HvJ EU 25 maart 2021, C-591/16, ECLI:EU:C:2021:243

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

25 maart 2021 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 3 september 2021]

„Hogere voorziening – Mededinging – Mededingingsregelingen – Farmaceutische producten – Markt voor antidepressiva (citalopram) – Overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die octrooihouder is en fabrikanten van generieke geneesmiddelen – Artikel 101 VWEU – Potentiële mededinging – Beperking naar strekking – Kwalificatie – Berekening van de geldboete – Verkopen die rechtstreeks of indirect in verband staan met de inbreuk”

In zaak C‑591/16 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 18 november 2016,

H. Lundbeck A/S, gevestigd te Valby (Denemarken),

Lundbeck Ltd, gevestigd te Milton Keynes (Verenigd Koninkrijk),

aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Subiotto, QC, en T. Kuhn, Rechtsanwalt, vervolgens door R. Subiotto, QC,

rekwirantes,

andere partijen in de procedure:

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 3 september 2021] Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castilla Contreras, T. Vecchi, B. Mongin en C. Vollrath als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

ondersteund door:

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Guðmundsdóttir, Z. Lavery en D. Robertson als gemachtigden, bijgestaan door J. Turner, QC, J. Holmes, QC, M. Demetriou, QC, en T. Sebastian, barrister, vervolgens door D. Guðmundsdóttir als gemachtigde, bijgestaan door J. Turner, QC, J. Holmes, QC, en M. Demetriou, QC, en T. Sebastian, barrister,

interveniënt in hogere voorziening,

European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA), gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door F. Carlin, barrister, en N. Niejahr, Rechtsanwältin,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur), S. Rodin, K. Jürimäe en P. G. Xuereb, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffiers: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid, C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 januari 2019,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 2020,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening verzoeken H. Lundbeck A/S en Lundbeck Ltd om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 september 2016, Lundbeck/Commissie (T‑472/13, EU:T:2016:449; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van hun beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2013) 3803 final van de Commissie van 19 juni 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT/C‑3/39226 – Lundbeck) (hierna: „litigieus besluit”) en tot verlaging van de hen door dit besluit opgelegde geldboeten.

Toepasselijke bepalingen

Verordening nr. 1/2003

2 Artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) luidt: „De Commissie kan bij [besluit] geldboeten opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel [101] of artikel [102 VWEU]; [...]”

Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006

3 De punten 6, 13 en 22 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006”) luiden: „6. De combinatie van de waarde van de verkopen in verband met de inbreuk en de duur van de inbreuk wordt [...] als een geschikte maatstaf beschouwd waarin zowel de economische impact van de inbreuk tot uiting komt als het relatieve gewicht van elke onderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen. De verwijzing naar deze factoren geeft een goede indicatie van de orde van grootte van de boete maar moet niet als basis voor een automatische, rekenkundige berekeningsmethode worden beschouwd. [...] 13. Om het basisbedrag van de op te leggen boete vast te stellen zal de Commissie uitgaan van de waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de [Europese Economische Ruimte (EER)] verkochte goederen of diensten van de onderneming die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk. De Commissie zal over het algemeen gebruikmaken van de verkopen van de onderneming in het laatste volledige jaar waarin zij aan de inbreuk heeft deelgenomen (‚waarde van de verkopen’). [...] 22. Om de precieze hoogte binnen deze bandbreedte te bepalen zal de Commissie met een aantal factoren rekening houden, zoals de aard van de inbreuk, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken partijen, de geografische reikwijdte van de inbreuk, en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd.”

Richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht

4 Punt 29 van de richtsnoeren voor de toepassing van artikel 101 [VWEU] op overeenkomsten inzake technologieoverdracht (PB 2014, C 89, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht”) luidt als volgt: „In principe worden de partijen bij een overeenkomst geacht geen concurrenten te zijn indien zij zich in een blokkeringspositie in één richting of in twee richtingen bevinden. Van een blokkeringspositie in één richting is sprake wanneer een technologierecht niet kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op een ander geldig technologierecht of wanneer de ene partij niet op een commercieel levensvatbare wijze op de relevante markt actief kan zijn zonder inbreuk te maken op het geldige technologierecht van de andere partij. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een technologierecht betrekking heeft op de verbetering van een ander technologierecht en deze verbetering niet rechtmatig kan worden gebruikt zonder licentie voor het basistechnologierecht. Er is sprake van een blokkeringspositie in twee richtingen wanneer geen van beide technologierechten kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te maken op het andere geldige technologierecht of wanneer geen van beide partijen op een commercieel levensvatbare wijze op de relevante markt actief kan zijn zonder inbreuk te maken op het geldige technologierecht van de andere partij, en wanneer de partijen derhalve van elkaar een licentie of een gebruiksrecht moeten verkrijgen. In de praktijk zullen er echter gevallen zijn waarin het niet zeker is of een bepaald technologierecht geldig is en of er inbreuk op is gemaakt.”

Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze beschikking

5 De onderhavige hogere voorziening is een van de zes verwante hogere voorzieningen tegen zes arresten van het Gerecht die zijn gewezen na beroepen tot nietigverklaring van het litigieuze besluit, namelijk, naast de onderhavige hogere voorziening, de hogere voorziening die is ingesteld in zaak C‑586/16 P [Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie] tegen het arrest van 8 september 2016, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (T‑460/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:453), die in zaak C‑588/16 P [Generics (UK)/Commissie] tegen het arrest van 8 september 2016, Generics (UK)/Commissie (zaak T‑469/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:454), die in zaak C‑601/16 P (Arrow Group en Arrow Generics/Commissie) tegen het arrest van 8 september 2016, Arrow Group en Arrow Generics/Commissie (T‑467/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:450), die in zaak C‑611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie) tegen het arrest van 8 september 2016, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (zaak T‑471/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:460), en die in zaak C‑614/16 P (Merck/Commissie) tegen het arrest van 8 september 2016, Merck/Commissie (zaak T‑470/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:452).

6 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 75 van het bestreden arrest uiteengezet als volgt: „I – Vennootschappen waarop de onderhavige zaak betrekking heeft 1 H. Lundbeck A/S [...] is een vennootschap naar Deens recht die aan het hoofd staat van een groep van vennootschappen, waaronder Lundbeck Ltd, die in het Verenigd Koninkrijk [van Groot-Brittannië en Noord-Ierland] is gevestigd en die gespecialiseerd is in het onderzoek, de ontwikkeling, de productie, de marketing, de verkoop en de distributie van farmaceutica voor de behandeling van ziekten die het centrale zenuwstelsel raken, waaronder depressies. 2 [H. Lundbeck] is een initiërend farmaceutisch bedrijf, dat wil zeggen een onderneming die zich concentreert op het onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen en het in de handel brengen daarvan. 3 Merck KGaA is een vennootschap naar Duits recht die in farmaceutica is gespecialiseerd en die op het moment van sluiting van de betrokken overeenkomsten indirect, via de groep Merck Generics Holding GmbH (hierna: ‚Merck Generics’), 100 % van haar dochteronderneming Generics UK Limited (hierna: ‚GUK’) in handen had, een vennootschap die verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en het in de handel brengen van generieke farmaceutische producten in het Verenigd Koninkrijk. 4 Merck en GUK zijn door de [...] Commissie beschouwd als één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht ten tijde van de relevante feiten [hierna: ‚Merck (GUK)’]. 5 Arrow Group A/S, die in augustus 2003 is omgedoopt tot Arrow Group ApS (hierna zonder onderscheid: ‚Arrow Group’), is een vennootschap naar Deens recht die aan het hoofd staat van een groep van vennootschappen, die in meerdere lidstaten aanwezig is en die sinds 2001 actief is op het gebied van de ontwikkeling en de verkoop van generieke geneesmiddelen. 6 Arrow Generics Ltd is een vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, die aanvankelijk voor 100 % en later, vanaf februari 2002, voor 76 % werd gehouden door de Arrow Group. 7 Resolution Chemicals Ltd is een vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk die gespecialiseerd is in de productie van werkzame farmaceutische bestanddelen (hierna: ‚WFB’s’) voor generieke geneesmiddelen. Zij stond tot september 2009 onder de zeggenschap van de Arrow Group. 8 Arrow Group, Arrow Generics Ltd en Resolution Chemicals Ltd zijn door de Commissie beschouwd als één enkele onderneming (hierna: ‚Arrow’) ten tijde van de relevante feiten. 9 Alpharma Inc. was een vennootschap naar Amerikaans recht die wereldwijd actief was in de farmaceutische sector, met name met generieke geneesmiddelen. Tot december 2008 werd zij gecontroleerd door de vennootschap naar Noors recht A.L. Industrier AS. Vervolgens is zij gekocht door een farmaceutisch bedrijf uit het Verenigd Koninkrijk, dat op zijn beurt is gekocht door een farmaceutisch bedrijf uit de Verenigde Staten. In het kader van deze reorganisaties is Alpharma Inc. eerst, in april 2010, Alpharma, LLC geworden en vervolgens, op 15 april 2013, Zoetis Products LLC. 10 Alpharma ApS was een vennootschap naar Deens recht die indirect voor 100 % werd gehouden door Alpharma Inc. Zij had meerdere dochterondernemingen in de [EER]. Na meerdere reorganisaties is Alpharma ApS op 31 maart 2008 Axellia Pharmaceuticals ApS geworden, die in 2010 is omgedoopt tot Xellia Pharmaceuticals ApS [...]. 11 Alpharma Inc., A.L. Industrier AS en Alpharma ApS zijn door de Commissie beschouwd als één enkele onderneming (hierna: ‚Alpharma’) ten tijde van de relevante feiten. 12 Ranbaxy Laboratories Ltd is een vennootschap naar Indiaas recht die gespecialiseerd is [in] de ontwikkeling en productie van WFB’s en generieke geneesmiddelen. 13 Ranbaxy (UK) Ltd is een vennootschap naar Engels recht en dochteronderneming van Ranbaxy Laboratories. Zij is belast met de verkoop van de producten van laatstgenoemde in het Verenigd Koninkrijk. 14 Ranbaxy Laboratories Ltd en Ranbaxy (UK) Ltd zijn door de Commissie beschouwd als één enkele onderneming (hierna: ‚Ranbaxy’) ten tijde van de relevante feiten. II – Betrokken product en daarop betrekking hebbende octrooien 15 Het product waar de onderhavige zaak betrekking op heeft, is een antidepressivum dat het WFB genaamd citalopram bevat. 16 In 1977 heeft [H. Lundbeck] in Denemarken een octrooiaanvraag ingediend voor het WFB citalopram en voor de werkwijzen alkylering en cyanering die voor de productie van dat WFB worden gebruikt. De octrooien voor dit WFB en die twee werkwijzen (hierna: ‚oorspronkelijke octrooien [van Lundbeck]’) zijn tussen 1977 en 1985 in Denemarken en meerdere West-Europese landen verleend. 17 Wat de EER betreft, is de bescherming op grond van de oorspronkelijke octrooien [van Lundbeck] en in voorkomend geval ook aanvullende beschermingscertificaten [...], waarin is voorzien bij verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB [1992,] L 182, blz. 1), in 1994 (voor Duitsland) en 2003 (voor Oostenrijk) afgelopen. Wat meer bepaald het Verenigd Koninkrijk betreft, zijn de oorspronkelijke octrooien [van Lundbeck] in januari 2002 verstreken. 18 Door de jaren heen heeft [H. Lundbeck] andere, efficiëntere werkwijzen voor de productie van citalopram ontwikkeld, waarvoor zij in meerdere landen van de EER en bij de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) en het Europees Octrooibureau (EOB) octrooien heeft aangevraagd en vaak ook heeft verkregen (hierna: ‚nieuwe octrooien van Lundbeck’). 19 Meer bepaald heeft [H. Lundbeck] ten eerste in 1998 en 1999 bij het EOB twee octrooiaanvragen ingediend voor de productie van citalopram met behulp van werkwijzen waarbij gebruik werd gemaakt van jodium en amide. Het EOB heeft aan [H. Lundbeck] op 19 september 2001 een octrooi verleend ter bescherming van de werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van amide [...] en op 26 maart 2003 een octrooi ter bescherming van de werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van jodium [...]. 20 Ten tweede heeft [H. Lundbeck] op 13 maart 2000 bij de Deense autoriteiten een octrooiaanvraag ingediend voor een werkwijze voor de productie van citalopram die voorzag in een methode voor de zuivering van de gebruikte zouten door middel van kristallisatie. In andere landen van de EER en bij de WIPO en het EOB zijn vergelijkbare aanvragen ingediend. [H. Lundbeck] heeft in de eerste helft van 2002 in meerdere lidstaten octrooien verkregen ter bescherming van de werkwijze waarbij gebruik wordt gemaakt van kristallisatie, waaronder op 30 januari 2002 in het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‚octrooien inzake kristallisatie’). Het EOB heeft op 4 september 2002 een octrooi ter zake van de kristallisatie verleend. Daarnaast had [H. Lundbeck] reeds op 6 november 2000 in Nederland een gebruiksmodel voor deze werkwijze verkregen [...], dus een octrooi dat zes jaar geldig is, dat wordt verleend zonder dat werkelijk vooraf onderzoek wordt verricht. 21 Ten derde heeft [H. Lundbeck] op 12 maart 2001 een octrooiaanvraag ingediend bij de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk voor een werkwijze voor de productie van citalopram die voorzag in een methode voor de zuivering van de gebruikte zouten door filmdestillatie. De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben aan [H. Lundbeck] op 3 oktober 2001 een octrooi verleend voor deze methode van filmdestillatie (hierna: ‚octrooi inzake filmdestillatie’). Dit octrooi is echter op 23 juni 2004 ingetrokken omdat niet voldaan was aan de voorwaarde dat deze werkwijze nieuw was in vergelijking met een ander octrooi van [H. Lundbeck]. [H. Lundbeck] heeft op 29 juni 2002 een vergelijkbaar octrooi gekregen in Denemarken. 22 Tot slot wilde [H. Lundbeck] eind 2002 of begin 2003 een nieuw antidepressivum, Cipralex, gebaseerd op het WFB met de naam escitalopram (of S-citalopram), op de markt brengen. Dit nieuwe geneesmiddel was bedoeld voor dezelfde patiënten als de patiënten die met het geoctrooieerde geneesmiddel Cipramil van [H. Lundbeck], gebaseerd op het WFB citalopram, werden behandeld. Het WFB escitalopram werd beschermd door octrooien die op zijn minst tot in 2012 geldig waren. III – Litigieuze overeenkomsten 23 In de loop van 2002 heeft [H. Lundbeck] zes overeenkomsten betreffende citalopram gesloten (hierna: ‚litigieuze overeenkomsten’) met vier ondernemingen die actief zijn op het gebied van de productie en/of verkoop van generieke geneesmiddelen, namelijk Merck (GUK), Alpharma, Arrow en Ranbaxy (hierna: ‚[fabrikanten van generieke geneesmiddelen]’). A – Overeenkomsten met Merck (GUK) 24 [H. Lundbeck] heeft met Merck (GUK) twee overeenkomsten gesloten. 25 De eerste overeenkomst ging in op 24 januari 2002, met aanvankelijk een duur van een jaar en voor uitsluitend het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‚GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk’). Zij is ondertekend door de dochteronderneming van [H. Lundbeck] in het Verenigd Koninkrijk, dat wil zeggen de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk Lundbeck Ltd. Deze overeenkomst is vervolgens verlengd voor een periode van zes maanden die op 31 juli 2003 afliep. Na een kortstondige toetreding van Merck (GUK) tot de markt tussen 1 en 4 augustus, zijn de partijen vervolgens op 6 augustus 2003 een tweede verlenging van de overeenkomst aangegaan voor een periode van maximaal zes maanden, die korter kon worden indien [H. Lundbeck] geen gerechtelijke actie zou ondernemen tegen andere [fabrikanten van generieke geneesmiddelen] die tot de markt zouden trachten toe te treden of na afloop van een geding tussen Lundbeck en Lagap Pharmaceuticals Ltd, een andere [fabrikant van generieke geneesmiddelen] (hierna: ‚Lagap-geschil’). 26 Volgens deze overeenkomst hadden de partijen met name in het volgende voorzien: – er bestaat een risico dat bepaalde handelingen waartoe GUK het voornemen heeft op het gebied van het in de handel brengen, distribueren en verkopen van ‚Producten’, een inbreuk kunnen vormen op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck] en dat die aanleiding kunnen geven tot aanspraken van haar zijde (punt 2.1 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk). Deze ‚Producten’ waren in punt 1.1 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk gedefinieerd als ‚producten van citalopram die door GUK zijn ontwikkeld in de vorm van basismateriaal, als bulk of in de vorm van tabletten, zoals gespecificeerd in de Bijlage, en die zijn vervaardigd volgens de productspecificatie die GUK heeft overgelegd op de datum van ondertekening, die is opgenomen als Bijlage 2’; – gelet op de tussen de partijen gesloten overeenkomst zal [H. Lundbeck] op 31 januari 2002 aan GUK een bedrag van 2 miljoen Britse pond (GBP) betalen in ruil voor de levering van de ‚Producten’, in de hoeveelheden zoals opgenomen in de overeenkomst (punt 2.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk); – GUK verbindt zich er daarnaast toe om tegen betaling van een aanvullend bedrag van 1 miljoen GBP de ‚Producten’ zoals gespecificeerd in de [Bijlage] op 2 april 2002 te leveren (punt 2.3 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk); – de verrichte betalingen en de levering van de ‚Producten’ door GUK op grond van de punten 2.2 en 2.3 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk vormen volledige en finale kwijting voor enige aanspraken die [H. Lundbeck] jegens GUK zou kunnen hebben wegens inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrechten voor zover betrekking hebbend op de ‚Producten’ die tot die datum door GUK zijn geleverd (punt 2.4 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk); – [H. Lundbeck] verbindt zich ertoe om ‚Eindproducten’ te leveren aan GUK en GUK verbindt zich ertoe om deze ‚Eindproducten’ uitsluitend van [H. Lundbeck] te kopen met het oog op de wederverkoop ervan door GUK en de met haar verbonden ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk voor de duur en volgens de bepalingen van de overeenkomst (punt 3.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk), waarbij deze ‚Eindproducten’ in punt 1.1 van de overeenkomst zijn gedefinieerd als ‚de producten die citalopram bevatten in de vorm van eindproducten, die door [H. Lundbeck] aan GUK zullen worden geleverd overeenkomstig de onderhavige overeenkomst’; – [H. Lundbeck] verbindt zich ertoe om aan GUK een bedrag van 5 miljoen GBP te betalen als aan GUK gegarandeerde nettowinst, mits GUK bestellingen plaatst voor het volume ‚Eindproducten’ dat voor de duur van de overeenkomst is overeengekomen (of een lager bedrag dat pro rata wordt berekend op basis van de geplaatste bestellingen) (punt 6.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk). 27 Bij de eerste verlenging van de overeenkomst is mede voorzien in de betaling van een bedrag van 400000 GBP per maand voor de uitvoering van punt 6.2 van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk door GUK en is de definitie van ‚nettowinst’ gewijzigd. 28 Bij de tweede verlenging van de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk is mede voorzien in een bedrag van 750000 GBP per maand voor de uitvoering van artikel 6.2 van die overeenkomst door GUK. 29 De GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk is op 1 november 2003 afgelopen, na de minnelijke regeling van het Lagap-geschil. In totaal heeft [H. Lundbeck] tijdens de looptijd van de overeenkomst het equivalent van 19,4 miljoen EUR aan GUK overgedragen. 30 Op 22 oktober 2002 is een tweede overeenkomst tussen [H. Lundbeck] en GUK gesloten, die de EER met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk dekte (hierna: ‚GUK-overeenkomst voor de EER’). In deze overeenkomst was voorzien in de betaling van een bedrag van 12 miljoen EUR in ruil voor de verbintenis van GUK om geen farmaceutische producten met daarin citalopram te verkopen op het gehele grondgebied van de EER (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk) en alle redelijke inspanningen te doen om ervoor te zorgen dat Natco Pharma Ltd [...], de producent van het WFB citalopram dat door Merck (GUK) wordt gebruikt voor het in de handel brengen van haar versie van generiek citalopram [...], de levering van citalopram of producten met daarin citalopram in de EER zou staken voor de duur van de overeenkomst (punten 1.1 en 1.2 van de GUK-overeenkomst voor de EER). [H. Lundbeck] verbond zich ertoe om niet in rechte op te treden tegen GUK, mits zij haar verplichtingen op grond van punt 1.1 van de GUK-overeenkomst voor de EER zou nakomen (punt 1.3 van de GUK-overeenkomst voor de EER). 31 De GUK-overeenkomst voor de EER liep af op 22 oktober 2003. In totaal heeft [H. Lundbeck] op grond van die overeenkomst het equivalent van 12 miljoen EUR aan GUK overgedragen. B – Overeenkomsten met Arrow 32 [H. Lundbeck] heeft met Arrow twee overeenkomsten gesloten. 33 De eerste daarvan, betreffende het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, is op 24 januari 2002 gesloten tussen [H. Lundbeck], enerzijds, en Arrow Generics en Resolution Chemicals (hierna tezamen: ‚Arrow UK’), anderzijds (hierna: ‚Arrow-UK-overeenkomst’). 34 De Arrow-UK-overeenkomst zou aanvankelijk tot 31 december 2002 lopen of, indien dit eerder zou zijn, de datum van een definitief geworden rechterlijke beslissing over de vordering die [H. Lundbeck] tegen Arrow UK wilde instellen bij de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk ter zake van de vermeende inbreuk van laatstgenoemde op haar octrooien (hierna: ‚vordering wegens inbreuk op Arrow’) (punt 4.1 van de Arrow-UK-overeenkomst). Daarna is deze overeenkomst bij twee gelegenheden verlengd door de ondertekening van addenda. De eerste verlenging betrof de periode 1 januari tot 1 maart 2003 (punt 3.1 van het eerste addendum bij de Arrow-UK-overeenkomst), terwijl de tweede bepaalde dat die overeenkomst zou aflopen op hetzij 31 januari 2004, hetzij op de zevende dag volgend op de rechterlijke beslissing waardoor een einde zou komen aan het Lagap-geschil (punt 4.1 van het tweede addendum bij de Arrow-UK-overeenkomst). Aangezien dit geschil minnelijk is geregeld op 13 oktober 2003, is de Arrow-UK-overeenkomst geëindigd op 20 oktober daarna. Dit betekent dat de totale looptijd van deze overeenkomst zich heeft uitgestrekt van 24 januari 2002 tot 20 oktober 2003 (hierna: ‚looptijd van de Arrow-UK-overeenkomst’) 35 Ten aanzien van de inhoud van de Arrow-UK-overeenkomst moet op het volgende worden gewezen: – in de eerste overweging van de considerans van deze overeenkomst (hierna: ‚Arrow-UK-considerans’) wordt onder meer verwezen naar het feit dat [H. Lundbeck] houder is van de octrooien inzake kristallisatie en filmdestillatie; – in de vierde overweging van de Arrow-UK-considerans is het volgende verduidelijkt: ‚Arrow [UK] heeft van een derde partij een licentie verkregen voor de import in het Verenigd Koninkrijk van citalopram dat niet door [H. Lundbeck] of met toestemming van [H. Lundbeck] is geproduceerd („bedoeld Citalopram”; om elke onduidelijkheid te voorkomen, omvat deze definitie alleen Citalopram dat bedoeld is voor de marketing en de verkoop in het Verenigd Koninkrijk, met uitsluiting van dat bedoeld voor de marketing en de verkoop in andere landen’); – in de zesde overweging van de Arrow-UK-considerans is aangegeven dat [H. Lundbeck] ‚bedoeld Citalopram’ aan laboratoriumtesten heeft onderworpen, waaruit is gebleken dat er goede gronden zijn om aan te nemen dat dit inbreuk maakte op de octrooien die hierboven bij het eerste gedachtestreepje zijn genoemd; – in de zevende overweging van de Arrow-UK-considerans is uiteengezet dat Arrow UK niet toegeeft dat zij inbreuk op deze octrooien heeft gemaakt en ook niet erkent dat zij geldig zijn, maar aanvaardt dat [H. Lundbeck] daarvan overtuigd is, hetgeen Arrow UK niet met onweerlegbaar bewijs kan ontkrachten; – in de achtste overweging van de Arrow-UK-considerans is eraan herinnerd dat [H. Lundbeck] ermee heeft gedreigd dat zij om voorlopige maatregelen zou verzoeken en dat zij voornemens was om de vordering wegens inbreuk op Arrow in te stellen; – in punt 1.1 van die overeenkomst was het volgende bepaald: ‚Arrow [UK] verbindt zich er in eigen naam en in naam van alle verwante en verbonden entiteiten toe om gedurende de [looptijd van de Arrow-UK-overeenkomst] en op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk geen (1) [„]bedoeld Citalopram[”] of (2) enig ander citalopram dat volgens [H. Lundbeck] inbreuk maakt op haar [intellectuele-]eigendomsrechten te vervaardigen, te vervreemden of ter vervreemding aan te bieden, te gebruiken of na de tweede leveringsdatum te importeren of op te slaan met het oog op de vervreemding ervan of voor enig ander doel, en gedurende de [looptijd van de Arrow-UK-overeenkomst] voldoende stalen voor analyse te leveren om [H. Lundbeck] in staat te stellen om na te gaan of al of niet sprake is van een inbreuk, zulks telkens ten minste een maand vóór elke vervaardiging, import, verkoop of offerte die Arrow [UK] dreigde te doen in afwachting van een eindbeslissing waartegen geen beroep meer openstaat in [het kader van de vordering wegens inbreuk op Arrow] [...]’; – in punt 1.2 van deze overeenkomst is vermeld dat Arrow UK ermee instemt dat de door haar aangegane verbintenissen als bedoeld in punt 1.1 van de Arrow-UK-overeenkomst, worden overgenomen in een beschikking die [H. Lundbeck] aan de bevoegde rechter in het Verenigd Koninkrijk zou vragen; – in punt 2.1 van deze overeenkomst is eraan herinnerd dat [H. Lundbeck] de vordering wegens inbreuk op Arrow zal instellen zodra dat mogelijk is en hoe dan ook op uiterlijk 31 maart 2002; – in punt 2.2 van deze overeenkomst is bepaald dat [H. Lundbeck], gezien de verbintenissen bedoeld in punt 1.1 van de Arrow-UK-overeenkomst en het feit dat Arrow UK niet zal verzoeken om ‚cross-undertaking in damages’ (het bedrag dat [H. Lundbeck] naar Engels recht bij de rechterlijke instantie had moeten storten indien zij in het kader van de vordering wegens inbreuk op Arrow om een voorlopige maatregel had verzocht), aan Arrow UK in vier tranches 5 miljoen GBP zal overmaken, waarbij dit bedrag later is verhoogd met 450000 GBP, op grond van punt 2.1 van het eerste addendum bij de Arrow-UK-overeenkomst, en met 1,350 miljoen GBP, op grond van de punten 2.1 en 3 van het tweede addendum bij die overeenkomst; – in punt 2.3 van deze overeenkomst is bepaald dat, ingeval in een eindbeslissing in het kader van de vordering wegens inbreuk zou worden vastgesteld dat Arrow UK geen inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck], het bedrag genoemd in punt 2.2 van deze overeenkomst de volledige schadevergoeding zou vormen die Arrow UK van [H. Lundbeck] zou kunnen verkrijgen voor de verliezen die zij als gevolg van de uit punt 1.1 van de Arrow-UK-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou hebben geleden; – in punt 3.4 van de overeenkomst is opgenomen dat Arrow UK aan [H. Lundbeck] haar voorraad van ‚bedoeld citalopram’ in twee stappen zal leveren, waarvan de eerste, die betrekking had op ongeveer 3,975 miljoen tabletten in dozen, uiterlijk 6 februari 2002 moest plaatsvinden en de tweede, die betrekking had op ongeveer 1,1 miljoen tabletten in bulk, uiterlijk op 15 februari 2002. 36 Daarnaast moet worden verduidelijkt dat [H. Lundbeck] op 6 februari 2002 de in punt 1.2 van de Arrow-UK-overeenkomst bedoelde beschikking heeft verkregen [...]. 37 De tweede overeenkomst, betreffende het grondgebied van Denemarken, is op 3 juni 2002 gesloten tussen [H. Lundbeck] en Arrow Group (hierna: ‚Deense Arrow-overeenkomst’). 38 De Deense Arrow-overeenkomst is opgesteld met een looptijd vanaf de ondertekening ervan op 3 juni 2002 tot 1 april 2003 of, indien dat eerder zou zijn, de datum van een definitief geworden rechterlijke beslissing inzake de vordering wegens inbreuk op Arrow. Aangezien geen dergelijke beslissing is vastgesteld, was de overeenkomst van kracht van 3 juni 2002 tot 1 april 2003 [...] 39 Ten aanzien van de inhoud van de Deense Arrow-overeenkomst moet op het volgende worden gewezen: – de eerste, derde en vijfde tot en met negende overweging van de considerans stemmen in essentie overeen met de eerste, vierde en zesde tot en met achtste overweging van de Arrow-UK-considerans, met dien verstande dat de negende overweging van de considerans van de Deense Arrow-overeenkomst verwijst naar de consent order [bedoeld in punt 1.2 van de Arrow-UK-overeenkomst]; – in punt 1.1 van deze overeenkomst is bepaald: ‚Arrow [Group] verbindt zich er voor de duur [van de Deense Arrow-overeenkomst] toe om op het [Deense] grondgebied alle import, vervaardiging, productie, verkoop of andere commercialisering van producten die citalopram bevatten en die volgens [H. Lundbeck] inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten, te annuleren en te staken’; – in punt 2.1 van deze overeenkomst is opgenomen dat [H. Lundbeck] als compensatie voor de verbintenissen die zijn aangegaan door Arrow Group, aan laatstgenoemde het bedrag van 500000 Amerikaanse dollar (USD) zal betalen; – in punt 2.2 van deze overeenkomst is vastgelegd dat, ingeval in een eindbeslissing in het kader van de vordering wegens inbreuk op Arrow zou worden vastgesteld dat Arrow Group geen inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck], het bedrag genoemd in punt 2.1 van deze overeenkomst de volledige schadevergoeding zou vormen die Arrow Group van [H. Lundbeck] zou kunnen verkrijgen voor de verliezen die zij als gevolg van de uit punt 1.1 van de Deense Arrow-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zou hebben geleden; – in punt 3.1 van deze overeenkomst is daaraan toegevoegd dat [H. Lundbeck] voor de prijs van 147000 USD de voorraad citalopram van Arrow Group, zijnde ongeveer 1 miljoen tabletten, zal kopen. C – Overeenkomst met Alpharma 40 [H. Lundbeck] heeft op 22 februari 2002 een overeenkomst met Alpharma gesloten (hierna: ‚Alpharma-overeenkomst’), voor de periode vanaf deze datum tot en met 30 juni 2003 [...] 41 Vóór de sluiting van deze overeenkomst had Alpharma in januari 2002 bij Alfred E. Tiefenbacher GmbH & Co. [...] een voorraad generieke citalopramtabletten gekocht die waren ontwikkeld met behulp van het WFB citalopram dat door de Indiase vennootschap Cipla was geproduceerd op basis van haar werkwijzen [...] en had zij er nog meer besteld. 42 Over de considerans van de Alpharma-overeenkomst moet met name het volgende worden opgemerkt: – in de eerste overweging is eraan herinnerd dat ‚[H. Lundbeck] houder is van intellectuele-eigendomsrechten die in het bijzonder de octrooien voor de productie [...] van het WFB „Citalopram” [in de hele tekst van de overeenkomst met een hoofdletter „c” geschreven] omvatten, waaronder de octrooien die zijn weergegeven in bijlage A [...]’ bij deze overeenkomst [...]; – in de tweede overweging is aangegeven dat [H. Lundbeck] farmaceutische producten met daarin ‚Citalopram’ produceert en verkoopt in alle lidstaten en in Noorwegen en Zwitserland, waarbij die landen tezamen zijn gedefinieerd als het ‚Grondgebied’; – in de derde en de vierde overweging is vermeld dat Alpharma op het ‚Grondgebied’ farmaceutische producten met daarin ‚Citalopram’ heeft geproduceerd of verkocht zonder toestemming van [H. Lundbeck]; – in de vijfde en zesde overweging is aangegeven dat de producten van Alpharma door [H. Lundbeck] aan laboratoriumtesten zijn onderworpen, waaruit is gebleken dat er goede gronden zijn om aan te nemen dat de productiemethoden die worden gebruikt voor de vervaardiging van deze producten, inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten; – in de zevende overweging is in herinnering gebracht dat [H. Lundbeck] op 31 januari 2002 een vordering heeft ingesteld bij een rechterlijke instantie van het Verenigd Koninkrijk (hierna: ‚vordering wegens inbreuk op Alpharma’) ter verkrijging van een voorlopige maatregel ‚tegen de verkopen door Alpharma van producten die Citalopram bevatten wegens inbreuk op de intellectuele-eigendomsrechten van [H. Lundbeck]’; – in de achtste overweging is aangegeven dat Alpharma erkent dat de door [H. Lundbeck] gedane vaststellingen juist zijn en dat zij zich ertoe verbindt om ‚dergelijke producten’ niet op de markt te brengen; – in de negende en de tiende overweging is gepreciseerd dat [H. Lundbeck]: – ‚ermee instemt om aan Alpharma een compensatie te betalen om een octrooigeschil te kunnen voorkomen’, waarvan de uitkomst niet met volledige zekerheid kan worden voorzien en dat duur en tijdrovend zou zijn; – ‚ermee instemt om, ter beëindiging van het geschil, van Alpharma haar hele voorraad producten met daarin Citalopram te kopen en haar voor deze producten een compensatie te betalen’. 43 Wat het corpus van de Alpharma-overeenkomst betreft, moet met name op het volgende worden gewezen: – in punt 1.1 is bepaald dat Alpharma en haar dochterondernemingen ‚gedurende de [relevante periode] elke import, [...] productie [...] of verkoop van farmaceutische producten die Citalopram bevatten op het Grondgebied annuleren en staken en dat zij daarvan afzien [...]’ en dat [H. Lundbeck] haar tegen Alpharma ingestelde vordering wegens inbreuk intrekt; – in datzelfde punt is gepreciseerd dat dit niet van toepassing is op escitalopram; – in punt 1.2 is erin voorzien dat ‚Alpharma zich in geval van niet-nakoming van de verplichting in [punt 1.1] of op verzoek van [H. Lundbeck] [...] vrijwillig zal onderwerpen aan een voorlopige maatregel van om het even welke bevoegde rechterlijke instantie in om het even welk land dat deel uitmaakt van het Grondgebied’ en dat [H. Lundbeck] een dergelijke maatregel zal kunnen verkrijgen zonder een waarborg te storten; – in punt 1.3 is gepreciseerd dat [H. Lundbeck] als compensatie voor de in die overeenkomst voorziene verplichtingen en ter vermijding van de kosten en de tijd die met een rechtszaak zijn gemoeid, aan Alpharma het bedrag van 12 miljoen USD zal betalen, waarvan 11 miljoen bedoeld is voor de producten van Alpharma die ‚Citalopram’ bevatten, in drie tranches van 4 miljoen elk, te betalen op respectievelijk 31 maart 2002, 31 december 2002 en 30 juni 2003; – in punt 2.2 is bepaald dat Alpharma uiterlijk op 31 maart 2002 de volledige voorraad van producten met daarin ‚Citalopram’ waarover zij op die datum zal beschikken, aan [H. Lundbeck] zal leveren, zijnde de 9,4 miljoen tabletten die zij reeds in haar bezit had bij de sluiting van de Alpharma-overeenkomst en de 16 miljoen tabletten die zij had besteld. 44 Bijlage A [bij de Alpharma-overeenkomst] bevat een lijst van 28 aanvragen voor intellectuele-eigendomsrechten die door [H. Lundbeck] waren ingediend vóór de ondertekening [van die overeenkomst], waarvan er negen op die datum reeds waren gehonoreerd. Deze intellectuele-eigendomsrechten betroffen de werkwijzen voor de productie van het WFB citalopram waarop de octrooien inzake de kristallisatie en de filmdestillatie zagen. 45 Bovendien moet worden verduidelijkt dat een rechter in het Verenigd Koninkrijk op 2 mei 2002 een consent order heeft uitgevaardigd waarin is bepaald dat de behandeling van de tegen Alpharma ingestelde vordering wegens inbreuk is opgeschort wegens de sluiting van een overeenkomst tussen [H. Lundbeck] en onder meer Alpharma, op grond waarvan laatstgenoemde en haar dochterondernemingen ‚tot en met 30 juni 2002 elke import, [...] productie [...] of verkoop in de [lidstaten], Noorwegen en Zwitserland (de „Relevante Grondgebieden”) van farmaceutische producten met daarin citalopram dat is vervaardigd met behulp van de aangevoerde werkwijzen in [de octrooien inzake de kristallisatie en het octrooi inzake filmdestillatie die door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk zijn verleend] of in enig ander gelijkwaardig octrooi dat op de Relevante Grondgebieden is verkregen of aangevraagd, [zouden] annuleren en staken en dat zij daarvan [zouden] afzien’ [...]. D – Overeenkomst met Ranbaxy 46 Op 16 juni 2002 heeft [H. Lundbeck] een overeenkomst met Ranbaxy Laboratories ondertekend (hierna: ‚Ranbaxy-overeenkomst’) voor de duur van 360 dagen. Op grond van een op 19 februari 2003 ondertekend addendum (hierna: ‚Ranbaxy-addendum’) is deze overeenkomst verlengd tot 31 december 2003. De totale looptijd daarvan is dus van 16 juni 2002 tot en met 31 december 2003 [...]. 47 In de considerans van de Ranbaxy-overeenkomst (hierna: ‚Ranbaxy-considerans’) is het volgende opgenomen: – Ranbaxy Laboratories heeft in India twee octrooien voor werkwijzen betreffende citalopram aangevraagd en geneesmiddelen met daarin citalopram geproduceerd met de bedoeling om deze op de markt te brengen in onder meer de EER (tweede en derde overweging van de Ranbaxy-considerans en bijlage A bij de Ranbaxy-overeenkomst); – [H. Lundbeck] heeft dit citalopram aan laboratoriumtesten onderworpen en daaruit afgeleid dat de gebruikte werkwijzen inbreuk maakten op het octrooi inzake amide en het octrooi inzake jodium, welk laatste nog niet was verleend (zie punt 19 [van het bestreden arrest]), terwijl Ranbaxy Laboratories bestrijdt dat van dergelijke inbreuken sprake is (vijfde tot en met achtste overweging van de Ranbaxy-considerans); – [H. Lundbeck] en Ranbaxy Laboratories hebben overeenstemming over een overeenkomst bereikt ter voorkoming van een octrooigeschil dat duur en tijdrovend zou zijn en waarvan de uitkomst niet met absolute zekerheid kan worden voorzien (negende overweging van de considerans). 48 In de Ranbaxy-overeenkomst is onder meer het volgende aangegeven: – ‚[o]nder voorbehoud van de voorwaarden en betalingen zijdens [H. Lundbeck] die in [deze overeenkomst] zijn opgenomen, zal Ranbaxy Laboratories voor de duur van deze overeenkomst geen aanspraak maken op rechten betreffende de [o]ctrooiaanvraag [bedoeld in de considerans daarvan] of op enige productiemethode die door Ranbaxy Laboratories wordt gebruikt en zal zij de vervaardiging of verkoop van daarop gebaseerde farmaceutische producten annuleren en staken, alsook daarvan afzien [onder meer in de EER] [...]’ (punt 1.1 van de Ranbaxy-overeenkomst en punt 1.0 van het Ranbaxy-addendum); – ‚in geval van niet-nakoming van de verplichtingen die zijn opgenomen in punt 1.1 of op verzoek van [H. Lundbeck]’ stemmen Ranbaxy Laboratories en Ranbaxy (UK) ermee in dat zij zich zullen onderwerpen aan de voorlopige maatregelen die door de bevoegde rechterlijke instanties worden vastgesteld, zonder dat [H. Lundbeck] een waarborg hoeft te storten en zonder enige andere verbintenis dan die welke uit deze overeenkomst voortvloeien (punt 1.2 van de Ranbaxy-overeenkomst); – gelet op de tussen de partijen gesloten overeenkomst betaalt [H. Lundbeck] aan Ranbaxy Laboratories een bedrag van 9,5 miljoen USD in tranches die over de relevante periode worden gespreid (punt 1.3 van de Ranbaxy-overeenkomst en punt 2.0 van het Ranbaxy-addendum); – [H. Lundbeck] verkoopt aan Ranbaxy Laboratories of aan Ranbaxy (UK) tabletten citalopram met een korting van 40 % op de prijs af fabriek, zodat zij die op de markt in het Verenigd Koninkrijk kunnen verkopen (punt 1.3 van en bijlage B bij de Ranbaxy-overeenkomst); – [H. Lundbeck] en Ranbaxy Laboratories verbinden zich ertoe om geen vorderingen in rechte tegen elkaar in te stellen, gebaseerd op om het even welk octrooi dat eerder in de overeenkomst zelf is vermeld (punt 1.4 van de Ranbaxy-overeenkomst). IV – Stappen van de Commissie in de farmaceutische sector en administratieve procedure 49 In oktober 2003 is de Commissie van de Europese Gemeenschappen door de Konkurrence- og [Forbrugerstyrelse] (KFST, Deense mededingings- en consumentenautoriteit) op de hoogte gebracht van het bestaan van de [litigieuze] overeenkomsten. 50 Aangezien het merendeel daarvan betrekking had op de gehele EER of in elk geval andere lidstaten dan het Koninkrijk Denemarken, is afgesproken dat de Commissie zou onderzoeken of zij met het mededingingsrecht verenigbaar waren en dat de KFST het onderzoek daarvan niet zou voortzetten. 51 Tussen 2003 en 2006 heeft de Commissie inspecties in de zin van artikel 20, lid 4, van [verordening nr. 1/2003] uitgevoerd bij [H. Lundbeck] en andere vennootschappen die in de farmaceutische sector actief zijn. Ook heeft zij aan [H. Lundbeck] en een andere vennootschap verzoeken om inlichtingen in de zin van artikel 18, lid 2, van genoemde verordening toegezonden. 52 Op 15 januari 2008 heeft de Commissie het besluit tot inleiding van een onderzoek in de farmaceutische sector vastgesteld, overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1/2003 (zaak COMP/D2/39514). In het enige artikel van dat besluit is gepreciseerd dat het te verrichten onderzoek betrekking had op het op de markt brengen van innovatieve en generieke geneesmiddelen voor menselijk gebruik. 53 Op 8 juli 2009 heeft de Commissie een mededeling vastgesteld waarin zij haar rapport over het onderzoek naar de farmaceutische sector beknopt heeft weergegeven. Deze mededeling bevatte, in een technische bijlage, de integrale versie van het onderzoeksrapport in de vorm van een werkdocument van de Commissie dat uitsluitend in het Engels beschikbaar was. 54 Op 7 januari 2010 heeft de Commissie de formele procedure jegens [H. Lundbeck] ingeleid. 55 In de loop van 2010 en in de eerste helft van 2011 heeft de Commissie verzoeken om inlichtingen toegezonden aan [H. Lundbeck] en de andere vennootschappen die partij waren bij de litigieuze overeenkomsten. 56 Op 24 juli 2012 heeft de Commissie een procedure ingeleid jegens de vennootschappen die partij waren bij de litigieuze overeenkomsten en hun en [H. Lundbeck] een mededeling van punten van bezwaar gezonden. [...] 60 Op 19 juni 2013 heeft de Commissie [het litigieuze besluit] vastgesteld [...]. V – [Litigieus] besluit 61 In het [litigieuze] besluit heeft de Commissie geoordeeld dat de litigieuze overeenkomsten mededingingsbeperkingen naar strekking waren in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, en artikel 53, lid 1, van de [Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3)] (artikel 1, lid 1, van het [litigieuze] besluit). 62 De twee overeenkomsten die tussen Merck (GUK) en [H. Lundbeck] zijn gesloten, zijn beschouwd als één enkele en voortgezette inbreuk die tussen 24 januari 2002 en 1 november 2003 is gepleegd. 63 Zoals volgt uit de samenvatting in de overwegingen 824 en 874 van het [litigieuze] besluit, heeft de Commissie zich onder meer op het volgende gebaseerd: – op het moment van sluiting van overeenkomsten waren [H. Lundbeck] en Merck (GUK) op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in het Verenigd Koninkrijk en in de EER, en vóór de tweede verlenging van de overeenkomst inzake het Verenigd Koninkrijk daadwerkelijke concurrenten van elkaar in het Verenigd Koninkrijk; – [H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomsten ten gunste van Merck (GUK) grote waarde overgedragen; – deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Merck (GUK) van beperkingen ten aanzien van de markttoetreding in die overeenkomsten, meer bepaald haar verbintenis om voor de relevante duur van die overeenkomsten geen [WFB citalopram gefabriceerd door Natco Pharma] of ander generiek citalopram in het Verenigd Koninkrijk en in de EER te verkopen; – deze waardeoverdracht stemde ongeveer overeen met de winst die Merck (GUK) verwachtte te maken indien zij met succes tot de markt zou zijn toegetreden; – [H. Lundbeck] zou dergelijke beperkingen niet hebben kunnen verkrijgen door haar octrooien voor werkwijzen in te roepen, aangezien de verplichtingen die krachtens die overeenkomsten op Merck (GUK) rustten, verder gingen dan de rechten die de houders van octrooien voor werkwijzen genieten; – in deze overeenkomsten was niet voorzien in een verplichting voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Merck (GUK) af te zien voor het geval dat laatstgenoemde met generiek citalopram tot de markt zou toetreden na afloop van die overeenkomsten. 64 De twee overeenkomsten die tussen Arrow en [H. Lundbeck] zijn gesloten, zijn beschouwd als één enkele en voortgezette inbreuk die van 24 januari 2002 tot 20 oktober 2003 is gepleegd. 65 Zoals volgt uit de samenvatting in de overwegingen 962 en 1013 van het [litigieuze] besluit, over de Arrow-UK-overeenkomst respectievelijk de Deense Arrow-overeenkomst, heeft de Commissie zich onder meer op het volgende gebaseerd: – op het moment van sluiting van deze overeenkomsten waren [H. Lundbeck] en Arrow op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken; – [H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomsten ten gunste van Arrow grote waarde overgedragen; – deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Arrow van beperkingen ten aanzien van haar toetreding tot de markt van citalopram in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken in die overeenkomsten, meer bepaald de verbintenis van Arrow om geen generiek citalopram te verkopen dat [H. Lundbeck] als inbreuk op haar octrooien beschouwde, en dit voor de respectieve duur van de overeenkomsten; – deze waardeoverdracht stemde in wezen overeen met de winst die Arrow had kunnen maken indien zij met succes tot de markt zou zijn toegetreden; – [H. Lundbeck] had dergelijke beperkingen niet dankzij de toepassing van haar nieuwe octrooien kunnen verkrijgen, aangezien de krachtens deze overeenkomsten op Arrow rustende verplichtingen verder gingen dan de rechten die houders van octrooien voor werkwijzen genieten; – in deze overeenkomsten was niet voorzien in een verbintenis voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Arrow af te zien voor het geval dat laatstgenoemde na het verstrijken van de ene of de andere van die overeenkomsten in het Verenigd Koninkrijk of in Denemarken tot de markt zou toetreden met generiek citalopram. 66 Zoals blijkt uit de samenvatting in overweging 1087 van het [litigieuze] besluit, heeft de Commissie zich wat de Alpharma-overeenkomst betreft met name op het volgende gebaseerd: – op het moment van sluiting van deze overeenkomst waren [H. Lundbeck] en Alpharma op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in de EER; – [H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomst ten gunste van Alpharma grote waarde overgedragen; – deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Alpharma van beperkingen ten aanzien van haar markttoetreding in die overeenkomst, meer bepaald de verbintenis van Alpharma om gedurende de relevante periode geen generiek citalopram te verkopen in de EER; – deze waardeoverdracht stemde in essentie overeen met de winst die Alpharma had kunnen maken indien zij met succes tot de markt zou zijn toegetreden; – [H. Lundbeck] had dergelijke beperkingen niet kunnen verkrijgen door toepassing van de octrooien inzake kristallisatie en filmdestillatie, aangezien de verplichtingen die krachtens deze overeenkomsten op Alpharma rustten, verder gingen dan de rechten die houders van octrooien voor werkwijzen genieten; – in de overeenkomst was niet voorzien in een verplichting voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Alpharma af te zien voor het geval dat die na afloop van de overeenkomst met generiek citalopram tot de markt zou toetreden. 67 Zoals blijkt uit de samenvatting in overweging 1174 van het [litigieuze] besluit, heeft de Commissie zich wat de Ranbaxy-overeenkomst betreft met name op het volgende gebaseerd: – op het moment van sluiting van deze overeenkomst waren [H. Lundbeck] en Ranbaxy op zijn minst potentiële concurrenten van elkaar in de EER; – [H. Lundbeck] heeft op grond van deze overeenkomst grote waarde overgedragen aan Ranbaxy; – deze waardeoverdracht hing samen met de aanvaarding door Ranbaxy van beperkingen ten aanzien van haar markttoetreding in die overeenkomst, meer bepaald de verbintenis van Ranbaxy om haar citalopram gedurende de relevante periode niet in de EER te produceren of te verkopen, ongeacht of dit via haar eigen dochterondernemingen of via derden was; – deze waardeoverdracht was veel groter dan de winst die Ranbaxy had kunnen behalen met de verkoop van het generieke citalopram dat zij tot dan toe had geproduceerd; – [H. Lundbeck] had dergelijke beperkingen niet door het inroepen van haar octrooien voor werkwijzen kunnen verkrijgen, aangezien de krachtens deze overeenkomst op Ranbaxy rustende verplichtingen verder gingen dat de rechten die houders van octrooien voor werkwijzen genieten; – in de overeenkomst was niet voorzien in een verplichting voor [H. Lundbeck] om van het instellen van vorderingen wegens inbreuk tegen Ranbaxy af te zien voor het geval dat laatstgenoemde na afloop van [die] overeenkomsten tot de markt zou toetreden met haar generiek citalopram. 68 De Commissie heeft ook geldboeten opgelegd aan alle partijen bij de litigieuze overeenkomsten. Daartoe heeft zij gebruikgemaakt van de [richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006]. Ten aanzien van [H. Lundbeck] heeft de Commissie de algemene methode gevolgd die in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 is omschreven, gebaseerd op de waarde van de verkopen van het betrokken product die door elke karteldeelnemer zijn behaald (overwegingen 1316‑1358 van het [litigieuze] besluit). Wat de andere partijen bij de litigieuze overeenkomsten betreft, dat wil zeggen de [fabrikanten van generieke geneesmiddelen], heeft zij daarentegen gebruikgemaakt van de mogelijkheid in punt 37 van die richtsnoeren om van die methode af te wijken in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak voor zover het die partijen betreft (overweging 1359 van het [litigieuze] besluit). 69 Zo heeft de Commissie wat de andere partijen bij de litigieuze overeenkomsten dan [H. Lundbeck] aangaat, geoordeeld dat bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete en om voor voldoende afschrikkende werking daarvan te zorgen, rekening moest worden gehouden met de omvang van de bedragen die [H. Lundbeck] aan hen had overgemaakt op grond van deze overeenkomsten. Daarbij diende geen onderscheid tussen de inbreuken te worden ingevoerd naargelang de aard of de geografische reikwijdte daarvan, of aan de hand van de marktaandelen van de betrokken ondernemingen, zijnde factoren waarop in het [litigieuze] besluit slechts voor de volledigheid is ingegaan (overweging 1361 van het [litigieuze] besluit). 70 Wat [H. Lundbeck] betreft, heeft de Commissie evenwel de algemene methode toegepast die in haar richtsnoeren [voor de berekening van geldboeten] van 2006 is omschreven, door zich te baseren op de waarde van de verkopen op de betrokken markt. Aangezien de verkopen van citalopram van [H. Lundbeck] aanzienlijk waren geslonken gedurende de looptijd van de litigieuze overeenkomsten, die niet een volledig boekjaar dekten, heeft de Commissie een gemiddelde jaarlijkse waarde van de verkopen berekend. Daartoe heeft zij eerst de gemiddelde maandelijkse waarde van de verkopen van citalopram door [H. Lundbeck] tijdens de looptijd van elk van de litigieuze overeenkomsten berekend, en die waarde vervolgens met twaalf vermenigvuldigd (overweging 1326 en voetnoot 2215 van het [litigieuze] besluit). 71 De Commissie heeft daarnaast vier afzonderlijke geldboeten opgelegd aan [H. Lundbeck], aangezien de zes litigieuze overeenkomsten werden geacht vier afzonderlijke inbreuken te vormen, dit omdat de twee overeenkomsten tussen [H. Lundbeck] en Merck (GUK) één enkele en voortgezette inbreuk vormden, net zoals de twee overeenkomsten tussen [H. Lundbeck] en Arrow. Om niet tot een onevenredige geldboete te komen, heeft de Commissie op grond van de omstandigheden van de zaak een correctie naar beneden toegepast, gebaseerd op een methode waarin de geografische en temporele overlappen tussen de verschillende inbreuken tot uiting komen (overweging 1329 van het [litigieuze] besluit). Deze methode heeft geleid tot een verlaging met 15 % voor elke inbreuk waarbij overlappingen waren vastgesteld (voetnoot 2218 van het [litigieuze] besluit). 72 Gezien de ernst van de geconstateerde inbreuken, die de Commissie als ‚ernstig’ heeft gekwalificeerd omdat zij marktuitsluiting met zich brachten, het hoge marktaandeel van [H. Lundbeck] voor de producten waarop deze inbreuken zagen, de zeer ruime geografische reikwijdte van de litigieuze overeenkomsten en het feit dat al deze overeenkomsten waren geïmplementeerd, was de Commissie van oordeel dat het in aanmerking te nemen aandeel van de waarde van de verkopen moest worden vastgesteld op 11 % voor de inbreuken waarvan de geografische reikwijdte de gehele EER was en 10 % voor de overige inbreuken (overwegingen 1331 en 1332 van het [litigieuze] besluit). 73 De Commissie heeft op dat bedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt toegepast om rekening te houden met de duur van de inbreuken (overwegingen 1334‑1337 van het [litigieuze] besluit) en een aanvullend bedrag van 10 % voor de als eerste gepleegde inbreuk, namelijk de overeenkomsten die met Arrow waren gesloten, zulks op grond van punt 25 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006, om ervoor te zorgen dat de aan [H. Lundbeck en Lundbeck Ltd] opgelegde geldboeten voldoende afschrikkende werking hadden (overweging 1340 van het [litigieuze] besluit). 74 Gelet op de totale duur van het onderzoek heeft de Commissie niettemin een korting toegekend van 10 % van het bedrag van de geldboeten die aan alle adressaten van het [litigieuze] besluit waren opgelegd (overwegingen 1349 en 1380 van het [litigieuze] besluit). 75 Op basis van die overwegingen en rekening houdend met het feit dat de GUK-overeenkomst voor het Verenigd Koninkrijk door Lundbeck Ltd was ondertekend, heeft de Commissie een totale geldboete van 93766000 EUR aan [H. Lundbeck] opgelegd, waarvan 5306000 EUR hoofdelijk met Lundbeck Ltd, die als volgt is opgebouwd (overwegingen 1238 en 1358 en artikel 2 van het [litigieuze] besluit): – 19893000 EUR voor de overeenkomsten die met Merck (GUK) zijn gesloten, waarvan 5306000 EUR hoofdelijk met Lundbeck Ltd; – 12951000 EUR voor de overeenkomsten die met Arrow zijn gesloten; – 31968000 EUR voor de overeenkomst die met Alpharma is gesloten; – 28954000 EUR voor de overeenkomst die met Ranbaxy is gesloten.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

7 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 augustus 2013, hebben H. Lundbeck en Lundbeck Ltd (hierna samen: „Lundbeck”) beroep ingesteld tot gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot verlaging van de hun door de Commissie opgelegde geldboeten.

8 Tot staving van haar beroep heeft Lundbeck tien middelen aangevoerd, waarvan alleen de afwijzing van het eerste tot en met het zesde, het negende en het tiende middel in het kader van de onderhavige hogere voorziening wordt aangevochten. Met het eerste middel betwistte Lundbeck de stelling in het litigieuze besluit dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck ten minste potentiële concurrenten waren op het tijdstip dat de litigieuze overeenkomsten werden gesloten. Het tweede tot en met het zesde middel waren in wezen gebaseerd op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens de kwalificatie door de Commissie van de litigieuze overeenkomsten als „mededingingsbeperking naar strekking”. Met het negende en het tiende middel betwistte Lundbeck subsidiair de aan haar opgelegde geldboeten en, uiterst subsidiair, de berekening van het bedrag van die geldboeten.

9 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht dit beroep in zijn geheel verworpen.

Procedure bij het Hof

10 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 november 2016, heeft Lundbeck de onderhavige hogere voorziening ingesteld.

11 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 november 2016, heeft Lundbeck het Hof verzocht om de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van de European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA), interveniënte in eerste instantie, zoals ook het Gerecht met dit besluit deed in zaak T‑472/13 (Lundbeck/Commissie). Bij beschikking van 13 december 2016, Lundbeck/Commissie (C‑591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:967), heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. Derhalve is aan EFPIA slechts een niet-vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit betekend.

12 Bij op 10 maart 2017 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om in de onderhavige zaak te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij beschikking van 5 juli 2017, Lundbeck/Commissie (C‑591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:532), heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. Op verzoek van Lundbeck heeft de president van het Hof echter ten aanzien van die lidstaat de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit als vertrouwelijk aangemerkt, zodat aan die lidstaat slechts een niet-vertrouwelijke versie van het besluit is betekend.

13 Naar aanleiding van het verzoek van Lundbeck van 17 maart 2017 heeft de president van het Hof haar zijn toestemming gegeven om een repliek in te dienen.

14 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 mei 2017, heeft de Commissie verzocht om een verlenging van de termijn voor de indiening van de dupliek. Bij beslissing van 17 mei 2017 heeft de president van het Hof dat verzoek ingewilligd.

15 Bij een op 24 juli 2017 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft het Verenigd Koninkrijk verzocht om verlenging van de termijn voor de indiening van zijn memorie in interventie. Bij beslissing van de president van 26 juli 2017 is dit verzoek ingewilligd.

16 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 2017, heeft het Verenigd Koninkrijk ook verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie in de zaken C‑586/16 P [Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie], C‑588/16 P [Generics (UK)/Commissie], C‑601/16 P (Arrow Group en Arrow Generics/Commissie), C‑611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie) en C‑614/16 P (Merck/Commissie), die in punt 5 van dit arrest worden vermeld. Bij beschikkingen van 25 oktober 2017, Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (C‑586/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:831), 25 oktober 2017, Generics (UK)/Commissie (C‑588/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:829), 25 oktober 2017, Arrow Group en Arrow Generics/Commissie (C‑601/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:826), 25 oktober 2017, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (C‑611/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:825), en 25 oktober 2017, Merck/Commissie (C‑614/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:828), heeft de president van het Hof deze verzoeken ingewilligd. Gelet op met name de beschikking van de president van het Hof van 5 juli 2017 in zaak C‑591/16 P, Lundbeck/Commissie (C‑591/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:532), heeft de president echter ten aanzien van die lidstaat voor al deze zaken de vertrouwelijke versie van het litigieuze besluit als vertrouwelijk aangemerkt, zodat aan het Verenigd Koninkrijk slechts een niet-vertrouwelijke versie van het besluit is betekend.

17 Na de indiening van de memorie in dupliek van EFPIA en de Commissie en de indiening door Lundbeck, EFPIA en de Commissie van hun memories in antwoord op de memorie van interventie van het Verenigd Koninkrijk, is de schriftelijke behandeling in de onderhavige zaak op 13 november 2017 afgesloten.

18 Op 27 november 2018 heeft het Hof beslist dat de onderhavige zaak zou worden toegewezen aan de Vierde kamer die uitspraak moest doen na een gemeenschappelijke pleitzitting van deze zaak en de zaken C‑586/16 P [Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie], C‑588/16 P [Generics (UK)/Commissie], C‑601/16 P (Arrow Group en Arrow Generics/Commissie), C‑611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie) en C‑614/16 P (Merck/Commissie) en na de conclusie.

19 Op grond van artikel 61, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, heeft het Hof de partijen in de onderhavige zaak op 29 november 2018 een reeks schriftelijke vragen medegedeeld ter mondelinge beantwoording tijdens de terechtzitting, alsook een voorlopige opzet voor de pleitzitting waarin het verloop ervan uitvoerig wordt uiteengezet. Naar aanleiding van de opmerkingen van de partijen in het geding is hun op 22 januari 2019 een definitief plan voor de pleitzitting toegezonden.

20 De gemeenschappelijke pleitzitting in deze zaak en in de in punt 18 van dit arrest genoemde zaken heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019.

21 Op 6 februari 2020 heeft de advocaat-generaal op grond van artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering de partijen in de onderhavige zaak een vraag ter schriftelijke beantwoording doen toekomen (hierna: „vraag voor schriftelijke beantwoording van 6 februari 2020”), waarbij zij hen uitnodigde om standpunt in te nemen over de eventuele invloed van het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52), op de in de onderhavige zaak aangevoerde middelen betreffende het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, en de kwalificatie van de overeenkomsten tussen Lundbeck en die fabrikanten als „beperkingen naar strekking”. De antwoorden op die vraag zijn ingekomen bij het Hof op 6 maart 2020.

Conclusies van partijen voor het Hof

22 Met haar hogere voorziening verzoekt Lundbeck het Hof: – het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren voor zover het haar betreft, of subsidiair, de aan haar in dat besluit opgelegde geldboeten nietig te verklaren of, nog meer subsidiair, het bedrag van die geldboeten aanzienlijk te verlagen; – de Commissie te verwijzen in de gerechts‑ en andere kosten die Lundbeck in het kader van de procedure in hogere voorziening en de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt; – zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om te oordelen overeenkomstig het arrest van het Hof; – elke andere maatregel te treffen die het Hof passend acht.

23 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen; – Lundbeck te verwijzen in de kosten.

24 EFPIA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk toe te wijzen; – zo nodig de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht om te oordelen overeenkomstig het arrest van het Hof; – de Commissie te verwijzen in haar kosten in het kader van de onderhavige hogere voorziening en de procedure voor het Gerecht.

25 Het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen.

Hogere voorziening

26 Tot staving van haar hogere voorziening voert Lundbeck zes middelen aan.

27 Met haar eerste middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn goedkeuring van de vaststelling van de Commissie dat de litigieuze overeenkomsten als „mededingingsbeperking naar strekking” konden worden gekwalificeerd, ofschoon zij binnen de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck vielen.

28 Met haar tweede middel verwijt Lundbeck het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet het juiste juridische criterium toe te passen om te bepalen of vijf van de zes litigieuze overeenkomsten – namelijk de -GUK-overeenkomst voor de EER, de Arrow-UK-overeenkomst, de Deense Arrow-overeenkomst, de Alpharma-overeenkomst en de Ranbaxy-overeenkomst – beperkingen bevatten die buiten de beschermingsomvang van de nieuwe werkwijzeoctrooien vielen, aangezien er geen bewijs van wilsovereenstemming tussen de contractpartijen bij deze overeenkomsten was.

29 Met haar derde middel voert Lundbeck aan dat het Gerecht weliswaar mocht oordelen dat ten minste vijf van de zes litigieuze overeenkomsten buiten de beschermingsomvang van haar nieuwe werkwijzeoctrooien vielen, maar dat het ten onrechte heeft geconcludeerd dat deze overeenkomsten een mededingingsbeperkende strekking hadden.

30 Met haar vierde middel betoogt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het bewijs kennelijk onjuist heeft beoordeeld en zichzelf heeft tegengesproken door de constatering van de Commissie te aanvaarden dat Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen reële of potentiële concurrenten waren ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten, los van de vraag of de producten van de generieke fabrikanten inbreuk maakten op Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien.

31 Met haar vijfde middel verwijt Lundbeck het Gerecht dat het de haar door de Commissie opgelegde geldboeten ten onrechte heeft bevestigd.

32 Met haar zesde middel voert Lundbeck subsidiair aan dat de bevestiging door het Gerecht van de wijze van berekening van de haar door de Commissie opgelegde geldboeten rechtens onjuist en onvoldoende gemotiveerd is.

33 Om te beginnen moet het vierde middel worden onderzocht, vervolgens het eerste tot en met het derde middel tezamen en ten slotte achtereenvolgens het vijfde en het zesde middel.

Vierde middel

Relevante punten van het bestreden arrest

34 Met het eerste middel tot nietigverklaring betoogt Lundbeck dat de Commissie het recht op verschillende punten onjuist heeft toegepast en beoordelingsfouten heeft gemaakt door te oordelen dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen die de litigieuze overeenkomsten hadden gesloten, ten tijde van het sluiten van deze overeenkomsten ten minste potentiële concurrenten van Lundbeck waren.

35 Dit middel bestaat uit negen onderdelen, die het Gerecht alle ongegrond heeft verklaard.

36 Wat in de eerste plaats het eerste tot en met het vijfde onderdeel van het eerste middel betreft, heeft het Gerecht in de punten 117 tot en met 133 en 157 tot en met 167 van het bestreden arrest geweigerd het argument van Lundbeck te aanvaarden dat het op de markt brengen van generieke geneesmiddelen die inbreuk maken op de intellectuele-eigendomsrechten van derden niet de uitdrukking is van potentiële mededinging in de zin van artikel 101 VWEU, en dat de betwisting van een geldig octrooi geen reële en concrete mogelijkheid is om de markt te betreden.

37 Het Gerecht heeft opgemerkt dat, gelet op de verschillende factoren waarmee de Commissie rekening heeft gehouden en op de beslissing van Lundbeck om deze fabrikanten omvangrijke bedragen te betalen om hen voor de looptijd van de betrokken overeenkomsten uit de markt te houden, is aangetoond dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, aangezien deze laatste reële en concrete mogelijkheden en de capaciteit hadden om de markt te betreden,.

38 In dit verband heeft het Gerecht in de punten 124 en 195 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie geen fout had begaan met haar oordeel dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen vormden en dat elk van deze fabrikanten beschikte of binnen een voldoende korte termijn kon beschikken over een generieke versie van citalopram gebaseerd op werkwijzen waarvan niet was aangetoond dat zij ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten in strijd waren met een van de octrooien van Lundbeck. Het Gerecht stelde in punt 171 van dat arrest ook vast dat de potentiële mededinging onder meer de activiteiten omvat van de generieke fabrikanten ter verkrijging van de noodzakelijke vergunningen voor het in de handel brengen (VHB’s) die nodig zijn ter voorbereiding op hun toetreding tot de markt.

39 Bij de beoordeling van het bewijsmateriaal heeft het Gerecht in de punten 126 en 254 van het bestreden arrest met name rekening gehouden met het feit dat Lundbeck wist dat het octrooi op kristallisatie in wezen zwak was en ongeldig kon worden verklaard, terwijl het tegelijk in de punten 142 en 147 van dat arrest heeft uitgesloten dat de vaststelling van het bestaan van een relatie van potentiële mededinging tussen fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck hoofdzakelijk was gebaseerd op subjectieve beoordelingen.

40 Het Gerecht heeft in de punten 134 tot en met 148 van dat arrest ook rekening willen houden met de bewijzen die dateerden van na de litigieuze overeenkomsten, en heeft in punt 254 van dat arrest rekening gehouden met de bewijzen die aantonen dat bepaalde fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck zelf ten tijde van het sluiten van die overeenkomsten twijfels hadden over de geldigheid van het kristallisatieoctrooi. In punt 145 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daarentegen geweigerd om het feit dat het EOB dit octrooi in al zijn relevante aspecten in 2009 had gehandhaafd, als doorslaggevend te beschouwen voor de beoordeling of er ten tijde van het sluiten van deze overeenkomsten sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en fabrikanten van generieke geneesmiddelen.

41 In de tweede plaats heeft het Gerecht in het kader van zijn antwoord op het zesde tot en met het negende onderdeel van het eerste middel van het beroep tot nietigverklaring voor elk van de betrokken overeenkomsten onderzocht of het door de Commissie aangevoerde bewijs inderdaad het bestaan van een potentiële mededinging tussen elk van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Lundbeck aantoonde, door met name in punt 181 van het bestreden arrest vast te stellen dat de conclusie van de Commissie gebaseerd was op een reeks factoren die rekening hielden met de specifieke situatie van elk van deze fabrikanten ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten en met de specifieke kenmerken van de farmaceutische sector.

Argumenten van partijen

42 Met haar vierde middel, bestaande uit zeven onderdelen, stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, het bewijsmateriaal kennelijk onjuist heeft beoordeeld en zichzelf heeft tegengesproken door de vaststelling van de Commissie dat Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen concurrenten of ten minste potentiële concurrenten waren, te bevestigen.

43 Met het eerste onderdeel van dit middel betoogt Lundbeck dat het Gerecht, door zich te beperken tot de vraag of fabrikanten van generieke geneesmiddelen fysiek tot de markt hadden kunnen toetreden, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorbij te gaan aan het bestaan van juridische drempels, namelijk de nieuwe werkwijzeoctrooien die zij bezit, waardoor de rechtmatige toegang van deze fabrikanten tot de markt wordt belemmerd, hetgeen wordt bevestigd door punt 29 van de richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht. Volgens Lundbeck, gesteund door EFPIA, moet de Commissie echter, wanneer er sprake is van exclusieve rechten zoals octrooien, voor de vaststelling dat er op een markt sprake is van potentiële mededinging, nagaan of een onderneming zonder de onderzochte overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zou hebben gehad om tot die markt toe te treden en met de gevestigde ondernemingen te concurreren. Bijgevolg kon het Gerecht niet zonder de bewijslast onjuist te verdelen en dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 195 van het bestreden arrest vaststellen dat de Commissie niet hoefde aan te tonen dat de werkwijzen van de generieke fabrikanten geen inbreuk maakten op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck. Evenzo kon het Gerecht niet zonder afbreuk te doen aan het vermoeden van geldigheid dat aan deze nieuwe werkwijzeoctrooien was verbonden en dus zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in de punten 115 tot en met 132 en 149 tot en met 167 van het bestreden arrest oordelen dat, ook al beschikten de fabrikanten van generieke geneesmiddelen slechts over citalopram dat was beschermd door de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, zij niettemin potentiële concurrenten van Lundbeck waren omdat zij die octrooien konden betwisten.

44 Met het tweede onderdeel van haar vierde middel stelt Lundbeck dat de vaststelling van het Gerecht in punt 145 van het bestreden arrest dat zij zelf twijfels had over de geldigheid van het kristallisatieoctrooi, is gebaseerd op een „kennelijke onjuiste beoordeling van het bewijsmateriaal”, aangezien deze vaststelling is gebaseerd op slechts twee documenten van 22 november 2002 en 29 september 2003, die dateren van na de litigieuze overeenkomsten, hetgeen in strijd is met de stelling in punt 141 van het bestreden arrest dat bewijzen die dateren van na de sluiting van deze overeenkomsten niet doorslaggevend kunnen zijn voor het onderzoek naar het bestaan van potentiële mededinging. Bovendien heeft het Gerecht in punt 254 van het bestreden arrest de bewijslast ten nadele van Lundbeck omgekeerd, door van haar te verlangen dat zij bewijzen zou overleggen die konden uitleggen in welk opzicht zij de waarschijnlijkheid dat het kristallisatieoctrooi ongeldig zou zijn verklaard, vóór de sluiting van deze overeenkomsten anders zou hebben beoordeeld.

45 Met het derde onderdeel van het vierde middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 134 tot en met 148 van het bestreden arrest te oordelen dat het – zelfs objectieve – bewijs van na de litigieuze overeenkomsten niet doorslaggevend kon zijn voor het onderzoek naar het bestaan van potentiële mededinging tussen Lundbeck en elk van de fabrikanten van generieke geneesmiddelen.

46 Met het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel stelt Lundbeck dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 225, 230, 255, 270, 286 en 330 van het bestreden arrest te concluderen dat Merck (GUK) ten minste een potentiële concurrent van Lundbeck was in het Verenigd Koninkrijk en de andere EER-landen, dat Arrow een potentiële concurrent van Lundbeck was in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken en, ten slotte, dat Alpharma en Ranbaxy potentiële concurrenten van Lundbeck waren in de EER, met name omdat deze fabrikanten van generieke geneesmiddelen ten tijde van de sluiting van de litigieuze overeenkomsten niet over een VHB of over een gelijkwaardige vergunning voor het in de handel brengen van hun geneesmiddel op het grondgebied van de betrokken lidstaten beschikten. Wat Arrow en Alpharma betreft, gaat deze onjuiste rechtsopvatting bovendien gepaard met een kennelijke veronachtzaming van het bewijsmateriaal.

47 De Commissie stelt in essentie dat het vierde middel niet-ontvankelijk en in ieder geval ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

48 In dat verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat de hogere voorziening op grond van artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijzen te beoordelen. De beoordeling van deze feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof.

49 Er zij opgemerkt dat het betoog van Lundbeck in het tweede onderdeel van dit middel, dat het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat zij twijfelde aan de geldigheid van haar nieuwe werkwijzeoctrooien, en het betoog in het vierde tot en met het zevende onderdeel van dit middel, dat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met bewijsmateriaal om te concluderen dat Merck (GUK) op zijn minst een potentiële concurrent van Lundbeck was en dat Arrow, Alpharma en Ranbaxy potentiële concurrenten van Lundbeck waren in de betrokken gebieden, ertoe strekken de vaststelling of de beoordeling van feiten of het bewijsmateriaal door het Gerecht aan te vechten zonder dat Lundbeck beweert of a fortiori aantoont dat deze feiten door het Gerecht onjuist zijn opgevat.

50 Bijgevolg zijn de argumenten in het tweede en in het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk.

51 Anders dan de Commissie stelt, vormen de andere onderdelen van dit middel en de rest van het tweede en het vierde tot en met het zevende onderdeel ervan daarentegen rechtsvragen die door het Hof in het kader van een hogere voorziening kunnen worden getoetst.

52 In dit verband zij eraan herinnerd dat om onder het principiële verbod van artikel 101, lid 1, VWEU te vallen, een gedraging van ondernemingen niet alleen het bestaan van collusie tussen hen moet onthullen – namelijk een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging – maar deze afstemming ook de mededinging binnen de interne markt ongunstig en merkbaar moet beïnvloeden [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 31].

53 In het geval van horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief zijn, veronderstelt dit laatste vereiste dat deze collusie plaatsvindt tussen ondernemingen die met elkaar concurreren, althans minstens potentieel [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 32].

54 Om te beoordelen of een onderneming die niet op een markt aanwezig is, in een verhouding staat van potentiële mededinging met een of meer andere reeds op die markt aanwezige ondernemingen, moet worden nagegaan of er reële en concrete mogelijkheden bestaan dat eerstgenoemde onderneming tot die markt toetreedt in concurrentie met de laatstgenoemde(n) [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55 Wanneer het gaat om overeenkomsten, zoals de litigieuze overeenkomsten, die tot gevolg hebben dat meerdere ondernemingen tijdelijk van de markt worden gehouden, moet, in het licht van de structuur van de markt en de economische en juridische context die de werking ervan beheerst, worden nagegaan of er zonder die overeenkomsten reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest dat deze ondernemingen tot die markt zouden toetreden en met de op die markt gevestigde ondernemingen zouden concurreren [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 37 en 39].

56 Wat meer in het bijzonder dergelijke overeenkomsten betreft die zijn gesloten in het kader van de openstelling van de markt van een geneesmiddel met een werkzame stof die recentelijk tot het publieke domein is gaan behoren voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, dient, rekening houdend met de voor de geneesmiddelensector specifieke reglementaire beperkingen en de intellectuele-eigendomsrechten en in het bijzonder de octrooien van fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen betreffende een of meer tot het publieke domein behorende werkwijzen voor de vervaardiging van een werkzame stof [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 40 en 41], te worden vastgesteld dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om toe te treden tot de markt en hij niet stoot op onoverkomelijke toetredingsdrempels [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 58].

57 Daartoe moet ten eerste worden beoordeeld of die fabrikant op de datum van sluiting van dergelijke overeenkomsten voldoende voorbereidende stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat stelt om concurrentiedruk uit te oefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen. Ten tweede dient te worden nagegaan of de markttoetreding van een dergelijke fabrikant van generieke geneesmiddelen niet op onoverkomelijke toetredingsdrempels stuit [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 43 en 45]. Voorts kan de bevinding dat er sprake is van potentiële mededinging tussen een generieke fabrikant en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen worden bevestigd door aanvullende elementen, zoals het sluiten van een overeenkomst tussen hen wanneer eerstgenoemde nog niet op de betrokken markt aanwezig was [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 54‑56].

58 Wat in het bijzonder de beoordeling van het bestaan van onoverkomelijke drempels voor toetreding tot de betrokken markt betreft, heeft het Hof erop gewezen dat het bestaan van een octrooi ter bescherming van de werkwijze voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof, op zich niet kan worden beschouwd als een dergelijke onoverkomelijke drempel, niettegenstaande het aan dat octrooi verbonden vermoeden van geldigheid, aangezien dit vermoeden met het oog op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU geen enkele informatie verschaft over de uitkomst van een eventueel geding over de geldigheid van dat octrooi [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 46‑51].

59 Het bestaan van een dergelijk octrooi staat er dus als zodanig niet aan in de weg dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt aangemerkt als een „potentiële concurrent” van de fabrikant van het betrokken oorspronkelijke geneesmiddel wanneer die eerste fabrikant daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om tot de markt toe te treden en zich door zijn stappen bereid heeft getoond om de geldigheid van dat octrooi te betwisten en het risico op zich te nemen dat hij bij toetreding tot de markt geconfronteerd wordt met een door de houder van dit octrooi ingeleide inbreukprocedure [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 46].

60 Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat het niet aan de betrokken mededingingsautoriteit staat om de kracht van het betrokken octrooi te onderzoeken of de waarschijnlijkheid waarmee een geschil tussen de houder ervan en een fabrikant van generieke geneesmiddelen zou kunnen uitmonden in de vaststelling dat het octrooi geldig is en dat er sprake is van een inbreuk [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 50].

61 Hieruit volgt dat het Gerecht in het onderhavige geval, en anders dan Lundbeck stelt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en in het bijzonder zonder inbreuk te maken op het vermoeden van geldigheid dat met name aan Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien is verbonden, noch op de regels die van toepassing zijn op de bewijslast van de in artikel 101 VWEU bedoelde praktijken, heeft kunnen oordelen dat het niet aan de Commissie stond om positief te bewijzen dat de citalopram die de fabrikanten van generieke geneesmiddelen op de markt wilden brengen geen inbreuk maakte op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, en dat het bezit van dergelijke octrooien door Lundbeck niet in de weg stond aan de vaststelling dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en deze fabrikanten, zoals in wezen blijkt uit de punten 117 tot en met 132, 157 tot en met 167 en 195 van het bestreden arrest.

62 Het Gerecht, dat in de punten 117, 119 en 129 van het bestreden arrest naar behoren rekening heeft gehouden met de fundamentele kenmerken van zowel de octrooien als de specifieke concurrentieverhoudingen op de relevante markt en met de situatie in het onderhavige geval waarin ten eerste de oorspronkelijke octrooien van Lundbeck, die betrekking hadden op zowel het WFB citalopram als de werkwijzen voor de productie van alkylering en cyanering, waren verstreken, en ten tweede er andere werkwijzen bestonden waarmee generieke citalopram kon worden geproduceerd waarvan niet was aangetoond dat die inbreuk maakten op andere Lundbeck-octrooien, heeft in punt 124 van dat arrest immers geoordeeld dat de Commissie niet ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels vormden voor generieke fabrikanten, die tegelijkertijd bereid en in staat waren de markt voor citalopram te betreden en die daartoe ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten reeds aanzienlijke investeringen hadden gedaan.

63 Bovendien heeft het Gerecht in punt 159 van datzelfde arrest terecht opgemerkt dat, tenzij elk onderscheid tussen daadwerkelijke en potentiële mededinging zou worden ontkend, het bestaan van potentiële mededinging niet vereist dat wordt aangetoond dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen met zekerheid tot de markt zouden zijn toegetreden en dat een dergelijke toetreding onvermijdelijk met succes zou zijn bekroond, maar alleen dat die fabrikanten daartoe reële en concrete mogelijkheden hadden.

64 Voorts wordt de conclusie dat het Gerecht zonder blijk te geven van een onjuiste opvatting kon oordelen dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen zich in een situatie van potentiële mededinging bevonden met Lundbeck, niet ter discussie gesteld door de richtsnoeren van 2014 betreffende overeenkomsten inzake technologieoverdracht, en meer bepaald punt 29 daarvan. Ten eerste is dit punt immers enkel van toepassing op overeenkomsten inzake technologieoverdracht, waarmee de litigieuze overeenkomsten niet kunnen worden vergeleken. Ten tweede blijkt uit dit punt ook dat de vaststelling van de Commissie dat er geen concurrentieverhouding bestaat tussen ondernemingen die zich in een blokkeringssituatie bevinden als gevolg van een exclusief recht dat betrekking heeft op een technologie, alleen „in beginsel” geldig is en dus onderworpen is aan uitzonderingen. In die zin wordt in hetzelfde punt ook verwezen naar gevallen waarin het „niet zeker is of een bepaald technologierecht geldig is en of er inbreuk op is gemaakt”.

65 Het eerste onderdeel van het vierde middel is dan ook ongegrond.

66 Wat betreft het bewijs dat in aanmerking kan worden genomen om het bestaan van ten minste potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen aan te tonen, is er in punt 57 van dit arrest al op gewezen dat, in het geval van overeenkomsten zoals de litigieuze overeenkomsten, het bestaan van potentiële mededinging tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en een fabrikant van generieke geneesmiddelen moet worden beoordeeld op de datum van sluiting van de overeenkomst tussen hen over schikking van hun geschil over de werkwijzeoctrooien (arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 43), rekening houdend met het feit dat die overeenkomst komt op een tijdstip waarop elk van de partijen bij de overeenkomst onzeker is over de geldigheid van het werkwijzeoctrooi van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en de inbreukmakende aard van het generieke geneesmiddel dat de fabrikant van dat generieke geneesmiddel op de markt wil brengen [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 52].

67 Hieruit volgt dat, overeenkomstig het beginsel van de vrije bewijsregeling in het Unierecht (arrest van 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, punt 38, en aldaar aangehaalde rechtspraak), elk bewijs vóór, tijdens of zelfs na het sluiten van de betrokken overeenkomst in aanmerking kan worden genomen indien het licht kan werpen op het al dan niet bestaan van een concurrentieverhouding tussen de betrokken ondernemingen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst, zoals het Gerecht in wezen in punt 141 van het bestreden arrest opmerkt.

68 Daarentegen kan, zoals de advocaat-generaal in de punten 90 en 91 van haar conclusie heeft opgemerkt, het bewijs van gebeurtenissen die zich na de sluiting van die overeenkomst hebben voorgedaan, en met name het bewijs van de latere uitkomst van het geschil dat de sluiting van die overeenkomst rechtvaardigde, niet in aanmerking worden genomen om het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen die partijen bij die overeenkomst ten tijde van de sluiting ervan te beoordelen en zo nodig a posteriori te ontkrachten.

69 Dergelijke factoren die de partijen op de datum van het sluiten van de betrokken overeenkomst niet kenden, kunnen hun gedrag op de markt namelijk niet hebben beïnvloed en kunnen derhalve geen licht werpen op het al dan niet bestaan van een concurrentieverhouding tussen de betrokken ondernemingen ten tijde van het sluiten van die overeenkomst.

70 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 141 en 254 van het bestreden arrest zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of de bewijslast om te keren, geoordeeld dat het bewijs van na de litigieuze overeenkomsten in aanmerking mocht worden genomen, in casu documenten die de perceptie van de partijen bij deze overeenkomsten omtrent de kracht van de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck ten tijde van de sluiting ervan weerspiegelen, aangezien aan de hand van die documenten kan worden aangetoond wat de positie van de partijen bij deze overeenkomsten was ten tijde van de sluiting ervan.

71 Ook heeft het Gerecht zonder zichzelf tegen te spreken in de punten 141 en 254 van het bestreden arrest hetzelfde bewijs van na de litigieuze overeenkomsten kunnen aanvaarden, en in de punten 136 en 143 tot en met 146 van dat arrest kunnen weigeren rekening te houden met andere door Lundbeck overgelegde bewijzen die eveneens dateerden van na deze overeenkomsten, namelijk hoofdzakelijk de bevestiging in 2009 door zowel de kamer van beroep van het EOB als het Nederlands Octrooibureau, van de geldigheid van het kristallisatieoctrooi in alle relevante aspecten, alsmede het feit dat Lundbeck in meer dan 50 % van de door haar in de jaren 2002 en 2003 ingestelde procedures „voorlopige rechterlijke bevelen of andere voorlopige maatregelen” had verkregen.

72 Hoewel de eerste bewijzen kunnen bijdragen tot de vaststelling van de positie van de partijen bij de litigieuze overeenkomsten ten tijde van de sluiting ervan, zoals in punt 70 van dit arrest in herinnering is gebracht, kunnen de tweede bewijzen die betrekking hebben op gebeurtenissen die zich na de sluiting van die overeenkomsten hebben voorgedaan, en die de partijen bij die overeenkomsten dus niet bekend waren, zoals het Gerecht in de punten 145 en 146 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, immers hun gedrag op de markt niet hebben beïnvloed en dus geen licht werpen op de vraag of er al dan niet sprake is van een concurrentieverhouding tussen de betrokken ondernemingen ten tijde van de sluiting van die overeenkomsten.

73 Overigens verwijt Lundbeck het Gerecht op basis van subjectief bewijsmateriaal dat in de punten 126 en 254 van het bestreden arrest in aanmerking is genomen, tot de conclusie te zijn gekomen dat er sprake was van potentiële mededinging tussen haar en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen.

74 In dit verband moet worden opgemerkt dat, hoewel het bestaan van potentiële mededinging tussen twee ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productieketen actief zijn, moet worden beoordeeld in het licht van de in punt 57 van dit arrest genoemde objectieve factoren, dit toch kan worden bevestigd door aanvullende gegevens [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 54], met inbegrip van subjectieve elementen [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 42], voor zover die gegevens niet doorslaggevend zijn voor de uitgevoerde beoordeling.

75 Hieruit volgt dat de inaanmerkingneming van subjectieve gegevens om het bestaan van een relatie van potentiële mededinging tussen twee of meer ondernemingen vast te stellen, niet kan worden uitgesloten, mits deze relatie niet uitsluitend of hoofdzakelijk door middel van dergelijke gegevens wordt aangetoond.

76 Dit geldt met name voor de perceptie bij de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen van het risico dat de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen voor zijn commerciële belangen meebrengt, die relevant is om te beoordelen of er sprake is van potentiële mededinging, aangezien die perceptie het marktgedrag van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen beïnvloedt [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 42 en 57].

77 Zoals blijkt uit de punten 142 en 147 van het bestreden arrest, waarvan niet wordt aangevoerd, laat staan aangetoond, dat zij gebaseerd zijn op een onjuiste opvatting van de feiten of van het bewijsmateriaal, heeft het Gerecht definitief vastgesteld dat Lundbeck ten onrechte beweert dat de Commissie zich in het litigieuze besluit „vrijwel uitsluitend” op dergelijke subjectieve beoordelingen heeft gebaseerd om het bestaan van potentiële mededinging tussen haar en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen aan te tonen.

78 Dienaangaande wordt in punt 142 vastgesteld dat de Commissie voor elk van de betrokken fabrikanten van generieke geneesmiddelen nauwgezet heeft onderzocht welke reële en concrete mogelijkheden zij hadden om tot de markt toe te treden, waarbij zij zich heeft gebaseerd op objectieve gegevens, zoals met name de reeds gedane investeringen, de stappen die waren ondernomen om een VHB te verkrijgen en de bevoorradingscontracten die met name met hun leveranciers van het WFB waren gesloten. Bovendien heeft het Gerecht in punt 144 van hetzelfde arrest verklaard dat het meest overtuigende bewijs juist het feit is dat Lundbeck overeenkomsten heeft gesloten met de fabrikanten van generieke geneesmiddelen om hun toetreding tot de markt te vertragen, hetgeen het Hof reeds had opgemerkt in het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Bovendien heeft het Gerecht, anders dan Lundbeck in het tweede deel van dit middel aanvoert, in punt 254 van het bestreden arrest niet de bewijslast omgekeerd ten nadele van Lundbeck. In dat punt van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich in wezen beperkt tot de vaststelling dat Lundbeck geen enkel bewijs heeft geleverd om de conclusies die voortvloeien uit het door de Commissie in het litigieuze besluit aangevoerde bewijs in twijfel te trekken. Volgens vaste rechtspraak van het Hof op het gebied van de aansprakelijkheid voor een inbreuk op de mededingingsregels kunnen de door een partij aangevoerde feiten immers van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, zonder welke mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (arresten van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punt 80, en 18 januari 2017, Toshiba/Commissie (C‑623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punt 52).

80 Bijgevolg moeten het tweede onderdeel, voor zover het ontvankelijk is, en het derde onderdeel van het vierde middel, als ongegrond worden afgewezen.

81 Wat ten slotte het vierde tot en met het zevende onderdeel van het vierde middel betreft, waarin Lundbeck stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij zich ten minste in een situatie bevond van potentiële mededinging met Merck (GUK) in het Verenigd Koninkrijk en de andere EER-landen, in een situatie van potentiële mededinging met Arrow in het Verenigd Koninkrijk en Denemarken en in een situatie van potentiële mededinging met Alpharma en Ranbaxy in de EER, moet erop worden gewezen dat deze beweringen gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn, zoals in de punten 49 en 50 van dit arrest is vastgesteld, aangezien zij ertoe strekken het door het Gerecht beoordeelde bewijsmateriaal geheel of gedeeltelijk opnieuw te laten onderzoeken door het Hof.

82 Voor zover zij niet tot dat doel strekken, bevatten de beweringen van Lundbeck een herhaling van de methodologische kritiek, die in antwoord op het eerste tot en met het derde onderdeel van dit middel ongegrond is bevonden, en beogen zij voorts in wezen het Gerecht te verwijten dat het heeft geoordeeld dat er sprake was van potentiële mededinging of ten minste potentiële mededinging tussen Lundbeck en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, ook al beschikten deze laatste ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten niet over een VHB voor hun respectieve generieke geneesmiddelen.

83 Dienaangaande is het weliswaar noodzakelijk dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen in het bezit is van een geldige VHB voor zijn toetreding tot de markt en dus voor de vaststelling dat er sprake is van daadwerkelijke mededinging tussen deze fabrikant en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die overeenstemmen met generieke geneesmiddelen, maar dit neemt niet weg dat het ontbreken van een dergelijke VHB bij een fabrikant van generieke geneesmiddelen ten tijde van het sluiten van een overeenkomst met een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, als zodanig niet kan uitsluiten, zoals Lundbeck stelt, dat er tussen die twee fabrikanten van geneesmiddelen sprake is van enige potentiële mededinging.

84 Zoals in punt 57 van dit arrest in wezen in herinnering is gebracht, veronderstelt, indien een onoverkomelijke drempel voor de toegang tot de markt ontbreekt, het bestaan van potentiële mededinging tussen een fabrikant van generieke geneesmiddelen en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, immers enkel dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen voldoende voorbereidende stappen heeft ondernomen om de betrokken markt te kunnen betreden binnen een periode die concurrentiedruk kan uitoefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, zonder dat het van belang is of deze stappen daadwerkelijk tijdig zullen worden afgerond of dat zij succesvol zullen zijn, zoals het Gerecht in de punten 313 en 314 van het bestreden arrest terecht opmerkt.

85 In die zin heeft het Hof overigens al de gelegenheid gehad om aan te geven dat in de farmaceutische sector potentiële mededinging kan plaatsvinden ruim voor het verstrijken van een octrooi dat de werkzame stof van een oorspronkelijk geneesmiddel beschermt, aangezien de fabrikanten van generieke geneesmiddelen klaar willen zijn om op het moment van dat verstrijken tot de markt toe te treden [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 51].

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in