de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie op dit punt irrelevant is. Deze praktijk betreft immers situaties die niet vergelijkbaar zijn met die van ADM, hetgeen rechtvaardigt dat zij niet gelijk is behandeld.
2. De afschrikkende werking van de reeds opgelegde geldboeten
105 Volgens de rechtspraak is de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, een van de middelen die de Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen. Tot deze taak behoort zeker de verplichting om individuele inbreuken te onderzoeken en te bestraffen, maar zij omvat ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop gericht is, op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 105).
106 Daaruit volgt, dat de Commissie de bevoegdheid heeft om het bedrag van de geldboete vast te stellen met het oog op een versterking van de afschrikkende werking ervan, wanneer bepaalde soorten inbreuken - wegens de winst die sommige van de betrokken ondernemingen daarmee kunnen behalen - nog steeds betrekkelijk veel voorkomen, hoewel de onwettigheid ervan reeds bij het begin van het communautaire mededingingsbeleid is vastgesteld (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 108).
107 Dienaangaande wordt in punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren met name bepaald, dat bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk en de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau [zal] moeten worden gesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat".
108 Verzoeksters kunnen niet met succes aanvoeren, dat in hun geval afschrikking niet nodig was omdat ADM Company reeds in derde landen voor dezelfde feiten gerechtelijk was veroordeeld.
109 Om te beginnen herhalen verzoeksters hiermee in feite hun argument inzake het verbod van cumulatie van sancties, dat hierboven in de punten 85 tot en met 104 door het Gerecht is verworpen.
110 Verder is het doel van afschrikking dat de Commissie bij de bepaling van een geldboete mag nastreven, er volgens bovenbedoelde rechtspraak op gericht te verzekeren dat de ondernemingen de mededingingsregels naleven die in het Verdrag zijn vastgesteld voor hun activiteiten binnen de Gemeenschap of de EER. Bijgevolg kan de afschrikkende werking van een geldboete die wegens schending van de communautaire mededingingsregels wordt opgelegd, niet uitsluitend worden bepaald op basis van de bijzondere situatie van de veroordeelde onderneming, en evenmin op basis van de mate waarin deze de mededingingsregels van derde landen buiten de EER heeft nageleefd.
111 In het onderhavige geval, betreffende een klassiek soort inbreuk op het mededingingsrecht en een gedraging die de Commissie herhaaldelijk en sinds haar eerste maatregelen op dit gebied als onrechtmatig heeft aangemerkt, mocht de Commissie het bovendien noodzakelijk achten de geldboete, binnen de grenzen van verordening nr. 17, op zo'n niveau vast te stellen dat zij voldoende afschrikkende werking zou hebben.
112 Bijgevolg moet de grief van verzoeksters dat de Commissie bij de bepaling van de geldboete geen rekening heeft gehouden met het feit dat de aan ADM opgelegde sancties reeds volstonden om haar van nieuwe inbreuken op het mededingingsrecht te weerhouden, worden afgewezen.
III - De zwaarte van de inbreuk
De aard van de inbreuk
1. Argumenten van partijen
113 Volgens verzoeksters heeft de Commissie de richtsnoeren geschonden door de inbreuk niet als zwaar", maar als zeer zwaar" aan te merken. Volgens hen heeft het lysinekartel immers niet tot een afscherming van nationale markten geleid, en heeft het de goede werking van de interne markt dus niet in het gedrang gebracht, aangezien de prijzen waren vastgesteld voor geheel Europa en er dus geen sprake was van een verdeling van de nationale markten tussen de betrokken ondernemingen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex