Gerecht EU 12 december 2014, T-551/08, ECLI:EU:T:2014:1081
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
12 december 2014 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van paraffinewas — Beschikking waarbij een inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld — Vaststelling van de prijzen — Bewijs van de inbreuk — Richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 — Referentieperiode — Berekening van de waarde van de verkopen — Zwaarte van de inbreuk — Concentratie tijdens de inbreukperiode — Gelijke behandeling — Evenredigheid”
In zaak T‑551/08,
H&R ChemPharm GmbH, gevestigd te Salzbergen (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Klusmann, advocaat, en S. Thomas, professor, vervolgens door M. Klusmann,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Antoniadis en R. Sauer als gemachtigden,
verweerster,
betreffende, primair, een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 5476 definitief van de Commissie van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.181 – Kaarsenwas), voor zover deze verzoekster betreft en, subsidiair, een verzoek om verlaging van het bedrag van de aan haar opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
samengesteld als volgt: O. Czúcz (rapporteur), president, I. Labucka en D. Gratsias, rechters,
griffier: K. Andová, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juli 2012,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1. Administratieve procedure en vaststelling van de bestreden beschikking
1 Bij beschikking C(2008) 5476 definitief van 1 oktober 2008 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.181 – Kaarsenwas) (hierna: „bestreden beschikking”), heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat verzoekster, H&R ChemPharm GmbH, tezamen met andere ondernemingen inbreuk heeft gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), door deel te nemen aan een mededingingsregeling betreffende de markt van paraffinewas in de EER en de markt van „slack wax” in Duitsland.
2 De adressaten van de bestreden beschikking waren de volgende vennootschappen: Eni SpA, Esso Deutschland GmbH, Esso Société anonyme française, ExxonMobil Petroleum and Chemical BVBA en Exxon Mobil Corp. (hierna tezamen: „ExxonMobil”), H&R ChemPharm, H&R Wax Company Vertrieb GmbH en Hansen & Rosenthal KG (hierna tezamen: „H&R”), Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG (hierna: „Tudapetrol”), MOL Nyrt., Repsol YPF Lubricantes y Especialidades SA, Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA (hierna tezamen: „Repsol”), Sasol Wax GmbH, Sasol Wax International AG, Sasol Holding in Germany GmbH en Sasol Ltd (hierna tezamen: „Sasol”), Shell Deutschland Oil GmbH, Shell Deutschland Schmierstoff GmbH, Deutsche Shell GmbH, Shell International Petroleum Company Ltd, The Shell Petroleum Company Ltd, Shell Petroleum NV en The Shell Transport and Trading Company Ltd (hierna tezamen: „Shell”), RWE Dea AG en RWE AG (hierna tezamen: „RWE”), alsook Total SA en Total France SA (hierna tezamen: „Total”) (punt 1 van de bestreden beschikking).
3 Paraffinewas wordt gefabriceerd door raffinage van ruwe olie. Het wordt gebruikt voor de vervaardiging van producten als kaarsen, chemicaliën, banden en auto-onderdelen maar ook in sectoren als rubber, verpakkingen, zelfklevend materiaal en kauwgom (punt 4 van de bestreden beschikking).
4 „Slack wax” is de grondstof die nodig is voor de productie van paraffinewas. Het wordt in raffinaderijen geproduceerd als bijproduct bij de vervaardiging van basisoliën uit ruwe olie. Het wordt ook aan eindafnemers verkocht, bijvoorbeeld aan producenten van spaanplaat (punt 5 van de bestreden beschikking).
5 De Commissie is met haar onderzoek gestart nadat Shell Deutschland Schmierstoff haar bij brief van 17 maart 2005 had geïnformeerd over het bestaan van een mededingingsregeling en haar om immuniteit had verzocht overeenkomstig haar mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) (punt 72 van de bestreden beschikking).
6 Op 28 en 29 april 2005 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), inspecties verricht in de bedrijfsruimten van „H&R/Tudapetrol”, van Eni, van MOL en in de bedrijfsruimten van de vennootschappen van de groepen Sasol, ExxonMobil, Repsol en Total (punt 75 van de bestreden beschikking).
7 Tussen 25 en 29 mei 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gezonden aan de in punt 2 hierboven genoemde vennootschappen, waaronder verzoekster (punt 85 van de bestreden beschikking). Bij brief van 14 augustus 2007 hebben de vennootschappen die tot de groep H&R behoren, waaronder verzoekster, en Tudapetrol gezamenlijk geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar.
8 Op 10 en 11 december 2007 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden, waarop de vennootschappen van de groep H&R, waaronder verzoekster, en Tudapetrol gezamenlijk waren vertegenwoordigd (punt 91 van de bestreden beschikking).
9 In de bestreden beschikking heeft de Commissie, gelet op de bewijzen die zij bezat, geoordeeld dat de adressaten, die binnen de EER de meerderheid vormden van de producenten van paraffinewas en „slack wax”, deel hadden genomen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst, die het grondgebied van de EER bestreek. Deze inbreuk bestond in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij de prijzen zijn vastgesteld en commercieel gevoelige informatie is uitgewisseld en openbaar gemaakt met betrekking tot paraffinewas (hierna: „eerste deel van de inbreuk”). Wat RWE (later Shell), ExxonMobil, MOL, Repsol, Sasol en Total betreft, had de inbreuk inzake paraffinewas tevens betrekking op de verdeling van klanten of markten (hierna: „tweede deel van de inbreuk”). Voorts had de door RWE, ExxonMobil, Sasol en Total gepleegde inbreuk ook betrekking op aan eindafnemers op de Duitse markt verkochte „slack wax” (hierna: „‚slack wax’-deel van de inbreuk”) (punten 2, 95, 328 en artikel 1 van de bestreden beschikking).
10 De inbreukmakende gedragingen hebben plaatsgevonden tijdens mededingingsverstorende bijeenkomsten die door de deelnemers „technische bijeenkomsten” of soms „Blauer Salon”-bijeenkomsten werden genoemd, en tijdens „slack wax-bijeenkomsten”, die specifiek aan kwesties betreffende „slack wax” waren gewijd.
11 Het bedrag van de in casu opgelegde geldboeten is berekend op basis van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”), die van kracht waren ten tijde van de betekening van de mededeling van punten van bezwaar aan de in punt 2 hierboven genoemde vennootschappen.
12 De bestreden beschikking bevat onder meer de volgende bepalingen: „Artikel 1 De volgende ondernemingen hebben artikel 81, lid 1, [EG] en vanaf 1 januari 1994 artikel 53 EER-Overeenkomst geschonden door tijdens de aangegeven perioden deel te nemen aan één enkele voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de sector paraffinewas op de gemeenschappelijke markt en vanaf 1 januari 1994 in de EER: [...] Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG: van 24 maart 1994 tot 30 juni 2002; H&R Wax Company Vertrieb GmbH: van 1 januari 2001 tot 28 april 2005; Hansen & Rosenthal KG: van 1 januari 2001 tot 28 april 2005; H&R ChemPharm GmbH: van 1 juli 2001 tot 28 april 2005; [...] Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd: Eni SpA: 29120000 EUR; Esso Société anonyme française: 83588400 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met ExxonMobil Petroleum and Chemical BVBA en ExxonMobi1 Corporation 34670400 EUR waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met Esso Deutschland GmbH 27081600 EUR; Tudapetrol Mineralölerzeugnisse Nils Hansen KG: 12000000 EUR; Hansen & Rosenthal KG hoofdelijk en gezamenlijk met H&R Wax Company Vertrieb GmbH: 24000000 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met H&R ChemPharm GmbH 22000000 EUR; MOL Nyrt.: 23700000 EUR; Repsol YPF Lubricantes y Especialidades SA hoofdelijk en gezamenlijk met Repsol Petróleo SA en Repsol YPF SA: 19800000 EUR; Sasol Wax GmbH: 318200000 EUR, waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met Sasol Wax International AG, Sasol Holding in Germany GmbH en Sasol [Ltd] 250700000 EUR; Shell Deutschland Oil GmbH, Shell Deutschland Schmierstoff GmbH, Deutsche Shell GmbH, Shell International Petroleum Company Limited, the Shell Petroleum Company Limited, Shell Petroleum N.V. en the Shell Transport and Trading Company Limited: 0 EUR; RWE-Dea AG hoofdelijk en gezamenlijk met RWE AG: 37440000 EUR; Total France SA hoofdelijk en gezamenlijk met Total SA: 128163000 EUR.”
2. Banden tussen de groep H&R en Tudapetrol
13 In de bestreden beschikking heeft de Commissie het volgende vastgesteld: „(22) De groep [H&R] is wereldwijd actief op het gebied van aardolieproducten. Tudapetrol [...] is een onderneming die voor H&R paraffinewas en ‚slack wax’ afzet en distribueert. Uit het onderzoek is gebleken dat H&R en Tudapetrol twee afzonderlijke en onafhankelijke ondernemingen zijn. Gezien de bestaande nauwe persoonlijke banden (zoals hierna nog zal worden toegelicht is een van de vennoten van Tudapetrol, [H.], tevens werknemer van H&R), en de distributiebanden tussen H&R en Tudapetrol, zullen deze twee ondernemingen hierna worden aangeduid als ‚H&R/Tudapetrol’. De groep H&R/Tudapetrol is hoofzakelijk op twee Duitse locaties gevestigd, Hamburg en Salzbergen. (23) H&R/Tudapetrol is op 24 maart 1994 tot de paraffinemarkt toegetreden, toen Hansen & Rosenthal KG in het kader van een gezamenlijke acquisitie een raffinaderij (SRS GmbH) van smeermiddelen in Salzbergen (Duitsland) heeft overgenomen die toebehoorde aan Wintershall AG, een dochteronderneming van BASF, en haar tot een productiebedrijf heeft omgevormd. (24) De raffinaderij te Salzbergen (SRS GmbH) wordt beheerd door H&R Chemisch-Pharmazeutische Spezialitäten GmbH, een 100 %-dochter van H&R ChemPharm GmbH. H&R ChemPharm GmbH is op haar beurt een 100 %-dochteronderneming van H&R Wasag AG. De belangrijkste aandeelhouder van H&R Wasag AG is H&R Beteiligung GmbH (de overige aandelen zijn over meerdere aandeelhouders verdeeld). H&R Beteiligung GmbH wordt op haar beurt gehouden door H&R Wax Company Vertrieb GmbH, een 100 %-dochter van Hansen & Rosenthal KG (de topholding van H&R). (25) Aanvankelijk werden de paraffinewas en de ‚slack wax’ gedistribueerd door Tudapetrol, een onafhankelijke onderneming (de ‚Komplementäre’ [beherende vennoten] zijn [HA., HAN. en H.], en de ‚Kommanditist’ [commanditaire vennoot] is [HANS.]). Op 1 mei 2000 is de distributie overgedragen aan H&R Wax Company Vertrieb Komplementär GmbH & Co. KG. Vanaf 1 januari 2001 valt de distributie onder het beheer van H&R Wax Company Vertrieb [...]. Uit het onderzoek blijkt evenwel dat Tudapetrol zich op 1 mei 2000 weliswaar grotendeels uit de paraffine heeft teruggetrokken, maar een aantal klanten [die paraffineproducten kopen] heeft behouden. [...] (28) De volgende personen waren verantwoordelijk voor het beheer van de activiteiten van de groep H&R/Tudapetrol op het gebied van paraffinewas en ‚slack wax’, hebben H&R/Tudapetrol vertegenwoordigd of waren op de hoogte van de afspraken die in deze beschikking zijn omschreven [...]: [H.]: stagiaire bij SRS GmbH, 1994‑1997; afdeling verkoop en marketing van Tudapetrol [...], 1997‑2002; verkoopverantwoordelijke bij H&R Wax Company Vertrieb GmbH van 2001 tot heden; sinds 2002 [Geschäftsführer (bedrijfsleider)] van H&R Wax Company Vertrieb GmbH; [G.]: productmanager bij SRS GmbH, 1994‑2001; productmanager bij H&R Management & Service GmbH/H&R ChemPharm GmbH van 2001 tot heden (in 2002 is H&R Management & Service GmbH omgedoopt tot H&R ChemPharm GmbH); verkoopverantwoordelijke voor Tudapetrol[...], 1999‑2000; verkoopverantwoordelijke voor H&R Wax Company Vertrieb GmbH van 2001 tot heden; [W.]: verkoopverantwoordelijke voor Tudapetrol [...], 1994‑1998; adviseur bij Tudapetrol [...], 1999; verkoopverantwoordelijke voor SRS GmbH (sinds juli 2001 in dienst bij H&R Management & Service GmbH, die in 2002 is omgedoopt tot H&R Chem-Pharm GmbH), 2000‑2001; vóór 1994, verkoopverantwoordelijke bij Wintershall AG. (29) Tenzij anders aangegeven, worden de ondernemingen van de groep Hansen & Rosenthal/Tudapetrol die aan het kartel hebben deelgenomen, in de [bestreden beschikking] aangeduid onder de naam ‚H&R/Tudapetrol’.”
Procedure en conclusies van partijen
14 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 december 2008, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
15 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 augustus 2009, heeft verzoekster bij wijze van incident in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om het corrigendum van het verweerschrift dat de Commissie op 28 juli 2009 had neergelegd, uit het dossier te verwijderen.
16 Bij beschikking van het Gerecht (Vierde kamer) van 28 oktober 2009 is het incidentele verzoek met de zaak ten gronde gevoegd.
17 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering heeft het de partijen schriftelijk vragen gesteld en hun verzocht, bepaalde stukken over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op de vragen geantwoord en bepaalde documenten overgelegd. De Commissie heeft evenwel aangegeven dat zij noch het afschrift noch het transcript van bepaalde vertrouwelijk afgelegde verklaringen in het kader van haar clementieprogramma kon overleggen.
18 Bij beschikking van 12 juni 2012, vastgesteld krachtens artikel 24, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 65, sub b, en artikel 66, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, heeft het Gerecht (Derde kamer) de Commissie gelast om de hierboven in punt 17 vermelde vertrouwelijke transcripten en verklaringen over te leggen. Deze documenten konden voorafgaand aan de terechtzitting ter griffie van het Gerecht worden ingezien door verzoeksters advocaten.
19 Partijen hebben ter terechtzitting van 10 juli 2012 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
20 Gezien de feitelijke verbanden met de zaken T‑540/08, Esso e.a./Commissie, T‑541/08, Sasol e.a./Commissie, T‑543/08, RWE en RWE Dea/Commissie, T‑544/08, Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb/Commissie, T‑548/08, Total/Commissie, T‑550/08, Tudapetrol/Commissie, T‑558/08, Eni/Commissie, T‑562/08, Repsol YPF Lubricantes y Especialidades e.a./Commissie, en T‑566/08, Total Raffinage et Marketing/Commissie, en de nauw verwante rechtsvragen die zij doen rijzen, heeft het Gerecht beslist om het arrest in deze zaak pas uit te spreken na de terechtzitting in die verwante zaken, waarvan de laatste is gehouden op 3 juli 2013.
21 Verzoekster concludeert tot: — primair, nietigverklaring van de bestreden beschikking voor zover deze op haar betrekking heeft; — subsidiair, passende verlaging van het bedrag van de in de bestreden beschikking aan haar opgelegde geldboete; — verwijzing van de Commissie in de kosten.
22 De Commissie concludeert tot: — verwerping van het beroep in zijn geheel, daaronder begrepen het subsidiaire verzoek; — verwijzing van verzoekster in de kosten.
In rechte
1. Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen
23 Aangaande het door verzoekster gedane verzoek om het door de Commissie op 28 juli 2009 neergelegde corrigendum van het verweerschrift uit het dossier te verwijderen, moet erop worden gewezen dat met dit corrigendum enkele schrijffouten in het verweerschrift worden rechtgezet, in de meeste gevallen in de voetnoten. Zowel verzoekster als het Gerecht heeft op basis van de bestreden beschikking en de overige stukken en documenten die in het kader van de procedure voor het Gerecht zijn neergelegd, gemakkelijk kunnen vaststellen dat dit onjuistheden waren.
24 Afgezien daarvan verzoekt de Commissie het Gerecht in punt 93 van de originele versie van het verweerschrift om „de drie door verzoekster aangevoerde middelen af te wijzen”, terwijl zij volgens het corrigendum om afwijzing van vier middelen verzoekt. Dat de originele versie onjuist was, was zowel voor het Gerecht als voor verzoekster eenvoudig te ontdekken, aangezien de Commissie het Gerecht in punt 94 van de originele versie van het verweerschrift om verwerping van het verzoek in zijn geheel verzoekt.
25 Bijgevolg moet de conclusie luiden dat het corrigendum slechts tot doel had om het Gerecht beter in staat te stellen om zijn werk te verrichten en dat de schrijffouten die daarmee moesten worden hersteld zowel voor verzoekster als voor het Gerecht eenvoudig te ontdekken waren. Geen van de door de Commissie doorgevoerde correcties betrof de inhoud van haar betoog, zodat verzoekster niet kan stellen dat de toevoeging van het corrigendum aan het dossier haar rechten van verdediging kon inperken.
26 Hoe dan ook heeft het Gerecht verzoekster schriftelijk gevraagd welke vermeend nadelige gevolgen genoemd corrigendum voor haar rechten van verdediging had. In haar antwoord geeft verzoekster geen dergelijke gevolgen genoemd.
27 Bijgevolg moet het verzoek om het corrigendum van het verweerschrift uit het dossier te verwijderen, worden afgewezen.
2. Ten gronde
28 Verzoekster voert ter ondersteuning van haar beroep vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van de artikelen 81 EG en 253 EG en de rechten van de verdediging, omdat de bestreden beschikking vermeend zonder onderscheid tussen de groep H&R en Tudapetrol is gemotiveerd. Het tweede middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, is ontleend aan schending van artikel 81 EG omdat er geen bewijs van is dat verzoekster een inbreuk heeft begaan. Het derde middel, dat eveneens subsidiair wordt aangevoerd, is ontleend aan schending van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 als gevolg van de onjuiste bepaling van de omzet die voor de berekening van de geldboete in aanmerking is genomen. Het vierde middel, dat eveneens subsidiair wordt aangevoerd, is ontleend aan schending van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 wegens beoordelingsfouten die een weerslag op de berekening van het bedrag van de geldboete hebben.
Eerste middel: schending van de artikelen 81 EG en 253 EG en de rechten van de verdediging wegens de vermeend ongedifferentieerde motivering van de bestreden beschikking
29 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel wordt schending van de artikelen 81 EG en 253 EG gesteld. Het tweede onderdeel heeft betrekking op de schending van verzoeksters rechten van verdediging.
Eerste onderdeel: schending van de artikelen 81 EG en 253 EG
30 Verzoekster merkt op dat de Commissie de groep H&R en Tudapetrol als twee onderscheiden en onafhankelijke ondernemingen heeft beschouwd (punt 22 van de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking heeft de Commissie deze beide ondernemingen echter zonder onderscheid behandeld bij de beoordeling van het bewijs van de inbreuk en hen met de naam „H&R/Tudapetrol” aangeduid.
31 Zij geeft in de eerste plaats te kennen dat de Commissie haar motiveringsplicht en artikel 81 EG heeft geschonden door in de bestreden beschikking geen afzonderlijke motivering op te nemen ten aanzien van het beweerdelijk inbreukmakende gedrag van Tudapetrol en dat van de vennootschappen die van de groep H&R deel uitmaken.
32 Zij is meer bepaald van mening dat de Commissie, indien H&R en Tudapetrol twee afzonderlijke ondernemingen zijn, moet bewijzen dat elk van die ondernemingen individueel en autonoom aan de in deze zaak aan de orde zijnde inbreuk op artikel 81 EG in zijn geheel heeft deelgenomen. In de bestreden beschikking heeft de Commissie dat bewijs niet geleverd.
33 Verzoekster uit voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2002 tevens de kritiek dat de Commissie Tudapetrol, enerzijds, en Hansen & Rosenthal, of haar dochterneming H&R Wax Company Vertrieb, en vanaf 1 juli 2001 H&R ChemPharm, anderzijds, naast elkaar aansprakelijk heeft gehouden.
34 Uit de motivering van de bestreden beschikking blijkt niet of en in hoeverre verzoekster naast Tudapetrol voor een inbreuk op artikel 81 EG aansprakelijk kan worden gehouden, gezien de „eenvormige benadering” van de Commissie.
35 Verzoekster is in de tweede plaats van mening dat het niet aan haar staat om in de motivering van de bestreden beschikking naar de daarin vervatte informatie op zoek te gaan en de redenering te reconstrueren die Commissie heeft gevolgd om haar voor bepaalde technische bijeenkomsten en bepaalde perioden aansprakelijk te houden. De bestreden beschikking had op dat punt een expliciete motivering moeten bevatten.
36 In de derde plaats volstaat de loutere aanwezigheid van G. op bepaalde technische bijeenkomsten niet voor het bewijs van de deelname van H&R ChemPharm aan het kartel, zodat de eenvoudige verwijzing naar dat feit geen toereikende motivering in de zin van artikel 253 EG vormt. G. was geen werknemer van verzoeksters commerciële afdeling en hij heeft slechts 30 % van zijn tijd voor verzoekster gewerkt. Zijn taak als een van de drie productmanagers van verzoekster bestond in het ontwikkelen van paraffineproducten en wasemulsies met nieuwe chemische samenstellingen, zodat hij geen taak of verantwoordelijkheid op het vlak van verzoeksters commerciële activiteit had. In de betrokken periode was H&R ChemPharm bovendien een houdstermaatschappij, die dus zelf niet op het gebied van de productie actief was.
37 Volgens verzoekster had de Commissie daarom in de bestreden beschikking moeten uitleggen waarom de aanwezigheid van G. met zich bracht dat H&R ChemPharm had deelgenomen aan de mededingingsregeling inzake de prijzen van paraffinewas, gezien het feit dat hij als productmanager daarover geen beslissingen mocht nemen voor zover het H&R ChemPharm aanging en laatstgenoemde niets produceerde of verkocht.
38 Eerst moet verzoeksters grief inzake een ontoereikende motivering worden onderzocht.
39 Er zij aan herinnerd dat de door artikel 253 EG vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten Hof van 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C-17/99, Jurispr. blz. I-2481, punt 35, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C-521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 145).
40 In het kader van de individuele beschikkingen heeft de verplichting tot motivering volgens vaste rechtspraak tot doel om, naast de rechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te toetsen, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist (zie in die zin arresten Hof van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie, C-199/99 P, Jurispr. blz. I-11177, punt 145, en 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 462).
41 De motivering moet in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld. Het ontbreken van een motivering kan niet worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de gerechtelijke instanties van de Unie kennis krijgt van de redenen van het besluit (arrest Hof van 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22; arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 463, en arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, punt 39 supra, punt 149).
42 Het motiveringsvereiste moet volgens vaste rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63, en 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala, C-413/06 P, Jurispr. blz. I-4951, punten 166 en 178).
43 Wanneer, zoals in casu, een beschikking houdende toepassing van de regels van de Unie op het gebied van het mededingingsrecht meer dan één adressaat heeft en betrekking heeft op de toerekenbaarheid van de inbreuk, moet zij een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking voor de inbreuk aansprakelijk zijn (zie in die zin arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, punt 39 supra, punt 152 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 In de onderhavige zaak moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat de Commissie in punt 22 van de bestreden beschikking heeft gepreciseerd dat de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” gerechtvaardigd was wegens de persoonlijke banden tussen Tudapetrol en de groep H&R alsook de distributierelatie tussen hen beide.
45 Wat de persoonlijke banden betreft, volgt uit punt 28 van de bestreden beschikking dat elk van de drie personen die aan de mededingingsverstorende overeenkomsten hebben deelgenomen, namelijk H., G. en W., gedurende de diverse betrokken perioden bij Tudapetrol en bij de groep H&R werkzaam waren. Bovendien was H. tegelijkertijd beherend vennoot van Tudapetrol en vanaf 2001, en nog steeds op de datum van vaststelling van de bestreden beschikking, verkoopverantwoordelijke voor H&R Wax Company Vertrieb. Daarnaast was G. tussen 1999 en 2000 tegelijkertijd productmanager bij SRS GmbH (een vennootschap die aan de groep H&R toebehoort, die indirect door H&R ChemPharm wordt gehouden) en verkoopverantwoordelijke voor Tudapetrol.
46 Wat de commerciële banden tussen H&R en Tudapetrol betreft, heeft de Commissie in punt 22 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat laatstgenoemde een onderneming voor de afzet en distributie van paraffinewas en „slack wax” voor H&R was.
47 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat de redenen waarom de Commissie Tudapetrol tezamen met de groep H&R vaak onder de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” heeft behandeld, duidelijk uit de bestreden beschikking blijken.
48 In de tweede plaats moet worden onderzocht of de bestreden beschikking toereikend is gemotiveerd op het punt van het gedrag dat aan respectievelijk de vennootschappen van de groep H&R en Tudapetrol is verweten.
49 In punt 106 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de werking van de inbreuk op het gebied van paraffinewas omschreven (eerste en tweede deel van de inbreuk). Zo hebben de vertegenwoordigers van de deelnemende ondernemingen elkaar geregeld tijdens „technische bijeenkomsten” ontmoet. Die bijeenkomsten „vielen altijd uiteen in twee delen: eerst werden technische kwesties besproken, gevolgd door besprekingen van mededingingsverstorende aard over onder meer prijsafspraken, verdeling van de markten en de klanten (in bepaalde gevallen), en uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie, zoals het huidige en toekomstige prijsbeleid, de klanten, de productiecapaciteit en verkoopvolumes”.
50 In de punten 381 en 610 en in voetnoot 625 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de aanvang, het einde en de duur van de deelname aan de inbreuk voor Tudapetrol en voor de vennootschappen van de groep H&R afzonderlijk vastgesteld. Volgens de bestreden beschikking heeft H&R ChemPharm van 1 juli 2001 tot 28 april 2005 aan de inbreuk deelgenomen, dus gedurende 3 jaar en 9 maanden, en SRS van 22 februari 2001 tot 1 juli 2001, dus gedurende 3 maanden. Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb hebben van 1 januari 2001 tot 28 april 2005 deelgenomen, dus gedurende 4 jaar en 3 maanden. Tudapetrols deelname heeft geduurd van 24 maart 1994 tot en met 30 juni 2002, dus 8 jaar en 3 maanden. De Commissie heeft tevens gepreciseerd dat de perioden waarin W., H. en G. posities binnen de daarvoor aansprakelijk gehouden vennootschappen hebben bekleed alsook hun aanwezigheid op de technische bijeenkomsten, de doorslaggevende factoren bij de beoordeling van de duur van deelname aan de inbreuk waren. De Commissie heeft in dat verband verwezen naar de bijlage bij de bestreden beschikking.
51 In de bijlage bij de bestreden beschikking heeft de Commissie 14 technische bijeenkomsten geïdentificeerd waaraan „H&R/Tudapetrol” volgens het beschikbare bewijs had deelgenomen in de loop van de jegens H&R ChemPharm in aanmerking genomen inbreukperiode (van 1 juli 2001 tot 28 april 2005). In de voetnoten waarin naar die bijeenkomsten wordt verwezen, heeft de Commissie geïdentificeerd welke werknemer van H&R ChemPharm aan de bijeenkomst had deelgenomen, namelijk G., en nader aangegeven op basis van welk bewijs zijn aanwezigheid was aangetoond.
52 Gelezen binnen de context waarin zij is vastgesteld, volgt dus duidelijk uit de bestreden beschikking dat alleen de technische bijeenkomsten waarvan in de aan de Commissie ter beschikking staande documenten was vermeld dat „H&R/Tudapetrol” daarop aanwezig was en waaraan G., verzoeksters werknemer, had deelgenomen, haar zijn verweten.
53 In de derde plaats moet niettemin de periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 worden onderzocht, waarvoor de Commissie zowel H&R ChemPharm als Tudapetrol aansprakelijk heeft gehouden.
54 In dat verband moet eraan worden herinnerd (zie punt 50 hierboven) dat de perioden waarin W., H. en G. posities hebben bekleed binnen de vennootschappen die voor de inbreuk aansprakelijk zijn gehouden, de doorslaggevende factor bij de beoordeling van de duur van deelname aan de inbreuk waren. De Commissie heeft in de bijlage bij de bestreden beschikking aangegeven dat de entiteit „H&R/Tudapetrol” tijdens de technische bijeenkomsten in de periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 vertegenwoordigd was door G. en H. Tevens heeft zij in punt 28 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat G. gedurende die periode verkoopverantwoordelijke voor H&R Wax Company Vertrieb en productmanager bij H&R ChemPharm was, terwijl H. zowel werknemer binnen de verkoop- en marketingafdeling van Tudapetrol was (1997‑2002) als verkoopverantwoordelijke bij H&R Wax Company Vertrieb (vanaf 2001 en ook nog op de datum van vaststelling van de bestreden beschikking).
55 Bijgevolg volgt duidelijk uit de bestreden beschikking dat de Commissie de betrokken vennootschappen alleen de inbreukperioden heeft verweten waarin hun respectieve werknemers aan de technische bijeenkomsten deelnamen en dat de reden waarom zij voor de periode van 1 juli 2001 tot en met 30 juni 2002 naast elkaar aansprakelijk waren gehouden, was dat de personen die aan deze bijeenkomsten deelnamen, posities bekleedden bij zowel Tudapetrol als de vennootschappen die aan de groep H&R toebehoren, in het bijzonder bij verzoekster.
56 In de vierde plaats moet het door verzoekster in repliek aangevoerde argument worden onderzocht dat alleen de verwijzing naar de arbeidsrelatie tussen G. en haarzelf geen afdoende motivering kan zijn, aangezien zij „niets produceer[de] of verko[cht]”, G. een productmanager en geen commerciële manager was en hij slechts 30 % van zijn tijd bij verzoekster werkte.
57 In dat verband moet worden opgemerkt dat verzoeksters stelling dat zij „niets produceert of verkoopt” in tegenspraak is met haar eigen verklaringen in de loop van de administratieve procedure. In de bijlage bij haar brief van 8 december 2005 is een lijst van „producenten van paraffine/microwassen in Europa” opgenomen waarin ook zijzelf, naast andere, voorkomt. In haar brief van 15 december 2006 heeft zij verklaard dat „H&R ChemPharm alleen een productiebedrijf [was] en dus geen paraffine aan derden [verkocht]”. In haar brief van 31 januari 2008 heeft zij voorts uiteengezet dat de omzet van Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb GmbH „voor het overgrote deel [werd] behaald met de distributie van de producten van H&R ChemPharm”.
58 Wat de functie van G. aangaat, heeft verzoekster in haar brief van 19 januari 2007 gepreciseerd dat hij „de schakel tussen de productie en de distributie was”, aangezien hij een dubbele functie bekleedde, namelijk die van productmanager en verkoopmanager. Volgens diezelfde brief was die dubbele functie opgenomen in het arbeidscontract met verzoekster.
59 Verzoeksters stellingen dat bij H&R ChemPharm geen productie plaatsvond en dat G. niet bij de distributie van paraffinewas betrokken was, missen dus feitelijke grondslag. Daarnaast stond het feit dat hij slechts 30 % van zijn arbeidstijd bij verzoekster doorbracht, er niet aan in de weg dat hij haar commerciële gedrag kon beïnvloeden in het licht van de informatie die hij tijdens de technische bijeenkomsten had verkregen. De motivering van de bestreden beschikking strookt dus met de toelichtingen die verzoekster tijdens de administratieve procedure heeft gegeven en maakt het mogelijk om de redenen te begrijpen waarom de Commissie voor verzoeksters aansprakelijkheid voor de inbreuk heeft aangeknoopt bij de arbeidsrelatie tussen haarzelf en G.
60 Gelet op een en ander moet de conclusie luiden dat de bestreden beschikking, in haar geheel en binnen de context van de vaststelling ervan gelezen, toereikend is gemotiveerd op het punt van de feiten die aan de aan verzoekster verweten inbreuk ten grondslag liggen en het mogelijk maakt om deze feiten te onderscheiden van die welke aan Tudapetrol zijn verweten.
61 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door verzoeksters argument dat van haar niet kan worden verlangd dat zij in de voetnoten en de bijlagen van de bestreden beschikking naar de motivering op zoek gaat en op die manier de door de Commissie gevolgde redenering om haar voor bepaalde perioden aansprakelijk te houden, reconstrueert.
62 Gezien de grote hoeveelheid inlichtingen en beoordelingen ter ondersteuning van de beslissing om aan een groot aantal vennootschappen geldboeten op te leggen, waarvan elk het recht op een toereikende motivering heeft ten aanzien van de op haar betrekking hebbende factoren, kan het de Commissie immers niet worden verweten dat zij de beschikking in meerdere lagen heeft gemotiveerd. Meer bepaald schendt de Commissie geen enkele rechtsregel door in de tekst van de beschikking alleen de hoofdoverwegingen op te nemen die aan haar beslissing ten grondslag liggen alsook de overwegingen ten aanzien van specifieke argumenten die de beschuldigde ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar hebben aangevoerd, en de inlichtingen en overwegingen die de uitleg daarbij vormen en de verwijzingen naar het bewijs op te nemen in de voetnoten of in de bijlage bij de beschikking.
63 Daaraan moet worden toegevoegd dat de Commissie de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” reeds in de mededeling van punten van bezwaar heeft gehanteerd, met name in de context van de beoordeling van het bewijs en in de overzichtstabel van de aanwezigheid van de deelnemende ondernemingen op specifieke technische bijeenkomsten, terwijl de duur van deelname aan de inbreuk voor H&R en Tudapetrol afzonderlijk is vastgesteld. Verzoekster heeft zich niet tegen deze benadering verzet in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar dat zij tezamen met Tudapetrol en de overige vennootschappen van de groep H&R heeft ingediend, ondanks dat de mededeling van punten van bezwaar aan elke vennootschap afzonderlijk was gericht. Daarenboven hebben H&R en Tudapetrol in dat antwoord stelselmatig de aanduiding „H&R/Tudapetrol” in het kader van hun betoog gebruikt, met uitzondering van punt 2.7.2 dat een passage bevat waarin werd gesteld dat de door Tudapetrol gepleegde inbreuk was verjaard, aangezien zij de activiteiten op het gebied van paraffinewas beweerdelijk op 1 mei 2000 had gestaakt. In die omstandigheden kan verzoekster de Commissie niet verwijten dat zij niet een nog explicietere motivering ten aanzien van die aspecten heeft opgenomen.
64 In de tweede plaats moet de grief inzake schending van artikel 81 EG worden onderzocht.
65 Eerst moet het gebruik van de gemeenschappelijk aanduiding „H&R/Tudapetrol” door de Commissie in de bestreden beschikking worden onderzocht.
66 In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft verwezen naar de persoonlijke banden tussen Tudapetrol en H&R, die door verzoekster niet worden betwist.
67 Daarnaast blijkt uit de uittreksels van de aantekeningen en verslagen waarover de Commissie beschikt en de verklaringen van de karteldeelnemers die in de bestreden beschikking zijn weergegeven, alsook het dossier met daarin het geheel van het bewijs, waartoe verzoekster toegang heeft gehad vóór de vaststelling van de bestreden beschikking, dat de overige deelnemers aan de inbreuk vaak hebben verwezen naar een gemeenschappelijk entiteit onder de naam „SRS/Tudapetrol” of „H&R/Tudapetrol”, of dat zij Tudapetrol en de vennootschappen van de groep H&R binnen de context van de inbreukmakende gedragingen anderszins met elkaar in verband hebben gebracht. Bijgevolg moet erop worden gewezen dat het veelvuldige gebruik van de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” door de Commissie, ook in overeenstemming is met de perceptie van de overige karteldeelnemers.
68 Vervolgens heeft de Commissie ook verwezen naar de verticale relatie tussen de groep H&R en Tudapetrol.
69 Verzoekster betwist niet dat Tudapetrol „een onderneming [was] die voor H&R paraffinewas en ‚slack wax’ afzet en distribueert”, zodat er tussen deze ondernemingen een verticale band bestond. Uit deze verticale band volgt dat de beide ondernemingen een gemeenschappelijk commercieel belang hadden om de winst op de door hen geproduceerde en afgezette producten op het gebied van paraffinewas te maximaliseren. Dit belang werd gediend door deelname aan de inbreuk in kwestie, die met name de vaststellingen van de prijzen tot doel had, zodat hogere winstmarges konden worden behaald dan die welke bij vrije concurrentie mogelijk zouden zijn geweest. Aangezien de door Tudapetrol verkochte paraffinewas bovendien door de groep H&R was geproduceerd, kan die verticale band bij de overige karteldeelnemers de indruk versterken dat deze beide ondernemingen nauw met elkaar waren verbonden, zodanig dat zij hen als één enkele entiteit waarnamen, hetgeen overigens ook blijkt uit de aan de Commissie ter beschikking staande documenten.
70 Hieruit volgt dat de Commissie de verticale band tussen Tudapetrol en de groep H&R terecht heeft kunnen vermelden als een van de factoren ter rechtvaardiging van het gebruik van de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” in sommige delen van de bestreden beschikking.
71 Tot slot moet eraan worden herinnerd dat de vennootschappen van de groep H&R en Tudapetrol hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar gezamenlijk hebben ingediend. Bijgevolg heeft de Commissie een logische benadering gekozen door hun argumenten als die van „H&R/Tudapetrol” te presenteren.
72 Gelet op de persoonlijke banden tussen de beide ondernemingen, de perceptie door de overige karteldeelnemers alsook de verticale relatie tussen Tudapetrol en H&R en hun gezamenlijk antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, moet de conclusie dan ook luiden dat de Commissie artikel 81 EG niet heeft geschonden door de gemeenschappelijk aanduiding „H&R/Tudapetrol” te hanteren bij het onderzoek van bepaalde aspecten van de inbreuk.
73 Ten tweede moet eraan worden herinnerd dat de Commissie aan verzoekster de technische bijeenkomsten heeft verweten waaraan volgens haar beoordeling van het beschikbare bewijs een bij H&R ChemPharm werkzame persoon heeft deelgenomen (zie punten 45‑52 hierboven). De aanwezigheid van een werknemer of andere vertegenwoordigers op mededingingsverstorende bijeenkomsten is een feitelijk gegeven op basis waarvan de Commissie de aansprakelijkheid van een onderneming voor een inbreuk op artikel 81 EG kan vaststellen. Volgens de rechtspraak is voor haar bevoegdheid om een onderneming een sanctie op te leggen wanneer deze een inbreuk heeft gepleegd, immers enkel een inbreukmakende handeling van een persoon die in het algemeen gerechtigd is om voor rekening van de onderneming te handelen vereist (arresten Gerecht van 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie, T-236/01, T-239/01, T-244/01-T-246/01, T-251/01 en T-252/01, Jurispr. blz. II-1181, punt 277, en 15 december 2010, E.ON Energie/Commissie, T-141/08, Jurispr. blz. II-5761, punt 258; zie in die zin ook arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 97).
74 Bijgevolg heeft de Commissie artikel 81 EG niet geschonden door in sommige delen van haar beoordeling in de bestreden beschikking de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” te hanteren, maar tegelijk aan te geven dat verzoekster deelname aan de technische bijeenkomsten werd verweten op grond dat een van haar werknemers op die bijeenkomsten aanwezig was.
75 Aangezien verzoekster geen schending van de motiveringsplicht of schending van artikel 81 EG heeft aangetoond, moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van de rechten van de verdediging
76 Verzoekster stelt dat zij niet kan vaststellen welk inhoudelijk gedrag haar wordt verweten, omdat in de motivering van de bestreden beschikking geen onderscheid is gemaakt tussen de handelingen die haar ten laste worden gelegd en die welke aan Tudapetrol worden toegerekend. Daardoor is zij beperkt in haar mogelijkheden om ontlastend bewijs over te leggen. Aangezien zij medeverantwoordelijk is gehouden voor alle gedragingen van Tudapetrol, zou zij dus, om haar onschuld aan te tonen, alle jegens Tudapetrol aangevoerde inhoudelijke grieven moeten bestrijden voor zover het de periode van haar deelname aan het kartel betreft.
77 Volgens vaste rechtspraak verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk heeft gestaafd (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, punt 73 supra, punt 10, en arresten Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123, punt 66, en 25 januari 2007, Dalmine/Commissie, C-407/04 P, Jurispr. blz. I-829, punt 44).
78 Artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat aan partijen een mededeling van punten van bezwaar wordt toegezonden die duidelijk de belangrijkste feiten moet vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert, zodat het voor de belanghebbenden voldoende duidelijk is welke gedragingen de Commissie hun verwijt en zij zich zinvol kunnen verdedigen voordat de Commissie een definitieve beslissing vaststelt. Een dergelijke mededeling van punten van bezwaar vormt de procedurele waarborg voor de toepassing van het grondbeginsel van Unierecht dat de rechten van de verdediging in elke procedure moeten worden geëerbiedigd (arrest Hof van 3 september 2009, Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, C-322/07 P, C-327/07 P en C-338/07 P, Jurispr. blz. I-7191, punt 35, en arrest Gerecht van 17 mei 2011, Elf Aquitaine/Commissie, T-299/08, Jurispr. blz. II-2149, punt 135).
79 Dit beginsel verlangt met name dat de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie richt aan een onderneming waaraan zij wegens schending van de mededingingsregels een sanctie wil opleggen, de voornaamste tegen deze onderneming in aanmerking genomen elementen bevat, zoals de verweten feiten, de kwalificatie daarvan en het bewijs waarop de Commissie zich baseert, zodat deze onderneming in de gelegenheid is om op zinvolle wijze haar argumenten aan te voeren in het kader van de tegen haar ingeleide administratieve procedure (zie arrest Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, punt 78 supra, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 Meer bepaald moet de mededeling van punten van bezwaar op ondubbelzinnige wijze de rechtspersoon vermelden waaraan eventueel een geldboete zal worden opgelegd, en aan hem worden toegezonden, en zij moet aangeven in welke hoedanigheid hem de gestelde feiten worden verweten (arrest van 17 mei 2011, Elf Aquitaine/Commissie, punt 78 supra, punt 137; zie in die zin ook arrest Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie, punt 78 supra, punten 37 en 38).
81 In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de Commissie verzoekster bij brief van 29 mei 2007 een mededeling van punten van bezwaar heeft toegezonden.
82 In punt 104 van de mededeling van punten van bezwaar had de Commissie reeds de tabel opgenomen die in punt 124 en de bijlage bij de bestreden beschikking voorkomt, waarin is gepreciseerd aan welke bijeenkomsten de entiteit „H&R/Tudapetrol” volgens de inlichtingen had deelgenomen.
83 De Commissie heeft in de punten 2 en 257 van de mededeling van punten van bezwaar, alsook in voetnoot 493 bij punt 257, gepreciseerd dat zij het voornemen had om H&R ChemPharm voor de periode van 1 juli 2001 tot 28 april 2005 aansprakelijk te houden voor een inbreuk op artikel 81 EG, bestaande in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot vaststelling van de prijzen en tot uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie betreffende de markt van paraffinewas. De Commissie heeft daarin tevens aangegeven dat de perioden waarin W., H. en G. posities binnen de voor de inbreuk aansprakelijk gehouden vennootschappen hebben bekleed, de doorslaggevende factor bij de beoordeling van de duur van de deelname aan de inbreuk was. In punt 31 van de mededeling van punten van bezwaar had de Commissie reeds nader aangegeven hoelang deze drie personen in dienst waren en welke posities zij hebben bekleed, op dezelfde wijze als in punt 28 van de bestreden beschikking. Bovendien is in punt 4.2 van de bestreden beschikking onder het kopje „Gedetailleerde informatie over de technische overeenkomsten” uiteengezet welke bewijzen de Commissie voor elk van de technische bijeenkomsten in aanmerking heeft genomen.
84 Uit de mededeling van punten van bezwaar blijkt dus duidelijk dat alleen de technische bijeenkomsten waaraan een van haar werknemers heeft deelgenomen, jegens H&R ChemPharm in aanmerking zijn genomen en haar ten laste zijn gelegd. Verzoekster kan dus niet beweren dat zij op basis van de mededeling van punten van bezwaar niet kan vaststellen welk gedrag haar is verweten en dat zij, om haar onschuld te bewijzen, alle jegens Tudapetrol aangevoerde inhoudelijke grieven zou moeten bestrijden.
85 Ten overvloede moet eraan worden herinnerd dat Tudapetrol en de vennootschappen van de groep H&R gezamenlijk op de mededeling van punten van bezwaar hebben geantwoord, ondanks dat aan elke vennootschap afzonderlijk een mededeling van punten van bezwaar was gezonden. Bovendien hebben Tudapetrol en de vennootschappen van de groep H&R in hun antwoord de gemeenschappelijke aanduiding „H&R/Tudapetrol” gehanteerd. Verzoekster heeft niet aangevoerd dat die aanduiding het haar onmogelijk maakte om zich tegen de jegens haar aangevoerde bezwaren te verweren.
86 Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen, en daarmee het eerste middel in zijn geheel.
Tweede middel: schending van artikel 81 EG omdat er geen bewijs van is dat verzoekster een inbreuk heeft gepleegd
87 Het tweede middel, dat subsidiair wordt aangevoerd, valt uiteen in twee onderdelen. Met het eerste onderdeel geeft verzoekster te kennen dat Commissie onvoldoende bewijs heeft verzameld om haar individuele aansprakelijkheid aan te tonen. Met het tweede onderdeel voert zij aan dat haar aansprakelijkheid evenmin kan worden afgeleid uit het bewijs tegen de andere vennootschappen die van de groep H&R deel uitmaken.
Eerste onderdeel: geen bewijs van verzoeksters directe aansprakelijkheid
88 Volgens verzoekster heeft de Commissie niet aangetoond dat zij persoonlijk een inbreukmakende handeling heeft verricht.
89 In de eerste plaats heeft de Commissie er bij de beoordeling van het bewijs geen rekening mee gehouden dat zij verzoekster voor twee onderdelen van de één geheel vormende inbreuk niet aansprakelijk heeft gehouden, namelijk de verdeling van de klanten en markten (tweede onderdeel van de inbreuk) en het onderdeel betreffende de Duitse markt van „slack wax” („slack wax”-deel van de inbreuk). Alleen het eerste deel van de inbreuk, dat wil zeggen de vaststelling van de prijzen en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie op de markt van paraffinewas, is gezien punt 328 van de bestreden beschikking jegens haar in aanmerking genomen. Verzoekster is dan ook van oordeel dat de Commissie in haar bewijsvoering preciezer had moeten uitwerken welk bewijs op haar betrekking had en had moeten voorkomen dat het bewijs dat alleen door derden gepleegde inbreuken kon aantonen jegens haar in aanmerking werd genomen.
90 In de tweede plaats heeft in de verweten inbreukperiode, namelijk van 1 juli 2001 tot 28 april 2005, geen werknemer van verzoekster die bij haar in actieve dienst was, aan mededingingsverstorende bijeenkomsten deelgenomen. G., die sinds 2001 bij haar „productmanager” was, heeft geen functies binnen haar commerciële afdeling uitgeoefend. Hij heeft 30 % van zijn tijd voor verzoekster gewerkt. Als een van de drie productmanagers bestond zijn taak in het ontwikkelen van paraffineproducten en wasemulsies met nieuwe chemische samenstellingen. Dit hield noch een taak noch een verantwoordelijkheid op het gebied van verzoeksters commerciële activiteit in, en bij voorbaat al niet een functie als vertegenwoordiger. Verzoekster biedt in dat verband aan om haar stelling te bewijzen door het horen van haar bedrijfsleider, S.
91 Volgens verzoekster zou in de brief van 19 januari 2007 zijn aangegeven dat G. „sales manager” (verkoopverantwoordelijke) van H&R Wax Company Vertrieb was, een van verzoekster gescheiden vennootschap. Zij betwist dat H&R Wax Company Vertrieb haar distributiebedrijf is geweest. Laatstgenoemde was juridisch onafhankelijk en verzoekster heeft daarin geen aandelen gehouden of het recht gehad om haar te besturen. Zij bestrijdt ook dat H&R Wax Company Vertrieb vennoot zou zijn geweest of dat zij „bijzondere zeggenschapsrechten” jegens haar bezat. Bijgevolg kan haar de aansprakelijkheid van H&R Wax Company Vertrieb niet worden toegekend.
92 Bovendien heeft de Commissie volgens verzoekster niet aangetoond dat G. voor haar heeft gehandeld toen hij aan de technische bijeenkomsten deelnam. Bijgevolg bestaat er in het algemeen geen bewijs van verzoeksters persoonlijke deelname aan de inbreuk.
93 Verzoekster voert in de derde plaats aan dat de Commissie, zelfs wanneer het Gerecht zou oordelen dat G. haar vertegenwoordiger op de technische bijeenkomsten was, hoe dan ook niet het bewijs van een door haar gepleegde inbreuk op artikel 81 EG heeft geleverd. Zij heeft in dat verband een gedetailleerde analyse overgelegd van elk van de technische bijeenkomsten waarop H&R volgens de bestreden beschikking aanwezig was.
– Begrippen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging
94 Volgens artikel 81, lid 1, EG zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
95 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T-7/89, Jurispr. blz. II-1711, punt 256, en 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T-9/99, Jurispr. blz. II-1487, punt 199).
96 Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is gesloten wanneer er een wilsovereenstemming bestaat over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd (arrest Gerecht van 16 juni 2011, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, T-240/07, Jurispr. blz. II-3355, punt 45; zie in die zin ook arrest HFB e.a./Commissie, punt 95 supra, punten 151‑157 en 206).
97 De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C-49/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 115, en Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 158).
98 In dat verband staat artikel 81, lid 1, EG in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of zich heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken (arrest Heineken Nederland en Heineken/Commissie, punt 96 supra, punt 47; zie in die zin ook arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 97 supra, punten 116 en 117).
– Beginselen voor de beoordeling van bewijzen
99 Volgens de rechtspraak dient de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en de elementen te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (zie arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 58, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek moet instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan (zie arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Bayer/Commissie, T-41/96, Jurispr. blz. II-3383, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 In die context dient twijfel bij de rechter in het voordeel te werken van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien daarover bij hem twijfel blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd (arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 99 supra, punt 60, en arrest Gerecht van 12 juli 2011, Hitachi e.a./Commissie, T-112/07, Jurispr. blz. II-3871, punt 58).
102 In het laatstgenoemde geval moet immers rekening worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die de algemene beginselen van het Unierecht vormen. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties, is het onschuldvermoeden inzonderheid van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 59; zie in die zin ook arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 99 supra, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 De Commissie moet dus nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren om het bestaan van de inbreuk aan te tonen. Evenwel dient te worden beklemtoond dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 99 supra, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 De aanwijzingen die de Commissie in de bestreden beschikking aanvoert om schending van artikel 81, lid 1, EG door een onderneming te bewijzen, dienen niet afzonderlijk maar in hun geheel te worden bezien (zie arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T-53/03, Jurispr. blz. II-1333, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 Ook dient te worden opgemerkt dat de Commissie in de praktijk vaak verplicht is het bestaan van de inbreuk in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt. De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een onrechtmatige prijsvaststellingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een onrechtmatige overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen de ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijselementen (arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, Jurispr. blz. II-2501, punt 203).
106 Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81 EG aan te tonen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering (arrest Gerecht van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T-50/00, Jurispr. blz. II-2395, punt 72, en arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 64).
107 Wat de bewijskracht van de verschillende bewijsstukken aangaat, is het enige voor de beoordeling van de aangevoerde bewijzen relevante criterium de geloofwaardigheid ervan (arrest Dalmine/Commissie, punt 106 supra, punt 72).
108 Volgens de algemene bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en bijgevolg de bewijskracht van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het gericht is en van de inhoud ervan (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punten 1053 en 1838, en arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 70).
109 Wanneer de Commissie uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt, is het voldoende dat deze ondernemingen omstandigheden aantonen die een ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten en een andere plausibele verklaring van de feiten bieden die in de plaats kan worden gesteld van die op basis waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van schending van de mededingingsregels van de Unie (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punt 186).
110 Wanneer de Commissie zich daarentegen heeft gebaseerd op schriftelijke bewijzen, dienen de betrokken ondernemingen niet louter een plausibel alternatief te bieden voor haar stelling, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punt 187). Een dergelijke bewijslevering schendt het beginsel van het vermoeden van onschuld niet (zie in die zin arrest Hof van 8 juli 1999, Montecatini/Commissie, C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 181).
111 Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 77 supra, punten 55‑57; zie ook arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 99 supra, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
112 Bij de beoordeling van de bewijskracht van schriftelijke bewijzen moet er groot belang aan worden gehecht dat deze documenten in rechtstreeks verband met de feiten zijn opgesteld (arresten Gerecht van 11 maart 1999, Ensidesa/Commissie, T-157/94, Jurispr. blz. II-707, punt 312, en 16 december 2003, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie/Commissie, T-5/00 en T-6/00, Jurispr. blz. II-5761, punt 181) of door een directe getuige van die feiten (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punt 207).
113 Het feit dat een document niet gedateerd of niet ondertekend of slecht geschreven is, ontneemt hieraan evenwel niet elke bewijskracht mits de herkomst, de waarschijnlijke datum en de inhoud ervan met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld (arrest Gerecht van 13 december 2006, FNCBV/Commissie, T-217/03 en T-245/03, Jurispr. blz. II-4987, punt 124; zie in die zin ook arrest Gerecht van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T-11/89, Jurispr. blz. II-757, punt 86).
114 Uit het beginsel van de vrije bewijslevering vloeit voort dat, ook al kan het ontbreken van schriftelijke bewijzen in het kader van de globale beoordeling van de door de Commissie ingeroepen bundel van aanwijzingen van belang blijken, deze omstandigheid er op zich niet toe leidt dat de betrokken onderneming het betoog van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitleg aan de feiten te geven. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 65; zie in die zin ook arrest Gerecht van 12 september 2007, Coats Holdings en Coats/Commissie, T‑36/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).
115 Bovendien verbiedt geen bepaling en geen algemeen beginsel van Unierecht de Commissie om zich jegens een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere ondernemingen die zij verwijt aan het kartel te hebben deelgenomen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met artikel 81 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen (arresten JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punt 192, en Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 67).
116 Een bijzonder grote bewijskracht kan worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, in naam van een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die de professionele verplichting had om in het belang van deze vennootschap te handelen, ten vierde, tegen de belangen van diezelfde persoon ingaan, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 71; zie in die zin ook arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punten 205‑210).
117 De verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan evenwel niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijselementen wordt gestaafd. Gezien hun betrouwbaarheid behoeven deze verklaringen echter een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest (arresten JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punten 219 en 220, en Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 68).
118 Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, omdat deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, neemt dit niet weg dat het feit dat wordt verzocht om toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 teneinde immuniteit of een vermindering van de geldboete te verkrijgen, er niet noodzakelijkerwijs een aanzet voor vormt om bewijzen ten aanzien van de andere leden van de mededingingsregeling vertekend weer te geven. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt te hebben bij de mededeling inzake medewerking van 2002 in gevaar brengen (arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 101 supra, punt 72; zie in die zin ook arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T-120/04, Jurispr. blz. II-4441, punt 70).
119 In het bijzonder impliceert het feit dat een persoon toegeeft dat hij een inbreuk heeft gepleegd en aldus meer feiten bekent dan rechtstreeks uit de betrokken stukken had kunnen worden afgeleid, automatisch, behoudens bijzondere omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt, dat de betrokkene vastbesloten is om de waarheid te spreken. Zo moeten verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, in beginsel als bijzonder betrouwbare bewijzen worden beschouwd (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 104 supra, punten 211 en 212, en arresten Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T-109/02, T-118/02, T-122/02, T-125/02, T-126/02, T-128/02, T-129/02, T-132/02 en T-136/02, Jurispr. blz. II-947, punt 166, en 8 juli 2008, Lafarge/Commissie, T‑54/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 59).
120 Voornoemde rechtspraak geldt naar analogie voor artikel 53 EER-Overeenkomst.
– Bestreden beschikking
121 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de Commissie zich in punt 2 van de bestreden beschikking, onder het kopje „Samenvatting van de inbreuk”, op het standpunt heeft gesteld dat de andere adressaten van die beschikking deel hadden genomen aan één enkele, complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst. Het eerste deel van de inbreuk bestond in „overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen waarbij de prijzen zijn vastgesteld en commercieel gevoelige informatie is uitgewisseld en openbaar gemaakt” met betrekking tot paraffinewas. Dit eerste deel van de inbreuk is het enige bestanddeel van de inbreuk waaraan verzoekster volgens de bestreden beschikking heeft deelgenomen. Sommige andere ondernemingen waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, namen ook deel aan de overige delen van de inbreuk, namelijk „de verdeling van klanten en/of markten” wat paraffinewas betreft (tweede deel van de inbreuk), en de „‚slack wax’ die aan Duitse eindafnemers wordt verkocht” („slack wax”-deel van de inbreuk).
122 In de bestreden beschikking heeft de Commissie onder de kopjes „4. Omschrijving van de gebeurtenissen” en „4.1. Basisbeginselen en werking van de mededingingsregeling” de inhoud van de gedragingen tot vaststelling van de prijzen als volgt beschreven in de punten 106 en volgende van die beschikking: „[...] (106) De technische bijeenkomsten vielen altijd uiteen in twee delen: eerst werden technische kwesties besproken, gevolgd door besprekingen van mededingingsverstorende aard over onder meer prijsafspraken, verdeling van de markten en de klanten (in bepaalde gevallen), en uitwisseling en openbaarmaking van commercieel gevoelige informatie, zoals het huidige en toekomstige prijsbeleid, de klanten, de productiecapaciteit en verkoopvolumes. (107) De besprekingen over de prijzen en potentiële prijsverhogingen vonden doorgaans plaats aan het einde van de technische bijeenkomsten. In het algemeen nam Sasol het voortouw bij de prijsbesprekingen, maar vervolgens werden de prijzen en de prijsbeleidsstrategieën door alle deelnemers besproken in de vorm van een rondvraag [...]. Het ging daarbij zowel om prijsverhogingen en indicatieve prijzen voor specifieke klanten als om algemene prijsverhogingen alsook minimumprijzen en indicatieve prijzen voor de gehele markt [...]. Normaal gesproken werden de prijsverhogingen overeengekomen in absolute cijfers en niet in percentages (bijvoorbeeld 60 [EUR] per ton voor volledig geraffineerde paraffinewas) [...]. De minimumprijzen werden niet alleen overeengekomen wanneer er een overeenkomst over prijsverhoging bestond, maar ook wanneer een prijsverhoging niet mogelijk was (bijvoorbeeld wanneer de prijzen daalden) [...]. [...] (109) De vertegenwoordigers van de ondernemingen wisselden voorts commercieel gevoelige informatie uit en maakten hun algemene strategie bekend [...]. (110) De ondernemingen, met uitzondering van MOL, werden vertegenwoordigd door leidinggevenden die bevoegd waren de prijsstrategie van hun respectieve onderneming te bepalen en prijzen voor individuele klanten vast te stellen. [...] (111) Tijdens de meeste technische bijeenkomsten hadden de gesprekken over de prijzen in het algemeen betrekking op paraffinewas [...] en slechts zelden op de verschillende soorten paraffinewas (zoals volledig geraffineerde paraffinewas, gedeeltelijk geraffineerde paraffinewas, wasmengsels/wasspecialiteiten, harde paraffinewas of ‚hydrofinished’ was). Het was voor alle ondernemingen duidelijk dat de prijzen voor alle soorten paraffinewas met hetzelfde bedrag of hetzelfde percentage zouden stijgen [...]. [...] (113) Het resultaat van de technische bijeenkomsten werd in het algemeen uitgevoerd door de aankondiging van prijsverhogingen aan de klanten of ongeldigverklaring van de bestaande tariefformules [...]. Incidentele gevallen van ontduiking of niet-toepassing werden besproken tijdens volgende bijeenkomsten (zie bijvoorbeeld de punten 149 en 157). In het algemeen nam een van de vertegenwoordigde ondernemingen het initiatief en begon haar prijzen te verhogen. Doorgaans was dit Sasol, maar zij vroeg soms een andere deelnemer om te beginnen. Kort nadat een onderneming haar klanten op de hoogte had gesteld van haar voornemen de prijzen te verhogen, volgden de andere leveranciers en kondigden ook zij prijsverhogingen aan [...]. De personen die de ondernemingen tijdens de technische bijeenkomsten vertegenwoordigden, informeerden de anderen over de genomen stappen ter uitvoering van het resultaat van de technische bijeenkomsten. Deze informatie werd mondeling verstrekt [...] of door toezending van een kopie van de aankondiging van de prijsverhogingen of ongeldigverklaring van de betrokken prijzen aan een van de andere [deelnemende] ondernemingen of aan al deze ondernemingen. De Commissie heeft namelijk ontdekt dat dergelijke aankondigingen werden uitgewisseld tussen partijen. Bij een steekproef van ongeveer 150 van dit soort brieven is vastgesteld dat zij binnen zes weken na de technische bijeenkomsten zijn uitgewisseld [...]. Ook werd verklaard dat de vertegenwoordigde ondernemingen op grond van een overeenkomst de toepassing van een afgesproken prijsverhoging niet mochten aangrijpen om hun eigen marktaandeel te vergroten [...]. Deze stelling is niet betwist in de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar.”
123 Onder het kopje „4.2. Gedetailleerde informatie over de technische overeenkomsten” heeft de Commissie eerst een overzichtstabel gepresenteerd met de plaats en de datum van de technische bijeenkomsten en de aanwezige ondernemingen (punt 124 van de bestreden beschikking). Daarna heeft zij de beschikbare bewijzen inzake elk van de technische bijeenkomsten onderzocht (punten 126‑177 van de bestreden beschikking).
124 Onder de kopjes „5. Toepassing van artikel 81 [EG] op de onderhavige zaak” en „5.3. Aard van de betrokken inbreuken”, heeft de Commissie in de bestreden beschikking beschreven welke beginselen op de kwalificatie van de mededingingsverstorende gedragingen van toepassing waren: „5.3.1. Beginselen [...] (205) [I]n het geval van een complexe inbreuk van aanzienlijke duur hoeft de Commissie haar niet te kwalificeren [als overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging]. De begrippen overeenkomst [of] onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn vaag en kunnen elkaar overlappen. Het mededingingsverstorend gedrag kan heel goed op gezette tijden zijn gewijzigd en de mechanismen kunnen zijn aangepast of versterkt om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen. Het kan namelijk zelfs onmogelijk zijn dit onderscheid te maken, daar een inbreuk tegelijkertijd de kenmerken kan vertonen van elk van de vormen van verboden gedrag, terwijl sommige van de manifestaties ervan, op zichzelf beschouwd, juist eerder als behorend tot de ene dan tot de andere vorm kunnen worden gedefinieerd. Een onderverdeling van wat duidelijk de uitvoering van gedragingen met eenzelfde algemene doelstelling is in een aantal afzonderlijke inbreukvormen, zou gekunsteld zijn. Een mededingingsregeling kan dus tegelijk een overeenkomst en een onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn. Artikel 81 [EG] houdt geen specifieke kwalificatie in voor een complexe inbreuk van het type als beschreven in deze beschikking [...]. (206) Wanneer sprake is van een groot aantal deelnemers aan een mededingingsregeling wier mededingingsverstorend gedrag naar de duur kan worden aangemerkt als een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging (complexe inbreuken), hoeft de Commissie niet precies aan te geven tot welke categorie elk type gedrag behoort. [...]”
125 Nog steeds onder het kopje „5.3. Aard van de betrokken inbreuken”, heeft de Commissie vervolgens de inhoud van de inbreuk als volgt beschreven: „5.3.2. Uitvoering (210) Uit de in hoofdstuk 4 van deze beschikking beschreven feiten is gebleken dat alle ondernemingen waarop deze procedure betrekking heeft, hebben deelgenomen aan mededingingsbeperkende activiteiten betreffende paraffinewas en, wat de in punt 2 genoemde ondernemingen betreft, inzake ,slack wax’ [...] en dat zij regelmatig hebben deelgenomen aan bijeenkomsten waarin de volgende punten werden besproken: 1) de vaststelling van de prijzen[;] 2) [...] de verdeling van klanten en/of de verdeling van markten[;] 3) de openbaarmaking en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie, met name over klanten, tarifering, productiecapaciteit en verkoopvolumes [...]. 5.3.2.2. Vaststelling van de prijzen (240) De punten 98, 107, 126, 128, 131, 133, 135, 137, 139, 140, 142, 145, 147, 149, 152, 153, 156, 157, 163, 168, 174, 176 en 177 tonen aan dat de betrokken ondernemingen minimumprijzen vaststelden en prijsverhogingen overeenkwamen (‚vaststelling van de prijzen’). (241) ExxonMobil, Repsol, Sasol en Shell hebben het bestaan van gedragingen inzake vaststelling van de prijzen bevestigd [zie punt 107] en dit tijdens hun hoorzitting en in hun schriftelijke antwoord op de mededeling van punten van bezwaar opnieuw bevestigd.”
– Toerekening aan H&R ChemPharm van de aanwezigheid van G. op de technische bijeenkomsten
126 Verzoekster geeft te kennen dat de aanwezigheid van G. op de technische bijeenkomsten haar niet ten laste kan worden gelegd. Zijn taken als productmanager waren beperkt tot de ontwikkeling van nieuwe producten, met uitsluiting van commerciële activiteiten of verantwoordelijkheden op het gebied van de vertegenwoordiging van verzoekster. Hoe dan ook heeft hij slechts 30 % van zijn werktijd bij verzoekster gewerkt.
127 Volgens de hierboven in punt 73 aangehaalde rechtspraak is voor de bevoegdheid van de Commissie om een onderneming een sanctie op te leggen wanneer deze een inbreuk heeft gepleegd, enkel een inbreukmakende handeling van een persoon die in het algemeen gerechtigd is om voor rekening van de onderneming te handelen vereist.
128 Verzoekster heeft in haar brief van 19 januari 2007 het volgende verklaard over de verantwoordelijkheden van G.: „[G.] heeft bij SRS van 1994 tot 1 juli 2001 de functie van productmanager bekleed, en was in die hoedanigheid werknemer van deze onderneming. Op 1 juli 2001 is zijn dienstbetrekking overgegaan op H&R Management & Service [thans H&R ChemPharm]. Bijgevolg is [G.] sinds 2001 en tot op heden als productmanager werkzaam bij H&R ChemPharm [...]. Sinds 1 januari 2001 oefent hij de functie van Sales Manager uit bij H&R Wax Company Vertrieb zonder formeel door haar te zijn tewerkgesteld [...]. G. vervult sinds 1999 de dubbele functie van productmanager en Sales Manager. Als productmanager is hij de schakel tussen de productie en de distributie. Naast het constant aanpassen van de productiemogelijkheden aan de eisen van de markt, bestaan zijn taken als productmanager er met name in om technische bijstand te verlenen aan de afnemers wanneer zij de producten gaan gebruiken. In die dubbele functie neemt [G.] de technische vragen van de klanten voor zijn rekening en, als team met [H.], ook commerciële vragen. In deze dubbele functie is voorzien in het met H&R ChemPharm gesloten arbeidscontract.”
129 Daarnaast heeft verzoekster in haar brief van 8 december 2005 het volgende verklaard: „Sinds de toetreding van [H&R ChemPharm] tot de paraffinesector in 1994 en tot in 2001, is [W.] verantwoordelijk geweest voor de distributie. [W.] is sinds eind 2001 met pensioen. Met het oog op het voorziene vertrek van [W.], is eerst [H.] deze dienst komen versterken (sinds 1997), waarna [G.] zich in 1999 bij hen heeft gevoegd. Deze beide personen zijn nog steeds verantwoordelijk voor de distributie van paraffine.”
130 In de eerste plaats moet worden geoordeeld dat G. in zijn hoedanigheid van productmanager bij H&R ChemPharm, bevoegd was om voor rekening van laatstgenoemde te handelen. Voor deze conclusie kan steun worden gevonden in de verklaring van verzoekster dat een van de taken van G. was om „technische bijstand te verlenen aan de afnemers wanneer zij de producten gaan gebruiken”, hetgeen met zich brengt dat laatstgenoemde bevoegd was om ten opzichte van de afnemers voor rekening van verzoekster te handelen in de uitoefening van zijn taken die alleen met de productie verband hielden.
131 In de tweede plaats is het Gerecht van oordeel dat de taken van G. in verband met de distributie eveneens relevant zijn. De Commissie heeft namelijk in de onderhavige zaak het bewijs geleverd dat de werknemer van verzoekster, wiens arbeidscontract met haar erin voorzag dat hij taken op het gebied van zowel de productie als de distributie zou hebben, op de mededingingsverstorende bijeenkomsten aanwezig was. Het zou al te gemakkelijk zijn wanneer een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, aan enige sanctie zou kunnen ontsnappen indien zij zich tegen een dergelijke vaststelling zou mogen verweren met de stelling dat haar werknemer in werkelijkheid in naam van een andere vennootschap heeft gehandeld op die bijeenkomsten. Indien dat zou mogen, zouden ook de vennootschappen die aan kartels deelnemen aan elke aansprakelijkheid kunnen ontsnappen door situaties van dubbele tewerkstelling met een niet bij het kartel betrokken vennootschap te creëren, door te wijzen op het feit dat de gemeenschappelijke werknemer uitsluitend voor rekening van die laatste heeft gehandeld.
132 In de derde plaats moet eraan worden herinnerd dat verzoekster zelf heeft verklaard dat G. „de schakel tussen de productie en distributie” was en tot taak had om „de productiemogelijkheden constant aan de eisen van de markt aan te passen”, waarbij hij ook „commerciële vragen” voor zijn rekening nam. In een dergelijke positie was G. in staat om het commerciële gedrag van verzoekster aan te passen in het licht van de informatie die hij tijdens de technische bijeenkomsten had verkregen, met name over de „eisen van de markt”, waarbij de afstemming tussen de concurrenten vaak betrekking had op de manipulatie daarvan, en deze afstemming dus ten goede van verzoekster te laten komen.
133 Zoals reeds is opgemerkt in punt 58 hierboven, is in de vierde plaats verzoeksters stelling dat G. slechts 30 % van zijn werktijd aan haar besteedde, irrelevant. Ook wanneer het contact met de productievennootschap zeer kort is, kunnen immers de inlichtingen die tijdens de mededingingsverstorende bijeenkomsten zijn verkregen worden doorgegeven, of kunnen bepaalde instructies worden gegeven in het licht van die inlichtingen, waarbij rekening wordt gehouden met de afspraken die tijdens de mededingingsverstorende bijeenkomsten zijn gemaakt.
134 In de vijfde plaats is verzoeksters stelling dat zij niet bij de distributie van paraffinewas betrokken was, in tegenspraak met niet alleen het feit dat er in het arbeidscontract tussen G. en verzoekster in was voorzien dat hij verkoopdirecteur zou zijn, maar ook het feit dat zij ook W. vanaf 28 februari 2001 als verkoopdirecteur heeft aangesteld.
135 Gelet op een en ander moet de conclusie luiden dat de Commissie geen fout heeft begaan met haar oordeel dat de arbeidsrelatie tussen G. en verzoekster het rechtvaardigde dat de handelingen van eerstgenoemde haar ten laste werden gelegd.
– Bewijsaanbod van verzoekster
136 Verzoekster biedt de getuigenverklaring van haar bedrijfsleider, S., aan als bewijs dat de verantwoordelijkheden van G. bij haar beperkt waren tot de ontwikkeling van nieuwe producten.
137 In dat verband moet erop worden gewezen dat verzoekster in tempore non suspecto zelf heeft verklaard dat G. taken op het gebied van de distributie uitoefende en dat hij de schakel tussen de productie en de distributie was. De bewijskracht van die verklaringen is groter dan die van een getuigenverklaring die in tempore suspecto wordt afgelegd, zodat het Gerecht zijn conclusie in punt 135 hierboven daarop mag baseren en verzoeksters grief mag afwijzen. Bijgevolg wordt verzoeksters bewijsaanbod afgewezen.
– Globale beoordeling van het bewijs ter ondersteuning van het bestaan van een door verzoekster gepleegde inbreuk
138 In de eerste plaats hebben meerdere ondernemingen toegegeven dat de prijzen van paraffinewas tijdens de technische bijeenkomsten waren besproken met als algemeen doel om overeenstemming over het niveau ervan te bereiken.
139 Meer bepaald volgt uit de verklaring van Sasol van 12 mei 2005 dat de technische bijeenkomsten in het algemeen tot een mededingingsbeperkende activiteit leidden, omdat er werd gesproken over verhogingen en verlagingen van de prijzen van paraffinewas en informatie werd uitgewisseld over de brutoprijzen en de planning op het gebied van capaciteit.
140 Volgens de verklaring van Repsol van 19 mei 2005 werden tijdens de technische bijeenkomsten de door de deelnemers gehanteerde prijsniveaus voor paraffinewas besproken.
141 Shell heeft verklaard dat alle technische bijeenkomsten betrekking hadden op de vaststelling van de prijzen. Volgens haar verklaring van 14 juni 2006 zijn de prijzen van paraffinewas nooit eenzijdig, maar altijd door de concurrenten tijdens de technische bijeenkomsten vastgesteld, en dat sinds ten minste 1999, toen haar vertegenwoordiger die als getuige is opgetreden, aan de technische bijeenkomsten begon deel te nemen.
142 Voorts hebben dezelfde ondernemingen in dezelfde verklaringen ook beweerd dat de deelnemers tijdens een aantal technische bijeenkomsten inderdaad overeenstemming hadden bereikt over minimumprijzen of prijsverhogingen, soms zelfs over prijsverhogende maatregelen.
143 Benadrukt moet worden dat met name in de verklaringen genoemd in de punten 139 tot en met 141 hierboven, alsook in het antwoord van Sasol van 18 december 2006 op een verzoek om inlichtingen van de Commissie, is verwezen naar de deelname van de entiteiten SRS, SRS/Tudapetrol, H&R/Tudapetrol of Hansen & Rosenthal aan de technische bijeenkomsten en dat de naam van G., werknemer van verzoekster, is genoemd als een van de personen die op deze bijeenkomsten aanwezig was.
144 Bovendien heeft de Commissie naar de betrokken verklaringen verwezen in de punten 107 en 113 van de bestreden beschikking.
145 De betrokken verklaringen zijn na rijp beraad afgelegd op basis van getuigenverklaringen van personen die aan de technische bijeenkomsten hebben deelgenomen. Zij beschuldigen ook de ondernemingen in naam waarvan zij zijn afgelegd. Bovendien stemmen de verklaringen met elkaar overeen wat de hoofdlijnen van de beschrijving van de inbreuk betreft, hetgeen bijdraagt tot een nog grotere betrouwbaarheid. Bijgevolg zijn zij bijzonder betrouwbaar in de zin van de in punt 116 hierboven genoemde rechtspraak.
146 In de tweede plaats worden de hierboven in de punten 139 tot en met 141 genoemde verklaringen bevestigd door talloze handgeschreven notities van dezelfde datum als de technische bijeenkomsten, die de Commissie tijdens de inspecties heeft gevonden, waartoe verzoekster toegang had gedurende de administratieve procedure en waarvan een gedeelte met name wordt genoemd in de punten 165, 173, 174 en 177 van de bestreden beschikking. De aantekeningen van SC. die zijn vermeld in punt 173 van de bestreden beschikking, de notitie van Total die is vermeld in punt 174 en de notitie van MOL die in punt 177 van die beschikking voorkomt, zijn handgeschreven aantekeningen die tijdens de bijeenkomsten zijn opgesteld door de persoon die daaraan had deelgenomen, en de inhoud ervan is gestructureerd en tamelijk gedetailleerd. De bewijskracht ervan is dus zeer groot. Wat het verslag van de „Blauer Salon”-bijeenkomsten van Sasol betreft (punt 163 van de bestreden beschikking) en de notitie van Eni (punt 165 van de bestreden beschikking), zijn dat stukken die dateren van de inbreukperiode en die zijn opgesteld in tempore non suspecto, dus kort na de technische bijeenkomst waarnaar zij verwijzen. De bewijskracht ervan is dus groot.
147 In de derde plaats moet erop worden gewezen dat verzoekster volgens de bestreden beschikking in de periode van deelname aan de inbreuk (van 1 juli 2001 tot 28 april 2005), door G. vertegenwoordigd is geweest op elk van de 14 technische bijeenkomsten die hebben plaatsgevonden. Verzoekster betwist niet dat G. aan elk van die technische bijeenkomsten heeft deelgenomen.
148 Ten aanzien van mededingingsverstorende overeenkomsten waarvan, zoals in casu, blijkt tijdens bijeenkomsten van concurrerende ondernemingen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat sprake is van een inbreuk op artikel 81 EG wanneer deze bijeenkomsten tot doel hebben, de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, en aldus een kunstmatige regulering van de werking van de markt beogen. In een dergelijk geval volstaat het voor de Commissie om aan te tonen dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarop mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, om de deelneming van deze onderneming aan de mededingingsregeling te bewijzen. Wanneer de deelname aan multilaterale bijeenkomsten is aangetoond, dient de betrokken onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelname aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 77 supra, punt 81, en arrest Hof van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C-403/04 P en C-405/04 P, Jurispr. blz. I-729, punt 47).
149 Aan deze regel ligt de gedachte ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst deelneemt zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden (arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 77 supra, punt 82, en Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, punt 148 supra, punt 48). De uit die rechtspraak afgeleide beginselen zijn eveneens van toepassing op bijeenkomsten die tot onderling afgestemde feitelijke gedragingen hebben geleid, zoals gedefinieerd in de hierboven in punt 97 aangehaalde rechtspraak.
150 In de onderhavige zaak stelt verzoekster evenwel niet dat zij zich publiekelijk van de inhoud van de mededingingsverstorende bijeenkomsten heeft gedistantieerd.
151 In de vierde plaats moet eraan worden herinnerd dat een onderneming, zelfs indien vaststaat dat zij slechts aan een of meer bestanddelen van de mededingingsregeling rechtstreeks heeft deelgenomen, voor de gehele mededingingsregeling aansprakelijk kan worden gesteld wanneer zij wist of noodzakelijkerwijze moest weten, dat de samenspanning waaraan zij deelnam, inzonderheid op de bijeenkomsten die jarenlang op regelmatige tijdstippen waren georganiseerd, deel uitmaakte van een algemeen plan om het normale spel van de mededinging te vervalsen, alsook dat dit algemene plan alle bestanddelen van de mededingingsregeling omvatte. Zo ook neemt het feit dat verschillende ondernemingen een verschillende rol hebben gespeeld bij het nastreven van een gemeenschappelijk doel, niet weg dat er sprake is van een en hetzelfde de mededinging verstorend doel en dus van één inbreuk, mits elke onderneming op haar eigen niveau heeft deelgenomen aan het nastreven van het gemeenschappelijke doel (zie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 105 supra, punt 370 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
152 In de eerste plaats moeten verzoeksters argumenten worden onderzocht dat de Commissie er bij bepaalde technische bijeenkomsten niet in is geslaagd om de inhoud van de besprekingen te reconstrueren, zodat het mogelijk is dat deze bijeenkomsten alleen betrekking hebben op delen van de inbreuk – de verdeling van klanten en de afspraken over „slack wax” – waarvoor zij niet aansprakelijk is gehouden.
153 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat de Commissie beschikt over bewijs dat aantoont dat in het algemeen op zijn minst over de prijzen is gesproken tijdens de technische bijeenkomsten. Meer bepaald volgt uit de verklaring van Sasol van 12 mei 2005 dat de technische bijeenkomsten in het algemeen tot een mededingingsbeperkende activiteit leidden, omdat er werd „gesproken over verhogingen en verlagingen van de prijzen” en informatie werd uitgewisseld over de brutoprijzen en de planning op het gebied van capaciteit. Volgens de verklaring van Repsol van 19 mei 2005 werden tijdens de technische bijeenkomsten de door de deelnemers gehanteerde prijsniveaus voor paraffinewas besproken. Shell heeft verklaard dat alle technische bijeenkomsten betrekking hadden op de vaststelling van de prijzen (zie ook punten 139‑141 hierboven). Verzoekster kan daar niet tegen inbrengen dat deze elementen pas voor het eerst in het verweerschrift zijn aangevoerd, aangezien de Commissie naar bedoelde verklaringen van Sasol, Repsol en Shell heeft verwezen in punt 107 van de bestreden beschikking en deze aan verzoekster ter beschikking heeft gesteld in het kader van de administratieve procedure.
154 Tot slot moet daaraan worden toegevoegd dat de Commissie in punt 240 van de bestreden beschikking heeft gepreciseerd dat het bewijs dat aantoont dat de betrokken ondernemingen minimumprijzen vaststelden en prijsverhogingen overeenkwamen, met name in de punten 163, 168, 174, 176 en 177 van de bestreden beschikking was vermeld. Bovendien heeft de Commissie in de punten 165 en 175 van de bestreden beschikking aangegeven dat de deelnemers aan die technische bijeenkomsten met betrekking tot paraffinewas commercieel gevoelige informatie hadden uitgewisseld, met name ten aanzien van het prijsniveau. De hiervoor aangehaalde punten bevatten citaten uit het schriftelijke bewijs dat van ten tijde van de technische bijeenkomsten dateert, waaruit blijkt dat informatie over de prijzen is uitgewisseld, dat er de wil was om de prijzen te verhogen of te stabiliseren en in sommige gevallen zelfs dat prijsverhogingen zijn overeengekomen, aangevuld met verwijzingen naar de verklaringen van ondernemingen.
155 Bijgevolg moet de conclusie luiden dat in de bestreden beschikking over het algemeen onderbouwd is aangetoond dat verzoekster voor de inbreuk aansprakelijk was.
156 De door verzoekster aangevoerde argumenten kunnen aan deze conclusie niet afdoen.
157 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat verzoeksters alternatieve verklaringen steeds betrekking hebben op een specifieke technische bijeenkomst. Zij kunnen geen plausibele alternatieve verklaring vormen voor het geheel van bewijzen dat door de Commissie is verzameld en op basis waarvan zij heeft aangetoond dat sprake was van één enkele en voortdurende inbreuk.
158 In de tweede plaats heeft een groot deel van verzoeksters betoog betrekking op het beweerde ontbreken van een overeenkomst tot vaststelling van de prijzen van paraffinewas. Een dergelijk betoog is echter niet relevant.
159 Zoals volgt uit de hierboven in punt 96 aangehaalde rechtspraak, kan een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG immers worden geacht te zijn gesloten wanneer er wilsovereenstemming bestaat over het beginsel van de mededingingsbeperking, ook al wordt er nog onderhandeld over de specifieke aspecten van de beoogde beperking. Voor de doelstellingen van de toepassing van artikel 81 EG op het onderhavige geval, hoefde de Commissie dus niet aan te tonen dat de deelnemers ook daadwerkelijk overeenstemming over bepaalde prijsniveaus of specifieke en cijfermatige maatregelen tot prijsverhoging hadden bereikt. Het volstond om aan te tonen dat er deels overeenstemming tussen de deelnemers was met het doel om de prijzen vast te stellen of op elkaar af te stemmen. Verzoekster voert geen specifieke argument aan ter weerlegging van de verklaringen van Sasol, Repsol en Shell dat het doel van de technische bijeenkomsten de vaststelling van de prijzen was.
160 Vervolgens beschikt de Commissie over een geheel van onweerlegbare bewijzen waaruit blijkt dat de deelnemers langer dan 12 jaar, waaronder gedurende de periode van deelname van H&R ChemPharm, regelmatig tijdens technische bijeenkomsten informatie hebben uitgewisseld over hun prijzen en over de geplande prijsverhogingen. Verzoekster heeft evenwel geen coherente uitleg over die activiteiten gegeven die zou kunnen afdoen aan de aannemelijkheid van de stelling van de Commissie dat de bestaansreden voor deze gedragingen met name de vaststelling van de prijzen was. De lange periode waarin de mededingingsverstorende bijeenkomsten inzake de prijzen stelselmatig zijn gehouden, vormt op zichzelf juist een aanwijzing dat de deelnemers tot doel hadden hun prijsbeleid te harmoniseren door de marktrisico’s welbewust te vervangen door hun onderlinge samenwerking.
161 Bovendien staat artikel 81, lid 1, EG volgens de hierboven in punt 98 aangehaalde rechtspraak in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of zich heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken. In casu ontkent verzoekster noch de contacten noch de uitwisseling van gevoelige informatie tijdens de technische bijeenkomsten.
162 Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat verzoeksters argumenten in het algemeen niet kunnen afdoen aan de geldigheid van de beoordeling van de Commissie zoals die in de bestreden beschikking voorkomt. Hierna zal het Gerecht onderzoeken hoe de situatie was toen verzoekster aan het kartel is gaan deelnemen en zal het ook bepaalde specifieke technische bijeenkomsten onderzoeken om na te gaan of de Commissie heeft aangetoond dat verzoekster van het begin tot aan het einde van de jegens haar in aanmerking genomen inbreukperiode ook daadwerkelijk aan de inbreuk heeft deelgenomen en of de vaststelling juist is dat de betrokken technische bijeenkomsten betrekking hadden op het eerste deel van de inbreuk, dat verzoekster ten laste is gelegd.
– Begindatum van verzoeksters deelname aan de inbreuk
163 Om te beginnen moet een overzicht worden gegeven van de relevante gebeurtenissen die aan de indiensttreding van G. bij verzoekster, op 1 juli 2001, zijn voorafgegaan. Aan de hand van een dergelijk onderzoek kan worden nagegaan of G. wetenschap had van het eerste deel van de inbreuk (vaststelling van de prijzen en uitwisseling van gegevens over de prijzen van paraffinewas) en of de mededingingsverstorende afspraken over de prijzen vanaf die datum het concurrentiegedrag van H&R ChemPharm konden beïnvloeden.
164 In dat verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat Tudapetrol, de vennootschap die de paraffinewas van verzoekster tot 1 mei 2000 afzette, vanaf 24 maart 1994 aan het kartel had deelgenomen, waarbij zij op de technische bijeenkomsten werd vertegenwoordigd door haar werknemer W. De deelname van Tudapetrol aan het eerste deel van de inbreuk is goed gedocumenteerd en gedetailleerd onderzocht in het arrest dat is gewezen in de verwante zaak T‑550/08, Tudapetrol/Commissie.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex