Gerecht EU 21 januari 2026, T-93/24, ECLI:EU:T:2026:33
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
21 januari 2026 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markten voor bio-ethanol en ethanol – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – In de tijd gespreide ‚hybride’ procedure – Vermoeden van onschuld – Onpartijdigheid”
In zaak T‑93/24,
Lantmännen ek för, gevestigd te Stockholm (Zweden),
Lantmännen Biorefineries AB, gevestigd te Norrköping (Zweden),
vertegenwoordigd door R. Bachour, S. Perván Lindeborg, M. Nicolin, avocats, en A. Van Cauwelaert, solicitor,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Baumé en P. Berghe als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl, president, I. Nõmm, G. Steinfatt, D. Kukovec (rapporteur) en R. Meyer, rechters,
griffier: M. Zwozdziak-Carbonne, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 9 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vragen verzoeksters, Lantmännen ek för en Lantmännen Biorefineries AB, het Gerecht om nietigverklaring van besluit C(2023) 8320 final van de Europese Commissie van 7 december 2023 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.40054 – Ethanol Benchmarks) (hierna: „bestreden besluit”). In het bestreden besluit heeft de Commissie vastgesteld dat verzoeksters genoemde bepalingen hadden geschonden door deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk die tot doel had het mechanisme voor de vaststelling van de groothandelsprijzen op de Europese ethanolmarkt op gecoördineerde wijze te beïnvloeden. Dit besluit is vastgesteld in het kader van een in de tijd gespreide „hybride” procedure die bestond in de vaststelling, in eerste instantie, van een schikkingsbesluit en, in tweede instantie, van een besluit tot beëindiging van de gewone procedure.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Lantmännen ek för is de moedermaatschappij van Lantmännen Biorefineries, die zich bezighoudt met de productie en de verkoop van ethanol. Ethanol wordt geproduceerd hetzij door de synthese van water en ethyleen, hetzij op basis van regeneratieve grondstoffen zoals suiker, bepaalde granen, zetmeel of biomassahoudende cellulose. Ethanol wordt gebruikt als additief bij de productie van fossiele brandstoffen of als traditioneel ingrediënt bij de productie van dranken en de vervaardiging van farmaceutische, chemische en cosmetische producten.
3 Op 7 december 2015 heeft de Commissie een onderzoeksprocedure ingeleid met het oog op de vaststelling van een besluit op grond van hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1). Deze procedure had tot doel vast te stellen of verzoeksters, samen met Alcogroup SA, Alcodis SA (hierna samen: „Alcogroup”) en Abengoa, de berekening van de door S&P Global Platts opgestelde en gepubliceerde prijsbenchmarks op gecoördineerde wijze hebben gemanipuleerd.
4 In mei 2016 hebben verzoeksters, Abengoa en Alcogroup (hierna samen: „partijen bij het onderzoek”) belangstelling getoond om schikkingsgesprekken te voeren. De vergaderingen van de Commissie met de partijen bij het onderzoek, die erop gericht waren om een schikking te bereiken, vonden plaats tussen juni 2016 en juni 2017. Tijdens die vergaderingen heeft de Commissie de partijen bij het onderzoek in kennis gesteld van de punten van bezwaar die zij voornemens was tegen hen in te brengen en hun de voornaamste bewijzen in het dossier meegedeeld waarop zij voornemens was zich te baseren om die punten van bezwaar aan te tonen.
5 In juni 2017 heeft de Commissie de partijen bij het onderzoek in kennis gesteld van de bandbreedte van de mogelijke geldboeten in de zin van artikel 10 bis, lid 2, eerste alinea, onder d), van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18).
6 Abengoa en Alcogroup hebben geweigerd het maximumbedrag van de voorgenomen geldboete binnen de bandbreedte van de mogelijke geldboeten te aanvaarden. Bijgevolg is de gewone procedure ten aanzien van hen in april 2018 hervat.
7 Verzoeksters, die vooraf in kennis waren gesteld van de hervatting van de gewone procedure ten aanzien van Abengoa en Alcogroup, hebben in maart 2018 bevestigd dat zij bereid waren het maximumbedrag van de geldboete te aanvaarden en een formeel schikkingsverzoek in te dienen.
8 Op 16 juli 2018 hebben verzoeksters een schikkingsvoorstel ingediend bij de Commissie.
9 Op 24 juli 2018 heeft de Commissie in het kader van de gewone procedure een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die zij tot Abengoa en Alcogroup heeft gericht. Deze hebben hun opmerkingen over die mededeling ingediend en hebben dienaangaande in januari 2020 deelgenomen aan een hoorzitting.
10 Op 2 maart 2021 heeft de Commissie Abengoa en Alcogroup een letter of facts gestuurd ter staving van de punten van bezwaar die in de in punt 9 hierboven genoemde mededeling van 24 juli 2018 waren geformuleerd, en in juli 2021 heeft zij hun een brief ter aanvulling van die letter of facts doen toekomen.
11 Op 13 september 2021 heeft Abengoa te kennen gegeven dat zij met financiële moeilijkheden te kampen had en de Commissie laten weten dat zij interesse had om de schikkingsprocedure te hervatten om zekerheid te krijgen over de uitkomst van de procedure betreffende de haar verweten inbreuk en om de voor haar herstructurering noodzakelijke investeringen veilig te stellen.
12 In het kader daarvan heeft de Commissie Alcogroup in kennis gesteld van de hervatting van de schikkingsprocedure ten aanzien van Abengoa en heeft zij zowel Alcogroup als Abengoa verzocht om op hun beurt mee te delen of zij interesse hadden om de schikkingsprocedure te hervatten. Alleen Abengoa is ingegaan op het verzoek van de Commissie en heeft vervolgens op 28 oktober 2021 een schikkingsvoorstel ingediend.
13 Op 11 november 2021 heeft de Commissie in het kader van de schikkingsprocedure een tot verzoeksters en Abengoa gerichte mededeling van punten van bezwaar vastgesteld.
14 Op 25 november 2021 hebben verzoeksters de Commissie meegedeeld dat zij geen andere keuze hadden dan zich uit de schikkingsprocedure terug te trekken, aangezien de mededeling van punten van bezwaar van 11 november 2021 noch hun schikkingsvoorstel, noch de schikkingsgesprekken weerspiegelde. Bijgevolg zou voortaan alleen Abengoa aan de schikkingsprocedure deelnemen.
Schikkingsbesluit
15 Op 10 december 2021 heeft de Commissie besluit C(2021) 8913 final (hierna: „schikkingsbesluit”) vastgesteld, waarbij aan Abengoa, de enige adressaat van het schikkingsbesluit, een geldboete van 20 miljoen EUR is opgelegd wegens haar deelname aan een mededingingsregeling betreffende het mechanisme voor de vaststelling van de groothandelsprijzen op de Europese ethanolmarkt in de periode van 6 september 2011 tot en met 16 mei 2014.
16 In overweging 4 van het schikkingsbesluit verwijst de Commissie naar verzoeksters en Alcogroup met de uitdrukking „andere partijen bij het onderzoek”, en preciseert zij ten eerste dat dit besluit niet tot hen is gericht en ten tweede dat het schikkingsbesluit de aansprakelijkheid van de „andere partijen bij het onderzoek” voor hun deelname aan enige inbreuk niet vaststelt of tracht vast te stellen, zelfs niet voorlopig. Andere vermeldingen over het feit dat het schikkingsbesluit geen gevolgen heeft voor de kwalificatie van de gedragingen van de „andere partijen bij het onderzoek” en hun aansprakelijkheid dienaangaande, zijn opgenomen in de overwegingen 41 en 49 van dat besluit.
17 Verzoeksters worden afzonderlijk vermeld in de overwegingen 4, 13, 18, 24 en 40 van het schikkingsbesluit. Evenzo wordt in een aantal overwegingen van dit besluit verwezen naar de „andere partijen bij het onderzoek”, onder de kopjes betreffende de inleidende opmerkingen („1. Introduction”), de beschrijving van de administratieve procedure („3. Procedure”), de beschrijving van de inbreukmakende gedragingen („4. Description of the conduct”), de juridische beoordeling van die gedragingen („5. Legal assessment”) en de corrigerende maatregelen („8. Remedies”). Bovendien stelt de Commissie in artikel 1 van het dispositief van het schikkingsbesluit vast dat artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst zijn geschonden door Abengoa wegens regelmatig afgestemde gedragingen met „andere partijen bij het onderzoek”.
Hervatting van de gewone procedure ten aanzien van verzoeksters en beëindiging daarvan ten aanzien van Alcogroup
18 Bij brief van 28 februari 2022 heeft de Commissie verzoeksters in kennis gesteld van haar besluit om ten aanzien van hen de gewone procedure te hervatten.
19 Op 7 juli 2022 heeft de Commissie een aan Alcogroup en verzoeksters gerichte mededeling van punten van bezwaar vastgesteld.
20 Op 10 november 2022 hebben verzoeksters hun opmerkingen over de mededeling van punten van bezwaar van 7 juli 2022 ingediend. Alcogroup heeft op 3 november 2022 haar opmerkingen ingediend.
21 Op 20 april 2023 heeft de Commissie verzoeksters een brief gestuurd om hen ervan in kennis te stellen dat zij, na de uitwisseling van standpunten en rekening houdend met de opmerkingen over de mededeling van punten van bezwaar van 7 juli 2022, de mogelijkheid overwoog om de duur van de inbreuk in te korten, zodat de einddatum zou worden vastgesteld op 25 maart 2014 in plaats van 16 mei 2014, zoals aanvankelijk was vermeld in de mededeling van punten van bezwaar. Aangezien een dergelijke inkorting een zekere invloed had op de berekening van het bedrag van de geldboete, heeft de Commissie verzoeksters meegedeeld dat zij binnen een termijn van vijf dagen hun opmerkingen dienaangaande konden indienen.
22 Op 20 april 2023 heeft de Commissie verzoeksters ook een verzoek om inlichtingen inzake informatie over de waarde van hun verkopen tijdens de inbreukperiode en gegevens betreffende hun omzet in 2022 toegezonden. Verzoeksters hebben op 27 april 2023 geantwoord op dat verzoek om inlichtingen.
23 In een brief van 2 mei 2023 heeft de Commissie verzoeksters erop gewezen dat zij het tegen Alcogroup verzamelde bewijs met betrekking tot haar aansprakelijkheid voor de inbreuk ontoereikend achtte voor de gehele periode waarop de mededeling van punten van bezwaar van 7 juli 2022 betrekking had (zie punt 19 hierboven).
24 Op 4 mei 2023 hebben verzoeksters hun opmerkingen ingediend over de mogelijkheid om de duur van de inbreuk in te korten en over de gevolgen daarvan voor de berekening van het bedrag van de geldboete (zie punt 21 hierboven).
25 Aangezien de termijn voor het indienen van opmerkingen op de in punt 23 hierboven genoemde brief van 2 mei 2023 was verstreken, heeft de Commissie op 23 mei 2023 besluit C(2023) 3486 final vastgesteld, waarbij de gewone procedure ten aanzien van Alcogroup werd beëindigd.
26 Bij brief van 12 juni 2023 heeft de Commissie verzoeksters meegedeeld hoe zij de waarde van de verkopen wilde berekenen voor de vaststelling van een eventuele geldboete. Verzoeksters hebben daaromtrent geen opmerkingen gemaakt.
Bestreden besluit
27 Op 7 december 2023 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, waarin is bepaald dat verzoeksters, de enige adressaten van dat besluit, inbreuk hadden gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst door deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk met de bedoeling om het mechanisme voor de vaststelling van de groothandelsprijzen op de Europese ethanolmarkt op gecoördineerde wijze te beïnvloeden. De Commissie heeft verzoeksters een geldboete van 47,718 miljoen EUR opgelegd.
Beschrijving in het bestreden besluit van de vaststelling van de prijzen op de Europese ethanolmarkt
28 Het product waarop de in het bestreden besluit bedoelde inbreuk betrekking heeft, is ethanol. Vermengd met benzine wordt ethanol gebruikt bij de productie van biobrandstoffen (in het Engels bekend als „fuel-grade ethanol”).
29 Volgens het bestreden besluit worden de overeenkomsten voor de verkoop van ethanol op de Europese markt ofwel op lange termijn ofwel op de „spotmarkt” gesloten. Een aanzienlijk aantal overeenkomsten voor de verkoop van ethanol in de Europese Unie wordt gesloten op basis van bilaterale langetermijnovereenkomsten en via aanbestedingsprocedures. De in deze overeenkomsten vastgestelde prijs bestaat vaak uit een vast en een variabel deel, waarbij voor het variabele deel in het algemeen de door S&P Global Platts gepubliceerde indexen als referentie worden gebruikt.
30 Transacties op de „spotmarkt” (in het Engels vaak „spot trades” genoemd) zijn bestemd voor onmiddellijke levering op een bepaalde datum („spot date”). De belangrijkste „spotmarkt” voor ethanol in de Europese Economische Ruimte (EER) tijdens de referentieperiode was die van de „barges Amsterdam-Rotterdam-Antwerpen” (hierna: „zone Rotterdam”), waarbij de activiteit van deze markt door S&P Global Platts in aanmerking is genomen voor de opstelling van haar prijsbenchmarks.
31 S&P Global, een Amerikaanse onderneming met zetel te Londen (Verenigd Koninkrijk), was tijdens de referentieperiode georganiseerd in verschillende afdelingen, waaronder S&P Global Platts, de belangrijkste prijsreferentie-instantie voor de ethanolmarkt. Tijdens de referentieperiode is in 90 % van de bilaterale overeenkomsten voor de verkoop van ethanol namelijk gebruikgemaakt van de door S&P Global Platts gepubliceerde indexen.
32 S&P Global Platts verstrekt het publiek prijsbenchmarks over de Europese ethanolmarkt (Platts ethanol benchmarks), die de prijzen van transacties in het gebied van Rotterdam dienen weer te geven. S&P Global Platts maakt daarvoor gebruik van een methode waarbij benchmarks worden uitgewerkt. Deze methode wordt „Market-on-Close” (hierna: „MOC-methode”) genoemd.
33 De MOC-methode is gebaseerd op bij de deelnemers verzamelde informatie, waaronder alle aanbiedingen en biedingen, handelsintenties en de bevestigde transacties die overdag vrijwillig worden meegedeeld, en met name van 16.00 tot 16.30 uur (plaatselijke tijd Londen), bekend als het „MOC-venster” (MOC window).
34 S&P Global Platts integreert weliswaar informatie uit verschillende bronnen bij de ontwikkeling van haar prijsbenchmarks voor ethanol, maar geeft voorrang aan de informatie die is verkregen tijdens het „MOC-venster”.
35 Aangezien de prijsindexcijfers voor ethanol vaak worden gebruikt als referentie in de langlopende overeenkomsten voor de verkoop van ethanol, kan volgens de Commissie een – zelfs minimale – verstoring in de voor de opstelling van die indexcijfers meegedeelde prijzen aanzienlijke gevolgen hebben voor de marktprijs van ethanol en dus voor de inkomsten van de ondernemingen die partij zijn bij dergelijke langlopende overeenkomsten.
In het bestreden besluit aan verzoeksters verweten gedragingen
36 In het bestreden besluit wordt vastgesteld dat verzoeksters Abengoa en Alcogroup overeenkomsten hebben gesloten of hun feitelijke gedragingen onderling hebben afgestemd teneinde het niveau van de door S&P Global Platts gepubliceerde benchmarks voor ethanol op kunstmatige wijze te verhogen, te handhaven of te verhinderen.
37 Volgens de analyse van de Commissie is de inbreukmakende gedraging tweeledig. Ten eerste hebben verzoeksters hun onderhandelingsgedrag vóór, tijdens en na het „MOC-venster” gecoördineerd met Abengoa en Alcogroup. Ten tweede hebben verzoeksters afspraken met Abengoa en Alcogroup gemaakt om het voor de onderhandelingen in het „MOC-venster” potentieel beschikbare aanbod van fysieke ethanol in de zone Rotterdam te beperken. Voor de tenuitvoerlegging van de inbreukmakende gedraging hebben verzoeksters regelmatig commercieel gevoelige informatie uitgewisseld met Abengoa en Alcogroup.
38 De Commissie is tot de slotsom gekomen dat de in punt 37 hierboven beschreven gecoördineerde gedraging tot doel had – en geschikt was – om te leiden tot een verhoging van de prijzen van de verkoop van ethanol door verzoeksters Abengoa en Alcogroup in het kader van de met hun klanten gesloten overeenkomsten voor de levering van ethanol waarbij deze overeenkomsten door S&P Global Platts als ijkpunten waren genomen voor de door hen gepubliceerde indexcijfers.
Conclusies van partijen
39 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit geheel of ten dele nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
40 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
41 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters twee middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van hun recht om zich te beroepen op het vermoeden van onschuld, en het tweede aan schending door de Commissie van het uit het beginsel van behoorlijk bestuur voortvloeiende vereiste van onpartijdigheid.
Eerste middel: schending van het recht van verzoeksters om zich te beroepen op het vermoeden van onschuld
42 Ter ondersteuning van het eerste middel betogen verzoeksters dat de Commissie hun recht van inroeping van het vermoeden van onschuld heeft geschonden door gebruik te maken van een in de tijd gespreide „hybride” procedure terwijl er slechts één schikkende partij was, en door de vaststelling van het schikkingsbesluit ten aanzien van Abengoa. De tegen hen ingebrachte beschuldigingen en uiteindelijk ook het bestreden besluit zijn inherent ongeldig.
43 De schending van het vermoeden van onschuld van verzoeksters heeft ermee te maken dat de Commissie twee belangrijke, ernstige en onherstelbare fouten heeft gemaakt, die de nietigverklaring van het bestreden besluit rechtvaardigen.
44 Ten eerste heeft de Commissie er ten onrechte voor gekozen om gebruik te maken van een in de tijd gespreide „hybride” procedure met één enkele bij de schikking betrokken onderneming (eerste en derde onderdeel van het eerste middel). In dit verband merken verzoeksters op dat de Commissie het schikkingsbesluit ten aanzien van Abengoa niet vóór het einde van de gewone procedure kon vaststellen zonder afbreuk te doen aan hun recht op het vermoeden van onschuld.
45 Ten tweede zijn verzoeksters van mening dat de Commissie bij het opstellen van het schikkingsbesluit inbreuk heeft gemaakt op hun recht op het vermoeden van onschuld, aangezien dit besluit duidelijke en ondubbelzinnige toespelingen bevat over de deelname van de „andere partijen bij het onderzoek” die geen schikking hebben gesloten aan de inbreukmakende gedraging waarop dat besluit ziet, alsook over hun aansprakelijkheid voor die gedraging, terwijl die toespelingen niet noodzakelijk waren om de aansprakelijkheid van Abengoa vast te stellen (tweede onderdeel van het eerste middel).
Eerste en derde onderdeel van het eerste middel: gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure
46 In het kader van het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, betogen verzoeksters ten eerste dat hun recht op het vermoeden van onschuld is geschonden doordat een in de tijd gespreide „hybride” procedure is toegepast, terwijl alleen Abengoa aan de schikkingsprocedure heeft deelgenomen, en ten tweede dat in de omstandigheden van het onderhavige geval geen enkele toelaatbare rechtvaardiging is gegeven voor het gebruik van een dergelijke procedure.
47 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
48 In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat het betoog van verzoeksters berust op het postulaat dat de gebruikmaking van een in de tijd gespreide „hybride” procedure met één enkele onderneming die aan de schikkingsprocedure deelneemt, een schending van het vermoeden van onschuld kan opleveren, los van een concrete analyse van het schikkingsbesluit. Een dergelijk postulaat is echter in het licht van de rechtspraak onjuist.
49 Ten eerste moet worden opgemerkt dat artikel 10bis van verordening nr. 773/2004 zich noch ertegen verzet noch uitsluit dat de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 101 VWEU een „hybride” procedure volgt (zie in die zin arrest van 2 februari 2022, Scania e.a./Commissie, T‑799/17, EU:T:2022:48, punten 98 en 99).
50 De Commissie heeft immers het recht om een „hybride” benadering te volgen en een schikkingsprocedure in te leiden ten aanzien van de ondernemingen die verklaringen met het oog op een schikking indienen, terwijl zij ten aanzien van de ondernemingen die geen schikking wensen de procedure voortzet die wordt beheerst door de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004, veeleer dan door de op de schikkingsprocedure toepasselijke bepalingen (zie in die zin arrest van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punten 70, 71 en 104).
51 De Unierechter heeft geoordeeld dat de Commissie over de mogelijkheid beschikt om in een eerste fase een schikkingsbesluit vast te stellen ten aanzien van de partijen die hebben besloten te schikken, en in een tweede fase een besluit volgens de gewone procedure ten aanzien van de partijen die hebben besloten niet te schikken, op voorwaarde evenwel dat zij in het kader van de vaststelling van het schikkingsbesluit het beginsel van het vermoeden van onschuld eerbiedigt ten aanzien van de partijen die niet schikken (zie in die zin arresten van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punten 64 en 65, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punten 88 en 89).
52 In deze context beschikt de Commissie over een ruime beoordelingsmarge om te bepalen welke zaken in aanmerking kunnen komen om te peilen of de partijen belangstelling hebben om schikkingsgesprekken te gaan voeren, alsmede om dit soort gesprekken te gaan voeren, stop te zetten of tot een definitieve schikking te komen, zoals blijkt uit overweging 4 van verordening (EG) nr. 622/2008 van de Commissie van 30 juni 2008 tot wijziging van verordening (EG) nr. 773/2004, wat betreft schikkingen in kartelzaken (PB 2008, L 171, blz. 3) (zie in die zin arrest van 29 februari 2016, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑267/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:110, punt 417).
53 Daarenboven kan het objectief noodzakelijk zijn dat de Commissie in het besluit tot beëindiging van de schikkingsprocedure ingaat op bepaalde feiten en gedragingen die betrekking hebben op deelnemers aan de vermeende mededingingsregeling tegen wie de gewone procedure is ingeleid (arresten van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 65, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 89). In dit verband kan geen van de toespelingen naar de niet-schikkende partijen definitief zijn wat hun deelname aan de betrokken gedraging betreft.
54 Ten tweede is in het bijzonder het vermoeden van onschuld een algemeen beginsel van het Unierecht, dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) (arresten van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 72, en van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 60). Artikel 48 van het Handvest komt overeen met artikel 6, leden 2 en 3, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals blijkt uit de toelichtingen bij die bepaling van het Handvest. Derhalve dient overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest bij de uitlegging van artikel 48 van het Handvest rekening te worden gehouden met artikel 6, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens als minimumbeschermingsniveau [arresten van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld),C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 41, en van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 61].
55 In die omstandigheden wordt het beginsel van het vermoeden van onschuld geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat dat de betrokkene het strafbare feit in kwestie heeft gepleegd, terwijl hij niet definitief is veroordeeld. In deze context moet de aandacht worden gevestigd op het belang van de keuze van de bewoordingen die de gerechtelijke autoriteiten gebruiken, alsmede van de bijzondere omstandigheden waarin zij worden geformuleerd, en de aard en de context van de betrokken procedure [zie in die zin arresten van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld),C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 43; 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, § 63].
56 Ten derde kan het bestaan van een eventuele schending van het recht op het vermoeden van onschuld van verzoeksters bijgevolg slechts worden beoordeeld in het licht van een concrete analyse van het schikkingsbesluit en van de daarin verrichte beoordelingen. De kritiek op het gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure wanneer er slechts één enkele schikkende partij is, kan op zich dus niet aantonen dat er sprake is van een dergelijke schending.
57 Wat meer in het bijzonder de kritiek betreft dat de procedurele keuze van de Commissie intrinsiek impliceerde dat werd vastgesteld dat verzoeksters aan de betrokken inbreuk hadden deelgenomen en dat zij schuldig waren aan het gedrag waarop het schikkingsbesluit ziet, dient er bovendien aan te worden herinnerd dat uit de rechtspraak inzake complexe strafprocedures, die mutatis mutandis van toepassing is op het onderhavige geval (zie in die zin arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 64), blijkt dat de vaststelling van een schikkingsbesluit ten aanzien van één enkele vervolgde persoon, terwijl de gedraging waarop dat besluit betrekking heeft collectieve deelname veronderstelt, op zich geen schending inhoudt van het recht op het vermoeden van onschuld van andere personen die geen schikking hebben getroffen [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld),C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 45, en beschikking van 28 mei 2020, UL en VM, C‑709/18, niet gepubliceerd, EU:C:2020:411, punt 35].
58 In dit verband betogen verzoeksters ten onrechte dat het schikkingsbesluit de Commissie in wezen verplichtte om een besluit vast te stellen na afloop van de gewone procedure. De schikkingsprocedure is namelijk een administratieve procedure die een alternatief vormt voor de gewone procedure en daarvan verschilt doordat zij een aantal bijzonderheden vertoont. In het kader van de schikkingsprocedure wordt, indien de betrokken onderneming geen verklaring met het oog op een schikking aflegt, de procedure die tot het eindbesluit leidt geregeld door de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004 en niet door die inzake de schikkingsprocedure. Wat daarentegen de gewone procedure betreft, waarin de aansprakelijkheden nog moeten worden vastgesteld, is de Commissie alleen gebonden door de mededeling van punten van bezwaar en is zij verplicht om rekening te houden met de haar in deze procedure ter kennis gebrachte nieuwe elementen (zie in die zin arresten van 12 januari 2017, Timab Industries en CFPR/Commissie, C‑411/15 P, EU:C:2017:11, punt 136, en 1 februari 2024, Scania e.a./Commissie, C‑251/22 P, EU:C:2024:103, punt 75).
59 Anders dan verzoeksters stellen, heeft de vaststelling van het schikkingsbesluit op zich dus geen rechtsgevolgen die invloed hebben op de besluiten die later in het kader van de gewone procedure worden genomen ten aanzien van een partij die geen schikking heeft getroffen.
60 Bijgevolg was de vaststelling van het schikkingsbesluit niet bepalend voor de uitkomst van de gewone procedure, zoals blijkt uit het ten aanzien van Alcogroup vastgestelde besluit, waarin de Commissie uiteindelijk tot de slotsom is gekomen dat de in het dossier opgenomen bewijselementen niet voldoende bewijskrachtig waren om de conclusie te staven dat Alcogroup na 14 maart 2013 had deelgenomen aan de inbreuk, met als gevolg dat de Commissie haar geen geldboete kon opleggen. Op dit punt moet worden benadrukt dat niets de Commissie belette om ten aanzien van verzoeksters een soortgelijk besluit als dat betreffende Alcogroup vast te stellen na onderzoek van de in het dossier opgenomen bewijselementen in het kader van de gewone procedure, zelfs nadat de gewone procedure ten aanzien van Alcogroup was beëindigd.
61 Waar verzoeksters in de tweede plaats aanvoeren dat de Commissie het gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure niet heeft gerechtvaardigd, kan geen van de andere argumenten van verzoeksters slagen.
62 Ten eerste impliceert het arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670), anders dan verzoeksters stellen, niet dat de Commissie moet aantonen dat het gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure „dwingend” is, hetgeen volgens verzoeksters in casu niet het geval was.
63 Het is juist dat de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670) mutatis mutandis relevant is wanneer de Commissie ten aanzien van een en dezelfde mededingingsregeling achtereenvolgens twee besluiten jegens verschillende adressaten vaststelt na twee afzonderlijke procedures, te weten enerzijds een na afloop van een schikkingsprocedure genomen besluit dat gericht is tot de ondernemingen die tot een schikking zijn gekomen, en anderzijds een na afloop van een gewone procedure genomen besluit dat gericht is tot de overige ondernemingen die hebben deelgenomen aan de mededingingsregeling (zie punt 57 hierboven).
64 De in dat arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld) (C‑377/18, EU:C:2019:670), ontwikkelde rechtspraak kan echter niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie in elk concreet geval moet bewijzen dat het gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure „dwingend” is. De Commissie wordt immers geacht gebruik te maken van haar beoordelingsmarge om na te gaan of het gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure haar in staat stelt de zaak sneller en doeltreffender te behandelen met de ondernemingen die ervoor hebben gekozen om te schikken, met inachtneming van de door de toepasselijke regels gestelde grenzen, waaronder het recht op het vermoeden van onschuld van de ondernemingen die geen schikking hebben getroffen (zie punten 51 tot en met 53 hierboven).
65 Ten tweede tonen verzoeksters niet aan in welk opzicht de redenen die in casu het gebruik van in de tijd gespreide „hybride” procedure hebben gerechtvaardigd, zoals vermeld in de overwegingen 428 tot en met 448 van het bestreden besluit, inbreuk maken op hun recht op het vermoeden van onschuld.
66 Volgens het bestreden besluit namen verzoeksters op het tijdstip waarop Abengoa besloot om opnieuw deel te nemen aan de schikkingsprocedure nog steeds deel aan die procedure, zodat de mogelijkheid bestond om deze procedure af te ronden ten aanzien van de meerderheid van de partijen tegen wie het onderzoek liep (overweging 441 van het bestreden besluit).
67 Door een schikkingsbesluit vast te stellen waarbij ook Abengoa was betrokken, kon bovendien de gehele periode van de inbreuk worden bestreken, wat voor de Commissie duidelijke voordelen had ten opzichte van het nemen van een schikkingsbesluit dat uitsluitend tot verzoeksters was gericht (overweging 442 van het bestreden besluit).
68 Volgens overweging 443 van het bestreden besluit was de door de Commissie beoogde aanpak toen erop gericht de administratieve procedure zo snel mogelijk af te ronden, door zich eerst te concentreren op de schikkingsprocedure, en vervolgens haar middelen te mobiliseren om het besluit tot beëindiging van de gewone procedure vast te stellen, waarvan een betwisting door Alcogroup als te verwachten werd beschouwd.
69 Wat betreft het risico dat verzoeksters zouden worden geconfronteerd met schadevorderingen van derden als gevolg van de in de tijd gespreide vaststelling van het schikkingsbesluit en het besluit tot beëindiging van de gewone procedure, voert de Commissie aan dat het de bedoeling was dat het schikkingsbesluit beknopt zou zijn en alleen in een niet-vertrouwelijke versie zou worden gepubliceerd, waardoor dat risico aanzienlijk zou worden verminderd (overweging 444 van het bestreden besluit).
70 Zoals blijkt uit overweging 445 van het bestreden besluit, zijn de voordelen van de door de Commissie overwogen aanpak vooraf besproken met verzoeksters, hetgeen zij niet betwisten.
71 Bovendien was het volgens overweging 447 van het bestreden besluit om redenen van efficiëntie gerechtvaardigd om een schikkingsbesluit met als enige adressaat Abengoa vast te stellen. Ook al heeft deze de schikkingsprocedure in een laat stadium hervat, de vaststelling van dat besluit heeft aanzienlijke efficiëntiewinst opgeleverd. Zo was het mogelijk om een veel beknopter schikkingsbesluit op te stellen dan het besluit in de gewone procedure en kon het risico dat Abengoa het schikkingsbesluit zou betwisten worden beperkt.
72 Gelet op de inhoud ervan kan uit geen enkele van de bovengenoemde overwegingen van het bestreden besluit worden afgeleid dat de Commissie het recht op het vermoeden van onschuld van verzoeksters heeft geschonden toen zij besloot om gebruik te maken van een in de tijd gespreide „hybride” procedure.
73 Hoe dan ook zou het uitstellen of beëindigen van een schikkingsprocedure op grond dat een van de betrokken ondernemingen heeft besloten niet aan schikkingsgesprekken deel te nemen, indruisen tegen het doel van de schikkingsprocedure, zoals uiteengezet in overweging 4 van verordening nr. 622/2008, namelijk ervoor zorgen dat de zaak sneller en doeltreffender wordt afgehandeld met de ondernemingen die hebben gekozen voor een schikking (zie in die zin arrest van 2 februari 2022, Scania e.a./Commissie, T‑799/17, EU:T:2022:48, punt 102).
74 Ten derde is het argument inzake de schending van het temporele beding dat de Commissie en verzoeksters in het kader van de schikkingsprocedure waren overeengekomen en volgens hetwelk de eindbesluiten van de schikkingsprocedure en de gewone procedure „min of meer op dezelfde datum” moesten worden vastgesteld, slechts een door verzoeksters aangevoerd contextueel element dat niet ter zake dienend blijkt te zijn in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
75 Uit de schriftelijke antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang blijkt namelijk dat verzoeksters zich noch beroepen op schending van een van de regels inzake de schikkingsprocedure, noch op de onwettigheid van dergelijke regels wegens de niet-naleving door de Commissie van het temporele beding.
76 Hetzelfde geldt voor de niet-naleving van het omgekeerde herzieningsbeding, volgens hetwelk de schikking afhankelijk is van de voorwaarde dat de Commissie ten aanzien van de deelnemers aan de gewone procedure geen gunstiger besluit vaststelt dan het schikkingsbesluit.
77 Zoals de Commissie opmerkt, zonder dat verzoeksters dit betwisten, hernam de mededeling van punten van bezwaar van 11 november 2021 in verband met de schikking hoe dan ook het schikkingsvoorstel van verzoeksters wat betreft het voorwerp van de inbreuk, de uitvoering ervan, de voornaamste feiten en de juridische kwalificatie ervan, waaronder de rol van verzoeksters en de duur van hun deelname aan de inbreuk. De mededeling van punten van bezwaar weerspiegelde aldus de inhoud van het schikkingsvoorstel wat betreft de elementen die worden genoemd in punt 20, a), van de mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad in kartelzaken (PB 2008, C 167, blz. 1). Verplichtingen zoals het temporele beding en het omgekeerde herzieningsbeding behoren niet tot die elementen.
78 Overeenkomstig punt 22 van de mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures was de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie dus een bevestiging van het schikkingsvoorstel van verzoeksters.
79 Gelet op het voorgaande kan uit geen van de door verzoeksters in het kader van het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel aangevoerde argumenten worden afgeleid dat de Commissie hun recht op het vermoeden van onschuld heeft geschonden, zodat deze onderdelen moeten worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het eerste middel: de opstelling van het schikkingsbesluit
80 Volgens verzoeksters heeft de Commissie hun recht op het vermoeden van onschuld geschonden bij de vaststelling van het schikkingsbesluit, omdat het duidelijke en ondubbelzinnige toespelingen bevat met betrekking tot de deelname aan de betrokken inbreuk en de gestelde aansprakelijkheid van de ondernemingen die geen schikking hebben getroffen, zonder dat dergelijke vermeldingen noodzakelijk waren om Abengoa aansprakelijk te stellen.
81 Ten eerste bevat het schikkingsbesluit volgens verzoeksters een voorbarig oordeel, aangezien daarin is vermeld dat verzoeksters behoren tot de ondernemingen die „andere partijen bij het onderzoek” worden genoemd en die in artikel 1 van het dispositief van dat besluit aansprakelijk worden gesteld, en dit besluit verwijst naar hun gedrag, ook in het kader van de juridische beoordeling. Omdat het onderzoek tegen Alcogroup later werd stopgezet, werd bovendien de indruk versterkt dat uit het schikkingsbesluit een gezamenlijke verantwoordelijkheid van verzoeksters en Abengoa naar voren kwam. Ten slotte volstaan de afwijzingen van aansprakelijkheid niet om deze toespelingen terzijde te schuiven.
82 Ten tweede wijkt de door de Commissie gevolgde benadering af van haar eerdere praktijken in „hybride” procedures.
83 Ten derde gaan de vermeldingen in het schikkingsbesluit verder dan het Hof noodzakelijk heeft geacht om de aansprakelijkheid van partijen bij de schikking tot uitdrukking te brengen en te classificeren.
84 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
85 Zoals blijkt uit de in punt 55 hierboven aangehaalde rechtspraak, wordt het vermoeden van onschuld geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat dat de betrokkene het strafbare feit in kwestie heeft gepleegd, terwijl hij niet definitief is veroordeeld, vanwaar het belang van de door de betrokken autoriteiten gekozen bewoordingen en van de bijzondere omstandigheden waarin zij worden gebezigd, alsmede van de aard en de context van de betreffende procedure.
86 In complexe strafrechtelijke procedures met meerdere verdachten die niet samen kunnen worden berecht, is reeds aanvaard dat de bevoegde rechter voor de beoordeling van de schuld van de verdachten noodzakelijk gewag maakt van de deelname van derden, die mogelijkerwijs vervolgens afzonderlijk zullen worden berecht. Indien melding moet worden gemaakt van feiten met betrekking tot de betrokkenheid van derden, moet de betrokken rechterlijke instantie evenwel vermijden meer informatie te verstrekken dan noodzakelijk is voor het onderzoek van de juridische aansprakelijkheid van de personen die voor haar terechtstaan. Bovendien moet de motivering van rechterlijke beslissingen worden geformuleerd in bewoordingen die kunnen voorkomen dat over de schuld van de betrokken derden een mogelijkerwijs voorbarig oordeel wordt geveld, wat het billijke onderzoek van de tegen hen in aanmerking genomen tenlasteleggingen in het kader van een afzonderlijke procedure in het gedrang zou kunnen brengen [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld),C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 44; 18 maart 2021, Pometon/Commissie,C‑440/19 P, EU:C:2021:214, § 63, en EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, §§ 64 en 65].
87 Zoals in punt 57 hierboven is opgemerkt, is het vermoeden van onschuld eveneens van toepassing wanneer de Commissie ten aanzien van een en dezelfde mededingingsregeling achtereenvolgens twee besluiten jegens verschillende adressaten vaststelt na twee afzonderlijke procedures, te weten enerzijds een besluit dat wordt genomen na afloop van een schikkingsprocedure en dat gericht is tot de ondernemingen die tot een schikking zijn gekomen, en anderzijds een besluit dat wordt genomen na afloop van een gewone procedure en dat gericht is tot de overige ondernemingen die hebben deelgenomen aan de betreffende mededingingsregeling (arresten van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 64, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 88).
88 In dit kader moet de Commissie voldoen aan de in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde verplichting tot motivering van rechtshandelingen, waarvan de inhoud de betrokkenen in staat moet stellen de redenen waarop het besluit gebaseerd is te kennen en de rechterlijke instantie voldoende gegevens moet verschaffen om in een beroep zijn toezicht uit te oefenen (zie naar analogie arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C‑58/12 P, EU:C:2013:770, punt 37).
89 Zoals in punt 53 hierboven in herinnering is gebracht, kan het objectief noodzakelijk zijn dat de Commissie in het besluit tot beëindiging van de schikkingsprocedure ingaat op bepaalde feiten en gedragingen die betrekking hebben op deelnemers aan de vermeende mededingingsregeling tegen wie de gewone procedure is ingeleid. De toespelingen naar de niet-schikkende partijen kunnen echter niet definitief zijn wat hun deelname aan de betrokken gedraging betreft.
90 Het staat aan de Commissie om er in het besluit tot beëindiging van de schikkingsprocedure op toe te zien dat het recht op het vermoeden van onschuld wordt geëerbiedigd ten aanzien van de ondernemingen die een schikking hebben geweigerd en tegen wie een gewone procedure loopt. Wanneer de Commissie het recht op het vermoeden van onschuld van de niet-schikkende ondernemingen schendt, waardoor de grondrechten van de betrokken ondernemingen zouden worden geschonden, is er namelijk sprake van een voldoende ernstige schending die de gehele procedure die tot de vaststelling van het litigieuze besluit heeft geleid, ongeldig kan maken (arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 95).
91 Teneinde te verifiëren of de Commissie het recht op het vermoeden van onschuld in acht heeft genomen, staat het aan de Unierechter om het besluit tot beëindiging van de schikkingsprocedure en de motivering ervan steeds in hun geheel te onderzoeken in het licht van de bijzondere omstandigheden waarin zij tot stand zijn gekomen. Elke in bepaalde passages van dit besluit vervatte uitdrukkelijke verwijzing naar het ontbreken van aansprakelijkheid van de overige deelnemers aan de vermeende mededingingsregeling zou immers nutteloos zijn indien andere passages van dat besluit konden worden opgevat als een voorbarige uitdrukking van hun aansprakelijkheid (arresten van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 66, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 90).
92 Bijgevolg moet worden nagegaan of de Commissie haar woorden in het schikkingsbesluit voldoende voorzichtig heeft gekozen om te voorkomen dat een voorbarig oordeel wordt geveld over de deelname van verzoeksters aan de mededingingsregeling, en of de verwijzingen naar deze vennootschappen in dat besluit noodzakelijk waren (zie in die zin arresten van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 68, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 219).
93 In casu blijkt uit de schriftelijke antwoorden van verzoeksters op de maatregelen tot organisatie van de procesgang die het Gerecht hun heeft toegezonden dat zij niet betwisten dat de Commissie in het schikkingsbesluit haar woorden zorgvuldig heeft gekozen, maar dat die zorgvuldigheid niettemin ontoereikend was.
94 In dit verband moet worden vastgesteld dat de Commissie in overweging 4 van het schikkingsbesluit heeft bepaald dat de woorden „andere partijen bij het onderzoek” worden gebruikt om gezamenlijk te verwijzen naar verzoeksters en Alcogroup. Vervolgens heeft de Commissie gepreciseerd dat de „andere partijen bij het onderzoek” niet de adressaten waren van het schikkingsbesluit, en dat dit besluit niet trachtte, zelfs niet bij wijze van voorlopige vaststelling, om hun aansprakelijkheid vast te stellen wegens hun deelname aan een of andere inbreuk. In deze overweging wordt ook aangegeven dat de beschrijving van het gedrag waarbij de „andere partijen bij het onderzoek” betrokken waren, slechts is gebruikt voor zover dat nodig was om de aansprakelijkheid van Abengoa vast te stellen.
95 In de overwegingen 41 en 49 van dat besluit zijn andere soortgelijke uitdrukkingen opgenomen betreffende de „andere partijen bij het onderzoek” en over het feit dat zij niet aansprakelijk werden door de vaststelling van het schikkingsbesluit.
96 Met de verwijzingen in de punten 94 en 95 hierboven, heeft de Commissie onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat zij geen uitspraak hoefde te doen over de aansprakelijkheid van de „andere partijen bij het onderzoek”, zodat moet worden vastgesteld dat de woorden in het besluit ten aanzien van verzoeksters voldoende zorgvuldig zijn gekozen.
97 Evenwel moet ook worden nagegaan of andere passages van het schikkingsbesluit kunnen worden opgevat als een voorbarige verklaring van aansprakelijkheid van verzoeksters, waardoor de zorgvuldige bewoordingen van de Commissie hun doeltreffendheid zouden kunnen verliezen in de zin van de in punt 91 hierboven aangehaalde rechtspraak.
98 Volgens de punten 60 tot en met 63 van het verzoekschrift zijn de verwijzingen naar de „andere partijen bij het onderzoek”, die zouden wijzen op een schending van het recht van verzoeksters op het vermoeden van onschuld, met name te vinden in de overwegingen 33, 35, 46, 47, 53 tot en met 55 en 60 van het schikkingsbesluit en in artikel 1 van het dispositief ervan.
99 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de verwijzingen naar de „andere partijen bij het onderzoek” in de rubrieken betreffende de beschrijving van het inbreukmakende gedrag van Abengoa, waaronder de verwijzingen die zijn opgenomen in de overwegingen 33 en 35 van het schikkingsbesluit, overeenkomstig het doel ervan uitsluitend de gedraging beschrijven waarop het schikkingsbesluit ziet wat Abengoa betreft.
100 Bovendien houdt geen van de in punt 99 hierboven aangehaalde verwijzingen expliciet of impliciet een juridische kwalificatie in van het gedrag van verzoeksters, zodat zij verenigbaar kunnen worden geacht met de in punt 91 hierboven aangehaalde rechtspraak.
101 In de tweede plaats moeten de verwijzingen in het onderdeel betreffende de juridische beoordeling van het gedrag van Abengoa („Legal assessment”) worden onderzocht, meer bepaald de verwijzingen in de overwegingen 46, 47, 53 tot en met 55 en 60 van het schikkingsbesluit. Deze toespelingen zijn te vinden in de delen van het besluit die betrekking hebben op de toepassing, in het onderhavige geval, van de beginselen van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (punt 5.1.2, overwegingen 46 en 47 van het schikkingsbesluit), van de beginselen inzake het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk (punt 5.2.2, overwegingen 53 tot en met 55 van het schikkingsbesluit) en van de beginselen inzake de beperking van de mededinging (punt 5.3.2, overweging 60 van het schikkingsbesluit).
102 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat, zoals in punt 57 hierboven is vastgesteld, het gebruik van een in de tijd gespreide „hybride” procedure met één enkele onderneming die aan de schikkingsprocedure deelneemt, niet tot de conclusie moet leiden dat verzoeksters de in het schikkingsbesluit bedoelde inbreuk hebben gepleegd.
103 Zoals blijkt uit de in de punten 86, 87 en 89 hierboven aangehaalde rechtspraak zijn de vermeldingen van de ondernemingen die geen schikking hebben getroffen, op zich overigens niet problematisch en kunnen ze objectief gezien noodzakelijk blijken om de deelneming van de schikkende onderneming aan de mededingingsregeling te beschrijven en te kwalificeren, mits zij geen voortijdige toerekening van aansprakelijkheid voor de deelnemers aan de gewone procedure met zich meebrengen.
104 In dit verband bevestigt het feit dat de Commissie met de woorden „andere partijen bij het onderzoek” naar verzoeksters en Alcogroup verwijst, dat zij hun aansprakelijkheid voor de gedraging waarop het schikkingsbesluit betrekking heeft, niet wilde kwalificeren (zie in die zin EHRM, 17 september 2024, C.O. tegen Duitsland, CE:ECHR:2024:0917JUD001667822, § 68).
105 Voorts moet worden opgemerkt dat de Commissie zowel in de openbare versie van het schikkingsbesluit dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie (C‑440/19 P, EU:C:2021:214), als in de versie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie (C‑883/19 P, EU:C:2023:11), de bewoordingen „partijen” heeft gebruikt om alle bij het onderzoek betrokken ondernemingen aan te duiden.
106 In het in casu aan de orde zijnde schikkingsbesluit heeft de Commissie daarentegen gebruik gemaakt van de bewoordingen „andere partijen bij het onderzoek”, op grond waarvan duidelijker onderscheid kan worden gemaakt tussen de toespelingen betreffende de adressaat van dat besluit en die betreffende de ondernemingen die geen schikking hebben getroffen. Bovendien bevat het schikkingsbesluit geen enkele uitdrukkelijke verwijzing naar verzoeksters in het kader van de beschrijving van het inbreukmakende gedrag, anders dan de overwegingen 26, 28, 29 en 31 van het schikkingsbesluit dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie (C‑440/19 P, EU:C:2021:214).
107 Ten tweede, zelfs indien in het deel over de juridische kwalificatie van de gedraging van Abengoa de „andere partijen bij het onderzoek” worden vermeld, komt uit de lezing van het schikkingsbesluit niet duidelijk het standpunt van de Commissie naar voren wat de deelname van verzoeksters aan de betrokken inbreuk en de juridische kwalificatie van hun gedrag en hun aansprakelijkheid voor deze inbreuk betreft (zie in die zin arrest van 10 november 2017, Icap e.a./Commissie, T‑180/15, EU:T:2017:795, punten 259 en 260).
108 Uit verschillende elementen in het schikkingsbesluit, gelezen in het licht van de in de punten 94 en 95 hierboven vermelde zorgvuldige bewoordingen, blijkt immers dat: – alleen Abengoa als verantwoordelijk moet worden beschouwd voor de in het schikkingsbesluit bedoelde inbreuk (overweging 25); – punt 4.1.2 van dat besluit, onder titel 4, dat de gedraging beschrijft, het opschrift „Abengoa’s behaviour in the MOC process” (gedrag van Abengoa in het MOC-proces) draagt; – de beoordeling die is verricht onder titel 5, inzake de juridische kwalificatie van de gedraging van Abengoa, alleen betrekking heeft op de gedraging van Abengoa (overweging 42); – de gedraging van Abengoa duidelijk verschilt van die van de „andere partijen bij het onderzoek”, aangezien in het besluit wordt vermeld dat Abengoa haar gedraging zou hebben gecoördineerd met de „andere partijen bij het onderzoek” (overweging 47), zodat alleen haar eigen gedraging („[i]ts behaviour") en niet die van de „andere partijen bij het onderzoek” alle kenmerken van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging vertoonde (overweging 48); daarenboven hebben de conclusies in overweging 49, gelezen in het licht van de overwegingen 46 tot en met 48, uitsluitend betrekking op Abengoa en bevatten zij overigens de volgende aanvullende zorgvuldige bewoordingen: „[a]s already stressed in recital (4) above, this Decision is only addressed to Abengoa and not to any other undertaking. In particular, this Decision does not establish or seek to establish, even on a preliminary basis, any liability of the other parties to the investigation for any participation in any infringement” (zoals reeds in overweging 4 is benadrukt, is Abengoa de enige adressaat van dit besluit. In dit besluit wordt met name de aansprakelijkheid van de „andere partijen bij het onderzoek” voor hun deelname aan een of andere inbreuk niet vastgesteld of beoogd vast te stellen, zelfs niet voorlopig); – de bilaterale contacten met de „andere partijen bij het onderzoek” door Abengoa zijn gebruikt om haar concurrentieverstorende gedraging voort te zetten, namelijk het coördineren van haar gedrag met dat van de „andere partijen bij het onderzoek”, een formulering die duidelijk maakt dat de Commissie niet de bedoeling had om andere gedragingen dan die van Abengoa te kwalificeren (overweging 55); – in overweging 60 weliswaar wordt vastgesteld dat Abengoa samen met de „andere partijen bij het onderzoek” mededingingsverstorende praktijken heeft gesteld, maar dit niet wegneemt dat de Commissie in de laatste zin van dat punt enkel heeft aangegeven dat alleen Abengoa de mededinging zou hebben beperkt; overigens verwijst de conclusie van de Commissie in punt 61 uitsluitend naar de „gedraging van Abengoa”, zoals beschreven in punt 4.
109 Bovendien is de vermelding van de niet-schikkende partijen in het deel over de juridische kwalificatie van de betrokken gedraging door de Unierechter reeds, zij het impliciet, aanvaardbaar geacht [zie in die zin, ten eerste, de overwegingen 50 tot en met 55 van het schikkingsbesluit dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, namelijk besluit C(2014) 2074 final van de Commissie, en, ten tweede, het arrest van 20 december 2023, Crédit agricole en Crédit agricole Corporate and Investment Bank/Commissie, T‑113/17, EU:T:2023:847, waartegen hogere voorziening is ingesteld, punt 96 (niet gepubliceerd), met betrekking tot de overwegingen 53 en 57 tot en met 59 van het schikkingsbesluit dat aan de orde was in de zaak die eveneens heeft geleid tot het arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, te weten besluit C(2013) 8512 final van de Commissie].
110 In de derde plaats staat de verwijzing naar de „andere partijen bij het onderzoek” in artikel 1 van het dispositief van het schikkingsbesluit niet gelijk met een duidelijke verklaring dat die partijen de betrokken inbreuk zouden hebben gepleegd.
111 Ten eerste impliceert de loutere vermelding van de „andere partijen bij het onderzoek” in het dispositief immers niet dat informatie over hen wordt verstrekt in de zin van de in punt 86 hierboven aangehaalde rechtspraak. Zoals in punt 103 hierboven in herinnering is gebracht, zijn de vermeldingen van de ondernemingen die geen schikking hebben getroffen, op zich niet problematisch en kunnen zij objectief gezien noodzakelijk zijn om de deelname van de schikkende onderneming aan de mededingingsregeling te beschrijven en te kwalificeren, mits zij geen voortijdige toerekening van aansprakelijkheid met zich meebrengen voor de deelnemers aan de gewone procedure.
112 Ten tweede houdt de verwijzing in het dispositief naar de „andere partijen bij het onderzoek” op zich geen voorbarig oordeel in over de schuld van verzoeksters waardoor het eerlijke onderzoek van de tegen hen ingebrachte punten van bezwaar in het kader van de gewone procedure in gevaar zou kunnen worden gebracht.
113 In dit verband moet worden opgemerkt dat het dispositief van het schikkingsbesluit slechts rechtsgevolgen sorteert ten aanzien van Abengoa, in haar hoedanigheid van adressaat van dat besluit.
114 In artikel 1 van het dispositief van het schikkingsbesluit concludeert de Commissie overigens dat alleen Abengoa inbreuk heeft gemaakt op de regels inzake mededingingsregelingen.
115 Bovendien is volgens de bewoordingen van het dispositief van het schikkingsbesluit alleen Abengoa aansprakelijk voor de betrokken inbreuk, zoals met name blijkt uit de artikelen 2, 4 en 5 van dat besluit.
116 Uit het dispositief van het schikkingsbesluit blijkt dus geenszins dat de Commissie het gedrag van de „andere partijen bij het onderzoek” heeft willen kwalificeren met betrekking tot hun deelname aan de betrokken mededingingsregeling.
117 In de vierde plaats is het juist dat kan worden gesteld dat de draagwijdte van sommige van de betwiste vermeldingen, waaronder met name die welke zijn opgenomen in de overwegingen 46, 53 tot en met 55 en 60 van het schikkingsbesluit, onnauwkeurig zijn wat betreft de vraag of de daarin gegeven juridische kwalificatie niet alleen betrekking heeft op de gedraging van Abengoa, maar ook op die van de „andere partijen bij het onderzoek”.
118 De verwijzingen naar de „andere partijen bij het onderzoek” in de hogervermelde overwegingen van het schikkingsbesluit hebben weliswaar betrekking op de juridische kwalificatie van de gedragingen die worden verweten aan de schikkende partij, namelijk Abengoa, maar vormen hoogstens redactionele onhandigheden die op zich geen enkele duidelijke expliciete of impliciete beoordeling omvatten over de schuld van de niet-schikkende partijen [zie in die zin arresten van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punten 79 en 231, en 20 december 2023, Crédit agricole en Crédit agricole Corporate and Investment Bank/Commissie, T‑113/17, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2023:847, punt 97 (niet gepubliceerd)].
119 Om te beginnen kan de beoordeling of de gedraging van verzoeksters in het schikkingsbesluit juridisch is gekwalificeerd niet beperkt blijven tot de vaststelling dat de „andere partijen bij het onderzoek” worden vermeld in het deel dat betrekking heeft op de juridische kwalificatie van de gedragingen die worden verweten aan Abengoa (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 231).
120 Vervolgens blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens dat, ondanks het belang van de woordkeuze van de betrokken gerechtelijke autoriteiten, het gebruik van enkele ongelukkige formuleringen op zich niet doorslaggevend kan zijn om te kunnen vaststellen dat het recht op het vermoeden van onschuld is geschonden, gelet op de aard en de context van de betrokken procedure (zie in die zin EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, § 63, en 25 november 2021, Mucha c. Slovaquie, CE:ECHR:2021:1125JUD006370319, § 57).
121 Hieruit volgt dat geen enkele van de vermeldingen van de „andere partijen bij het onderzoek” die zijn opgenomen in het schikkingsbesluit, gezien de motivering en de context ervan, kan worden opgevat als een duidelijke verklaring waarmee de schuld van verzoeksters voortijdig wordt uitgedrukt.
122 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de zorgvuldige bewoordingen die de Commissie heeft gehanteerd hun betekenis niet hebben verloren, en in het licht van de inhoud ervan (zie punt 91 hierboven) als toereikend moeten worden aangemerkt.
123 Daarnaast moet ook worden onderzocht of de Commissie meer gegevens over de betrokkenheid van de verzoeksters heeft meegedeeld dan nodig was om de aansprakelijkheid van Abengoa vast te stellen.
124 In dit verband moet worden vastgesteld dat geen enkele betwiste vermelding de gedragingen van verzoeksters individueel beschrijft of kwalificeert.
125 De enige in het schikkingsbesluit opgenomen individuele vermeldingen betreffende verzoeksters zijn te vinden in de overwegingen 4, 13, 18, 24 en 40 van dat besluit, waarin de schikkingsprocedure in wezen wordt omschreven en waarvan de inhoud door verzoeksters niet wordt betwist wat de schending van hun recht op het vermoeden van onschuld betreft.
126 Daarentegen zijn de betwiste vermeldingen van de „andere partijen bij het onderzoek” in het schikkingsbesluit, waaronder deze genoemd in punt 101 hierboven, zonder uitzondering gedaan in samenhang met Abengoa, waarbij deze wordt voorgesteld als de hoofdrolspeler bij de inbreukmakende gedraging. Deze verwijzingen worden dus enkel gebruikt om de gedraging van Abengoa te beschrijven en te kwalificeren en kunnen dus als objectief noodzakelijk voor dat doel worden aangemerkt.
127 In deze context kan juist het feit dat de inbreuk waarop het schikkingsbesluit ziet noodzakelijkerwijs een collectieve gedraging impliceert, rechtvaardigen dat de „andere partijen bij het onderzoek” worden vermeld [zie in die zin EHRM, 17 september 2024, C.O. tegen Duitsland, CE:ECHR:2024:0917JUD001667822, § 63; zie naar analogie ook arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld),C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 47].
128 Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de „andere partijen bij het onderzoek” in het dispositief van het schikkingsbesluit.
129 In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt tussen de onderhavige zaak en de zaken die hebben geleid tot de arresten van 18 maart 2021, Pometon/Commissie (C‑440/19 P, EU:C:2021:214), en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie (C‑883/19 P, EU:C:2023:11), waarin in het dispositief van de schikkingsbesluiten geen melding werd gemaakt van niet-schikkende partijen. In casu heeft alleen Abengoa aan de schikking deelgenomen, zodat het des te noodzakelijker was om de „andere partijen bij het onderzoek” te vermelden om de inbreukmakende gedraging waarop het schikkingsbesluit ziet te kunnen kwalificeren ten aanzien van Abengoa, die had besloten over te gaan tot een schikking.
130 Hoe dan ook hangt de vraag of de Commissie het recht van verzoeksters op het vermoeden van onschuld heeft geschonden, af van de schikkingsbesluiten die in elke zaak afzonderlijk zijn genomen, daaronder begrepen de motivering ervan, en van de bijzondere omstandigheden waarin zij zijn vastgesteld (arrest van 18 maart 2021, Pometon/Commissie, C‑440/19 P, EU:C:2021:214, punt 86),
131 Gelet op de motivering en de context ervan, blijken de vermeldingen van de „andere partijen bij het onderzoek” in de betwiste passages van het schikkingsbesluit objectief noodzakelijk voor de beschrijving van de oorsprong van de mededingingsregeling in haar geheel.
132 Bijgevolg kunnen de door verzoeksters ter ondersteuning van het tweede onderdeel van het eerste middel aangevoerde argumenten niet slagen en moeten zij worden afgewezen.
133 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat het eerste middel volledig ongegrond moet worden verklaard.
Tweede middel: schending van het vereiste van onpartijdigheid
134 Verzoeksters betogen subsidiair dat de keuze voor een in de tijd gespreide „hybride” procedure en de voorafgaande vaststelling van een schikkingsbesluit voor Abengoa afbreuk hebben gedaan aan de onpartijdigheid van de Commissie en hun rechten van verdediging hebben geschonden.
135 Ten eerste zou de voorafgaande vaststelling van het schikkingsbesluit hebben vereist dat de Commissie ten minste één andere onderneming aansprakelijk zou hebben gesteld.
136 Ten tweede is het in de in punt 135 hierboven vermelde omstandigheden onmogelijk om „elke legitieme twijfel” uit te sluiten, overeenkomstig de rechtspraak, over de vraag of de Commissie een objectieve onpartijdigheid in acht kan nemen waar moet worden beoordeeld of verzoeksters hebben deelgenomen aan de mededingingsverstorende gedraging van Abengoa waarop het schikkingsbesluit ziet. Om die reden kon de Commissie onmogelijk in overeenstemming met het zo geheten „tabula rasa”-beginsel handelen.
137 Ten derde betogen verzoeksters dat uit de redenering die de Commissie heeft gevolgd in verschillende passages van het bestreden besluit, met name in de overwegingen 556, 557 en 560, alsmede tijdens bepaalde contacten met hen gedurende de gehele gewone procedure, blijkt dat zij niet onpartijdig was.
138 Ten vierde en ten laatste stellen verzoeksters dat de beweringen van de Commissie over haar onpartijdigheid niet ter zake dienend en hoe dan ook weinig overtuigend zijn, betwisten zij het argument van de Commissie dat haar goede trouw moet worden vermoed en herinneren zij eraan dat het volgens de rechtspraak volstaat dat er gegronde twijfel bestaat over de onpartijdigheid van de Commissie.
139 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
140 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie tijdens de bestuurlijke procedure de grondrechten van de betrokken ondernemingen moet eerbiedigen. Daarbij moet het onpartijdigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van het recht op behoorlijk bestuur, worden onderscheiden van het vermoeden van onschuld (arresten van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 76, en van 1 februari 2024, Scania e.a./Commissie, C‑251/22 P, EU:C:2024:103, punt 69).
141 Op grond van het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur heeft eenieder er met name recht op dat zijn zaken onpartijdig worden behandeld door de instellingen van de Europese Unie. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat geen lid van de betrokken instelling die belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid in die zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel dienaangaande uit te sluiten (arresten van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 77, en van 1 februari 2024, Scania e.a./Commissie, C‑251/22 P, EU:C:2024:103, punt 70).
142 In deze zaak vormt enkel het begrip „objectieve onpartijdigheid” het voorwerp van het onderhavige middel.
143 Het Hof heeft met betrekking tot het begrip „objectieve onpartijdigheid” verduidelijkt dat voor het bewijs dat de organisatie van de administratieve procedure onvoldoende garanties biedt om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent mogelijke vooringenomenheid uit te sluiten, geen gebrek aan onpartijdigheid hoeft te worden vastgesteld. Het volstaat dat twijfel bestaat die niet kan worden weggenomen (zie in die zin arresten van 27 maart 2019, August Wolff en Remedia/Commissie, C‑680/16 P, EU:C:2019:257, punt 37, en 21 oktober 2021, Parlement/UZ, C‑894/19 P, EU:C:2021:863, punt 54).
144 Dienaangaande moet meteen worden vastgesteld dat verzoeksters geen schending van hun rechten van verdediging aanvoeren die losstaat van de schending die zij in het kader van de verplichting tot onpartijdigheid aanvoeren.
145 Zoals blijkt uit hun schrifturen, antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang en pleidooien zijn verzoeksters namelijk van mening dat de Commissie hun rechten van verdediging heeft geschonden omdat zij haar verplichting tot onpartijdigheid niet is nagekomen.
146 Overeenkomstig de in punt 141 hierboven aangehaalde rechtspraak moet dus worden onderzocht of op basis van het betoog van verzoeksters kan worden geconcludeerd dat er gegronde twijfel bestaat over een eventuele vooringenomenheid van de Commissie met betrekking tot hun schuld voor de betrokken inbreuk.
147 In de eerste plaats moet het argument van verzoeksters worden afgewezen dat het feit dat het schikkingsbesluit uitsluitend tot één enkele onderneming is gericht, impliceerde dat de Commissie tot de conclusie moest komen dat ten minste één van de „andere partijen bij het onderzoek” aan de inbreuk had deelgenomen, omdat anders de aan het schikkingsbesluit ten grondslag liggende juridische logica en de rechtsgrondslag ervan verloren zouden gaan.
148 Zoals blijkt uit de in punt 58 hierboven aangehaalde rechtspraak, is de Commissie in het kader van de gewone procedure alleen gebonden door de mededeling van punten van bezwaar en dient zij de nieuwe elementen die haar tijdens deze laatste procedure ter kennis worden gebracht, in aanmerking te nemen.
149 Zoals in punt 60 hierboven is opgemerkt, heeft de vaststelling van een schikkingsbesluit namelijk geen invloed gehad op het resultaat van de gewone procedure, zodat niets de Commissie belette om ten aanzien van verzoeksters een soortgelijk besluit als dat betreffende Alcogroup vast te stellen na onderzoek van de in het kader van de gewone procedure in het dossier opgenomen bewijselementen, zelfs nadat die procedure ten aanzien van Alcogroup was beëindigd.
150 Bijgevolg stellen verzoeksters ten onrechte dat het schikkingsbesluit zijn juridische logica en rechtsgrondslag zou hebben verloren indien de Commissie hen niet schuldig zou hebben verklaard in het bestreden besluit.
151 Hetzelfde geldt voor het argument dat het belang van de Commissie om de aantrekkelijkheid van het schikkingsmechanisme te beschermen bewijst dat zij in het kader van de in casu aan de orde zijnde procedure niet objectief onpartijdig was.
152 Een dergelijk argument, dat abstract is geformuleerd en gebaseerd is op de uitlegging van verzoeksters betreffende de belangen van de Commissie bij de invoering van het mededingingsbeleid, kan niet slagen, aangezien het op zich niet volstaat om vast te stellen dat de organisatie van de in casu aan de orde zijnde procedure onvoldoende waarborgen bood om elke gegronde twijfel over een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten.
153 In de tweede plaats moet het argument worden afgewezen dat de redenering die de Commissie in verschillende passages van het bestreden besluit en tijdens bepaalde contacten met verzoeksters tijdens de gewone procedure heeft gevolgd, het gebrek aan onpartijdigheid van deze instelling aantoont.
154 Volgens verzoeksters blijkt uit de overwegingen 556 en 557 van het bestreden besluit dat het door de Commissie verrichte onderzoek tot doel had een mededingingsverstorende gedraging te bewijzen die zij als juridisch vaststaand beschouwde. Dit blijkt uit de cirkelredenering in overweging 560 van dat besluit, waarin de Commissie is uitgegaan van de premisse dat verzoeksters met de twee andere bij het onderzoek betrokken ondernemingen hebben samengewerkt om de verlaging van het niveau van de door S&P Global Platts gepubliceerde benchmarks voor ethanol kunstmatig te verhogen, te handhaven of te verhinderen.
155 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat verzoeksters noch de vaststelling van de feiten in het bestreden besluit, noch de conclusies die zijn getrokken uit de juridische analyse die in dat besluit ten aanzien van hen is verricht, hebben betwist.
156 De stelling van verzoeksters dat „het uitgangspunt” van de analyse van de Commissie was dat zij schuldig waren aan de inbreuk, kan immers niet worden aanvaard, aangezien deze stelling geenszins afdoet aan de soliditeit en de gegrondheid van het bestreden besluit.
157 De argumenten van verzoeksters betreffende de inhoud van het bestreden besluit kunnen hoe dan ook niet slagen.
158 Ten eerste geeft de Commissie in de overwegingen 556 en 557 van het bestreden besluit aan dat zij een volledige analyse heeft verricht van de ethanolmarkt en van de werking van de door S&P Global Platts opgestelde en gepubliceerde prijsbenchmarks, zoals blijkt onder titel 2 van dit besluit, met als opschrift „De ethanolindustrie” (overwegingen 6 tot en met 86 van het bestreden besluit). Deze analyse heeft als grondslag gediend voor de omschrijving van de inbreukmakende gedraging in de uiteenzetting onder titel 5 van dat besluit (overwegingen 213 tot en met 401), waarvoor een bewijsanalyse is verstrekt in punt 5.2 van dat besluit („Chronologie van de inbreukperiode [van verzoeksters]”, overwegingen 254 tot en met 390 van het bestreden besluit) en waarvan de conclusies zijn opgenomen in punt 5.3 („Conclusies in verband met de bewijsmiddelen”, overwegingen 391 tot een met 393 van het bestreden besluit) en punt 5.4 van het bestreden besluit („Uit de Platts-gegevens getrokken conclusies”, overwegingen 394 tot en met 401 van het bestreden besluit).
159 Uit geen van de in punt 158 hierboven genoemde overwegingen blijkt dus dat het uitgangspunt van de analyse van de Commissie de schuld van verzoeksters zou zijn geweest. Integendeel, deze overwegingen tonen aan hoe gedetailleerd de analyse van de Commissie was wat betreft de deelname van verzoeksters aan de mededingingsregeling.
160 Hetzelfde geldt ten tweede voor overweging 560 van het bestreden besluit, waarin de Commissie het met de „andere partijen bij het onderzoek” gecoördineerde gedrag van verzoeksters analyseert op basis van de in de overwegingen 470 tot en met 474 van dat besluit opgenomen beoordelingen, die zijn gebaseerd op een geheel van substantiële en overtuigende aanwijzingen (zie, ter illustratie, de overwegingen 472 en 473 van het bestreden besluit), en niet, zoals verzoeksters stellen, op een vooringenomenheid over hun schuld.
161 Bijgevolg tonen de door verzoeksters aangevoerde argumenten niet aan dat de Commissie de administratieve procedure niet zo heeft georganiseerd dat voldoende waarborgen werden geboden om elke gerechtvaardigde twijfel over een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten,
162 Deze conclusie wordt niet op losse schroeven gezet door de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA (C‑291/22 P, EU:C:2024:228). Volgens verzoeksters kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het niet aan hen staat om te bewijzen dat de Commissie partijdig was, maar dat het aan het Gerecht staat om rechtens te beoordelen of de benadering van de Commissie gegronde twijfels doet rijzen over haar onpartijdigheid.
163 Volgens de hogervermelde rechtspraak kan van personen wier zaken door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie zijn behandeld, niet worden verlangd dat zij ter onderbouwing van hun betoog dat er in een administratieve procedure van de Unie niet aan het vereiste van objectieve onpartijdigheid is voldaan, concrete aanwijzingen van partijdigheid verstrekken (arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA, C‑291/22 P, EU:C:2024:228, punten 77 en 80).
164 Gelet op de conclusie in punt 161 hierboven is de door verzoeksters aangehaalde rechtspraak in casu echter niet van toepassing, aangezien niet is aangetoond dat de Commissie niet objectief onpartijdig was, en uit geen enkel van de aan het Gerecht overgelegde stukken blijkt dat de administratieve procedure niet zodanig is georganiseerd dat zij voldoende waarborgen bood om elke gerechtvaardigde twijfel over een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten.
165 Derhalve is het tweede middel ongegrond en moet het worden afgewezen. Bijgevolg moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
166 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
167 Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.
HET GERECHT (Derde kamer, zitting hebbend met vijf rechters), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Lantmännen ek för en Lantmännen Biorefineries AB worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
Škvařilová-Pelzl Nõmm Steinfatt Kukovec Meyer Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 januari 2026. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 14 maart 2024, C-291/22, ECLI:EU:C:2024:228
- HvJ EU 1 februari 2024, C-251/22, ECLI:EU:C:2024:103
- Gerecht EU 20 december 2023, T-113/17, ECLI:EU:T:2023:847
- HvJ EU 12 januari 2023, C-883/19, ECLI:EU:C:2023:11
- Gerecht EU 2 februari 2022, T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48
- HvJ EU 21 oktober 2021, C-894/19, ECLI:EU:C:2021:863
- HvJ EU 18 maart 2021, C-440/19, ECLI:EU:C:2021:214
- HvJ EU 27 maart 2019, C-680/16, ECLI:EU:C:2019:257
- Gerecht EU 10 november 2017, T-180/15, ECLI:EU:T:2017:795
- HvJ EU 12 januari 2017, C-411/15, ECLI:EU:C:2017:11
- Gerecht EU 20 mei 2015, T-456/10, ECLI:EU:T:2015:296
- HvJ EU 26 november 2013, C-58/12, ECLI:EU:C:2013:770
- HvJ EU 22 november 2012, C-89/11, ECLI:EU:C:2012:738