HvJ EU 10 juli 2019, C-39/18, ECLI:EU:C:2019:584

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

10 juli 2019 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Sector van rentederivaten in yen – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Verantwoordelijkheid van een onderneming voor haar rol als facilitator van de mededingingsregeling – Berekening van de geldboete – Motiveringsplicht”

In zaak C‑39/18 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 22 januari 2018,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin, M. Farley, T. Christoforou en V. Bottka als gemachtigden,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

NEX International Limited, voorheen Icap plc, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

Icap Management Services Ltd, gevestigd te Londen,

Icap New Zealand Ltd, gevestigd te Wellington (Nieuw-Zeeland), vertegenwoordigd door C. Riis-Madsen, advokat, en door S. Frank, avocat,

verzoeksters in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund (rapporteur) en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: E. Tanchev,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 februari 2019,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 mei 2019,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 november 2017, Icap e.a./Commissie (T‑180/15, EU:T:2017:795; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht besluit C(2015) 432 final van de Commissie van 4 februari 2015 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39861 – Rentederivaten in yen) (hierna: „litigieus besluit”), gedeeltelijk nietig heeft verklaard.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

2 Uit de in de punten 1 tot en met 21 van het bestreden arrest beschreven voorgeschiedenis van het geding volgt dat Icap plc (in wier rechten en verplichtingen NEX International Limited is getreden), Icap Management Services Ltd en Icap New Zealand Ltd (hierna samen: „Icap”) deel uitmaken van een onderneming die makelaarsdiensten aanbiedt via spraaknetwerken en elektronische netwerken, en ook posttransactionele diensten verstrekt.

3 Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie vastgesteld dat Icap heeft deelgenomen aan zes inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) betreffende de manipulatie van de interbancaire referentietarieven London Interbank Offered Rate [LIBOR, interbancaire referentierentevoet die wordt toegepast in Londen (Verenigd Koninkrijk)] en Tokyo Interbank Offered Rate [TIBOR, interbancaire referentierentevoet die wordt toegepast in Tokio (Japan)], op de markt van de rentederivaten in yen, die reeds waren vastgesteld bij besluit C(2013) 8602 final van de Commissie van 4 december 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39861 – Rentederivaten in yen).

4 Op 29 oktober 2013 heeft de Commissie een inbreukprocedure ingeleid tegen Icap.

5 Op 12 november 2013 heeft Icap de Commissie in kennis gesteld van haar voornemen om niet voor een schikkingsprocedure te kiezen.

6 Op 4 februari 2015 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij aan Icap zes geldboeten zijn opgelegd voor een totaalbedrag van 14960000 EUR wegens „facilitering” van de volgende zes inbreuken: – de „UBS/RBS-inbreuk van 2007”, tussen 14 augustus en 1 november 2007; – de „UBS/RBS-inbreuk van 2008”, tussen 28 augustus en 3 november 2008; – de „UBS/DB-inbreuk”, tussen 22 mei en 10 augustus 2009; – de „Citi/RBS-inbreuk”, tussen 3 maart en 22 juni 2010; – de „Citi/DB-inbreuk”, tussen 7 april en 7 juni 2010, en – de „Citi/USB-inbreuk”, tussen 28 april en 2 juni 2010.

7 De punten 18 tot en met 21 van het bestreden arrest luiden: „18 De Commissie heeft vooraf eraan herinnerd dat het basisbedrag van de geldboete, overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: ‚richtsnoeren van 2006’), moet worden vastgesteld in het licht van de context waarin de inbreuk is begaan en in het bijzonder van de ernst en de duur van de inbreuk, en dat de rol van elk van de deelnemers individueel moet worden beoordeeld, rekening houdend met eventuele verzwarende of verzachtende omstandigheden (overweging 284 van het [litigieuze] besluit). 19 De Commissie heeft opgemerkt dat de richtsnoeren van 2006 weinig houvast boden bij de berekening van de geldboete voor facilitatoren. Aangezien Icap actief was op de markten voor makelaarsdiensten, en niet op de markt voor rentederivaten, was de Commissie van mening dat zij zich niet op de makelaarskosten in plaats van op de prijzen van rentederivaten in Japanse yen kon baseren om het omzetcijfer te bepalen en de hoogte van de geldboete vast te stellen, aangezien dit niet de ernst en de aard van de inbreuk zou weerspiegelen. Zij heeft hieruit in wezen afgeleid dat punt 37 van de richtsnoeren van 2006 diende te worden toegepast, dat toestaat dat van deze richtsnoeren wordt afgeweken bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete (overweging 287 van het [litigieuze] besluit). 20 Gelet op de ernst van de gedragingen in kwestie en op de duur van de deelneming van Icap aan elk van de zes betrokken inbreuken, heeft de Commissie voor elk van de inbreuken een basisbedrag van de geldboete vastgesteld, namelijk 1040000 EUR voor de UBS/RBS-inbreuk van 2007, 1950000 EUR voor de UBS/RBS-inbreuk van 2008, 8170000 EUR voor de UBS/DB-inbreuk, 1930000 EUR voor de Citi/RBS-inbreuk, 1150000 EUR voor de Citi/DB-inbreuk en 720000 EUR voor de Citi/UBS-inbreuk (overweging 296 van het [litigieuze] besluit). 21 Wat de vaststelling van de definitieve hoogte van de geldboete betreft, was er volgens de Commissie geen sprake van verzwarende of verzachtende omstandigheden en heeft zij opgemerkt dat het plafond van 10 % van de jaaromzet niet was overschreden (overweging 299 van het [litigieuze] besluit). In artikel 2 van het dispositief van het [litigieuze] besluit worden aan verzoeksters bijgevolg geldboeten opgelegd waarvan het definitieve bedrag gelijk is aan het basisbedrag.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

8 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 april 2015, heeft Icap verzocht om nietigverklaring van het litigieuze besluit en, subsidiair, om verlaging van de opgelegde geldboeten.

9 Ter ondersteuning van haar verzoek om nietigverklaring voerde Icap zes middelen aan. Met de eerste vier betwistte zij de wettigheid van artikel 1 van het litigieuze besluit, betreffende het bestaan van de inbreuken. Het vijfde en het zesde middel waren gericht tegen artikel 2 van dit besluit, betreffende de opgelegde geldboeten.

10 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht artikel 1 van het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig verklaard en artikel 2 van dat besluit nietig verklaard.

Conclusies van partijen voor het Hof

11 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover hierin de in artikel 2 van het litigieuze besluit opgelegde geldboeten nietig worden verklaard; – in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het vijfde en zesde middel – betreffende de geldboeten – van het door Icap bij het Gerecht ingediende verzoekschrift af te wijzen en het passende bedrag van de aan Icap op te leggen geldboeten vast te stellen, en – Icap te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure en de beslissing over de kosten in het bestreden arrest te wijzigen teneinde deze in overeenstemming te brengen met de uitkomst van de onderhavige hogere voorziening.

12 Icap verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel of gedeeltelijk af te wijzen, en – de Commissie te verwijzen in alle kosten van de onderhavige procedure, daarin begrepen die van de eerste aanleg.

Hogere voorziening

13 De Commissie voert één enkel middel aan dat betrekking heeft op een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en toepassing van de rechtspraak betreffende de motivering van besluiten die geldboeten opleggen.

Argumenten van partijen

14 De Commissie betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bepaling van het bedrag van de aan Icap opgelegde geldboeten in het litigieuze besluit onvoldoende gemotiveerd was.

15 Deze instelling stelt dat het Gerecht zich in de punten 287 tot en met 291 van het bestreden arrest heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de motiveringsplicht. Het Gerecht is voorbijgegaan aan de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 8 december 2011, Chalkor/Commissie (C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 61), en 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie (C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punten 66‑68), volgens welke de Commissie aan deze verplichting voldoet wanneer zij aan een onderneming die wegens haar rol als facilitator verantwoordelijk is voor een inbreuk op artikel 101 VWEU, de beoordelingselementen meedeelt aan de hand waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft kunnen meten, zonder dat zij evenwel verplicht is om alle cijfergegevens en berekeningen aan te geven om het bedrag van de geldboete te kunnen bepalen.

16 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 295 en 296 van het bestreden arrest geen rekening gehouden met het arrest van 28 januari 2016, Quimitécnica.com en de Mello/Commissie (C‑415/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:58, punt 53), ofschoon daaruit blijkt dat de motivering van een handeling van de Commissie moet worden beoordeeld aan de hand van haar context, daarin begrepen de communicatie tussen laatstgenoemde en de belanghebbenden die vóór en na de vaststelling van de betrokken handeling heeft plaatsgevonden.

17 De Commissie is van mening dat het litigieuze besluit op rechtens genoegzame wijze de factoren ernst en duur van de deelname van Icap aan de inbreuk aangeeft, en dat de motivering op dit punt vergelijkbaar is met deze van het betrokken besluit in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie (C‑194/14 P, EU:C:2015:717).

18 De Commissie is van mening dat zij verder is gegaan dan zij verplicht was om tegemoet te komen aan Icap, die zich het slachtoffer achtte van een ongelijke behandeling ten opzichte van de onderneming R. P. Martin, welke eveneens veroordeeld werd tot betaling van geldboeten wegens haar rol als facilitator binnen hetzelfde kartel, maar die, in tegenstelling tot Icap, had gekozen voor een schikking.

19 De Commissie zet uiteen dat zij om te beginnen de waarde van de verkopen en de wereldwijde omzet van de deelnemende banken als berekeningsbasis heeft genomen. Vervolgens heeft zij rekening gehouden met de duur van de deelneming van Icap en heeft zij ten slotte een verlaging op het hypothetische basisbedrag toegepast om een forfaitaire, passende en evenredige geldboete te verkrijgen. Dezelfde methode is, met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling, toegepast op de onderneming R. P. Martin. Laatstgenoemde onderneming heeft echter een verlaging van 25 % genoten wegens clementie, alsmede een verlaging van 10 % in verband met de schikkingsprocedure. Haar omzet was bovendien bijna twintig maal lager dan die van Icap en haar deelname aan de inbreuk had ongeveer een maand geduurd, terwijl die van Icap meer dan twee maanden had geduurd.

20 Voor het geval dat het Hof uit hoofde van zijn volledige rechtsmacht uitspraak zou willen doen over het bedrag van de geldboeten, verzoekt de Commissie het Hof om het bedrag van elke geldboete vast te stellen op basis van de verlaging van de door het Gerecht in aanmerking genomen duur, die in kracht van gewijsde is gegaan.

21 Volgens Icap is dit middel ongegrond.

Beoordeling door het Hof

22 Het middel van de hogere voorziening stelt in wezen de vraag aan de orde of het Gerecht de omvang van de op de Commissie rustende motiveringsplicht heeft miskend door in de punten 287 tot en met 296 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat de Commissie niet kan volstaan met een algemene verzekering dat de basisbedragen die zij heeft gebruikt ten aanzien van de ondernemingen die zij wegens het faciliteren van een kartel verantwoordelijk houdt voor inbreuken op artikel 101 VWEU, de ernst, de duur en de aard van hun deelname aan de inbreuken, alsook de afschrikkende werking van de geldboeten weerspiegelen, terwijl vaststaat dat deze bedragen zijn vastgesteld op basis van een specifieke methodologie, die niet aan deze ondernemingen is onthuld.

23 Zoals het Gerecht in de punten 287 en 288 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, moet de door artikel 296 VWEU verlangde motivering volgens vaste rechtspraak beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet zij de redenering van de instelling die de bestreden handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie onder meer arresten van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 63, en 8 mei 2019, Landeskreditbank Baden-Württemberg/ECB, C‑450/17 P, EU:C:2019:372, punt 87).

24 Wat beslissingen betreft die aan ondernemingen geldboeten opleggen wegens inbreuken op artikel 101 VWEU is de motiveringsplicht van bijzonder belang. Het staat aan de Commissie haar beslissing te motiveren en met name uiteen te zetten hoe zij de in aanmerking genomen factoren heeft gewogen en beoordeeld. De rechter moet ambtshalve nagaan of een motivering aanwezig is (arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 61).

25 De Commissie beschikt weliswaar over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de berekeningsmethode van de geldboeten in geval van een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie (arrest van 19 december 2012, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, C‑452/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:829, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar zij heeft niettemin, met het oog op transparantie, de richtsnoeren van 2006 vastgesteld waarin zij te kennen geeft op welke basis zij een bepaalde omstandigheid van de inbreuk in aanmerking zal nemen en welke gevolgen daaraan zullen kunnen worden verbonden voor de hoogte van de geldboete (arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 59).

26 De richtsnoeren van 2006 berusten voor de vaststelling van het basisbedrag van de op te leggen geldboeten dus op de inaanmerkingneming van de waarde van de verkopen van de betrokken producten in relatie tot de inbreuk. Deze richtsnoeren bepalen in de punten 6 en 13 dat met de combinatie van de waarde van de verkopen in verband met de inbreuk en de duur van de inbreuk „zowel de economische impact van de inbreuk tot uiting komt als het relatieve gewicht van elke onderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen”.

27 Deze methode kan echter soms ongeschikt blijken voor de bijzondere omstandigheden van een zaak. Dit is met name het geval wanneer een onderneming die wegens het faciliteren van een kartel verantwoordelijk is gesteld voor een inbreuk op artikel 101 VWEU, geen omzet op de relevante productmarkten behaalt. In een dergelijke situatie heeft het Hof geoordeeld dat de Commissie gebruik mocht maken van een andere dan de in de richtsnoeren van 2006 beschreven berekeningsmethode en, overeenkomstig punt 37 ervan, het basisbedrag van de geldboete voor de onderneming die door haar adviserende activiteit een mededingingsregeling heeft vergemakkelijkt, forfaitair mocht vaststellen (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punten 65‑67).

28 Wat de omvang betreft van de motiveringsplicht die op de Commissie rust wanneer zij afwijkt van de algemene methodologie waarin de richtsnoeren van 2006 voorzien, dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een besluit van de Commissie dat in de lijn ligt van een constante beschikkingspraktijk, summier mag worden gemotiveerd, bijvoorbeeld door verwijzing naar bedoelde praktijk, maar dat de Commissie, wanneer zij veel verder gaat dan in eerdere beslissingen het geval was, haar beweegredenen met zoveel woorden dient te vermelden (zie onder meer arresten van 26 november 1975, Papiers peints/Commissie, 73/74, EU:C:1975:160, punt 31, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 155).

29 Er zij eveneens herinnerd aan de vaste rechtspraak die heeft erkend dat de genoemde richtsnoeren een gedragsregel vormen voor de te volgen praktijk waarvan de Commissie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen te geven die verenigbaar zijn met onder meer het beginsel van gelijke behandeling (zie in die zin arresten van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie, C‑70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 53, en 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Wanneer de Commissie zich op punt 37 van de richtsnoeren van 2006 beroept, dient zij dus uiteen te zetten waarom zij ervan uitgaat dat de bijzonderheden van de door haar behandelde zaak of de noodzaak om een bepaald afschrikkend niveau te bereiken, rechtvaardigen dat zij afwijkt van de in die richtsnoeren beschreven methode, zoals het Gerecht in wezen heeft geoordeeld in punt 289 van het bestreden arrest.

31 Voorts komt de Commissie haar motiveringsplicht na wanneer zij in haar besluit de beoordelingselementen vermeldt op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft kunnen vaststellen (arrest van 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 68). Ofschoon zij niet alle cijfermatige gegevens van de verschillende stappen in de berekeningsmethode van de boete hoeft te vermelden, dient zij, zoals het Gerecht in punt 291 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, wel uiteen te zetten hoe zij de in aanmerking genomen factoren heeft gewogen en beoordeeld (arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 61).

32 De vermelding van deze elementen is noodzakelijk en de vraag of deze toereikend is moet worden beoordeeld in het licht van de betrokken omstandigheden en de context waarin het besluit van de Commissie is vastgesteld.

33 In een zaak waarin de Commissie het basisbedrag van de aan de onderneming die de mededingingsregeling had gefaciliteerd opgelegde geldboete op forfaitaire wijze had bepaald, heeft het Hof geoordeeld dat de motivering die zich beperkte tot de mededeling dat er bij de bepaling van dit bedrag rekening was gehouden met de ernst en de duur van de inbreuken, toereikend was (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punten 68 en 69). Uit dit arrest kan echter niet worden afgeleid dat een dergelijke motivering steeds voldoende is, ongeacht de bijzonderheden van de betrokken situatie.

34 Wanneer de Commissie afwijkt van de richtsnoeren van 2006 en een andere methodologie toepast die specifiek is aangepast aan de bijzonderheden van de situatie van ondernemingen die een mededingingsregeling hebben gefaciliteerd, is het, met het oog op de rechten van de verdediging, noodzakelijk dat deze methodologie openbaar wordt gemaakt aan de belanghebbenden, zodat zij in staat worden gesteld om hun standpunt kenbaar te maken over de gegevens waarop de Commissie haar besluit wil baseren (zie naar analogie arrest van 22 oktober 2013, Sabou, C‑276/12, EU:C:2013:678, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze openbaarmaking draagt bij aan de billijkheid, de onpartijdigheid en de kwaliteit van de besluiten van de Commissie, die uiteindelijk bepalend zijn voor het vertrouwen van het publiek en de ondernemingen in de handelingen van deze instelling op het gebied van de mededinging (zie in die zin arrest van 16 januari 2019, Commissie/United Parcel Service, C‑265/17 P, EU:C:2019:23, punten 31, 33, 34 en 53).

35 In casu staat vast dat de Commissie het basisbedrag voor de aan Icap en R. P. Martin opgelegde geldboeten heeft bepaald op grond van dezelfde methode, die specifiek is uitgewerkt om te beantwoorden aan de bijzondere situatie van facilitators, en die berust op een test met vijf stappen die de duur en de ernst van hun betrokkenheid bij de inbreuken in kwestie meet. De omstandigheden van deze zaak verschillen dus van die van de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 22 oktober 2015, AC‑Treuhand/Commissie (C‑194/14 P, EU:C:2015:717), waarin de Commissie het basisbedrag voor de aan de enige facilitator opgelegde geldboete op forfaitaire wijze had bepaald.

36 Bovendien heeft het Gerecht in punt 293 van het bestreden arrest opgemerkt dat in overweging 287 van het litigieuze besluit „niet nader wordt ingegaan op de alternatieve methode die de Commissie voorstaat, maar dat daarin slechts in het algemeen wordt verzekerd dat de basisbedragen de ernst, de duur en de aard van Icaps deelneming aan de betrokken inbreuken weerspiegelen alsook tegemoetkomen aan de noodzaak om ervoor te zorgen dat de geldboeten een voldoende afschrikkende werking hebben”.

37 Gelet op de in de punten 28 tot en met 34 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte elementen van het recht, heeft het Gerecht in punt 294 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat „[verzoeksters op] basis van de bewoordingen van overweging 287 van het [litigieuze] besluit [...] de gegrondheid van de door de Commissie voorgestane methode dus niet [kunnen] begrijpen, en [...] het Gerecht deze niet [kan] verifiëren” en dat „[d]it motiveringsgebrek [...] ook [wordt] aangetroffen in de overwegingen 290 tot en met 296 van dit besluit, die niet de minimuminformatie verschaffen die het mogelijk zou hebben gemaakt de relevantie en weging van de factoren waarmee de Commissie bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboeten rekening heeft gehouden, te begrijpen en te verifiëren, hetgeen in strijd is met de [...] rechtspraak” (zie in die zin arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 61).

38 Anders dan de Commissie betoogt, brengt de verplichting om de relevantie en de weging van de factoren die zij in aanmerking heeft genomen bij de door haar verkozen alternatieve methode genoegzaam te motiveren, gelet op de in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, niet met zich mee dat zij de cijfermatige gegevens over de berekeningswijze van de geldboete dient te verstrekken, of dat zij verplicht is om de door haar intern uitgevoerde berekeningen gedetailleerd uiteen te zetten. In casu heeft de Commissie overigens niet beweerd dat zij door de opsomming van de vijf stappen van de gekozen alternatieve methode, die zij pas in het stadium van de procedure voor het Gerecht heeft uiteengezet, cijfergegevens of interne berekeningen onthulde.

39 De Commissie brengt daartegen ook in dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de informatie over de berekeningsmethode die in het kader van de administratieve procedure en in de contentieuze fase aan verzoekster is verstrekt.

40 Gelet op het belang van de motiveringsplicht in het licht van de in punt 34 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte elementen, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 295 van het bestreden arrest te oordelen dat „[bij] het onderzoek van de motivering van een bestreden handeling [...] weliswaar acht [moet] worden geslagen op de context ervan, maar het voeren van [...] verkennende en informele besprekingen [...] de Commissie niet [kan] ontheffen van haar verplichting om in het bestreden besluit uit te leggen welke methode zij heeft toegepast voor het bepalen van de hoogte van de opgelegde geldboeten”.

41 Bovendien heeft het Gerecht gelet op het ontbreken van enige uitleg over de relevantie en de weging van de gegevens die door de Commissie in aanmerking zijn genomen bij het bepalen van de berekeningsmethode voor het basisbedrag van de aan Icap opgelegde boete, in punt 296 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat een „uitleg die in de fase van de procedure voor het Gerecht is verstrekt, [...] niet in aanmerking [kon] worden genomen bij de beoordeling of de Commissie haar motiveringsplicht is nagekomen”.

42 Bijgevolg dient het enige middel van de hogere voorziening ongegrond te worden verklaard.

43 Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.

Kosten

44 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Icap te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Derde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in