HvJ EU 21 december 2023, C-333/21, ECLI:EU:C:2023:1011
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
21 december 2023 ( *1 )
Inhoud
I. Toepasselijke bepalingen
A. Statuten van de FIFA
B. Reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden
C. Statuten van de UEFA
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
A. Superleague-project
B. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
III. Procedure bij het Hof
IV. Ontvankelijkheid
A. Procedurele voorwaarden voor de vaststelling van de verwijzingsbeslissing
B. Inhoud van de verwijzingsbeslissing
C. Reëel geschil en relevantie van de aan het Hof gestelde vragen
V. Beantwoording van de prejudiciële vragen
A. Opmerkingen vooraf
1. Voorwerp van het hoofdgeding
2. Toepasselijkheid van het Unierecht op sport en op de activiteiten van de sportverenigingen
3. Artikel 165 VWEU
B. Eerste tot en met vijfde vraag betreffende de mededingingsregels
1. Eerste vraag inzake de uitlegging van artikel 102 VWEU met betrekking tot regels betreffende de voorafgaande toestemming voor clubvoetbalcompetities en de deelname van clubs en sportbeoefenaren aan deze competities
a) Begrip „misbruik van een machtspositie”
b) Onderzoek of er sprake is van misbruik van een machtspositie
c) Kwalificatie van de regels betreffende de voorafgaande toestemming voor clubvoetbalcompetities en de deelname van clubs en sportbeoefenaren aan deze competities als misbruik van een machtspositie
2. Tweede vraag inzake de uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU met betrekking tot regels betreffende de voorafgaande toestemming voor clubvoetbalcompetities en de deelname van clubs en sportbeoefenaren aan deze competities
a) Gedrag dat „ertoe strekt” of „ten gevolge heeft” dat de mededinging wordt verstoord en beoordeling of er van een dergelijk gedrag sprake is
1) Onderzoek of er sprake is van gedrag dat „ertoe strekt” de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen
2) Onderzoek of er sprake is van gedrag dat „ten gevolge heeft” dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst
b) Kwalificatie van de regels betreffende de voorafgaande toestemming voor clubvoetbalcompetities en de deelname van clubs en sportbeoefenaren aan deze competities als besluit van een ondernemersvereniging dat „ertoe strekt” dat de mededinging wordt beperkt
3. Derde vraag inzake de uitlegging van artikel 101, lid 1, en artikel 102 VWEU met betrekking tot gedragingen waarbij clubs en sportbeoefenaren die aan niet-toegestane competities zouden deelnemen, worden bedreigd met sancties
4. Vijfde vraag inzake de mogelijkheid om regels betreffende voorafgaande toestemming voor competities en de deelname van clubs en sportbeoefenaren aan deze competities te rechtvaardigen
a) Mogelijkheid om sommige specifieke gedragingen aan te merken als gedragingen die niet onder artikel 101, lid 1, en artikel 102 VWEU vallen
b) Uitzondering als bedoeld in artikel 101, lid 3, VWEU
c) Objectieve rechtvaardiging in het licht van artikel 102 VWEU
5. Vierde vraag inzake de uitlegging van de artikelen 101 en 102 VWEU met betrekking tot regels betreffende rechten in verband met sportcompetities
a) Eigendom van de rechten in verband met sportcompetities
b) Exploitatie van de rechten in verband met sportcompetities
c) Bestaan van een rechtvaardigingsgrond
C. Zesde vraag betreffende het vrije verkeer
1. Vaststelling van de relevante vrijheid van verkeer
2. Bestaan van een beperking van de vrijheid van dienstverrichting
3. Bestaan van een rechtvaardigingsgrond
Kosten
„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Interne markt – Regelingen die zijn ingesteld door internationale sportorganisaties – Professioneel voetbal – Privaatrechtelijke entiteiten met regelgevende, toezichthoudende en sanctiebevoegdheden – Regels betreffende de voorafgaande toestemming voor competities, de deelname van voetbalclubs en spelers aan deze competities en de exploitatie van commerciële en mediarechten op deze competities – Parallelle uitoefening van economische activiteiten – Organisatie en in de markt zetten van competities – Exploitatie van bijbehorende commerciële en mediarechten – Artikel 101, lid 1, VWEU – Mededingingsverstorend besluit van een ondernemersvereniging – Begrippen ‚ertoe strekken’ en ‚ten gevolge hebben’ dat de mededinging wordt verstoord – Vrijstelling uit hoofde van artikel 101, lid 3, VWEU – Voorwaarden – Artikel 102 VWEU – Misbruik van een machtspositie – Rechtvaardiging – Voorwaarden – Artikel 56 VWEU – Belemmering van de vrijheid van dienstverrichting – Eventuele rechtvaardiging – Voorwaarden – Bewijslast”
In zaak C‑333/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil de Madrid (handelsrechter Madrid, Spanje) bij beslissing van 11 mei 2021, ingekomen bij het Hof op 27 mei 2021, in de procedure
European Superleague Company, S.L.
tegen
Fédération internationale de football association (FIFA),
Union des associations européennes de football (UEFA),
in tegenwoordigheid van:
A22 Sports Management, S.L.,
Real Federación Española de Fútbol (RFEF),
Liga Nacional de Fútbol Profesional (LNFP),
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, K. Jürimäe en O. Spineanu-Matei, kamerpresidenten, J.‑C. Bonichot, M. Safjan, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, J. Passer (rapporteur) en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 en 12 juli 2022,
gelet op de opmerkingen van:
– European Superleague Company, S.L., vertegenwoordigd door J.‑L. Dupont, avocat, B. Irissarry Robina en M. Odriozola Alén, abogados,
– de Fédération internationale de football association (FIFA), vertegenwoordigd door J. M. Baño Fos, abogado, M. Hoskins, barrister, en A. Pascual Morcillo, abogado,
– de Union des associations européennes de football (UEFA), vertegenwoordigd door H. Brokelmann, abogado, B. Keane, avocat, S. Love, barrister, D. Slater en D. Waelbroeck, avocats,
– A22 Sports Management, S.L., vertegenwoordigd door L. A. Alonso Díez, F. Giménez-Alvear Gutiérrez-Maturana, F. Irurzun Montoro, abogados, en M. Sánchez-Puelles González-Carvajal, procurador,
– de Real Federación Española de Fútbol (RFEF), vertegenwoordigd door P. Callol García, abogado, B. González Rivero, procuradora, T. González Cueto en J. Manzarbeitia Pérez, abogados,
– de Liga Nacional de Fútbol Profesional (LNFP), vertegenwoordigd door D. Crespo Lasso de la Vega, Y. Martínez Mata, M. Pajares Villarroya, J. Ramos Rubio en S. Rating, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz en A. Gavela Llopis als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Farver Kronborg, V. Pasternak Jørgensen, M. Søndahl Wolff en Y. Thyregod Kollberg als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller als gemachtigde,
– de Estse regering, vertegenwoordigd door N. Grünberg als gemachtigde,
– Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, Chief State Solicitor, A. Joyce en M. Tierney als gemachtigden, bijgestaan door S. Brittain, barrister,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits als gemachtigde,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, P. Dodeller, T. Stehelin en N. Vincent als gemachtigden,
– de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door D. Del Gaizo en S. L. Vitale, avvocati dello Stato,
– de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door I. Neophytou als gemachtigde,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča, K. Pommere en I. Romanovska als gemachtigden,
– de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door A. Germeaux en T. Uri als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, E. Gyarmati en K. Szíjjártó als gemachtigden,
– de Maltese regering, vertegenwoordigd door A. Buhagiar als gemachtigde,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door F. Koppensteiner als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Wiącek als gemachtigden,
– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, R. Capaz Coelho en C. Chambel Alves als gemachtigden, bijgestaan door J. L. da Cruz Vilaça, advogado,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, L. Liţu en A. Rotăreanu als gemachtigden,
– de Sloveense regering, vertegenwoordigd door A. Dežman Mušič en N. Pintar Gosenca als gemachtigden,
– de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Drugda en B. Ricziová als gemachtigden,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door O. Simonsson, M. Salborn Hodgson en H. Shev als gemachtigden,
– de IJslandse regering, vertegenwoordigd door J. B. Bjarnadóttir als gemachtigde, bijgestaan door G. Bergsteinsson, avocat,
– de Noorse regering, vertegenwoordigd door F. Bersgø, L.‑M. Moen Jünge, O. S. Rathore en P. Wennerås als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Baches Opi, M. Mataija, G. Meessen, C. Urraca Caviedes en H. van Vliet als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2022,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van in de eerste plaats de artikelen 101 en 102 VWEU en in de tweede plaats de artikelen 45, 49, 56 en 63 VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen European Superleague Company, S.L. (hierna: „ESLC”) enerzijds en de Fédération internationale de football association (FIFA) en de Union des associations européennes de football (UEFA) anderzijds, inzake een verzoek om een verklaring dat de FIFA en de UEFA inbreuk hebben gemaakt op de artikelen 101 en 102 VWEU, een bevel tot staking van deze inbreuken alsook verschillende uitdrukkelijke bevelen tegen die entiteiten.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Statuten van de FIFA
3 De FIFA is een in Zwitserland gevestigde privaatrechtelijke vereniging. Volgens artikel 2 van haar statuten, in de versie van september 2020 als bedoeld in de verwijzingsbeslissing (hierna: „FIFA-statuten”), heeft zij onder meer tot doel om „de eigen internationale competities te organiseren”, „regels en voorschriften voor het voetbal en aanverwante aangelegenheden vast te stellen en toe te zien op de naleving ervan” en op mondiaal niveau „het voetbal in al zijn vormen te controleren door alle maatregelen te nemen die nodig of wenselijk blijken om schendingen van de statuten, de reglementen en de besluiten van de FIFA en de regels van het spel te voorkomen”.
4 Overeenkomstig de artikelen 11 en 14 van de FIFA-statuten kan elke „bond die verantwoordelijk is voor de organisatie van en het toezicht op het voetbal” in een bepaald land lid worden van de FIFA, op voorwaarde dat deze bond reeds lid is van een van de zes door de FIFA erkende en in artikel 22 van deze statuten bedoelde continentale confederaties, waaronder de UEFA, en dat deze bond zich er voorafgaand toe verbindt zich te houden aan, onder andere, de statuten, reglementen, richtsnoeren en besluiten van de FIFA, alsmede aan die van de continentale confederatie waar deze bond al lid van is. Concreet zijn thans meer dan 200 nationale voetbalbonden lid van de FIFA. In die hoedanigheid zijn deze nationale voetbalbonden krachtens de artikelen 14 en 15 van de FIFA-statuten onder meer verplicht ervoor te zorgen dat de statuten, reglementen, richtsnoeren en besluiten van de FIFA niet alleen door hun eigen leden of aangeslotenen worden nageleefd, maar ook door alle actoren in het voetbal, in het bijzonder de professionele competities, de clubs en de spelers.
5 Artikel 20 („Status van clubs, competities en andere groepen van clubs”) van deze statuten bepaalt in lid 1: „Clubs, competities of andere groepen van clubs die lid zijn van een aangesloten bond, zijn ondergeschikt aan en moeten worden erkend door deze aangesloten bond. De bevoegdheden, rechten en plichten van deze groepen zijn vastgesteld in de statuten van de aangesloten bond en hun eigen statuten en reglementen moeten worden goedgekeurd door de aangesloten bond.”
6 Artikel 22 („Confederaties”) van de statuten bepaalt in de leden 1 en 3: „1. De aangesloten bonden van hetzelfde continent zijn gegroepeerd in de volgende door de FIFA erkende confederaties: […] c) Union des associations européennes de football – UEFA […] De erkenning door de FIFA van elke confederatie houdt in dat ieders gezag op de respectieve institutionele bevoegdheidsgebieden zoals beschreven in deze statuten, volledig wederzijds wordt geëerbiedigd. […] 3. Elke confederatie heeft de volgende rechten en plichten: a) het naleven en handhaven van de statuten, reglementen en besluiten van de FIFA; b) het nauw samenwerken met de FIFA op alle gebieden die verband houden met de verwezenlijking van het doel van artikel 2 en de organisatie van internationale competities; c) het organiseren van de eigen clubcompetities overeenkomstig het internationale speelschema; d) het organiseren van alle internationale competities volgens het internationale speelschema; e) het verzekeren dat er geen internationale competitie of soortgelijke groepen van clubs of competities wordt gevormd zonder haar toestemming en die van de FIFA; […]”
7 Volgens artikel 24 van de FIFA-statuten bestaat de FIFA met name uit het „Congres” – een „regelgevend orgaan” – dat de „hoogste instantie” van de organisatie is, de „Raad” – een „strategisch en toezichthoudend orgaan” – en het „Secretariaat-Generaal” –een „uitvoerend, operationeel en administratief orgaan”.
8 Artikel 67 („Rechten op competities en evenementen”) van de statuten luidt als volgt: „1. De FIFA, de aangesloten bonden en de confederaties zijn de oorspronkelijke houders – zonder beperking ten aanzien van inhoud, tijd, plaats of recht – van alle rechten die uit competities en andere evenementen binnen hun respectieve bevoegdheidsgebied kunnen voortvloeien. Deze rechten omvatten met name alle soorten vermogensrechten, audiovisuele opname-, reproductie- en uitzendrechten, multimediarechten, marketing- en promotierechten, en intellectuele-eigendomsrechten zoals rechten op onderscheidende tekens en auteursrechten. 2. De Raad bepaalt hoe deze rechten worden geëxploiteerd en in welke mate zij worden gebruikt, en stelt hiertoe bijzondere bepalingen vast. Het staat de [FIFA-raad] vrij om te beslissen of hij deze rechten alleen of samen met derden exploiteert dan wel de exploitatie ervan aan derden delegeert.”
9 Artikel 68 („Toestemming tot uitzending”) van deze statuten bepaalt in lid 1: „De FIFA, de aangesloten bonden en de confederaties zijn als enigen bevoegd om toestemming te geven voor de uitzending van onder hun bevoegdheid vallende wedstrijden en evenementen, met name via audiovisuele media, zonder beperkingen ten aanzien van plaats, inhoud, datum, techniek of rechten.”
10 Artikel 71 („Internationale competities en wedstrijden”) van de FIFA-statuten schrijft voor: „1. De Raad is bevoegd om alle reglementen uit te vaardigen betreffende de organisatie van internationale competities en wedstrijden waaraan wordt deelgenomen door vertegenwoordigende teams, divisies, clubs en/of gelegenheidsteams. Geen wedstrijd of competitie kan plaatsvinden zonder voorafgaande toestemming van de FIFA, de confederaties en/of de betrokken aangesloten bond. De nadere regels zijn neergelegd in het reglement betreffende internationale wedstrijden. 2. De Raad kan bepalingen vaststellen met betrekking tot die wedstrijden en competities. 3. De Raad stelt de criteria vast voor de toestemming voor bijzondere situaties die niet in het reglement betreffende internationale wedstrijden zijn voorzien. 4. Onverminderd de in het reglement betreffende internationale wedstrijden verleende bevoegdheden inzake het verlenen van toestemming kan de FIFA definitief beslissen over de toestemming van internationale wedstrijden of competities.”
11 Artikel 72 („Contacten”) van deze statuten bepaalt in lid 1: „Spelers of teams die behoren tot een aangesloten bond of tot een voorlopig toegelaten lid van een confederatie spelen geen wedstrijden tegen, en hebben geen sportief contact met andere spelers of teams die niet behoren tot een aangesloten bond of een voorlopig toegelaten lid van een confederatie zonder toestemming van de FIFA.”
12 Artikel 73 („Toestemming”) van deze statuten luidt: „Verenigingen, divisies of clubs die behoren tot een aangesloten bond kunnen alleen in uitzonderlijke omstandigheden lid worden van een andere aangesloten bond of deelnemen aan competities op het grondgebied van een andere aangesloten bond. In elk geval is daartoe de toestemming van de twee aangesloten bonden, de betrokken confederatie(s) en de FIFA vereist.”
B. Reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden
13 Artikel 1 van het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden, in de versie die sinds 1 mei 2014 van kracht is, bepaalt dat in dit reglement de toestemmingen, kennisgevingen en andere vereisten zijn vastgesteld die van toepassing zijn op de organisatie van wedstrijden of competities tussen teams die behoren tot verschillende nationale voetbalbonden die zijn aangesloten bij de FIFA, de organisatie van wedstrijden of competities tussen teams die behoren tot één en dezelfde nationale bond wanneer deze worden gespeeld in een derde land, en de organisatie van wedstrijden of competities waaraan wordt deelgenomen door spelers of teams die niet behoren tot een nationale bond.
14 Volgens artikel 2 van dit reglement vallen alle internationale wedstrijden en competities binnen de werkingssfeer ervan, met uitzondering van wedstrijden die worden gespeeld in het kader van competities die worden georganiseerd door de FIFA of door een van de door de FIFA erkende continentale confederaties.
15 Volgens artikel 6 van dit reglement moet voor alle internationale wedstrijden toestemming worden verkregen van, naargelang het geval, de FIFA, de betrokken continentale confederatie en/of de bij de FIFA aangesloten nationale voetbalbonden waar de deelnemende teams lid van zijn of binnen wier territoriale bevoegdheid de wedstrijden worden gespeeld.
16 In overeenstemming met artikelen 7 en 10 van dit reglement moet voor elke „internationale wedstrijd van de eerste categorie”, die wordt gedefinieerd als een wedstrijd tussen de eerste vertegenwoordigende teams van twee bij de FIFA aangesloten nationale voetbalbonden, toestemming worden verleend door de FIFA, de continentale confederatie en de betrokken nationale bonden. Daarentegen moet krachtens de artikelen 8 en 11 van het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden voor elke „internationale wedstrijd van de tweede categorie”, die wordt gedefinieerd als een wedstrijd tussen het eerste vertegenwoordigende team van één nationale bond, een ander vertegenwoordigend team van die nationale bond, een team dat bestaat uit spelers die bij verschillende clubs van dezelfde nationale bond zijn ingeschreven, of het eerste team van een club die in de hoogste divisie van een nationale bond speelt, alleen toestemming worden verleend door de betrokken continentale confederaties en aangesloten nationale bonden.
C. Statuten van de UEFA
17 De UEFA is eveneens een in Zwitserland gevestigde privaatrechtelijke vereniging.
18 In artikel 2, lid 1, van de UEFA-statuten is bepaald dat de UEFA tot doel heeft: „a) alle aangelegenheden betreffende het Europese voetbal te behandelen; b) het voetbal in Europa in een geest van vrede, begrip en fair play, zonder discriminatie op grond van politiek, geslacht, religie, ras of enige andere reden te bevorderen; c) toezicht en controle uit te oefenen op de ontwikkeling van het voetbal in Europa in al zijn vormen; d) internationale voetbalcompetities en -toernooien in al hun vormen op Europees niveau voor te bereiden en te organiseren […]; e) methoden of praktijken te voorkomen die het goede verloop van wedstrijden of competities in gevaar brengen of die aanleiding geven tot misbruik in het voetbal; f) ethische normen en goed bestuur in het Europese voetbal te bevorderen en te beschermen; g) te waarborgen dat de sportieve waarden altijd voorrang hebben op de commerciële belangen; h) de inkomsten uit het voetbal volgens het solidariteitsbeginsel te herverdelen en de herinvestering ten gunste van alle niveaus en sectoren van het voetbal, in het bijzonder het amateurvoetbal, te ondersteunen; i) de eenheid tussen de aangesloten bonden te bevorderen bij aangelegenheden met betrekking tot het Europese en mondiale voetbal; j) de collectieve belangen van de aangesloten bonden te behartigen; k) ervoor te zorgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met de belangen van de verschillende belanghebbenden in het Europese voetbal (competities, clubs, spelers, supporters); l) op te treden als de representatieve stem van de gehele Europese voetbalfamilie; m) goede betrekkingen te onderhouden en samen te werken met de FIFA en de andere door de FIFA erkende confederaties; n) ervoor te zorgen dat haar vertegenwoordigers binnen de FIFA loyaal en in een geest van Europese solidariteit handelen; o) de belangen van de aangesloten bonden met elkaar te verzoenen, geschillen tussen hen te beslechten en hen op hun verzoek bij te staan in bepaalde aangelegenheden.”
19 Ingevolge artikel 5 van deze statuten kan elke bond die is gevestigd in een Europees land dat door de meerderheid van de leden van de Verenigde Naties (VN) als onafhankelijke staat is erkend, en die verantwoordelijk is voor het organiseren van het voetbal in dat land, lid worden van de UEFA. Volgens artikel 7 bis van die statuten houdt dat lidmaatschap voor de betrokken bonden de verplichting in om onder meer de statuten, de reglementen en de besluiten van de UEFA na te leven en ervoor te zorgen dat deze in hun land eveneens worden nageleefd in het kader van de door hen georganiseerde nationale professionele competities alsook door de clubs en de spelers. Concreet zijn thans meer dan 50 nationale voetbalbonden lid van de UEFA.
20 Luidens de artikelen 11 en 12 van die statuten bestaan de organen van de UEFA onder meer uit het „Congres” – het hoogste orgaan – en een „Uitvoerend Comité”.
21 Artikel 49 („Competities”) van de UEFA-statuten luidt: „1. Alleen de UEFA bepaalt de instelling en opheffing van internationale competities in Europa waaraan haar bonden en/of clubs deelnemen. Deze bepaling geldt niet voor FIFA-competities. […] 3. Voor de internationale wedstrijden, competities en toernooien die op het grondgebied van de UEFA worden gespeeld maar niet door haar zijn georganiseerd, moet vooraf door de FIFA en/of de UEFA en/of de bevoegde aangesloten bonden toestemming worden verleend, overeenkomstig het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden en de door het Uitvoerend comité van de UEFA vastgestelde aanvullende uitvoeringsbepalingen.”
22 Artikel 51 („Verboden betrekkingen”) van deze statuten bepaalt: „1. Groepen of allianties van bij de UEFA aangesloten bonden of competities of van clubs die direct of indirect zijn aangesloten bij verschillende UEFA-bonden kunnen niet worden gevormd zonder toestemming van de UEFA. 2. UEFA-leden of daarbij aangesloten competities of clubs kunnen zonder toestemming van de aangesloten bonden geen wedstrijden spelen of organiseren buiten hun eigen grondgebied.”
II. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
A. Superleague-project
23 ESLC is een in Spanje gevestigde privaatrechtelijke vennootschap. De vennootschap is opgericht op initiatief van een groep professionele voetbalclubs die zelf gevestigd zijn in Spanje (Club Atlético de Madrid, Fútbol Club Barcelona en Real Madrid Club de Fútbol), Italië (Associazione Calcio Milan, Football Club Internazionale Milano en Juventus Football Club) en het Verenigd Koninkrijk (Arsenal Football Club, Chelsea Football Club, Liverpool Football Club, Manchester City Football Club, Manchester United Football Club en Tottenham Hotspur Football Club). Volgens de verwijzingsbeslissing heeft de vennootschap tot doel een nieuwe internationale professionele voetbalcompetitie op te richten met de naam „Superleague”. Daartoe heeft zij drie andere vennootschappen opgericht of was zij voornemens dit te doen. De eerste vennootschap zou verantwoordelijk zijn voor het financiële, sportieve en disciplinaire beheer van de Superleague zodra deze van start gaat, de tweede voor de exploitatie van de mediarechten in verband met deze competitie en de derde voor de exploitatie van de andere commerciële activa in verband met deze competitie.
24 A22 Sports Management, S.L., is eveneens een in Spanje gevestigde privaatrechtelijke vennootschap. Naar eigen zeggen beoogt deze vennootschap diensten te verlenen met betrekking tot de oprichting en het beheer van professionele voetbalcompetities, en meer in het bijzonder het Superleague-project.
25 Wat de lancering van dit project betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing om te beginnen dat de professionele voetbalclubs die ESLC hebben opgericht, een nieuwe internationale voetbalcompetitie wilden opzetten die twaalf tot vijftien professionele voetbalclubs met de status van permanente leden omvat alsmede een nog te vast te stellen aantal professionele voetbalclubs die de status van „gekwalificeerde clubs” hebben en die volgens een bepaald proces zouden worden geselecteerd.
26 Voorts was dit project gebaseerd op een aandeelhouders- en investeringsovereenkomst op grond waarvan een reeks contracten zou worden gesloten tussen elk van de professionele voetbalclubs die deelnemen of voornemens zijn deel te nemen aan de Superleague, en de drie door ESLC opgerichte of op te richten vennootschappen, en waarin met name moest worden vastgesteld onder welke voorwaarden deze clubs hun media- of commerciële rechten op deze competitie aan ESLC zouden overdragen en tegen welke vergoeding deze overdracht zou plaatsvinden. De aandeelhouders- en investeringsovereenkomst voorzag verder in de sluiting van een reeks contracten tussen deze drie vennootschappen met het oog op de coördinatie van de verlening van de diensten die nodig zijn voor het beheer van de Superleague, de exploitatie van de aan ESLC overgedragen rechten en de toewijzing aan de deelnemende clubs van de middelen die ESLC ter beschikking staan. De terbeschikkingstelling van deze middelen zelf was vastgesteld in een brief waarin JP Morgan AG aan ESLC financiële steun en een infrastructuursubsidie in de vorm van een overbruggingskrediet ten belope van maximaal ongeveer 4 miljard EUR had toegezegd teneinde de oprichting en de voorlopige financiering van de Superleague mogelijk te maken in afwachting van de organisatie van een obligatie-uitgifte op de kapitaalmarkten.
27 Ten slotte werd de oprichting van de Superleague en de terbeschikkingstelling van de daarvoor benodigde middelen in de betrokken aandeelhouders- en investeringsovereenkomst afhankelijk gesteld van een opschortende voorwaarde, namelijk ofwel dat deze internationale competitie door de FIFA of de UEFA wordt erkend en in overeenstemming wordt geacht met de door deze twee entiteiten vastgestelde regels, dan wel dat de bevoegde administratieve of rechterlijke autoriteiten rechtsbescherming verlenen zodat professionele voetbalclubs met de status van permanent lid van deze competitie daaraan kunnen deelnemen zonder dat dit gevolgen heeft voor hun lidmaatschap van de nationale voetbalbonden of hun deelname aan de professionele competities of de internationale competities waaraan zij tot dan toe hebben deelgenomen. Hiertoe was in de aandeelhouders- en investeringsovereenkomst met name bepaald dat de FIFA en de UEFA op de hoogte zouden worden gebracht van het Superleague-project.
B. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
28 Het hoofdgeding vindt zijn oorsprong in een handelsrechtelijke vordering, met daarbij een verzoek tot vaststelling van conservatoire maatregelen zonder debat op tegenspraak (inaudita parte), die door ESLC tegen de FIFA en de UEFA is ingesteld bij de Juzgado de lo Mercantil de Madrid (handelsrechter Madrid, Spanje).
29 Volgens de verwijzende rechter is de vordering ingesteld nadat ESLC het Superleague-project had gelanceerd en de FIFA en de UEFA hun bezwaar tegen dat project kenbaar hadden gemaakt.
30 Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat de FIFA en de zes door haar erkende continentale confederaties, waaronder de UEFA, op 21 januari 2021 een verklaring hebben bekendgemaakt waarin zij ten eerste weigerden de Superleague te erkennen, ten tweede waarschuwden dat elke professionele voetbalclub of speler die aan deze internationale competitie zou deelnemen van de door de FIFA en de UEFA georganiseerde competities zou worden uitgesloten, en ten derde benadrukten dat alle internationale voetbalcompetities moeten worden georganiseerd of goedgekeurd door de bevoegde entiteiten zoals bedoeld in de statuten van de FIFA en de continentale confederaties. Deze verklaring bevatte met name de volgende passage: „Naar aanleiding van recente speculaties in de media over de oprichting van een gesloten Europese ‚Super League’ door bepaalde Europese clubs, willen de FIFA en de zes confederaties […] er nogmaals op wijzen en ondubbelzinnig benadrukken dat een dergelijke competitie noch door de FIFA noch door de betrokken confederatie zal worden erkend. Clubs of spelers die aan een dergelijke competitie deelnemen, wordt het recht ontzegd om deel te nemen aan om het even welke competitie die door de FIFA of hun confederatie wordt georganiseerd. Overeenkomstig de statuten van de FIFA en de confederaties moeten alle competities door de bevoegde organisatie op het desbetreffende niveau, door de FIFA op internationaal niveau, en door de betrokken confederatie op continentaal niveau worden georganiseerd of erkend.”
31 Op 18 april 2021 hebben de UEFA, de Engelse, de Spaanse en de Italiaanse voetbalbond en enkele daaronder vallende professionele competities in een ander bericht met name meegedeeld dat „de betrokken clubs zullen worden uitgesloten van deelname aan elke andere competitie op nationaal, Europees of mondiaal niveau, en hun spelers de mogelijkheid kan worden ontzegd om hun nationale team te vertegenwoordigen”.
32 Op 19 en 20 april 2021 heeft de verwijzende rechter achtereenvolgens de vordering van ESLC ontvankelijk verklaard en bij wijze van conservatoire maatregel en zonder debat op tegenspraak een reeks bevelen gegeven die er in wezen toe strekken de FIFA, de UEFA en, via hen, de aangesloten nationale voetbalbonden te verplichten zich gedurende de gehele gerechtelijke procedure te onthouden van elke gedraging die de oprichting van de Superleague en de deelname van professionele voetbalclubs en spelers daaraan kan verhinderen of belemmeren, en in het bijzonder van elke tuchtmaatregel, sanctie of dreiging met dergelijke maatregelen of sancties tegen clubs of spelers.
33 Ter ondersteuning van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wijst de verwijzende rechter er in de eerste plaats in wezen op dat uit vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht volgt dat sport niet is uitgesloten van de werkingssfeer van de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van verkeer (arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497) en van de mededingingsregels (arresten van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, en 26 januari 2005, Piau/Commissie, T‑193/02, EU:T:2005:22).
34 In de tweede plaats overweegt de verwijzende rechter dat de twee onderscheiden, maar elkaar aanvullende economische activiteiten die in casu de betrokken materiële en geografische markt vormen, bestaan in de organisatie en het in de markt zetten van internationale clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Europese Unie en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities, ongeacht of het gaat om vermogensrechten, audiovisuele opname-, reproductie- en uitzendrechten, andere mediarechten, commerciële rechten of intellectuele-eigendomsrechten.
35 In de derde plaats meent hij dat de FIFA en de UEFA reeds lang een economische en commerciële monopoliepositie, en dus een machtspositie op de betrokken markt innemen, waardoor zij onafhankelijk van elke potentiële mededinging kunnen optreden, zij verplichte partners zijn voor elke entiteit die reeds op deze markt actief is of die in de ene of de andere hoedanigheid deze markt wil betreden, en zij een bijzondere verantwoordelijkheid dragen om de mededinging in stand te houden.
36 In dit verband wijst de verwijzende rechter er allereerst op dat de machtspositie van de FIFA en de UEFA niet alleen drukt op ondernemingen die met hen zouden willen concurreren door andere internationale voetbalcompetities te organiseren, maar ook – via de nationale voetbalbonden die erbij zijn aangesloten – op alle andere actoren in het voetbal, zoals professionele voetbalclubs of spelers, en dat dit een situatie is waarover het Gerecht zich reeds heeft gebogen (arrest van 26 januari 2005, Piau/Commissie, T‑193/02, EU:T:2005:22). Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat de machtspositie van de FIFA en de UEFA op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde markt niet alleen berust op een economisch en commercieel monopolie, maar ook, en uiteindelijk vooral, op het bestaan van regelgevende, toezichthoudende, beslissings- en sanctiebevoegdheden waardoor de FIFA en de UEFA op dwingende en omvattende wijze kunnen regelen onder welke voorwaarden alle andere actoren op die markt een economische activiteit kunnen uitoefenen. Ten slotte zet de verwijzende rechter uiteen dat de combinatie van al deze elementen in de praktijk een toetredingsdrempel opwerpt die voor potentiële concurrenten van de FIFA en de UEFA vrijwel onoverkomelijk is. In het bijzonder zouden zij worden geconfronteerd met de regels betreffende voorafgaande toestemming die van toepassing zijn op de organisatie van internationale voetbalcompetities en de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities, alsook met de regels betreffende toe-eigening en exclusieve exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities.
37 In de vierde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de gedragingen van de FIFA en de UEFA niet in twee opzichten een krachtens artikel 102 VWEU verboden misbruik van een machtspositie vormen.
38 Dienaangaande wijst deze rechter er om te beginnen op dat uit de rechtspraak van het Hof en het Gerecht (arresten van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 51 en 52, en 16 december 2020, International Skating Union/Commissie, T‑93/18, EU:T:2020:610, punt 70), volgt dat de omstandigheid dat, bij wettelijke of bestuursrechtelijke regeling, aan een sportvereniging die een economische activiteit op het gebied van de organisatie en het in de markt zetten van sportcompetities uitoefent, de bevoegdheid wordt verleend om parallel, rechtens of feitelijk, de andere ondernemingen aan te wijzen die dergelijke competities mogen organiseren, zonder dat deze bevoegdheid gepaard gaat met beperkingen, verplichtingen of toezicht, die sportvereniging een duidelijk voordeel ten opzichte van haar concurrenten oplevert, doordat zij hun de toegang tot de markt kan ontzeggen en tegelijk haar eigen economische activiteit kan begunstigen.
39 Gelet op deze rechtspraak is de verwijzende rechter van oordeel dat in casu kan worden geconcludeerd dat de FIFA en de UEFA misbruik maken van hun machtspositie op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde markt. Door de regels die deze twee entiteiten in hun hoedanigheid van vereniging en krachtens de zichzelf toegekende regelgevende en toezichthoudende bevoegdheden hebben vastgesteld met betrekking tot de voorafgaande toestemming voor internationale voetbalcompetities, kunnen zij de toetreding van potentieel concurrerende ondernemingen tot deze markt immers verhinderen, te meer daar deze bevoegdheden worden gecombineerd met beslissings- en sanctiebevoegdheden die hun de mogelijkheid bieden om zowel de bij hen aangesloten nationale voetbalbonden als de andere actoren in het voetbal, in het bijzonder de professionele voetbalclubs en de spelers, te dwingen hun monopolie op deze markt te eerbiedigen. Bovendien bevatten de statuten van de FIFA en de UEFA geen bepalingen die garanderen dat de uitvoering van deze regels betreffende voorafgaande toestemming en, meer in het algemeen, de beslissings- en sanctiebevoegdheden waarmee zij worden gecombineerd, uitsluitend wordt geleid door doelstellingen van algemeen belang en niet door commerciële of financiële belangen in verband met de economische activiteit die deze twee entiteiten parallel ontplooien. Ten slotte worden deze regels en bevoegdheden niet afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn, zodat de discretionaire bevoegdheid van de FIFA en de UEFA wordt beperkt. De maatregelen die deze twee entiteiten hebben aangekondigd na de lancering van het Superleague-project zijn tekenend voor deze situatie.
40 Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af of de FIFA en de UEFA niet ook inbreuk maken op de artikelen 101 en 102 VWEU door zich via hun statuten alle economische en juridische rechten in verband met de op het grondgebied van de Unie georganiseerde internationale voetbalcompetities toe te eigenen en door de exclusieve exploitatie van deze rechten aan zichzelf voor te behouden. De regels die de FIFA dienaangaande heeft vastgesteld, kennen de FIFA, de UEFA en de daarbij aangesloten nationale voetbalbonden namelijk de status van „oorspronkelijke houder” van deze rechten toe, zodat de professionele voetbalclubs die aan die competities deelnemen, de eigendom over deze rechten wordt ontzegd of dat zij verplicht worden deze rechten aan deze twee entiteiten over te dragen. Bovendien worden deze regels gecombineerd met de regels betreffende voorafgaande toestemming en, meer in het algemeen, met de regelgevende, toezichthoudende, beslissings- en sanctiebevoegdheden waarover de FIFA en de UEFA voor het overige beschikken, om de betrokken markt af te schermen voor alle potentiële concurrerende ondernemingen of, op zijn minst, om hen ervan te weerhouden deze markt te betreden door hun mogelijkheden tot exploitatie van de verschillende rechten in verband met de betrokken competities te beperken.
41 In de vijfde plaats merkt de verwijzende rechter op dat de gedragingen van de FIFA en de UEFA ook in strijd kunnen zijn met het verbod op mededingingsverstorende regelingen van artikel 101 VWEU.
42 Dienaangaande meent deze rechter ten eerste dat in de artikelen 20, 22, 67, 68 en 71 tot en met 73 van de FIFA-statuten, de artikelen 49 en 51 van de UEFA-statuten en de toepasselijke artikelen van het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden het besluit tot uitdrukking komt – dat elk van deze twee ondernemersverenigingen heeft genomen en met name op het grondgebied van de Unie van toepassing is – om hun gedrag en dat van de direct of indirect tot hun leden behorende ondernemingen op de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities te coördineren door het aan bepaalde gemeenschappelijke regels en voorwaarden te onderwerpen. Afgezien van de in deze artikelen vervatte regels betreffende voorafgaande toestemming, beslissingen en sancties, bevatten deze artikelen immers verschillende bepalingen die moeten waarborgen dat zij worden nageleefd door zowel de nationale voetbalbonden die lid zijn van de FIFA en de UEFA, als de professionele voetbalclubs die lid zijn van of aangesloten zijn bij deze nationale bonden.
43 Ten tweede is de verwijzende rechter van oordeel dat uit de analyse van de inhoud, de economische en juridische context en de doelstellingen van de betrokken regels en, in casu, de door de FIFA en de UEFA op 21 januari en 18 april 2021 aangekondigde uitvoeringsmaatregelen blijkt dat deze regels de mededinging op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde markt kunnen beperken. Verwijzend naar alle elementen die reeds zijn reeds genoemd in het kader van zijn analyse in het licht van artikel 102 VWEU, voegt de verwijzende rechter daar meer in het algemeen aan toe dat de voor hem gerezen mededingingskwestie uiteindelijk voortvloeit uit de omstandigheid dat de FIFA en de UEFA zowel ondernemingen zijn die de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van internationale clubvoetbalcompetities, met name op het grondgebied van de Unie, en de markt voor de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities monopoliseren, als privaatrechtelijke verenigingen die krachtens hun eigen statuten beschikken over regelgevende, toezichthoudende, beslissings- en sanctiebevoegdheden ten aanzien van alle andere actoren in het voetbal, ongeacht of het gaat om marktdeelnemers dan wel om sportbeoefenaren. Door gelijktijdig „regelgever en partij” te zijn, bevinden de FIFA en de UEFA zich kennelijk in een belangenconflict dat hen ertoe kan aanzetten hun bevoegdheden betreffende voorafgaande toestemming en sancties aan te wenden om te verhinderen dat internationale voetbalcompetities worden opgezet die geen deel uitmaken van hun systeem, en zo elke potentiële mededinging op de markt te belemmeren.
44 In de zesde en laatste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de regels die de FIFA en de UEFA hebben vastgesteld betreffende voorafgaande toestemming en sancties en de maatregelen die deze twee entiteiten in casu op 21 januari en 18 april 2021 hebben aangekondigd, afbreuk doen aan zowel het vrije verkeer van werknemers dat geldt voor spelers die in dienst zijn of kunnen zijn van professionele voetbalclubs die aan internationale voetbalcompetities zoals de Superleague willen deelnemen, als de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging die gelden voor deze clubs en voor de ondernemingen die andere diensten in verband met de organisatie en het in de markt zetten van deze competities aanbieden, alsook aan het vrije verkeer van kapitaal dat nodig is voor de oprichting van deze competities.
45 In dit verband merkt de verwijzende rechter in het bijzonder op dat een regeling van overheidswege of met een privaatrechtelijke herkomst waarbij een stelsel van voorafgaande toestemming wordt ingevoerd, volgens vaste rechtspraak van het Hof niet alleen moet worden gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang, maar ook het evenredigheidsbeginsel moet eerbiedigen, wat met name inhoudt dat door middel van transparante, objectieve en niet-discriminerende criteria grenzen worden gesteld aan de uitoefening van de beoordelingsvrijheid van een entiteit die bevoegd is om een dergelijke toestemming te verlenen (arrest van 22 januari 2002, Canal Satélite Digital, C‑390/99, EU:C:2002:34, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In casu is volgens de verwijzende rechter echter niet aan deze verschillende vereisten voldaan, zoals blijkt uit de verschillende elementen die worden genoemd in het kader van de analyse in het licht van de artikelen 101 en 102 VWEU.
47 Daarop heeft de Juzgado de lo Mercantil de Madrid de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 102 VWEU aldus worden uitgelegd dat het misbruik van een machtspositie verbiedt, dat erin bestaat dat de FIFA en de UEFA in hun statuten (in het bijzonder de artikelen 22 en 71‑73 van de statuten van de FIFA, de artikelen 49 en 51 van de statuten van de UEFA, alsmede alle soortgelijke artikelen in de statuten van de aangesloten bonden en de nationale competities) bepalen dat voor het opzetten van een nieuwe Europese clubcompetitie zoals de [ESL] door een derde entiteit voorafgaande toestemming van deze organisaties, die zichzelf de exclusieve bevoegdheid hebben gegeven om internationale clubcompetities in Europa te organiseren of toe te staan, vereist is, met name wanneer er geen voorgeschreven procedure op basis van objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria bestaat en er bij de FIFA en de UEFA mogelijkerwijs sprake is van een belangenconflict? 2) Moet artikel 101 VWEU aldus worden uitgelegd dat het de FIFA en de UEFA verbiedt om in hun statuten (in het bijzonder de artikelen 22 en 71‑73 van de statuten van de FIFA, de artikelen 49 en 51 van de statuten van de UEFA, alsmede alle soortgelijke artikelen in de statuten van de aangesloten bonden en de nationale competities) te bepalen dat voor het opzetten van een nieuwe Europese clubcompetitie zoals de [ESL] door een derde entiteit voorafgaande toestemming van deze organisaties, die zichzelf de exclusieve bevoegdheid hebben gegeven om internationale clubcompetities in Europa te organiseren of toe te staan, vereist is, met name wanneer er geen voorgeschreven procedure op basis van objectieve en non-discriminatoire criteria bestaat en er bij de FIFA en de UEFA mogelijkerwijs sprake is van een belangenconflict? 3) Moeten de artikelen 101 en 102 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij de FIFA, de UEFA, de aangesloten bonden en/of de nationale competities verbieden om clubs die aan de [ESL] deelnemen en/of hun spelers te bedreigen met sancties, vanwege het afschrikkende effect dat daarvan kan uitgaan? Levert de uitsluiting van competities of het verbod van deelname aan voetbalinterlands een inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU op wanneer deze sancties niet op objectieve, transparante en non-discriminatoire criteria zijn gebaseerd? 4) Moeten de artikelen 101 en 102 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het bepaalde in de artikelen 67 en 68 van de statuten van de FIFA, voor zover de UEFA en de bij de UEFA aangesloten nationale bonden daarin worden aangewezen als oorspronkelijke houders van alle rechten die voortvloeien uit de competities die onder hun respectieve bevoegdheid vallen, waardoor de deelnemende clubs en de organisator van een alternatieve competitie de oorspronkelijke eigendom van die rechten wordt ontnomen en de UEFA en de nationale bonden zichzelf als enige bevoegd achten om die rechten te exploiteren? 5) Indien de FIFA en de UEFA – als organisaties die zichzelf de exclusieve bevoegdheid hebben gegeven om internationale competities voor voetbalclubs in Europa te organiseren en toe te staan – op grond van de genoemde bepalingen van hun statuten verbieden of zich ertegen verzetten dat de [ESL] wordt opgezet, moet artikel 101 VWEU dan aldus worden uitgelegd dat die beperkingen van de mededinging onder de in deze bepaling neergelegde uitzondering kunnen vallen, wanneer zij de productie aanzienlijk beperken, verhinderen dat alternatieve producten voor de door de FIFA en de UEFA aangeboden producten op de markt komen en innovatie beperken doordat er geen andere competitieformats en -vormen mogelijk zijn, hetgeen tot gevolg heeft dat potentiële mededinging op de markt wordt uitgeschakeld en de keuze van de consument wordt beperkt? Bestaat er voor een dergelijke beperking een objectieve rechtvaardiging op grond waarvan kan worden aangenomen dat er geen sprake is van misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU? 6) Moeten de artikelen 45, 49, 56 of 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat bepalingen als die in de statuten van de FIFA en de UEFA (in het bijzonder de artikelen 22 en 71‑73 van de statuten van de FIFA, de artikelen 49 en 51 van de statuten van de UEFA, alsmede alle soortgelijke artikelen in de statuten van de aangesloten bonden en de nationale competities) op grond waarvan voorafgaande toestemming van deze organisaties vereist is voor een marktdeelnemer uit een lidstaat om een Europese clubcompetitie als de [ESL] op te zetten, een beperking vormen die in strijd is met een van de in die artikelen van het VWEU erkende vrijheden [van verkeer]?”
III. Procedure bij het Hof
48 In zijn verwijzingsbeslissing heeft de Juzgado de lo Mercantil de Madrid het Hof verzocht om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Tot staving van dit verzoek heeft hij er ten eerste op gewezen dat het hoofdgeding en de aan het Hof voorgelegde vragen vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt belangrijk en gevoelig zijn, aangezien dit geschil en deze vragen betrekking hebben op de organisatie van voetbalcompetities op het grondgebied van de Unie en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities. Ten tweede heeft hij toegelicht dat deze vragen zijn voorgelegd in het kader van een nationale gerechtelijke procedure die reeds aanleiding had gegeven tot de vaststelling van conservatoire maatregelen en die een zekere spoedeisendheid vertoonde, gelet op de schade die is aangevoerd door de professionele voetbalclubs die ESLC hebben opgericht en, meer in het algemeen, de praktische en financiële gevolgen die de COVID-19-pandemie had voor de voetbalsector, met name op het grondgebied van de Unie.
49 Bij beschikking van 1 juli 2021 heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen op grond dat de aangevoerde omstandigheden tot staving daarvan op zich niet rechtvaardigden dat de onderhavige zaak volgens de versnelde procedure zou worden behandeld.
50 Deze procedure vormt namelijk een procedureel instrument dat is bedoeld om een antwoord te bieden op buitengewoon spoedeisende situaties, waarvan het bestaan moet worden vastgesteld aan de hand van uitzonderlijke omstandigheden die eigen zijn aan de zaak in verband waarmee een verzoek om een versnelde procedure wordt ingediend (beschikkingen van de president van het Hof van 20 december 2017, M. A. e.a., C‑661/17, EU:C:2017:1024, punt 17, en 25 februari 2021, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2021:149, punt 22).
51 Dat een geschil en de in verband daarmee aan het Hof voorgelegde vragen op een bepaald gebied van het Unierecht vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt belangrijk en gevoelig zijn, betekent nog niet dat er sprake is van een buitengewoon spoedeisende situatie en bijgevolg dat er een behandeling volgens de versnelde procedure noodzakelijk is (zie in die zin beschikkingen van de president van het Hof van 27 februari 2019, M.V. e.a., C‑760/18, EU:C:2019:170, punt 18, en 25 februari 2021, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2021:149, punt 24).
52 Bovendien vormt de omstandigheid dat een geschil een dringend karakter heeft en dat de bevoegde nationale rechter ertoe is gehouden alles in het werk te stellen om dat geschil snel te regelen, als zodanig voor het Hof geen rechtvaardiging om de daarop betrekking hebbende prejudiciële zaak volgens de versnelde procedure te behandelen, gelet op het voorwerp en de omstandigheden van de toepassing ervan (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 25 februari 2021, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2021:149, punten 26‑29). Het is immers in eerste instantie aan de nationale rechter aan wie dit geschil is voorgelegd, die het best in staat is om de concrete belangen ervan voor de partijen te beoordelen en het nodig acht om het Hof vragen te stellen, om in afwachting van de beslissing van het Hof alle passende voorlopige maatregelen te treffen om de volle werking van de beslissing die hij zelf moet nemen te garanderen (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 25 februari 2021, Sea Watch, C‑14/21 en C‑15/21, EU:C:2021:149, punt 33), hetgeen de verwijzende rechter in casu overigens heeft gedaan.
IV. Ontvankelijkheid
53 Verweersters in het hoofdgeding, een van de twee interveniënten in het hoofdgeding aan hun zijde, Ierland en de Franse en de Slowaakse regering hebben de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel in twijfel getrokken.
54 In dat verband voeren zij in wezen drie soorten argumenten aan. Ten eerste dragen zij argumenten van procedurele aard aan, die verband houden met het feit dat de verwijzingsbeslissing is gewezen na de vaststelling van conservatoire maatregelen zonder debat op tegenspraak en dus zonder dat de partijen in het hoofdgeding vooraf zijn gehoord, hoewel de toepasselijke bepalingen van nationaal recht dit vereisen, en tevens zonder dat de verwijzende rechter zich heeft uitgesproken over het verzoek van verweersters in het hoofdgeding tot onbevoegdverklaring ten gunste van de Zwitserse rechter. Ten tweede voeren zij argumenten van formele aard aan, volgens welke de inhoud van die beslissing niet voldoet aan de vereisten van artikel 94, onder a), van het Reglement voor de procesvoering, aangezien de verwijzende rechter het feitelijke en juridische kader waarbinnen hij het Hof vragen stelt er onvoldoende nauwkeurig in heeft uiteengezet. Deze situatie is met name problematisch in een complexe zaak die voornamelijk ziet op de uitlegging en toepassing van de mededingingsregels van de Unie. Bovendien belet deze situatie de belanghebbenden om op zinvolle wijze een standpunt in te nemen over de te beantwoorden vragen. Ten derde steunen zij op argumenten van materiële aard, die erop zijn gebaseerd dat het verzoek om een prejudiciële beslissing een hypothetisch karakter heeft aangezien er geen sprake is van een reëel geschil bij de behandeling waarvan een uitleggingsbeslissing van het Hof noodzakelijk zou kunnen zijn. Een dergelijke situatie vloeit met name voort uit het feit dat tot op heden bij de FIFA en de UEFA geen naar behoren geformuleerd verzoek om toestemming voor het Superleague-project is ingediend en uit het feit dat het project zowel op de datum van aankondiging ervan als op de datum van instelling van de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende vordering nog niet concreet of vergevorderd was.
55 Verder hebben de Franse, de Hongaarse en de Roemeense regering de ontvankelijkheid in twijfel getrokken van de derde tot en met de zesde vraag van de verwijzende rechter, op gronden die in wezen overeenkomen met die welke zijn aangevoerd om de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel in twijfel te trekken, namelijk dat zij onvoldoende zijn onderbouwd of hypothetisch zijn. De belangrijkste punten die in dit verband naar voren zijn gebracht, betreffen het ontbreken van een reëel of voldoende gemotiveerd feitelijk of juridisch verband in de verwijzingsbeslissing tussen het hoofdgeding en de regels van de FIFA betreffende de toe-eigening en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met internationale voetbalcompetities (vierde vraag) en de bepalingen van het VWEU inzake vrij verkeer (zesde vraag).
A. Procedurele voorwaarden voor de vaststelling van de verwijzingsbeslissing
56 In het kader van een prejudiciële procedure staat het, gelet op de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, niet aan het Hof om na te gaan of de verwijzingsbeslissing is vastgesteld met inachtneming van de nationale regels betreffende de rechterlijke organisatie en de procesgang. Bovendien moet het Hof zich houden aan die beslissing zolang deze niet in het kader van de eventueel in het nationale recht bestaande rechtsmiddelen is ingetrokken (arresten van 14 januari 1982, Reina, 65/81, EU:C:1982:6, punt 7, en 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 70).
57 In casu is het dus niet de taak van het Hof om vast te stellen welke procedureregels volgens het nationale recht van toepassing zijn op een beslissing zoals de verwijzingsbeslissing wanneer, zoals in het onderhavige geval, voorafgaand conservatoire maatregelen zonder debat op tegenspraak zijn getroffen, en evenmin om na te gaan of deze beslissing in overeenstemming met die regels is gewezen.
58 Gelet op de argumenten die sommige verweersters in het hoofdgeding hebben aangevoerd, zij voorts opgemerkt dat het een nationale rechter vrijstaat om zich zowel in het kader van een procedure met een spoedeisend karakter, zoals een kortgedingprocedure (zie in die zin arresten van 24 mei 1977, Hoffmann-La Roche, 107/76, EU:C:1977:89, punten 1 en 4, en 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punt 20), als in het kader van een niet op tegenspraak gevoerde procedure (zie in die zin arresten van 14 december 1971, Politi, 43/71, EU:C:1971:122, punten 4 en 5, en 2 september 2021, Finanzamt für Steuerstrafsachen und Steuerfahndung Münster, C‑66/20, EU:C:2021:670, punt 37), met een verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden, mits aan alle voorwaarden van artikel 267 VWEU is voldaan en een dergelijk verzoek voldoet aan alle formele en inhoudelijke vereisten die daarop van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 18 juni 1998, Corsica Ferries France, C‑266/96, EU:C:1998:306, punten 23 en 24).
B. Inhoud van de verwijzingsbeslissing
59 De prejudiciële procedure die bij artikel 267 VWEU is ingesteld, is een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties waarmee het Hof deze instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die zij nodig hebben om de hun voorgelegde geschillen te beslechten. Volgens vaste rechtspraak, waaraan thans uiting wordt gegeven in artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering, dient de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving te geven van het feitelijke en wettelijke kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Het is voorts onontbeerlijk dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing de redenen worden uiteengezet die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van sommige bepalingen van het Unierecht, alsook het verband wordt aangegeven tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling, zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering. Deze vereisten gelden in het bijzonder op gebieden die door complexe feitelijke en juridische situaties worden gekenmerkt, zoals dat van de mededinging (zie in die zin arresten van 27 november 2012, Pringle, C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 83, en 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punten 23 en 24).
60 Bovendien moeten de gegevens die in de verwijzingsbeslissing worden verstrekt niet alleen het Hof in staat stellen om een bruikbaar antwoord te geven, maar ook de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid bieden om opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie in die zin arresten van 1 april 1982, Holdijk e.a., 141/81–143/81, EU:C:1982:122, punt 7, en 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punt 31).
61 In casu beantwoordt het verzoek om een prejudiciële beslissing aan de vereisten die in de vorige twee punten van het onderhavige arrest zijn vermeld. De verwijzingsbeslissing geeft namelijk een nauwkeurige omschrijving van het feitelijke en wettelijke kader waarin de aan het Hof gestelde vragen moeten worden geplaatst. Voorts zet de verwijzende rechter in die beslissing, in het licht van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, omstandig de redenen feitelijk en rechtens uiteen waarom hij het noodzakelijk heeft geacht om die vragen te stellen, alsook het verband dat volgens hem bestaat tussen de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU en het geschil in het hoofdgeding. Ten slotte zet hij duidelijk en nauwkeurig de elementen uiteen waarop hij zich heeft gebaseerd om zelf bepaalde feitelijke en juridische beoordelingen te formuleren.
62 Meer bepaald verschaffen de beoordelingen van de verwijzende rechter betreffende ten eerste de in het hoofdgeding aan de orde zijnde markt, die wordt omschreven als de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Unie en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities, en ten tweede de machtspositie die de FIFA en de UEFA op deze markt innemen, inzicht in het werkelijke verband, binnen het aldus gedefinieerde kader, tussen het hoofdgeding en de vierde vraag aan het Hof, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen hoe artikel 102 VWEU moet worden uitgelegd met het oog op de eventuele toepassing van dit artikel op de regels van de FIFA betreffende de toe-eigening en de exploitatie van de betrokken rechten.
63 Overigens blijkt duidelijk uit de inhoud van de schriftelijke opmerkingen die bij het Hof zijn ingediend dat de auteurs ervan zich zonder enige moeite een goed begrip hebben gevormd van het feitelijke en juridische kader waarin de vragen van de verwijzende rechter moeten worden geplaatst, van de betekenis en de draagwijdte van de uiteenzetting van de feiten die eraan ten grondslag liggen, en van de redenen op grond waarvan de verwijzende rechter het noodzakelijk heeft geacht om die vragen te stellen. Bovendien blijken zij zonder enig probleem een volledig en zinvol standpunt te hebben ingenomen.
C. Reëel geschil en relevantie van de aan het Hof gestelde vragen
64 Het is uitsluitend de taak van de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is gemaakt en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van dat geschil, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt te beoordelen. Bijgevolg worden prejudiciële vragen van nationale rechterlijke instanties vermoed relevant te zijn en kan het Hof slechts weigeren op die vragen te antwoorden wanneer de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord op die vragen te geven [zie in die zin arresten van 16 december 1981, Foglia, 244/80, EU:C:1981:302, punten 15 en 18, en 7 februari 2023, Confédération paysanne e.a. (Willekeurige in-vitromutagenese), C‑688/21, EU:C:2023:75, punten 32 en 33].
65 In casu moet – aanvullend op de beoordelingen van punt 61 van het onderhavige arrest – worden vastgesteld dat de uiteenzettingen van de verwijzende rechter, zoals die in de punten 28 tot en met 32 van dit arrest zijn samengevat, aantonen dat er in het hoofdgeding wel degelijk sprake is van een reëel geschil. Verder komt uit die uiteenzettingen en de uiteenzettingen in de punten 33 tot en met 46 van het onderhavige arrest naar voren dat het feit dat de verwijzende rechter het Hof in dat kader vragen stelt over de uitlegging van de artikelen 45 en 101 VWEU niet kennelijk elk verband mist met een reëel geschil en met het voorwerp van het hoofdgeding.
66 In het bijzonder mag het dan wel zo zijn dat tussen de partijen in het hoofdgeding onenigheid bestaat over de vraag of deze rechter gelijktijdig de bepalingen van het VWEU betreffende de mededingingsregels van de Unie en de artikelen inzake vrij verkeer mag toepassen, gelet op de bewoordingen van de vorderingen van verzoekster in het hoofdgeding, feit blijft, zoals de Spaanse regering ter terechtzitting heeft opgemerkt, dat die rechter zich in dat stadium bevoegd lijkt te hebben geacht om dat te doen en het Hof niet bevoegd is om de gegrondheid van dat standpunt te toetsen.
67 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel ontvankelijk.
V. Beantwoording van de prejudiciële vragen
68 Met zijn eerste vijf vragen verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van de artikelen 101 en 102 VWEU betreffende het verbod van mededingingsverstorende regelingen en misbruik van een machtspositie, teneinde zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een aantal door de FIFA en de UEFA vastgestelde regels met die twee artikelen.
69 Met zijn zesde vraag verzoekt deze rechter het Hof om uitlegging van de artikelen 45, 49, 56 en 63 VWEU betreffende het door het Unierecht gewaarborgde vrije verkeer, teneinde zich tegelijkertijd uit te spreken over de verenigbaarheid van dezelfde regels met die vier artikelen.
70 Het geschil in het kader waarvan deze vragen aan het Hof worden voorgelegd, vindt zijn oorsprong in een vordering van een onderneming die zich er in wezen over beklaagt dat de door de FIFA en de UEFA vastgestelde regels, gelet op de aard, de inhoud en de doelstellingen ervan, de specifieke context waarin zij moeten worden geplaatst en de wijze waarop zij kunnen worden toegepast, de mededinging verhinderen, beperken of vervalsen op de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Unie en op de markt voor de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities. Meer in het bijzonder betoogt deze onderneming dat de FIFA en de UEFA na de lancering van het project voor een nieuwe internationale voetbalcompetitie die zij wil oprichten, de artikelen 101 en 102 VWEU hebben geschonden door aan te geven dat zij voornemens waren deze regels toe te passen en door te wijzen op de praktische gevolgen die een dergelijke toepassing zou kunnen hebben voor de betrokken competitie en voor de deelnemende clubs en spelers.
71 Alvorens deze vragen te onderzoeken is het, gezien zowel de inhoud van de aan het Hof voorgelegde vragen als de aard van het geschil in het kader waarvan zij worden opgeworpen, passend om vooraf drie reeksen opmerkingen te formuleren.
A. Opmerkingen vooraf
1. Voorwerp van het hoofdgeding
72 De door de verwijzende rechter gestelde vragen hebben uitsluitend betrekking op een aantal regels waarmee de FIFA en de UEFA de voorafgaande toestemming voor bepaalde internationale voetbalcompetities en de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities, en voorts de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities willen regelen.
73 In dit verband volgt om te beginnen uit de bewoordingen van deze vragen dat de betrokken regels zijn opgenomen in de artikelen 22, 67, 68 en 71 tot en met 73 van de FIFA-statuten en in de artikelen 49 tot en met 51 van de UEFA-statuten. Zoals blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter, zijn deze regels echter slechts aan de orde in het hoofdgeding voor zover zij van toepassing zijn op internationale competities „waaraan wordt deelgenomen” door clubs of „waaraan […] clubs deelnemen”, volgens de terminologie van respectievelijk artikel 71, lid 1, van de FIFA-statuten en artikel 49, lid 1, van de statuten van de UEFA. Deze competities, die in artikel 22, lid 3, onder c), van de FIFA-statuten ook „clubcompetities” worden genoemd, vallen onder de bredere categorie van internationale voetbalcompetities, de zogeheten competities van de „tweede categorie”, die worden bedoeld in de artikelen 8 en 11 van het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden en vallen onder het in die artikelen bedoelde stelsel van voorafgaande toestemming.
74 Bijgevolg zien het hoofdgeding en dus de onderhavige zaak niet op de regels die de FIFA en de UEFA hebben vastgesteld met betrekking tot, ten eerste, de voorafgaande toestemming voor andere internationale voetbalcompetities, zoals die waaraan uitsluitend teams deelnemen die bij de FIFA en de UEFA aangesloten nationale voetbalbonden vertegenwoordigen, ten tweede, de deelname van teams of spelers aan deze competities en, ten derde, de exploitatie van de verschillende rechten in verband met die competities.
75 A fortiori zijn in casu noch de regels die de FIFA en de UEFA eventueel voor andere activiteiten hebben vastgesteld, noch de bepalingen van de statuten van de FIFA en de UEFA betreffende de werking, de organisatie, de doelstellingen of het bestaan zelf van deze twee verenigingen aan de orde. Daarbij moet worden opgemerkt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat dergelijke verenigingen weliswaar over rechtsbevoegdheid beschikken uit hoofde waarvan zij regels kunnen vaststellen met het oog op onder meer de organisatie van de competities in hun discipline, het goede verloop daarvan en de deelname van de sportbeoefenaren eraan (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), maar dat zij de uitoefening van de rechten en de vrijheden die het Unierecht aan particulieren verleent daarmee niet kunnen beperken (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 81 en 83, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 52).
76 De vaststelling in het voorgaande punt staat er evenwel geenszins aan in de weg dat bepalingen als die betreffende de organisatie of de werking van de FIFA en de UEFA door de verwijzende rechter in aanmerking worden genomen in het kader van het onderzoek dat hij dient te verrichten om het hoofdgeding te beslechten, voor zover dit gerechtvaardigd is voor de toepassing van de artikelen van het VWEU waarover deze rechter het Hof vragen stelt, in het licht van de in het onderhavige arrest gegeven uitlegging.
77 Vervolgens moet worden vastgesteld dat – ook al vindt het hoofdgeding zijn oorsprong in een vordering van een vennootschap die de lancering van een project voor een nieuwe internationale voetbalcompetitie met de naam „Superleague” had aangekondigd en heeft de derde vraag van de verwijzende rechter specifiek betrekking op de concrete gedragingen waarmee de FIFA en de UEFA op deze lancering hebben gereageerd – de vijf andere vragen van deze rechter betrekking hebben op de regels van de FIFA en de UEFA waarop deze gedragingen zijn gebaseerd (te weten de regels betreffende de voorafgaande toestemming voor dit soort competities en betreffende de deelname van professionele voetbalclubs of spelers aan deze competities) en op andere regels die volgens deze rechter verband houden met de door hem omschreven betrokken markt (te weten de regels betreffende de toe-eigening en exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities).
78 Gezamenlijk beschouwd hebben deze vragen dus tot doel de verwijzende rechter in staat te stellen om na te gaan of deze verschillende regels – voor zover zij kunnen worden toegepast op een nieuwe op het grondgebied van de Unie georganiseerde of beoogde clubvoetbalcompetitie, zoals die waarvan de aangekondigde lancering aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding – gelet op de aard, de inhoud, de doelstellingen en de specifieke context ervan, een schending van de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU vormen.
79 In die omstandigheden zal het Hof bij de beantwoording van alle gestelde vragen rekening houden met alle relevante kenmerken van de FIFA- en UEFA-regels die in het hoofdgeding aan de orde zijn, zoals vermeld in de verwijzingsbeslissing en herhaald door alle partijen in het hoofdgeding.
80 Ten slotte moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter het Hof echter geen vragen stelt over de uitlegging van de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU om zich in de ene of de andere zin uit te spreken over de verenigbaarheid van het Superleague-project zelf met deze verschillende artikelen van het VWEU.
81 Overigens zijn de kenmerken van dit project niet bijzonder relevant in het kader van de antwoorden die op de eerste, de tweede en de vierde tot en met de zesde vraag van de verwijzende rechter moeten worden gegeven, gelet op het voorwerp van deze vragen. Aangezien de partijen in het hoofdgeding hevig discussie hebben gevoerd over deze kenmerken, zal het Hof zich er in dit verband bovendien toe beperken om, indien nodig, aan te geven in hoeverre deze kenmerken relevant kunnen zijn, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties.
2. Toepasselijkheid van het Unierecht op sport en op de activiteiten van de sportverenigingen
82 De vragen aan het Hof betreffen de uitlegging van de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU in het kader van een geschil waarin regels ter discussie worden gesteld die zijn vastgesteld door twee entiteiten die volgens hun respectieve statuten zijn opgericht als privaatrechtelijke verenigingen die verantwoordelijk zijn voor de organisatie van en het toezicht op voetbal op mondiaal en Europees niveau, en die verband houden met de voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met die competities.
83 In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat sportbeoefening, voor zover het daarbij gaat om een economische activiteit, onder de Unierechtelijke bepalingen valt die op een dergelijke activiteit van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch, 36/74, EU:C:1974:140, punt 4, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punt 27).
84 Enkel bepaalde specifieke regels die uitsluitend zijn vastgesteld om niet-economische redenen en die betrekking hebben op kwesties waarbij het uitsluitend om de sport als zodanig gaat, kunnen worden beschouwd als regels die niets te maken hebben met een economische activiteit. Dat is met name het geval bij regels op grond waarvan buitenlandse spelers worden uitgesloten van deelname aan competities tussen teams die elk hun land vertegenwoordigen of waarbij criteria worden vastgesteld voor de selectie van atleten die individueel aan competities deelnemen (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch, 36/74, EU:C:1974:140, punt 8; 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 76 en 127, en 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 43, 44, 63, 64 en 69).
85 Met uitzondering van die specifieke regels kunnen regels die door sportverenigingen worden vastgesteld tot regeling van arbeid in loondienst of dienstverrichtingen van professionele of semiprofessionele sporters en, meer algemeen, regels die dergelijke arbeid of dienstverrichtingen weliswaar niet formeel beheersen maar er niettemin een directe uitwerking op hebben, onder de artikelen 45 en 56 VWEU vallen (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch,36/74, EU:C:1974:140, punten 5, 17‑19 en 25; 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 75, 82‑84, 87; 12 april 2005, Simutenkov, C‑265/03, EU:C:2005:213, punt 32, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punten 28 en 30).
86 Evenzo kunnen de regels die door dergelijke verenigingen worden vastgesteld onder artikel 49 VWEU (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 28) of zelfs onder artikel 63 VWEU vallen.
87 Tot slot vallen deze regels en, meer algemeen, het gedrag van de verenigingen die deze regels hebben vastgesteld, onder de VWEU-bepalingen betreffende het mededingingsrecht wanneer de voorwaarden voor toepassing van die bepalingen zijn vervuld (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 30‑33), wat betekent dat die verenigingen kunnen worden aangemerkt als „ondernemingen” in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU of dat de regels in kwestie kunnen worden gekwalificeerd als „besluiten van ondernemersverenigingen” in de zin van artikel 101 VWEU.
88 Meer in het algemeen moeten dergelijke regels, die dus onder die VWEU-bepalingen vallen, wanneer zij voorschriften voor particulieren bevatten, worden opgesteld en uitgevoerd met inachtneming van de algemene beginselen van het Unierecht, met name de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid (zie in die zin arrest van 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punten 60, 65 en 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 De regels die in het hoofdgeding aan de orde zijn, ongeacht of zij uitgaan van de FIFA dan wel van de UEFA, behoren niet tot de regels waarop de in punt 84 van het onderhavige arrest bedoelde uitzondering kan worden toegepast, met betrekking waartoe het Hof herhaaldelijk in herinnering heeft geroepen dat zij beperkt moet blijven tot haar eigenlijke doel en dat zij niet kan worden aangewend om elke sportactiviteit van de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen betreffende het economische recht van de Unie uit te sluiten (zie in die zin arresten van 14 juli 1976, Donà, 13/76, EU:C:1976:115, punten 14 en 15, en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 26).
90 Integendeel, ten eerste vallen de regels inzake de uitoefening door een sportvereniging van bevoegdheden betreffende de voorafgaande toestemming voor sportcompetities, waarvan de organisatie en het in de markt zetten, zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, een economische activiteit vormen voor de ondernemingen die zich daarmee bezighouden of voornemens zijn zich daarmee te bezig te houden, als zodanig binnen de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen inzake het mededingingsrecht (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 28). Om dezelfde reden vallen die regels ook binnen de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen inzake vrij verkeer.
91 Ten tweede vallen ook de regels van de FIFA en de UEFA tot vaststelling van een kader voor de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan internationale clubvoetbalcompetities binnen de werkingssfeer van deze bepalingen. Hoewel deze regels niet voorzien in een formele regeling van de voorwaarden waaronder spelers werken of diensten verrichten of van de voorwaarden waaronder professionele voetbalclubs diensten verrichten of, meer in het algemeen, hun economische activiteit uitoefenen, moeten zij namelijk toch worden geacht een directe uitwerking te hebben op, naargelang het geval, deze arbeid, deze dienstverrichting of de uitoefening van deze economische activiteit, aangezien zij noodzakelijkerwijs van invloed zijn op de mogelijkheid voor spelers en clubs om aan de betrokken competities deel te nemen.
92 Ten derde hebben de regels die de FIFA heeft vastgesteld met betrekking tot de exploitatie van de verschillende rechten in verband met internationale voetbalcompetities, juist tot doel de voorwaarden te regelen waaronder de ondernemingen die eigenaar zijn van deze rechten, deze kunnen exploiteren of de exploitatie ervan aan derde ondernemingen kunnen delegeren, daar deze activiteiten van economische aard zijn. Bovendien hebben deze regels een directe uitwerking op de voorwaarden waaronder deze derde ondernemingen of andere ondernemingen kunnen verwachten dat zij de genoemde rechten exploiteren of dat die rechten aan hen worden overgedragen of toegewezen, in welke vorm dan ook, teneinde bemiddelingsactiviteiten (zoals de doorverkoop van de desbetreffende rechten aan televisieomroepen en andere aanbieders van mediadiensten) of eindactiviteiten (zoals de uitzending of wederdoorgifte van bepaalde wedstrijden op televisie of via internet) te ontplooien die eveneens economisch van aard zijn.
93 Deze verschillende economische activiteiten voor de organisatie van sportcompetities, het in de markt zetten van sportevenementen, de uitzending ervan en de plaatsing van reclame, vullen elkaar overigens aan en zijn zelfs met elkaar verweven, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 56 en 57, en 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 33).
94 Bijgevolg vallen alle regels van de FIFA en de UEFA waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt binnen de werkingssfeer van de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU.
3. Artikel 165 VWEU
95 Alle partijen in het hoofdgeding en een groot aantal regeringen die aan de procedure hebben deelgenomen, hebben uiteenlopende standpunten ingenomen over de gevolgen die kunnen worden verbonden aan artikel 165 VWEU in het kader van de antwoorden die op de vragen van de verwijzende rechter moeten worden gegeven.
96 In dit verband moet er ten eerste op worden gewezen dat artikel 165 VWEU moet worden begrepen in het licht van artikel 6, onder e), VWEU, volgens hetwelk de Unie bevoegd is om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen op het gebied van onderwijs, beroepsopleiding, jongeren en sport. Artikel 165 VWEU concretiseert deze bepaling namelijk door nader te omschrijven welke doelstellingen de Unie met haar optreden op de betrokken gebieden zal nastreven en welke middelen kunnen worden ingezet om die doelstellingen te helpen verwezenlijken.
97 Zo bepaalt artikel 165 VWEU in lid 1, tweede alinea, met betrekking tot de doelstellingen die de Unie zal nastreven op sportgebied dat de Unie bijdraagt tot de bevordering van de Europese inzet op dat gebied, rekening houdend met haar specifieke kenmerken, haar op vrijwilligerswerk berustende structuren en haar sociale en educatieve functie. Volgens lid 2, laatste streepje, van dat artikel is het optreden van de Unie erop gericht de Europese dimensie van de sport te ontwikkelen, door de eerlijkheid en de openheid van sportcompetities en de samenwerking tussen de verantwoordelijke sportorganisaties te bevorderen, en door de fysieke en morele integriteit van sportlieden, met name jonge sporters, te beschermen.
98 Wat de middelen betreft die kunnen worden ingezet om deze doelstellingen te helpen verwezenlijken, bepaalt artikel 165 VWEU in lid 3 dat de Unie de samenwerking met derde landen en met de inzake sport bevoegde internationale organisaties bevordert, en in lid 4 dat het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, volgens de gewone wetgevingsprocedure, of de Raad alleen, op voorstel van de Commissie, stimuleringsmaatregelen respectievelijk aanbevelingen kunnen aannemen.
99 Ten tweede hebben de opstellers van de Verdragen blijkens de bewoordingen van artikel 165 en artikel 6, onder e), VWEU met die bepalingen de Unie een ondersteunende bevoegdheid willen verlenen die haar in staat stelt om op verschillende specifieke gebieden, waaronder dat van de sport, „op te treden”, en niet om een „beleid” te voeren, zoals in andere VWEU-bepalingen het geval is. Eerstgenoemde bepalingen vormen dus een rechtsgrondslag die de Unie toestaat om die ondersteunende bevoegdheid uit te oefenen onder de voorwaarden en binnen de grenzen die zij stellen, waaronder – zoals bepaald in artikel 165, lid 4, eerste streepje, VWEU – de uitsluiting van harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op nationaal niveau zijn vastgesteld. Verder biedt die ondersteunende bevoegdheid de Unie de mogelijkheid om rechtshandelingen vast te stellen met het enkele doel om overeenkomstig artikel 6 VWEU het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen.
100 In samenhang daarmee vormt artikel 165 VWEU geen transversale, algemeen toepasselijke bepaling. Dat blijkt ook uit de context van dit artikel, met name uit het feit dat het is opgenomen in het derde deel van het VWEU, dat gewijd is aan het beleid en intern optreden van de Unie, en niet in het eerste deel, dat beginsel-bepalingen bevat, waaronder de in titel II vervatte „algemeen toepasselijke bepalingen”, die onder meer betrekking hebben op de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van iedere discriminatie, de bescherming van het milieu en de bescherming van de consument.
101 Hieruit volgt dat de bevoegde instellingen van de Unie weliswaar rekening moeten houden met de verschillende aspecten en doelstellingen die in artikel 165 VWEU zijn opgesomd wanneer zij op basis van dat artikel en onder de daarin gestelde voorwaarden stimuleringsmaatregelen of aanbevelingen op het gebied van de sport aannemen, maar dat die aspecten, doelstellingen, stimuleringsmaatregelen en aanbevelingen niet dwingend moeten worden geïntegreerd of in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van de regels waarover de verwijzende rechter het Hof om uitlegging vraagt, ongeacht of deze het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal (artikel 45, 49, 56 en 63 VWEU) dan wel de mededingingsregels (artikelen 101 en 102 VWEU) betreffen. Meer algemeen kan artikel 165 VWEU evenmin worden beschouwd als een bijzondere regel die de sport zou onttrekken aan alle of een deel van de andere bepalingen van het primaire Unierecht die erop kunnen worden toegepast, of die de verplichting zou opleggen om de sport bij die toepassing een speciale behandeling toe te kennen.
102 Ten derde blijft het een feit dat sport, zoals het Hof meermaals heeft vastgesteld, zowel voor de Unie als voor haar burgers een aanzienlijk maatschappelijk en educatief belang heeft, dat thans wordt weerspiegeld in artikel 165 VWEU (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 106, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punten 33 en 34).
103 Bovendien vertoont sport onmiskenbaar specifieke kenmerken die weliswaar met name eigen zijn aan amateursport, maar die niettemin ook kunnen worden aangetroffen waar het gaat om sportbeoefening als economische activiteit (zie in die zin arrest van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punt 33).
104 Tot slot kunnen dergelijke specifieke kenmerken, naast andere aspecten en voor zover zij relevant zijn, eventueel in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de artikelen 45 en 101 VWEU, doch enkel binnen het kader en met inachtneming van de voorwaarden en de toepassingscriteria waarin elk van deze artikelen voorziet. Dezelfde beoordeling gaat op voor de artikelen 49, 56, 63 en 102 VWEU.
105 In het bijzonder moet, wanneer wordt betoogd dat een regel die door een sportvereniging is vastgesteld een belemmering van het vrije verkeer van werknemers of een mededingingsverstorende regeling vormt, deze kwalificatie in elk geval zijn gebaseerd op een concreet onderzoek van de inhoud van die regel binnen de feitelijke context waarin deze moet worden uitgevoerd (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 98‑103; 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 61‑64, en 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punten 48‑50). Een dergelijk onderzoek kan vereisen dat rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de aard, de organisatie of de werking van de betrokken sport en, meer bepaald, de mate waarin die sport beroepsmatig wordt uitgeoefend, de wijze waarop zij wordt uitgeoefend, de wisselwerking tussen de verschillende actoren die eraan deelnemen en de rol van de verantwoordelijke structuren of organismen op alle niveaus waarmee de Unie overeenkomstig artikel 165, lid 3, VWEU de samenwerking bevordert.
106 Wanneer wordt aangetoond dat de betrokken regel het vrije verkeer van werknemers belemmert, kan de vereniging die deze heeft vastgesteld overigens aantonen dat die regel gerechtvaardigd, noodzakelijk en evenredig is in het licht van bepaalde legitieme doelstellingen (zie in die zin arrest van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 104), die zelf afhangen van de specifieke kenmerken van de betrokken sport.
107 In het licht van alle voorgaande overwegingen moeten achtereenvolgens de vragen van de verwijzende rechter betreffende de mededingingsregels worden onderzocht, en vervolgens de vraag betreffende het vrije verkeer.
B. Eerste tot en met vijfde vraag betreffende de mededingingsregels
108 De eerste twee vragen hebben in wezen betrekking op de wijze waarop regels zoals die van de FIFA en de UEFA betreffende de voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities en de deelname van professionele voetbalclubs en sportbeoefenaren aan deze competities, moeten worden uitgelegd in het licht van, ten eerste, artikel 102 VWEU en, ten tweede, artikel 101, lid 1, VWEU.
109 De derde vraag betreft de wijze waarop de aangekondigde toepassing van deze regels, in de vorm van de verklaring en het bericht als bedoeld in de punten 30 en 31 van dit arrest, moet worden begrepen in het licht van voormelde artikelen.
110 De vierde vraag betreft de wijze waarop regels zoals die welke door de FIFA zijn vastgesteld met betrekking tot de exploitatierechten in verband met voornoemde competities, moeten worden begrepen in het licht van voormelde artikelen.
111 De vijfde vraag, die wordt gesteld voor het geval dat de in de drie voorgaande punten van dit arrest genoemde regels moeten worden geacht misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU of een door artikel 101, lid 1, VWEU verboden mededingingsverstorende regeling te vormen, strekt ertoe de verwijzende rechter in staat te stellen om na te gaan of deze regels niettemin toelaatbaar zijn in het licht van de rechtspraak van het Hof betreffende artikel 102 VWEU of volgens de voorwaarden van artikel 101, lid 3, VWEU.
112 Rekening houdend met de draagwijdte van deze verschillende vragen moet in de eerste plaats vooraf in herinnering worden gebracht dat de artikelen 101 en 102 VWEU van toepassing zijn op elke entiteit die een economische activiteit uitoefent en als zodanig als onderneming moet worden aangemerkt, ongeacht de rechtsvorm ervan en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (zie in die zin arresten van 23 april 1991, Höfner en Elser, C‑41/90, EU:C:1991:161, punt 21; 11 december 2007, ETI e.a., C‑280/06, EU:C:2007:775, punt 38, en 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 20 en 21).
113 Bijgevolg zijn die artikelen onder meer van toepassing op entiteiten die zijn opgericht in de vorm van een vereniging die volgens hun statuten tot doel hebben een bepaalde sport te organiseren en er controle op uit te oefenen, voor zover die entiteiten een economische activiteit, dat wil zeggen een activiteit die bestaat in het aanbieden van goederen of diensten, uitoefenen die samenhangt met die sport, en zij om die reden als ondernemingen moeten worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 22, 23 en 26).
114 Verder vindt artikel 101 VWEU ook toepassing op entiteiten die weliswaar niet noodzakelijk zelf ondernemingen zijn, maar als „ondernemersverenigingen” kunnen worden gekwalificeerd.
115 Gelet op het voorwerp van het hoofdgeding en de uiteenzettingen van de verwijzende rechter moet in casu worden geoordeeld dat de artikelen 101 en 102 VWEU van toepassing zijn op de FIFA en de UEFA, aangezien die twee verenigingen een dubbele economische activiteit uitoefenen, die – zoals blijkt uit de punten 34, 90 en 92 van het onderhavige arrest – bestaat in de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Unie en de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities, en dat zij om die reden als „ondernemingen” moeten worden aangemerkt. Bovendien is artikel 101 VWEU op hen van toepassing aangezien die verenigingen nationale voetbalbonden als lid hebben die zelf als „ondernemingen” kunnen worden aangemerkt, daar zij een economische activiteit uitoefenen in verband met de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op nationaal niveau en met de exploitatie van rechten in verband met die competities, of die zelf entiteiten als lid of aangeslotenen hebben die als zodanig kunnen worden aangemerkt, zoals voetbalclubs.
116 In de tweede plaats strekt artikel 101 VWEU, anders dan artikel 102 VWEU, dat uitsluitend ziet op eenzijdige gedragingen van ondernemingen die individueel of, in voorkomend geval, collectief een machtspositie innemen, ertoe verschillende vormen van gedragingen te bestrijken die met elkaar gemeen hebben dat zij het resultaat zijn van een samenwerking van verscheidene ondernemingen, namelijk „overeenkomsten tussen ondernemingen”, „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” en „besluiten van ondernemersverenigingen”, ongeacht hun positie op de markt (zie in die zin arrest van 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:2000:132, punten 34‑36).
117 In de onderhavige zaak kan artikel 102 VWEU slechts op een entiteit als de FIFA of de UEFA worden toegepast indien onder meer wordt aangetoond dat deze entiteit een machtspositie inneemt op een bepaalde markt. In casu blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter dat hij van oordeel is dat elk van deze twee entiteiten een machtspositie inneemt op de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Unie en voor de exploitatie van de verschillende rechten in verband met deze competities. Derhalve moeten de door de verwijzende rechter gestelde vragen over de uitlegging van artikel 102 VWEU worden beantwoord op basis van deze feitelijke en juridische premisse, die voor het overige onbetwistbaar is gelet op met name de omstandigheid dat de FIFA en de UEFA – anders dan bij andere sportdisciplines het geval is – de enige verenigingen zijn die dergelijke competities op mondiaal en Europees niveau organiseren en in de markt zetten.
118 Voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU op entiteiten zoals de FIFA of de UEFA moet worden aangetoond dat er sprake is van „overeenkomsten”, „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” of „besluiten van ondernemersverenigingen”, die zelf van uiteenlopende aard kunnen zijn en verschillende vormen kunnen aannemen. Met name het besluit van een vereniging tot vaststelling of uitvoering van een reglement dat een rechtstreekse uitwerking heeft op de voorwaarden waaronder de ondernemingen die er al dan niet direct lid van zijn, hun economische activiteit uitoefenen, kan een dergelijk „besluit van een ondernemersvereniging” in de zin van deze bepaling vormen (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 64, en 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 42‑45). In casu verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU met betrekking tot dergelijke besluiten, te weten besluiten waarbij de FIFA en de UEFA regels hebben vastgesteld betreffende de voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities, het toezicht op de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities en de sancties die kunnen worden opgelegd in geval van niet-naleving van deze regels betreffende voorafgaande toestemming en deelname.
119 In de derde en laatste plaats moet, voor zover de door de verwijzende rechter gestelde vragen betrekking hebben op zowel artikel 101 VWEU als artikel 102 VWEU, in herinnering worden gebracht dat een en dezelfde gedraging aanleiding kan geven tot een inbreuk op zowel het ene als het andere artikel, ook al hebben beide bepalingen onderscheiden doelstellingen en hebben zij een verschillende werkingssfeer. Deze artikelen kunnen derhalve gelijktijdig worden toegepast wanneer aan hun respectieve toepassingsvoorwaarden is voldaan [zie in die zin arresten van 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 37; 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:2000:132, punt 33, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 146]. Deze artikelen moeten derhalve op coherente wijze worden uitgelegd en toegepast, doch met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk ervan.
1. Eerste vraag inzake de uitlegging van artikel 102 VWEU met betrekking tot regels betreffende de voorafgaande toestemming voor clubvoetbalcompetities en de deelname van clubs en sportbeoefenaren aan deze competities
120 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 102 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat sprake is van misbruik van een machtspositie wanneer verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen, regels hebben vastgesteld en uitvoeren die bepalen dat hun voorafgaande toestemming vereist is voor de oprichting van een nieuwe clubvoetbalcompetitie door een derde onderneming op het grondgebied van de Unie, zonder dat deze bevoegdheid wordt afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief en niet-discriminerend zijn.
121 Zoals blijkt uit de bewoordingen van de regels waarop deze vraag betrekking heeft en uit de uiteenzettingen in de verwijzingsbeslissing die aan deze vraag ten grondslag liggen, zien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels niet alleen op de voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities, maar ook op de mogelijkheid voor professionele voetbalclubs en spelers om aan die competities deel te nemen. Zoals eveneens uit deze uiteenzettingen blijkt, kunnen in geval van niet-naleving van deze regels bovendien sancties worden opgelegd aan de natuurlijke of rechtspersonen die deze regels overtreden, waaronder – zoals in de derde vraag van de verwijzende rechter is vermeld en door alle partijen in het hoofdgeding is herhaald – de uitsluiting van professionele voetbalclubs van alle door de FIFA en de UEFA georganiseerde competities, een verbod voor spelers om deel te nemen aan clubvoetbalcompetities of het verbod voor spelers om deel te nemen aan wedstrijden tussen teams die nationale voetbalbonden vertegenwoordigen.
122 Rekening houdend met deze elementen moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 102 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van misbruik van een machtspositie wanneer verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen, regels hebben vastgesteld en uitvoeren die bepalen dat hun voorafgaande toestemming vereist is voor de oprichting van een nieuwe clubvoetbalcompetitie door een derde onderneming op het grondgebied van de Unie en die de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competitie op straffe van sancties controleren regelen, zonder dat deze verschillende bevoegdheden worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn.
a) Begrip „misbruik van een machtspositie”
123 Artikel 102 VWEU bepaalt dat het onverenigbaar met de interne markt en verboden is, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.
124 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat dit artikel beoogt te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord ten nadele van het algemeen belang, de individuele ondernemingen en de consumenten door het bestraffen van gedragingen van ondernemingen met een machtspositie die de op verdienste gebaseerde mededinging beperken en consumenten aldus direct kunnen benadelen of die deze mededinging verhinderen of vervalsen en hen aldus indirect kunnen benadelen (zie in die zin arresten van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige, C‑52/09, EU:C:2011:83, punten 22 en 24; 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 20, en 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punten 41 en 44).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 29 juni 2023, C-211/22, ECLI:EU:C:2023:529
- HvJ EU 8 juni 2023, C-50/21, ECLI:EU:C:2023:448
- HvJ EU 7 februari 2023, C-688/21, ECLI:EU:C:2023:75
- HvJ EU 19 januari 2023, C-680/20, ECLI:EU:C:2023:33
- HvJ EU 7 september 2022, C-391/20, ECLI:EU:C:2022:638
- HvJ EU 12 mei 2022, C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379
- HvJ EU 29 maart 2022, C-132/20, ECLI:EU:C:2022:235
- HvJ EU 2 september 2021, C-66/20, ECLI:EU:C:2021:670
- HvJ EU 25 maart 2021, C-591/16, ECLI:EU:C:2021:243
- Gerecht EU 16 december 2020, T-93/18, ECLI:EU:T:2020:610
- HvJ EU 6 oktober 2020, C-66/18, ECLI:EU:C:2020:792
- HvJ EU 18 juni 2020, C-78/18, ECLI:EU:C:2020:476
- HvJ EU 3 maart 2020, C-482/18, ECLI:EU:C:2020:141
- HvJ EU 30 januari 2020, C-307/18, ECLI:EU:C:2020:52
- HvJ EU 29 juli 2019, C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625
- HvJ EU 13 juni 2019, C-22/18, ECLI:EU:C:2019:497
- HvJ EU 23 januari 2018, C-179/16, ECLI:EU:C:2018:25
- HvJ EU 23 november 2017, C-427/16, ECLI:EU:C:2017:890
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632
- HvJ EU 21 januari 2016, C-515/14, ECLI:EU:C:2016:30
Aangehaald in
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830
- HvJ EU 10 juli 2025, C-254/23, ECLI:EU:C:2025:569
- HvJ EU 25 februari 2025, C-233/23, ECLI:EU:C:2025:110
- HvJ EU 10 september 2024, C-48/22, ECLI:EU:C:2024:726
- HvJ EU 27 juni 2024, C-201/19, ECLI:EU:C:2024:552
- HvJ EU 27 juni 2024, C-176/19, ECLI:EU:C:2024:549
- HvJ EU 29 juli 2024, C-298/22, ECLI:EU:C:2024:638
- Rb. Rotterdam 8 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:283
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-600/23, ECLI:EU:C:2025:617
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-650/22, ECLI:EU:C:2024:824
- HvJ EU 25 januari 2024, C-438/22, ECLI:EU:C:2024:71
- Rb. Rotterdam 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9453
- HvJ EU 18 december 2025, C-245/24, ECLI:EU:C:2025:987
- HvJ EU 1 augustus 2025, C-514/23, ECLI:EU:C:2025:597
- HvJ EU 6 maart 2025, C-395/23, ECLI:EU:C:2025:142
- Rb. Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3096
- Conclusie A-G Drijber 18 juli 2025, ECLI:NL:PHR:2025:807
- Gerecht EU 23 juli 2025, T-84/22, ECLI:EU:T:2025:752
- Gerecht EU 6 november 2024, T-386/21, ECLI:EU:T:2024:776
- Gerecht EU 18 september 2024, T-334/19, ECLI:EU:T:2024:634