HvJ EU 27 juni 2024, C-176/19, ECLI:EU:C:2024:549

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

27 juni 2024 ( *1 )

Inhoud

I. Toepasselijke bepalingen

II. Voorgeschiedenis van het geding

A. Perindopril van Servier

B. Perindopril van Krka

C. Geschillen over perindopril

1. Beslissingen van het EOB

2. Beslissingen van de nationale rechterlijke instanties

D. Krka-overeenkomsten

III. Litigieus besluit

IV. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

V. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

VI. Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

VII. Hogere voorziening

A. Eerste tot en met zesde middel: bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU

1. Relevante punten van het litigieuze besluit en het bestreden arrest

a) Litigieus besluit

b) Bestreden arrest

2. Ontvankelijkheid van het eerste tot en met het zesde middel

3. Inleidende opmerkingen betreffende het onderzoek ten gronde van het eerste tot en met het zesde middel

4. Eerste middel

a) Of het eerste middel ter zake dienend is

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Eerste tot en met derde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

c) Vierde en zesde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

i) Beslissing van de High Court van 3 oktober 2006

ii) Beslissing van het EOB van 27 juli 2006

d) Vijfde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

e) Conclusie over het eerste middel

5. Tweede middel

a) Tweede onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Eerste, derde en vierde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

c) Vijfde tot en met achtste onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

6. Derde middel

a) Eerste onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

c) Derde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

d) Vierde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

e) Vijfde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

f) Zesde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

7. Vierde middel

a) Eerste onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

c) Derde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

d) Vierde onderdeel

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

8. Vijfde middel

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

9. Tussenconclusie met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde middel

10. Zesde middel

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

B. Zevende middel: bestaan van een mededingingsbeperking naar gevolg in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU

1. Relevante punten van het litigieuze besluit en het bestreden arrest

a) Litigieus besluit

b) Bestreden arrest

2. Argumenten van partijen

3. Beoordeling door het Hof

C. Achtste tot en met elfde middel: schending van artikel 102 VWEU

1. Relevante punten van het litigieuze besluit en het bestreden arrest

a) Litigieus besluit

b) Bestreden arrest

2. Achtste middel

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

3. Negende en tiende middel

4. Elfde middel

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

D. Conclusie omtrent de hogere voorziening

VIII. Gevolgen van de vernietiging van het bestreden arrest

IX. Beroep voor het Gerecht

A. Eerste onderdeel van het negende middel van het beroep in eerste aanleg

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

a) Potentiële mededinging van Krka ten opzichte van Servier

b) Bestaan van een marktverdelingsovereenkomst

B. Tiende middel van het beroep in eerste aanleg

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

Kosten

„Hogere voorziening – Mededinging – Farmaceutische producten – Markt van perindopril – Artikel 101 VWEU – Mededingingsregelingen – Marktverdeling – Potentiële mededinging – Mededingingsbeperking naar strekking – Strategie om de markttoetreding van generieke versies van perindopril uit te stellen – Schikkingsovereenkomst op het gebied van octrooigeschillen – Octrooilicentieovereenkomst – Overdracht- en licentieovereenkomst voor technologie – Artikel 102 VWEU – Relevante markt – Misbruik van machtspositie”

In zaak C‑176/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 22 februari 2019,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Castilla Contreras, B. Mongin, J. Norris en C. Vollrath, vervolgens door F. Castilla Contreras, F. Castillo de la Torre, B. Mongin, J. Norris en C. Vollrath, en ten slotte door F. Castilla Contreras, F. Castillo de la Torre, J. Norris en C. Vollrath als gemachtigden,

rekwirante,

ondersteund door:

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Guðmundsdóttir als gemachtigde, bijgestaan door J. Holmes, KC, vervolgens door L. Baxter, D. Guðmundsdóttir, F. Shibli en J. Simpson als gemachtigden, bijgestaan door J. Holmes, KC, en P. Woolfe, barrister, en ten slotte door S. Fuller als gemachtigde, bijgestaan door J. Holmes, KC, en P. Woolfe, barrister,

interveniënt in hogere voorziening,

andere partijen in de procedure:

Servier SAS, gevestigd te Suresnes (Frankrijk),

Servier Laboratories Ltd, gevestigd te Stoke Poges (Verenigd Koninkrijk),

Les Laboratoires Servier SAS, gevestigd te Suresnes,

vertegenwoordigd door O. de Juvigny, J. Jourdan, T. Reymond, A. Robert, avocats, J. Killick, advocaat, en M. I. F. Utges Manley, solicitor,

verzoeksters in eerste aanleg,

European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA), gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door F. Carlin, avocate, en N. Niejahr, Rechtsanwältin,

interveniënte in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: M. Longar en R. Şereş, administrateurs,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 en 21 oktober 2021,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 2022,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 december 2018, Servier e.a./Commissie (T‑691/14, EU:T:2018:922; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht oordeelde tot nietigverklaring van artikel 4, voor zover daarin de deelname van Servier SAS en Les Laboratoires Servier SAS aan de in dat artikel bedoelde overeenkomsten is vastgesteld, artikel 6, artikel 7, lid 4, onder b), en artikel 7, lid 6, van besluit C(2014) 4955 final van de Commissie van 9 juli 2014 inzake een procedure op grond van de artikelen 101 en 102 [VWEU] [zaak AT.39612 – Perindopril (Servier)] (hierna: „litigieus besluit”).

I. Toepasselijke bepalingen

2 De punten 13 tot en met 15, 17 en 24 van de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB 1997, C 372, blz. 5) luiden als volgt: „De concurrentiedwang 13. Ondernemingen zijn onderworpen aan drie voorname bronnen van concurrentiedwang: de substitueerbaarheid aan de vraagzijde, de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde en de potentiële concurrentie. Vanuit economisch standpunt is – voor de bepaling van de relevante markt – substitutie aan de vraagzijde de belangrijkste onmiddellijke en daadwerkelijke disciplinerende factor voor de aanbieders van een bepaald product, inzonderheid met betrekking tot hun prijsbeleid. Een onderneming of een groep ondernemingen kan niet een aanzienlijke invloed uitoefenen op de geldende verkoopvoorwaarden, zoals de prijzen, wanneer haar afnemers gemakkelijk kunnen overschakelen op beschikbare substitutieproducten of op elders gevestigde leveranciers. In wezen bestaat de marktbepaling in de onderkenning van de daadwerkelijke alternatieve bevoorradingsbronnen voor de afnemers van de betrokken ondernemingen, zowel wat de producten/diensten als de geografische plaats van de aanbieders betreft. 14. De dwang die van andere dan de in de punten 20 tot 23 beschreven substitueerbaarheid aan de aanbodzijde en van de potentiële mededinging uitgaat, is in het algemeen minder onmiddellijk en vergt in elk geval een onderzoek van bijkomende factoren. Bijgevolg wordt bij de beoordeling vanuit mededingingsoogpunt met dit soort dwang rekening gehouden. Substitueerbaarheid aan de vraagzijde 15. Het onderzoek naar de substitueerbaarheid aan de vraagzijde houdt in, dat wordt vastgesteld welke producten door de consument als vervangingsproducten worden beschouwd. Dit kan geschieden als een denkoefening waarin een hypothetische kleine duurzame wijziging van de betrokken prijzen wordt aangenomen en de waarschijnlijke reacties van de afnemers hierop worden onderzocht. De marktbepaling is om procedurele en praktische redenen toegespitst op de prijzen en in het bijzonder op de substitutie aan de vraagzijde welke voortvloeit uit kleine permanente wijzigingen van de betrokken prijzen. Dit begrip kan duidelijke aanwijzingen geven inzake de relevante factoren voor de marktbepaling. […] 17. De vraag die moet worden beantwoord is of de afnemers van de partijen, als gevolg [van] een hypothetische geringe (tussen 5 % en 10 %) duurzame verhoging van de prijs van de onderzochte producten en in de betrokken gebieden zouden overschakelen op gemakkelijk verkrijgbare vervangproducten of op leveranciers die elders zijn gevestigd. Wanneer substitutie volstaat om de prijsverhoging onrendabel te maken wegens de eruit voortvloeiende daling van de afzet, worden bijkomende substitutieproducten en gebieden opgenomen in de relevante markt, totdat het assortiment producten en het geografische gebied zodanig zijn afgebakend, dat kleine, duurzame verhogingen van de relatieve prijzen rendabel zouden zijn. […] […] Potentiële mededinging 24. Een derde bron van concurrentiedwang, meer bepaald de potentiële mededinging, wordt bij de bepaling van de markten buiten beschouwing gelaten, aangezien de voorwaarden waaronder de potentiële mededinging daadwerkelijk dwang zal uitoefenen, afhankelijk zijn van de analyse van specifieke factoren en omstandigheden die betrekking hebben op de toegangsvoorwaarden. Indien nodig, wordt dit onderzoek pas in een later stadium verricht, in het algemeen zodra de positie van de betrokken ondernemingen in de relevante markt is vastgesteld en aanleiding geeft tot bezorgdheid vanuit mededingingsoogpunt.”

II. Voorgeschiedenis van het geding

3 De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze met name uit de punten 1 tot en met 73 van het bestreden arrest naar voren komt, kan als volgt worden samengevat.

4 Servier SAS is de moedermaatschappij van het farmaceutische concern Servier, dat Les Laboratoires Servier SAS en Servier Laboratories Ltd (hierna afzonderlijk of samen: „Servier”) omvat. De vennootschap Les Laboratoires Servier is gespecialiseerd in de ontwikkeling van oorspronkelijke geneesmiddelen, haar dochteronderneming Biogaran SAS in de ontwikkeling van generieke geneesmiddelen.

A. Perindopril van Servier

5 Servier heeft perindopril ontwikkeld, een geneesmiddel dat hoofdzakelijk is bestemd voor de behandeling van hypertensie en hartfalen. Dit geneesmiddel behoort tot de ACE-remmers, middelen die het angiotensine-converterend enzym remmen (hierna: „ACE-geneesmiddelen”). De zestien ACE-geneesmiddelen die ten tijde van de feiten bestonden, waren binnen de anatomische, therapeutische en chemische geneesmiddelenclassificatie (ATC-classificatie) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ingedeeld in zowel het derde als het vierde niveau. Daarbij betreft het derde niveau de therapeutische indicaties en heeft het vierde, waarbij het gaat om de werking binnen eenzelfde groep, het opschrift „Alleen ACE-remmers”. De werkzame stof van perindopril is een zout. Het aanvankelijk gebruikte zout was erbumine.

6 Octrooi EP0049658 betreffende de werkzame stof van perindopril is op 29 september 1981 door een vennootschap van het Servier-concern bij het Europees Octrooibureau (EOB) aangevraagd. Dit octrooi zou op 29 september 2001 aflopen, maar de bescherming ervan is in meerdere lidstaten, waaronder het Verenigd Koninkrijk, verlengd tot 22 juni 2003. In Frankrijk is de bescherming van dit octrooi verlengd tot 22 maart 2005 en in Italië tot 13 februari 2009.

7 Op 16 september 1988 heeft Servier bij het EOB meerdere werkwijzeoctrooien aangevraagd betreffende de vervaardiging van de werkzame stof van perindopril, namelijk de octrooien EP0308339, EP0308340 (hierna: „340-octrooi”), EP0308341 en EP0309324, die op 16 september 2008 afliepen.

8 Op 6 juli 2001 heeft Servier bij het EOB octrooi EP1296947 (hierna: „947-octrooi”) aangevraagd betreffende de alfa-kristallijne vorm van perindopril erbumine en de werkwijze voor de vervaardiging ervan, dat op 4 februari 2004 door het EOB is verleend.

9 Op 6 juli 2001 heeft Servier bovendien nationale octrooiaanvragen ingediend in meerdere lidstaten die nog geen partij waren bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend te München op 5 oktober 1973 en in werking getreden op 7 oktober 1977. Zo heeft Servier octrooiaanvragen voor het 947-octrooi ingediend in Bulgarije (BG 107532), in Tsjechië (PV2003‑357), in Estland (P200300001), in Hongarije (HU225340), in Polen (P348492) en in Slowakije (PP0149‑2003). Deze octrooien zijn op 16 mei 2006 verleend in Bulgarije, op 17 augustus 2006 in Hongarije, op 23 januari 2007 in Tsjechië, op 23 april 2007 in Slowakije en op 24 maart 2010 in Polen.

B. Perindopril van Krka

10 Vanaf 2003 is KRKA, tovarna zdravil, d.d. (hierna: „Krka”), een in Slovenië gevestigde vennootschap die generieke geneesmiddelen vervaardigt, begonnen met de ontwikkeling van geneesmiddelen op basis van de werkzame stof perindopril, bestaande uit de alfa-kristallijne vorm van erbumine waarop het 947-octrooi betrekking heeft (hierna: „perindopril van Krka”). In 2005 en 2006 heeft zij verschillende vergunningen voor het in de handel brengen verkregen en is zij in verschillende lidstaten in Midden- en Oost-Europa, met name in Hongarije en Polen, begonnen dit geneesmiddel in de handel te brengen. In die periode heeft zij ook het in de handel brengen van dit geneesmiddel in andere lidstaten voorbereid, met name in Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

C. Geschillen over perindopril

11 Tussen 2003 en 2009 zijn meerdere geschillen gerezen tussen Servier en fabrikanten die voorbereidingen troffen om een generieke versie van perindopril op de markt te brengen.

1. Beslissingen van het EOB

12 In 2004 hebben tien fabrikanten van generieke geneesmiddelen, waaronder Niche Generics Ltd (hierna: „Niche”), Krka, Lupin Ltd en Norton Healthcare Ltd, een dochteronderneming van Ivax Europe, welk moederbedrijf later is gefuseerd met Teva Pharmaceutical Industries Ltd, de topholding van het Teva-concern, dat is gespecialiseerd in de productie van generieke geneesmiddelen, bij het EOB oppositie ingesteld tegen het 947-octrooi teneinde het te laten herroepen, waarbij zij als gronden aanvoerden dat de uitvinding niet nieuw was, dat er geen uitvinderswerkzaamheid was en dat de uitvinding onvoldoende was geopenbaard.

13 Op 27 juli 2006 heeft de oppositieafdeling van het EOB de geldigheid van het 947-octrooi bevestigd (hierna: „beslissing van het EOB van 27 juli 2006”). Deze beslissing werd betwist bij de technische kamer van beroep van het EOB. Na een schikkingsovereenkomst met Servier te hebben gesloten, heeft Niche de oppositieprocedure bij het EOB op 9 februari 2005 ingetrokken. Krka en Lupin hebben de procedures bij de technische kamer van beroep van het EOB op respectievelijk 11 januari 2007 en 5 februari 2007 ingetrokken.

14 Bij beslissing van 6 mei 2009 heeft de technische kamer van beroep van het EOB de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 vernietigd en het 947-octrooi herroepen. Het door Servier ingediende verzoek om herziening van deze beslissing van de technische kamer van beroep is op 19 maart 2010 afgewezen.

2. Beslissingen van de nationale rechterlijke instanties

15 De geldigheid van het 947-octrooi is ten overstaan van bepaalde nationale rechterlijke instanties betwist door fabrikanten van generieke geneesmiddelen en Servier heeft tegen die fabrikanten vorderingen wegens inbreuk ingesteld en verzoeken om voorlopige maatregelen ingediend. De meeste van die procedures eindigden voordat de aangezochte rechterlijke instanties definitief uitspraak hadden kunnen doen over de geldigheid van het 947-octrooi, want tussen 2005 en 2007 had Servier al schikkingsovereenkomsten gesloten met Niche, Matrix Laboratories Ltd (hierna: „Matrix”), Teva, Krka en Lupin.

16 In het Verenigd Koninkrijk heeft alleen het geding tussen Servier en Apotex Inc. geleid tot de gerechtelijke vaststelling van de ongeldigheid van het 947-octrooi. Servier heeft op 1 augustus 2006 bij de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division (patents court) (octrooirechter in eerste aanleg, Verenigd Koninkrijk), namelijk een vordering wegens inbreuk op het 947-octrooi ingesteld tegen Apotex, dat in het Verenigd Koninkrijk een generieke versie van perindopril op de markt had gebracht. Op 8 augustus 2006 heeft Servier een voorlopige maatregel tegen Apotex verkregen. Na een reconventionele vordering van Apotex is deze voorlopige maatregel op 6 juli 2007 opgeheven en is het 947-octrooi ongeldig verklaard, waardoor deze onderneming in het Verenigd Koninkrijk een generieke versie van perindopril in de handel kon brengen. Op 9 mei 2008 werd de beslissing tot ongeldigverklaring van het 947-octrooi in hoger beroep bevestigd.

17 In Nederland heeft Katwijk Farma BV, een dochteronderneming van Apotex, op 13 november 2007 bij een rechterlijke instantie van deze lidstaat een vordering tot ongeldigverklaring van het 947-octrooi ingesteld. Servier heeft bij die rechter een verzoek om een voorlopige maatregel ingediend, dat op 30 januari 2008 is afgewezen. Dezelfde rechter heeft bij beslissing van 11 juni 2008 in een door Pharmachemie BV, een vennootschap van het Teva-concern, ingestelde procedure het 947-octrooi voor Nederland ongeldig verklaard. Na deze beslissing hebben Servier en Katwijk Farma hun verzoeken ingetrokken.

18 Bovendien zijn er bij de nationale rechterlijke instanties verschillende gedingen tussen Servier en Krka over perindopril aanhangig gemaakt.

19 In Hongarije heeft Servier op 30 mei 2006 een verzoek om een voorlopige maatregel ingediend om het in de handel brengen van perindopril van Krka te verbieden wegens inbreuk op het 947-octrooi. Dit verzoek is in september 2006 afgewezen.

20 In het Verenigd Koninkrijk heeft Servier op 28 juli 2006 bij de High Court of Justice (England and Wales), Chancery Division (patents court), tegen Krka een vordering ingesteld wegens inbreuk op het 340-octrooi. Op 2 augustus 2006 heeft Servier bij deze rechterlijke instantie een vordering wegens inbreuk op het 947-octrooi en een verzoek om een voorlopige maatregel tegen Krka ingesteld. Op 1 september 2006 heeft Krka een eerste reconventionele vordering tot ongeldigverklaring van het 947-octrooi ingesteld, samen met een verzoek om een verkorte procedure (motion of summary judgment) en op 8 september 2006 een tweede reconventionele vordering tot ongeldigverklaring van het 340-octrooi. Op 3 oktober 2006 heeft die rechter het verzoek van Servier om een voorlopige maatregel toegewezen en het door Krka op 1 september 2006 ingediende verzoek om een verkorte procedure afgewezen (hierna: „beslissing van de High Court van 3 oktober 2006”). Als gevolg van de schikking tussen partijen is op 1 december 2006 de aanhangige procedure beëindigd en deze voorlopige maatregel opgeheven.

D. Krka-overeenkomsten

21 Servier en Krka hebben drie overeenkomsten gesloten (hierna: „Krka-overeenkomsten”). Zij sloten op 27 oktober 2006 een schikkingsovereenkomst (hierna: „schikkingsovereenkomst met Krka”) en een licentieovereenkomst, die op 2 november 2006 is aangevuld met een aanhangsel (hierna: „licentieovereenkomst met Krka”, en, beide samen beschouwd, „schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka”). Bovendien hebben Servier en Krka op 5 januari 2007 een overdracht- en licentieovereenkomst (hierna: „overdracht- en licentieovereenkomst met Krka”) gesloten.

22 De schikkingsovereenkomst met Krka had betrekking op het 947-octrooi en de gelijkwaardige nationale octrooien. Bij deze overeenkomst, waarin was bepaald dat die geldig zou zijn tot het aflopen of herroepen van het 947-octrooi of het 340-octrooi, verbond Krka zich ertoe alle wereldwijd lopende procedures tegen het 947-octrooi en alle in het Verenigd Koninkrijk aanhangige procedures tegen het 340-octrooi niet langer voort te zetten, en beide octrooien in de toekomst in geen enkel land te zullen betwisten. Bovendien mochten Krka en haar dochterondernemingen gedurende de looptijd van het 947-octrooi in landen waar dat octrooi nog geldig was zonder de uitdrukkelijke toestemming van Servier geen generieke versie van perindopril die inbreuk maakte op dat octrooi, op de markt brengen of verhandelen. Evenmin mocht Krka zonder de uitdrukkelijke toestemming van Servier een generieke versie van perindopril die inbreuk maakte op het 947-octrooi, aan derden leveren. Als tegenprestatie moest Servier haar wereldwijd lopende vorderingen tegen Krka wegens inbreuk op het 947-octrooi en het 340-octrooi intrekken, waaronder haar verzoeken om voorlopige maatregelen.

23 Op grond van de licentieovereenkomst met Krka, waarvan de looptijd overeenkwam met de geldigheidsduur van het 947-octrooi, heeft Servier Krka een exclusieve en onherroepelijke licentie op dit octrooi verleend voor het in Tsjechië, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Slovenië en Slowakije gebruiken, vervaardigen, verkopen, aanbieden voor de verkoop, promoten en invoeren van haar eigen producten met de alfa-kristallijne vorm van erbumine (hierna: „belangrijkste markten van Krka”). Als tegenprestatie was Krka op grond van artikel 3 van die overeenkomst verplicht om aan Servier een vergoeding van 3 % van haar netto-omzet in die landen te betalen. Servier mocht in diezelfde landen het 947-octrooi gebruiken, hetzij direct, hetzij indirect (dat wil zeggen voor een van haar dochterondernemingen of voor één derde onderneming per land).

24 Op grond van de overdracht- en licentieovereenkomst met Krka heeft deze onderneming twee octrooiaanvragen overgedragen aan Servier: één betreffende een werkwijze voor de synthese van perindopril (WO 2005 113500) en één betreffende de bereiding van samenstellingen met perindopril (WO 2005 094793). De door die octrooiaanvragen beschermde technologie werd gebruikt voor de vervaardiging van perindopril door Krka. Laatstgenoemde heeft zich ertoe verbonden de geldigheid van de op basis van die aanvragen te verlenen octrooien niet te betwisten. Als tegenprestatie voor die overdracht heeft Servier Krka het bedrag van 30 miljoen EUR betaald.

25 Bovendien heeft Servier bij deze overeenkomst aan Krka tevens een niet-exclusieve, onherroepelijke, niet-overdraagbare en kosteloze licentie verleend op de aanvragen of de hieruit voortvloeiende octrooien, zonder het recht om sublicenties te verlenen, haar dochterondernemingen uitgezonderd. Voor die licentie golden geen beperkingen ten aanzien van de duur, het toepassingsgebied en het mogelijke gebruik ervan.

III. Litigieus besluit

26 Op 9 juli 2014 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.

27 In de artikelen 1 tot en met 5 van dat besluit heeft de Commissie vastgesteld dat Servier inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU door deel te nemen aan de Niche-, Matrix-, Teva-, Krka- en Lupin-overeenkomsten. In het bijzonder heeft de Commissie in artikel 4 van dat besluit benadrukt dat de Krka-overeenkomsten één enkele voortdurende inbreuk vormden die alle lidstaten bestreek die ten tijde van de feiten lid waren van de Europese Unie, met uitzondering van die welke de belangrijkste markten van Krka vormden; dat deze inbreuk op 27 oktober 2006 is begonnen, behalve in het geval van Bulgarije en Roemenië, waar zij op 1 januari 2007 begon, Malta, waar zij op 1 maart 2007 begon, en Italië, waar zij op 13 februari 2009 begon; dat deze inbreuk op 6 mei 2009 is beëindigd, behalve in het geval van het Verenigd Koninkrijk, waar zij op 6 juli 2007 is beëindigd, en Nederland, waar zij op 12 december 2007 is beëindigd.

28 In artikel 7, leden 1 tot en met 5, van het litigieuze besluit heeft de Commissie Servier wegens inbreuken op artikel 101 VWEU geldboeten opgelegd voor een totaalbedrag van 289727200 EUR, waarvan 37661800 EUR wegens haar deelname aan de Krka-overeenkomsten.

29 Voorts heeft de Commissie in artikel 6 van het litigieuze besluit opgemerkt dat Servier inbreuk had gemaakt op artikel 102 VWEU door via de aanschaf van technologie en vijf schikkingsovereenkomsten een uitsluitingsstrategie uit te werken en te implementeren die zich uitstrekte tot de markt van perindopril en die van de technologie voor de werkzame stof van dit geneesmiddel in Frankrijk, Nederland, Polen en het Verenigd Koninkrijk.

30 In artikel 7, lid 6, van het litigieuze besluit heeft de Commissie Servier wegens de inbreuk op artikel 102 VWEU een geldboete van 41270000 EUR opgelegd.

IV. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

31 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 september 2014, heeft Servier beroep ingesteld strekkende tot, primair, nietigverklaring van het litigieuze besluit en, subsidiair, verlaging van het bedrag van de haar bij dat besluit opgelegde geldboete.

32 Bij akte van 2 februari 2015 heeft de European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) verzocht om toelating tot interventie in de procedure ter ondersteuning van de conclusies van Servier. Dit verzoek is ingewilligd bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 14 oktober 2015.

33 In haar beroep in eerste aanleg voerde Servier 17 middelen aan ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit. Zeven van deze middelen zijn relevant voor de onderhavige hogere voorziening, te weten het vierde, het negende en het tiende middel, die elk betrekking hebben op de inbreuk op artikel 101 VWEU wegens de deelname van deze onderneming aan de Krka-overeenkomsten, en het veertiende tot en met het zeventiende middel, die elk betrekking hebben op de inbreuk op artikel 102 VWEU.

34 Het Gerecht aanvaardde de middelen tegen de kwalificatie van de Krka-overeenkomsten als inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU. Het heeft in essentie geoordeeld dat de Commissie niet had aangetoond dat er sprake was van een mededingingsbeperking naar strekking of van een mededingingsbeperking naar gevolg. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 4 van het litigieuze besluit, waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU door Servier werd vastgesteld wegens haar deelname aan de Krka-overeenkomsten, en artikel 7, lid 4, onder b), van dat besluit, waarbij Servier voor die inbreuk een geldboete werd opgelegd, nietig verklaard.

35 Het Gerecht heeft ook de middelen aanvaard die waren gericht tegen de afbakening van de perindoprilmarkt en de vaststelling van misbruik van machtspositie door Servier op die markt en de markt van de technologie voor de werkzame stof van perindopril. Het heeft in essentie geoordeeld dat bij de afbakening van de perindoprilmarkt beoordelingsfouten waren gemaakt waardoor de vaststellingen in het litigieuze besluit met betrekking tot de machtspositie van Servier op de relevante markten ongeldig waren. Bijgevolg heeft het Gerecht artikel 6 van dat besluit, waarin misbruik van machtspositie door Servier wordt vastgesteld, en artikel 7, lid 6, van dat besluit, waarin Servier voor dezelfde inbreuk een geldboete wordt opgelegd, nietig verklaard.

36 Het Gerecht verwierp het beroep voor het overige.

V. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

37 Bij een op 22 februari 2019 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft de Commissie de onderhavige hogere voorziening ingesteld.

38 Bij een op 22 mei 2019 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verzocht om te worden toegelaten tot interventie in de onderhavige zaak aan de zijde van de Commissie. Bij beslissing van 19 juni 2019 heeft de president van het Hof dat verzoek ingewilligd.

39 Het Hof heeft partijen verzocht uiterlijk op 4 oktober 2021 hun opmerkingen in te dienen over de arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52), en 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie (C‑591/16 P, EU:C:2021:243), Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy (UK)/Commissie (C‑586/16 P, EU:C:2021:241), Generics (UK)/Commissie (C‑588/16 P, EU:C:2021:242), Arrow Group en Arrow Generics/Commissie (C‑601/16 P, EU:C:2021:244) en Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie (C‑611/16 P, EU:C:2021:245). De Commissie, Servier, de EFPIA en het Verenigd Koninkrijk hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

40 De mondelinge behandeling is op 14 juli 2022 gesloten nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen.

41 Met zijn hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof: – de punten 1 tot en met 3 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen, in welke punten geoordeeld werd tot nietigverklaring van i) artikel 4 van het litigieuze besluit voor zover daarin is vastgesteld dat Servier heeft deelgenomen aan de Krka-overeenkomsten, ii) artikel 7, lid 4, onder b), van dit besluit waarin de aan Servier voor het sluiten van die overeenkomsten opgelegde geldboete is vastgesteld, iii) artikel 6 van dit besluit waarin een inbreuk door Servier op artikel 102 VWEU is vastgesteld en iv) artikel 7, lid 6, van dit besluit waarin het bedrag van de in verband met deze inbreuk aan Servier opgelegde geldboete is vastgesteld; – het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij de bijlagen A 286 en A 287 bij het verzoekschrift in eerste aanleg en bijlage C 29 bij de repliek in eerste aanleg ontvankelijk zijn verklaard; – de door Servier ingediende vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit zelf af te doen, Serviers verzoek tot nietigverklaring van artikel 4, artikel 7, lid 4, onder b), artikel 6 en artikel 7, lid 6, van dit besluit te verwerpen en het verzoek van de Commissie om de bijlagen A 286 en A 287 bij het verzoekschrift in eerste aanleg en bijlage C 29 bij de repliek in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, toe te wijzen, en – Servier te verwijzen in alle kosten van de onderhavige hogere voorziening.

42 Servier verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

43 De EFPIA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

44 Het Verenigd Koninkrijk verzoekt het Hof de vorderingen van de Commissie toe te wijzen.

VI. Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

45 Bij een op 21 juli 2022 ter griffie van het Hof neergelegde akte heeft Servier verzocht om heropening van de mondelinge behandeling. Ter ondersteuning van dit verzoek beroept Servier zich op de noodzaak om te waarborgen dat er in voldoende mate een debat op tegenspraak kan plaatsvinden over kernpunten van de feitelijke context van de onderhavige zaak en daarbij de verschillende onderdelen van de conclusie van de advocaat-generaal betwist kunnen worden. Volgens Servier is een dergelijke heropening geboden, aangezien die conclusie het Hof in overweging geeft de zaak zelf af te doen, terwijl bepaalde in eerste aanleg aangevoerde middelen die ingewikkelde feitelijke beoordelingen met zich brengen, niet door het Gerecht zijn onderzocht en hierover a fortiori niet is geoordeeld.

46 In herinnering moet worden gebracht dat het Hof, overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering, in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

47 Er zij aan herinnerd dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet voorzien in de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU neemt de advocaat-generaal in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies aangaande zaken waarin zulks vereist is. Het Hof is niet gebonden aan deze conclusies of aan de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt. Bijgevolg kan het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in die conclusie onderzoekt (arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.,C‑158/21, EU:C:2023:57, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 In casu stelt het Hof, de advocaat-generaal gehoord, vast dat de door Servier aangevoerde gegevens geen enkel nieuw feit aan het licht brengen dat van beslissende invloed kan zijn op de beslissing die het in de onderhavige zaak moet geven, en dat deze zaak niet hoeft te worden beslecht op basis van een argument waarover de partijen of de belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. Aangezien het Hof na de schriftelijke en de mondelinge behandeling over alle noodzakelijke gegevens beschikt, is het dus voldoende voorgelicht om uitspraak te doen op de onderhavige hogere voorziening. In ieder geval moet in herinnering worden gebracht dat het Hof de zaak zelf kan afdoen ingeval de hogere voorziening gegrond is en het geschil in staat van wijzen is in de zin van artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling niet te worden toegewezen.

VII. Hogere voorziening

49 De Commissie voert elf middelen aan ter ondersteuning van haar hogere voorziening. Met haar eerste tot en met zesde middel stelt de Commissie dat het Gerecht meermaals blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Krka-overeenkomsten geen mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden. Met haar zevende middel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet had aangetoond dat deze overeenkomsten een beperking van de mededinging naar gevolg vormden.

50 Met het achtste en het negende middel wordt aangevoerd dat op meerdere punten sprake is van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de afbakening van de markt van het geneesmiddel perindopril in het litigieuze besluit teneinde het bestaan van een inbreuk op artikel 102 VWEU aan te tonen. Met haar tiende middel beroept de Commissie zich erop dat het Gerecht op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat bepaalde stukken die Servier bij haar verzoekschrift en haar repliek in eerste aanleg had gevoegd, ontvankelijk waren. Volgens het elfde middel heeft het Gerecht op meerdere punten blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van het bestaan van misbruik van machtspositie op de markt van de technologie voor de werkzame stof van perindopril.

A. Eerste tot en met zesde middel: bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU

51 Het eerste middel heeft betrekking op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens het feit dat het Gerecht zich heeft uitgesproken over het bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking zonder na te gaan of Krka een potentiële concurrent van Servier was en zonder te antwoorden op het betoog van Servier dienaangaande, schending van de grenzen van de rechterlijke toetsing, schending van de regels inzake de bewijsvoering, een onjuiste opvatting van de bewijzen inzake het bestaan van potentiële mededinging tussen Krka en Servier, en de ontoereikende en tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest.

52 Het tweede middel heeft betrekking op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens het feit dat het Gerecht onjuiste juridische criteria heeft toegepast om te beoordelen of er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, een onjuiste opvatting van de bewijzen en de ontoereikende en tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest.

53 Het derde middel heeft betrekking op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens het feit dat een marktverdelingsovereenkomst volgens het Gerecht alleen als daarin is voorzien in een „waterdichte” verdeling tussen de partijen, onder het verbod van deze bepaling kan vallen, op een onjuiste uitlegging van verordening (EG) nr. 772/2004 van de Commissie van 27 april 2004 betreffende de toepassing van artikel [101], lid 3, [VWEU] op groepen overeenkomsten inzake technologieoverdracht (PB 2004, L 123, blz. 11) en van de mededeling van de Commissie met als opschrift „Richtsnoeren voor de toepassing van artikel [101 VWEU] op overeenkomsten inzake technologieoverdracht” (PB 2004, C 101, blz. 2), en op de onjuiste opvatting van bepaalde bewijselementen.

54 Het vierde middel heeft betrekking op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens het feit dat het Gerecht het litigieuze besluit heeft bekritiseerd omdat daarin een mededingingsbeperking naar strekking is vastgesteld zonder de bedoeling van partijen te onderzoeken, schending van de regels inzake de bewijsvoering en een ontoereikende motivering.

55 Het vijfde middel heeft betrekking op schending van artikel 101, lid 1, VWEU wegens het feit dat het Gerecht de mededingingsbevorderende gevolgen van de licentieovereenkomst met Krka op de belangrijkste markten van Krka in aanmerking heeft genomen, terwijl in het litigieuze besluit geen inbreuk op die markten was vastgesteld.

56 Het zesde middel heeft betrekking op schending van artikel 101, lid 1, VWEU, wegens het feit dat het Gerecht op grond van de in het kader van het eerste tot en met het vijfde middel van de hogere voorziening aangevoerde en op meerdere punten voorkomende onjuiste rechtsopvatting, heeft geweigerd te erkennen dat de overdracht- en licentieovereenkomst met Krka een mededingingsbeperking naar strekking vormde, en op een ontoereikende motivering.

1. Relevante punten van het litigieuze besluit en het bestreden arrest

a) Litigieus besluit

57 In de overwegingen 1670 tot en met 1859 van het litigieuze besluit heeft de Commissie de Krka-overeenkomsten getoetst aan artikel 101 VWEU. Om de in de overwegingen 1670 tot en met 1812 van dat besluit uiteengezette redenen heeft zij vastgesteld dat die overeenkomsten één enkele voortdurende inbreuk vormden die ertoe strekte de mededinging te beperken door de perindoprilmarkten in de Unie tussen die twee ondernemingen te verdelen.

58 Ten eerste blijkt uit de overwegingen 1701 tot en met 1763 van het litigieuze besluit dat de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka ertoe strekten de markten van de Unie tussen Servier en Krka te verdelen en toe te wijzen. De licentieovereenkomst stond Krka toe om een generieke variant van perindopril te blijven verhandelen of op de markt te brengen in het kader van een feitelijk duopolie met Servier op de belangrijkste markten van Krka. Die toestemming vormde de tegenprestatie voor de toezegging van Krka uit hoofde van de schikkingsovereenkomst met Krka om niet met Servier te concurreren op de andere nationale markten op het grondgebied van de Unie, welke markten voor die laatste onderneming het belangrijkste waren (hierna: „belangrijkste markten van Servier”). Volgens de Commissie vormde deze licentieovereenkomst voor Krka dus de door Servier verschafte prikkel om de in de schikkingsovereenkomst vastgelegde beperkingen te aanvaarden.

59 Ten tweede heeft de Commissie in de overwegingen 1764 tot en met 1810 van het litigieuze besluit vastgesteld dat de partijen door de overdracht- en licentieovereenkomst met Krka hun concurrentiepositie zoals die voortvloeide uit de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka hadden kunnen versterken doordat Krka werd belet haar technologie voor de productie van perindopril over te dragen aan andere fabrikanten van generieke geneesmiddelen die deze technologie dan hadden kunnen gebruiken om generieke varianten van dat geneesmiddel op de belangrijkste markten van Servier in de handel te brengen. Aangezien het bedrag van 30 miljoen EUR dat Servier aan Krka heeft betaald, geen verband hield met de inkomsten die Servier uit de commerciële exploitatie van de aldus door Krka overgedragen technologie kon behalen of kon verwachten, heeft de Commissie de betaling van dat bedrag opgevat als het onderling opdelen van de opbrengst uit de versterking van de verdeling van de markten tussen Servier en Krka.

b) Bestreden arrest

60 Het Gerecht heeft in de eerste plaats in de punten 255 tot en met 274 van het bestreden arrest uiteengezet onder welke voorwaarden het mededingingsverstorend is om in schikkingsovereenkomsten voor octrooigeschillen bedingen op te nemen betreffende de niet-betwisting van octrooien of het niet in de handel brengen van generieke producten. Volgens het Gerecht is het opnemen van dergelijke bedingen mededingingsverstorend wanneer dat niet is gebaseerd op de erkenning door de partijen van de geldigheid van het octrooi en van het inbreukmakende karakter van de betrokken generieke producten, maar op een aanzienlijke en ongerechtvaardigde betaling in omgekeerde richting door de octrooihouder ten gunste van de fabrikant van generieke geneesmiddelen, waardoor deze wordt geprikkeld om zich aan die bedingen te houden. Het Gerecht heeft in punt 271 van het bestreden arrest vastgesteld dat zodanige overeenkomsten in geval van dergelijke prikkels moeten worden beschouwd als overeenkomsten tot marktuitsluiting waarbij zij die op de markt blijven een schadevergoeding betalen aan degenen die de markt verlaten.

61 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 797 tot en met 810 van het bestreden arrest uiteengezet dat wanneer een gangbare commerciële overeenkomst wordt gekoppeld aan een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil waarin verhandelingsverboden en niet-betwistingsbedingen zijn opgenomen, een dergelijke contractuele constructie als mededingingsverstorend moet worden gekwalificeerd indien de waarde die de octrooihouder op grond van de commerciële overeenkomst aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen heeft overgedragen, de waarde van het door die fabrikant in het kader van deze overeenkomst verhandelde goed overstijgt. Met andere woorden, een dergelijke contractuele constructie moet als mededingingsverstorend worden aangemerkt indien de gebruikelijke commerciële overeenkomst die met de schikkingsovereenkomst gepaard gaat, in werkelijkheid dient ter verhulling van een waardeoverdracht van de octrooihouder aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen waarvoor geen andere tegenprestatie bestaat dan de toezegging van deze laatste om zich te onthouden van mededinging.

62 In de derde plaats heeft het Gerecht zich in de punten 943 tot en met 1032 van het bestreden arrest uitgesproken over het bijzondere geval waarin aan de schikkingsovereenkomst ook een licentieovereenkomst is gekoppeld, zoals bij de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka. Het heeft geoordeeld dat de overwegingen die in het vorige punt van het onderhavige arrest zijn samengevat over het koppelen van een schikkingsovereenkomst en een licentieovereenkomst, in een dergelijk geval niet opgaan. Uit de punten 943 tot en met 947 van het bestreden arrest volgt dat het koppelen van een schikkingsovereenkomst aan een licentieovereenkomst een passend middel is om het geschil te beëindigen door de fabrikant van generieke geneesmiddelen tot de markt te laten toetreden en tegemoet te komen aan de eisen van beide partijen. Bovendien is het opnemen van verhandelingsverboden en niet-betwistingsbedingen in een schikkingsovereenkomst legitiem wanneer die overeenkomst is gebaseerd op de erkenning door de partijen van de geldigheid van het octrooi. Een licentieovereenkomst, die slechts zin heeft wanneer daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de licentie, is nu juist gebaseerd op deze erkenning door de partijen van de geldigheid van het octrooi.

63 Zoals het Gerecht in de punten 948 en 952 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, moet de Commissie ten bewijze dat de koppeling van een schikkingsovereenkomst en een licentieovereenkomst in werkelijkheid een betaling in omgekeerde richting door de octrooihouder ten gunste van de fabrikant van generieke geneesmiddelen verhult, aantonen dat de door die fabrikant op grond van die licentieovereenkomst aan de octrooihouder betaalde vergoeding abnormaal laag is.

64 Het Gerecht heeft in de punten 953 tot en met 956 van het bestreden arrest in essentie uiteengezet dat het abnormaal lage niveau van die vergoeding des te duidelijker moet blijken om een schikkingsovereenkomst als mededingingsbeperking naar strekking te kwalificeren, daar het mededingingsverstorende karakter van het verhandelingsverbod en het niet-betwistingsbeding in die overeenkomst wordt getemperd door het mededingingsbevorderende effect van de licentieovereenkomst, die de toetreding van de fabrikant van generieke geneesmiddelen tot de markt begunstigt.

65 Het Gerecht heeft in punt 963 van het bestreden arrest geoordeeld dat „wanneer een daadwerkelijk geschil tussen de betrokken partijen aanhangig is bij een rechterlijke instantie, en een licentieovereenkomst is overeengekomen die rechtstreeks met de schikking van dat geschil verband houdt, de koppeling van die overeenkomst met de schikkingsovereenkomst geen ernstige aanwijzing vormt dat er sprake is van een betaling in omgekeerde richting. In dat geval kan de Commissie dus op basis van andere aanwijzingen aantonen dat de licentieovereenkomst een transactie is die niet tegen normale marktvoorwaarden is overeengekomen en aldus een betaling in omgekeerde richting verhult.”

66 In het licht van deze elementen heeft het Gerecht in de punten 964 tot en met 1031 van het bestreden arrest de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka onderzocht en is het in punt 1032 van dat arrest tot de slotsom gekomen dat deze overeenkomsten „de mededinging niet in die mate ongunstig blijken te beïnvloeden dat de Commissie op goede gronden heeft kunnen overwegen dat zij een beperking [van de mededinging] naar strekking waren”.

2. Ontvankelijkheid van het eerste tot en met het zesde middel

67 Servier betoogt dat de hogere voorziening in haar geheel, en meer in het bijzonder het eerste tot en met het zesde middel, om verschillende redenen niet-ontvankelijk is.

68 In de eerste plaats strekt een groot deel van het betoog van de Commissie in het kader van het eerste tot en met het vierde middel ertoe het Hof te verzoeken de feiten opnieuw te beoordelen.

69 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen en dat het Gerecht dan ook bij uitsluiting bevoegd is om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de overgelegde bewijzen te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van het bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst. Een dergelijke onjuiste opvatting moet duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 10 juli 2019, VG/Commissie,C‑19/18 P, EU:C:2019:578, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 Wanneer het Gerecht feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof evenwel bevoegd om zijn toezicht uit te oefenen voor zover het Gerecht die feiten juridisch heeft gekwalificeerd en daaraan rechtsgevolgen heeft verbonden. De toetsingsbevoegdheid van het Hof strekt zich met name uit tot de vraag of het Gerecht bij zijn beoordeling van de feiten juiste juridische criteria heeft toegepast (zie in die zin arrest van 2 maart 2021, Commissie/Italië e.a.,C‑425/19 P, EU:C:2021:154, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 In het onderhavige geval verwijt de Commissie het Gerecht met haar eerste middel om te beginnen in essentie dat het een onjuist juridisch criterium heeft toegepast bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de motivering van het litigieuze besluit op grond waarvan een potentiële mededinging tussen Krka en Servier werd vastgesteld. Vervolgens verwijt de Commissie het Gerecht dat het het bestreden arrest ontoereikend of tegenstrijdig heeft gemotiveerd en bepaalde bewijzen onjuist heeft opgevat. Ten slotte betoogt zij dat het Gerecht de regels inzake de bewijsvoering en de omvang van de rechterlijke toetsing heeft geschonden door geen uitspraak te doen over de in het kader van met name het negende middel van het beroep in eerste aanleg aangevoerde grieven inzake potentiële mededinging, door de redenering en alle bewijzen in het litigieuze besluit met betrekking tot de mededingingsbeperkende strekking van de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka niet te onderzoeken, en door zijn eigen beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de motivering van dat besluit, aangezien het Gerecht aan Krka bepaalde redenen heeft toegeschreven die deze onderneming gehad zou hebben om ervoor te kiezen haar contentieuze procedure na de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 voort te zetten, terwijl het daarbij slechts ging om een bewering die overigens wordt tegengesproken door andere vaststellingen van het Gerecht.

72 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie met dit betoog de uitlegging en de toepassing van het begrip potentiële mededinging betwist en zich beroept op schending van procedureregels en de onjuiste opvatting van bewijzen. Anders dan Servier stelt, vallen dergelijke grieven overeenkomstig de in de punten 69 en 70 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak onder de bevoegdheid van het Hof in het kader van een hogere voorziening.

73 Met haar tweede tot en met vierde middel betwist de Commissie in essentie de beoordeling door het Gerecht van de op marktverdeling gerichte mededingingsbeperkende strekking van de Krka-overeenkomsten. Daarbij gaat het duidelijk om een rechtsvraag, aangezien het de bedoeling is om na te gaan of het Gerecht artikel 101, lid 1, VWEU onjuist heeft uitgelegd en toegepast.

74 Met haar vijfde middel stelt de Commissie dat het Gerecht op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door rekening te houden met de vermeende mededingingsbevorderende gevolgen van de licentieovereenkomst met Krka op de belangrijkste markten van Krka, terwijl de Commissie geen inbreuk op die markten had vastgesteld, en dat dergelijke gevolgen geen beperking van de mededinging op andere markten konden rechtvaardigen. Opgemerkt zij dat een dergelijk betoog betrekking heeft op het juridische criterium dat het Gerecht hanteerde om te beoordelen wat de relevantie was van de door het Gerecht vastgestelde mededingingsbevorderende gevolgen en dat het Hof daarom bevoegd is dat betoog in het kader van een hogere voorziening te onderzoeken.

75 Met haar zesde middel verwijt de Commissie het Gerecht dat het heeft geweigerd te erkennen dat de overdracht- en licentieovereenkomst met Krka een mededingingsbeperking naar strekking vormde, welke weigering het ermee motiveerde dat die kwalificatie berustte op de onjuiste vaststelling dat er sprake was van een marktverdeling tussen Krka en Servier. Het lot van dit middel hangt dus af van het lot van de grieven die de Commissie in het kader van haar eerste tot en met vijfde middel heeft aangevoerd en volgens welke het recht daadwerkelijk op meerdere punten onjuist is opgevat. Bijgevolg is het Hof in het kader van een hogere voorziening bevoegd het zesde middel te onderzoeken.

76 In de tweede plaats betoogt Servier in het algemeen dat in de hogere voorziening enkel de argumenten worden herhaald die de Commissie in eerste aanleg heeft aangevoerd en die door het Gerecht zijn afgewezen, zonder aan te tonen dat in het bestreden arrest blijk is gegeven van onjuiste rechtsopvattingen of dat daarin de feiten onjuist zijn opgevat. Dit is het geval met het betoog van de Commissie ter ondersteuning van het eerste middel, met name het vierde onderdeel ervan, en het tweede onderdeel van het derde middel.

77 Er zij aan herinnerd dat uit artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest of de beschikking waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is niet aan dit vereiste voldaan als in een hogere voorziening enkel de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, waartoe het Hof niet bevoegd is (arrest van 24 maart 2022, Hermann Albers/Commissie,C‑656/20 P, EU:C:2022:222, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Wanneer een rekwirant echter de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen indien een rekwirant niet op die manier zijn hogere voorziening kon baseren op argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht (arrest van 24 maart 2022, Hermann Albers/Commissie,C‑656/20 P, EU:C:2022:222, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Hoewel het betoog van de Commissie in het kader van haar hogere voorziening in het onderhavige geval zekere gelijkenissen vertoont met het betoog dat zij in eerste aanleg had aangevoerd, neemt dat niet weg dat zij zich niet tot een herhaling van de argumenten beperkt die zij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd, maar specifiek de uitlegging en de toepassing van het Unierecht door deze rechterlijke instantie betwist. Hieruit volgt dat de argumentatie van Servier inzake de herhaling van het betoog van de Commissie in eerste aanleg niet kan worden aanvaard.

80 In de derde plaats voert Servier aan dat het betoog van de Commissie, meer in het bijzonder dat in het kader van het eerste tot en met het vijfde middel, onvoldoende duidelijk is om ontvankelijk te zijn.

81 Zoals blijkt uit artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, moeten de aangevoerde middelen en argumenten rechtens nauwkeurig aangeven tegen welke rechtsoverwegingen van de beslissing van het Gerecht zij zijn gericht (zie in die zin arrest van 20 september 2016, Mallis e.a./Commissie en ECB, C‑105/15 P–C‑109/15 P, EU:C:2016:702, punten 33 en 34). Dit is in casu het geval, aangezien de Commissie in haar hogere voorziening omstandig heeft uiteengezet tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij opkomt en welke juridische argumenten zij tot staving van haar vordering tot vernietiging van dat arrest heeft aangevoerd, waarbij zij specifiek heeft verwezen naar de punten van het bestreden arrest waarop haar betoog betrekking heeft.

82 In de vierde plaats voert Servier aan dat de hogere voorziening ertoe beperkt blijft het bestreden arrest fragmentarisch en selectief te citeren en op een onjuiste uitlegging van de inhoud ervan berust.

83 Met dit betoog betwist Servier in werkelijkheid de geldigheid ten gronde van de middelen van de hogere voorziening. Een dergelijk betoog maakt deel uit van de beoordeling van de gegrondheid van deze middelen en kan dus niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van deze hogere voorziening.

84 In de vijfde plaats voert Servier tot slot aan dat de Commissie, voor zover zij het Gerecht in het kader van haar eerste, haar vierde en haar zesde middel verwijt dat het heeft nagelaten bepaalde passages van het litigieuze besluit en alle daarin genoemde bewijselementen te onderzoeken, de aard van de toetsing miskent die die rechterlijke instantie verricht.

85 Het algemene karakter van een dergelijk middel van niet-ontvankelijkheid kan echter niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het eerste, het vierde en het zesde middel van de hogere voorziening. Het Hof zal zich over de door Servier meer specifiek aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid gericht uitspreken in het kader van het onderzoek van de betrokken middelen.

86 Gelet op voorgaande overwegingen moeten de middelen van niet-ontvankelijkheid die Servier met betrekking tot het eerste tot en met het zesde middel van de hogere voorziening in algemene zin heeft aangevoerd, worden afgewezen.

3. Inleidende opmerkingen betreffende het onderzoek ten gronde van het eerste tot en met het zesde middel

87 Alvorens de gegrondheid van de middelen betreffende het bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking te onderzoeken, moet worden benadrukt dat in de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka niet was bepaald dat de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen enig bedrag zou moeten betalen aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen, hetgeen anders was in de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de zaken – met name die die hebben geleid tot de arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52), en 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie (C‑591/16 P, EU:C:2021:243) – waarin het Hof zich erover diende uit te spreken hoe overeenkomsten op grond waarvan een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen een fabrikant van generieke geneesmiddelen economisch heeft gecompenseerd in ruil voor het feit dat laatstgenoemde ervan afziet tot een markt toe te treden, in het licht van artikel 101 VWEU juridisch moeten worden gekwalificeerd, en hetgeen ook in tegenstelling staat tot de andere door Servier gesloten overeenkomsten waarop het litigieuze besluit betrekking heeft. Volgens de licentieovereenkomst met Krka moest de fabrikant van generieke geneesmiddelen juist betalen aan die van oorspronkelijke geneesmiddelen.

88 Volgens de overwegingen 1731 tot en met 1749 van het litigieuze besluit slaagde Servier dankzij de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka daarentegen erin om de toetreding van de door Krka geproduceerde generieke geneesmiddelen tot de markt te vertragen. Deze twee ondernemingen hebben de nationale markten op het grondgebied van de Unie verdeeld in twee invloedssferen, waartoe voor ieder van hen de eigen belangrijkste markten behoorden en waarbinnen zij hun activiteiten konden verrichten, waarbij Servier de zekerheid had dat zij geen concurrentie van Krka zou ondervinden die de uit die overeenkomsten voortvloeiende grenzen overschreed en Krka de zekerheid had dat zij geen risico liep dat Servier wegens inbreuk een vordering tegen haar zou instellen.

89 Hoewel uit de elementen van het litigieuze besluit dus blijkt dat Servier in het kader van de schikkingsovereenkomst met Krka als zodanig geen betaling in omgekeerde richting aan Krka heeft verricht, blijkt daaruit volgens de Commissie ook dat deze ondernemingen de verschillende nationale markten binnen de Unie geografisch hebben verdeeld. Deze omstandigheden zullen dus in aanmerking moeten worden genomen om met name uitspraak te doen over het tweede en het derde middel en om te beoordelen of, en in voorkomend geval in hoeverre, het betoog van de Commissie gegrond is waarmee zij de juridische criteria ter discussie stelt op grond waarvan het Gerecht de middelen in eerste aanleg heeft aanvaard waarmee Servier de kwalificatie van de schikkings- en licentieovereenkomsten als mededingingsbeperking naar strekking betwistte.

90 In dit verband moet om te beginnen eraan worden herinnerd dat krachtens artikel 101, lid 1, VWEU, onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

91 Om onder het principiële verbod van artikel 101, lid 1, VWEU te vallen, moet een gedraging van ondernemingen dus het bestaan van collusie tussen hen onthullen, dat wil zeggen een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

92 In het geval van horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief zijn, veronderstelt dit laatste vereiste dat deze collusie plaatsvindt tussen ondernemingen die met elkaar concurreren, althans minstens potentieel [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 32].

93 Bovendien moet volgens de bewoordingen van die bepaling worden aangetoond, ofwel dat een dergelijk gedrag ertoe strekt dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, ofwel dat dit gedrag zulks ten gevolge heeft (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 158). Hieruit volgt dat deze bepaling, zoals zij door het Hof is uitgelegd, een duidelijk onderscheid hanteert tussen het begrip beperking naar strekking en beperking naar gevolg, waarbij elk van beide aan een ander bewijsregime is onderworpen [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 63].

94 Met betrekking tot gedragingen die als mededingingsbeperkingen naar strekking worden gekwalificeerd, hoeft dus niet te worden onderzocht en a fortiori aangetoond wat de gevolgen ervan zijn voor de mededinging, aangezien de ervaring leert dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen met name de consumenten schaadt (zie in die zin arresten van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 115, en 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 159).

95 Wanneer daarentegen niet is aangetoond dat een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging een mededingingsbeperkende strekking heeft, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht om het bewijs te leveren dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (zie in die zin arrest van 26 november 2015, Maxima Latvija,C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 17).

96 Dit onderscheid houdt verband met de omstandigheid dat bepaalde vormen van collusie tussen ondernemingen uit hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de mededinging (arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 17, en 14 maart 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a.,C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 35). Het begrip mededingingsbeperking naar strekking moet strikt worden uitgelegd en kan slechts worden toegepast op bepaalde overeenkomsten tussen ondernemingen waaruit op zich en gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken, blijkt dat zij in voldoende mate schadelijk zijn voor de mededinging zodat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija,C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 20, en 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 161 en 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat marktverdelingsovereenkomsten bijzonder ernstige inbreuken op de mededinging opleveren (zie in die zin arresten van 11 juli 2013, Gosselin Group/Commissie,C‑429/11 P, EU:C:2013:463, punt 50; 5 december 2013, Solvay Solexis/Commissie,C‑449/11 P, EU:C:2013:802, punt 82, en 4 september 2014, YKK e.a./Commissie,C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 26). Het Hof heeft voorts vastgesteld dat zodanige overeenkomsten op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 101, lid 1, VWEU zijn verboden, aangezien een dergelijk doel niet kan worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarin de betrokken mededingingsverstorende gedragingen worden verricht (arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie,C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punt 218).

98 Voor dergelijke soorten overeenkomsten kan dus alleen op grond van artikel 101, lid 3, VWEU en voor zover aan alle voorwaarden van deze bepaling is voldaan, een vrijstelling van het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU worden verleend (zie in die zin arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21, en 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 187).

99 Ter toepassing van de zojuist in herinnering gebrachte beginselen ten aanzien van collusiepraktijken in de vorm van horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen, zoals de Krka-overeenkomsten, moet als eerste stap worden bepaald of deze praktijken kunnen worden aangemerkt als een beperking van de mededinging door ondernemingen die met elkaar concurreren, al was het maar potentieel. Indien dat het geval is, moet als tweede stap worden nagegaan of deze praktijken, gelet op de economische kenmerken ervan, onder de kwalificatie mededingingsbeperking naar strekking vallen.

100 Wat de eerste stap van die analyse betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat in de specifieke context van de openstelling van de markt van een geneesmiddel voor fabrikanten van generieke geneesmiddelen, ter beoordeling of een van die fabrikanten, hoewel hij niet op een markt aanwezig is, in een potentiële concurrentieverhouding staat met een op die markt aanwezige fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen, moet worden nagegaan of er reële en concrete mogelijkheden bestaan dat eerstgenoemde fabrikant tot die markt toetreedt in concurrentie met de laatstgenoemde [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

101 Aldus moet ten eerste worden beoordeeld of de fabrikant van generieke geneesmiddelen op de datum van sluiting van dergelijke overeenkomsten voldoende voorbereidende stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat stelt om concurrentiedruk uit te oefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen. Dergelijke stappen maken het mogelijk om vast te stellen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen het vaste voornemen heeft en in staat is om toegang te krijgen tot de markt van een geneesmiddel dat een tot het publieke domein behorende werkzame stof bevat, zelfs wanneer de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen over werkwijzeoctrooien beschikt. Ten tweede moet worden nagegaan of de markttoetreding van een dergelijke fabrikant van generieke geneesmiddelen niet op onoverkomelijke toetredingsdrempels stuit [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 43‑45].

102 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat eventuele octrooien ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel, of een van de werkwijzen voor de vervaardiging ervan, onbetwistbaar deel uitmaken van de economische en juridische context die kenmerkend is voor de concurrentieverhoudingen tussen de houders van deze octrooien en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen. De beoordeling van door een octrooi verleende rechten mag echter niet bestaan in een onderzoek naar de kracht van het octrooi of de waarschijnlijkheid waarmee een geschil tussen de houder ervan en een fabrikant van generieke geneesmiddelen zou kunnen uitmonden in de vaststelling dat het octrooi geldig is en er inbreuk op wordt gemaakt. Deze beoordeling moet eerder betrekking hebben op de vraag of de fabrikant van generieke geneesmiddelen, ondanks het bestaan van dit octrooi, over reële en concrete mogelijkheden beschikt om op het relevante tijdstip tot de markt toe te treden [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 50].

103 Bovendien kan de vaststelling van potentiële mededinging tussen een fabrikant van generieke geneesmiddelen en een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen worden bevestigd door aanvullende gegevens, zoals de omstandigheid dat er tussen hen een overeenkomst is gesloten terwijl de fabrikant van generieke geneesmiddelen niet op de betrokken markt aanwezig was, of het feit dat er waardeoverdrachten aan die fabrikant plaatsvonden als tegenprestatie voor het uitstel van zijn markttoetreding [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 54‑56].

104 Als tweede stap van deze analyse moet, ter vaststelling of het door middel van een schikkingsovereenkomst op het gebied van octrooigeschillen tot stand gekomen uitstel van de markttoetreding van generieke geneesmiddelen als tegenprestatie voor waardeoverdrachten van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen aan de fabrikant van die generieke geneesmiddelen moet worden beschouwd als collusie die een mededingingsbeperking naar strekking vormt, om te beginnen worden onderzocht of die waardeoverdrachten volledig kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de kosten of ongemakken in verband met dit geschil te compenseren, zoals de kosten en honoraria van de raadslieden van laatstgenoemde fabrikant, of door de noodzaak om de daadwerkelijke en bewezen levering van goederen of diensten door die fabrikant aan de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel te vergoeden. Indien dat niet het geval is moet worden nagegaan of die waardeoverdrachten uitsluitend hun verklaring vinden in het commerciële belang van die geneesmiddelenfabrikanten om niet te concurreren op basis van verdienste. Voor dat onderzoek moet in elk concreet geval worden beoordeeld of het positieve nettosaldo van de waardeoverdrachten groot genoeg was om de fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk ertoe aan te zetten om van toetreding tot de betrokken markt af te zien en om de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen dus niet op basis van verdienste te beconcurreren, zonder dat is vereist dat dit positieve nettosaldo noodzakelijkerwijs groter is dan de winst die deze fabrikant van generieke geneesmiddelen zou hebben gerealiseerd indien hij in de octrooiprocedure in het gelijk zou zijn gesteld [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 84‑94].

105 In dit verband zij eraan herinnerd dat de betwisting van de geldigheid en de omvang van een octrooi deel uitmaakt van de normale werking van de mededinging in sectoren waarin exclusieve rechten op technologie bestaan, zodat schikkingsovereenkomsten waarbij een fabrikant van generieke geneesmiddelen die tot een markt wenst toe te treden, op zijn minst tijdelijk de geldigheid van een octrooi van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen erkent en zich daardoor ertoe verbindt dit octrooi niet te betwisten en ook niet tot die markt toe te treden, de mededinging kunnen beperken [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

106 Gelet op het voorgaande stond het aan het Gerecht om de in de punten 104 en 105 van het onderhavige arrest uiteengezette criteria toe te passen om uitspraak te doen over het deel van Serviers betoog dat Servier in het bijzonder in het kader van het negende middel in eerste aanleg aanvoerde en betrekking had op het bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking, en aldus te bepalen of de Commissie in het litigieuze besluit op goede gronden het bestaan van een dergelijke beperking had kunnen vaststellen.

107 Aldus moest het Gerecht, zodra was aangetoond dat de elementen op het gebied van de potentiële mededinging uit het eerste middel van de hogere voorziening zich voordeden, in deze tweede stap nagaan of bij de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka sprake was van een marktverdelingsovereenkomst, die de mededinging naar strekking beperkte in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en een volgens deze bepaling uitdrukkelijk verboden soort overeenkomst vormde. In die context diende het Gerecht te onderzoeken wat de doelstellingen van die overeenkomsten waren en welke economische band volgens het litigieuze besluit daartussen bestond en meer in het bijzonder de vraag te beantwoorden of de waardeoverdracht door Servier aan Krka door middel van de licentieovereenkomst met Krka groot genoeg was om Krka tot een marktverdeling met Servier aan te zetten door, al was het maar tijdelijk, af te zien van toetreding tot de belangrijkste markten van Servier als tegenprestatie voor de verzekering dat zij haar generieke versie van perindopril op haar eigen belangrijkste markten zou kunnen verhandelen zonder het risico te lopen dat Servier vorderingen wegens inbreuk tegen haar zou instellen.

108 Bovendien moest het Gerecht rekening houden met de bedoelingen van de betrokken ondernemingen om na te gaan of die, gelet op de in het vorige punt bedoelde elementen, in overeenstemming waren met zijn analyse van de objectieve doelstellingen die deze ondernemingen ten aanzien van de mededinging nastreefden, waarbij moet worden verduidelijkt dat overeenkomstig de rechtspraak van het Hof de omstandigheid dat deze ondernemingen hebben gehandeld zonder de bedoeling om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, niet doorslaggevend zijn voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

4. Eerste middel

a) Of het eerste middel ter zake dienend is

1) Argumenten van partijen

109 Servier betoogt dat het eerste middel, waarin zij aanvoert dat het Gerecht op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat van Krka ten tijde van de Krka-overeenkomsten geen concurrentiedruk voor Servier uitging, niet ter zake dienend is. Het feit dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over de potentiële mededinging kan niet afdoen aan zijn beoordelingen over het ontbreken van een mededingingsbeperking naar strekking. Het bewijs van potentiële mededinging is immers geen voldoende voorwaarde voor deze kwalificatie. Servier voegt daaraan toe dat, aangezien het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie deze kwalificatie ten onrechte had gehanteerd op gronden die niets van doen hadden met de hoedanigheid van potentiële concurrent van Krka, het niet nodig was om onderzoek te doen naar een dergelijke hoedanigheid, zoals overigens blijkt uit punt 1234 van het bestreden arrest.

110 Volgens de Commissie is het eerste middel ter zake dienend.

2) Beoordeling door het Hof

111 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een middel dat is gericht tegen overwegingen van een bestreden arrest die geen invloed hebben op het dictum ervan, niet ter zake dienend is en dus moet worden afgewezen (arrest van 27 april 2023, Fondazione Cassa di Risparmio di Pesaro e.a./Commissie,C‑549/21 P, EU:C:2023:340, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112 Voorts staat het het Gerecht vrij om eerst uiteen te zetten op welke gronden een middel tot nietigverklaring moet worden aanvaard, waarna het uit proceseconomische overwegingen mag oordelen dat niet op alle tot staving van dit middel aangevoerde argumenten hoeft te worden geantwoord, wanneer die gronden volstaan om het dictum van het bestreden arrest te rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 111).

113 In casu is punt 1 van het dictum van het bestreden arrest, een punt dat de nietigverklaring door het Gerecht bevat van artikel 4 van het litigieuze besluit – volgens welk artikel door de Krka-overeenkomsten inbreuk op artikel 101 VWEU was gemaakt –, ten eerste gebaseerd op de overwegingen in de punten 943 tot en met 1060 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie ten onrechte had vastgesteld dat deze overeenkomsten een mededingingsbeperkende strekking hadden, en ten tweede op de overwegingen in de punten 1061 tot en met 1232 van dat arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie ten onrechte had vastgesteld dat sprake was van een mededingingsbeperking naar gevolg. Na in punt 1233 van dat arrest in essentie te hebben vastgesteld dat de Commissie niet had aangetoond dat Servier, door de Krka-overeenkomsten te sluiten, inbreuk had gemaakt op artikel 101 VWEU, heeft het Gerecht in punt 1234 van dat arrest geoordeeld dat artikel 4 van het litigieuze besluit nietig moest worden verklaard „zonder dat de andere door [Servier] in het kader van het onderhavige middel aangevoerde grieven en het middel inzake de hoedanigheid van potentiële concurrent van Krka [hoefden] te worden onderzocht”.

114 Anders dan Servier stelt, betekent deze beoordeling van het Gerecht niet dat het eerste middel van de hogere voorziening van de Commissie is gericht tegen rechtsoverwegingen van het bestreden arrest die geen invloed hebben op het dictum ervan. Met dit middel worden immers de overwegingen ter discussie gesteld die in dat arrest zijn gegeven bij de kwalificatie van de Krka-overeenkomsten als mededingingsbeperking naar strekking en die het Gerecht ertoe hebben gebracht artikel 4 van het litigieuze besluit nietig te verklaren. Met dit middel voert de Commissie in essentie aan dat het Gerecht, in het kader van zijn analyse van de kwalificatie van de Krka-overeenkomsten in het licht van het begrip mededingingsbeperking naar strekking, met de vermeende erkenning door Krka van de geldigheid van het 947-octrooi rekening heeft gehouden op basis van met name een onjuist juridisch criterium, een gedeeltelijke of zelfs selectieve beoordeling van het bewijs in het litigieuze besluit en een onjuiste opvatting van bepaalde elementen van dat bewijs. De Commissie betoogt in het bijzonder dat het Gerecht zich niet kon uitspreken over de erkenning door Krka van de geldigheid van het 947-octrooi zonder de in het litigieuze besluit vermelde bewijzen te onderzoeken om aan te tonen dat Krka een potentiële concurrent van Servier was. Volgens die instelling tonen deze bewijzen aan dat Krka, die zowel vast van plan als in staat was om tot de markt van perindopril toe te treden, de schikkingsovereenkomst met Krka niet heeft gesloten omdat zij overtuigd was van de geldigheid van dat octrooi, maar omdat de licentieovereenkomst met Krka haar ertoe had aangezet om met Servier een overeenkomst te sluiten over een geografische verdeling van de nationale markten, waarbij elk van hen ervan afzag de ander op diens belangrijkste markten vrij te beconcurreren.

115 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht om te beginnen in punt 970 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat er ten tijde van de sluiting van de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka „onderling overeenstemmende aanwijzingen [bestonden] waaruit partijen konden opmaken dat het 947-octrooi geldig was”, en vervolgens in punt 971 van dat arrest heeft vastgesteld dat de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 waarbij de geldigheid van het 947-octrooi werd bevestigd, dus „een van de factoren [is] geweest die aanleiding hebben gegeven tot de sluiting van de schikkingsovereenkomst en de licentieovereenkomst”. Ten slotte heeft het in punt 972 van dat arrest daaruit afgeleid dat „de koppeling van die twee overeenkomsten gerechtvaardigd was en derhalve geen ernstige aanwijzing [vormde] voor het bestaan van een door Servier aan Krka verrichte betaling in omgekeerde richting die zou [zijn voortgevloeid] uit de licentieovereenkomst”.

116 Evenzo heeft het Gerecht in punt 1026 van het bestreden arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat Krka de betwisting van de octrooien van Servier en de verhandeling van haar product had voortgezet, terwijl de oppositieafdeling van het EOB de geldigheid van het 947-octrooi had bevestigd, geen doorslaggevend element was voor de vaststelling van het bestaan van een mededingingsbeperking naar strekking, aangezien het aldus door Krka blijven uitoefenen van concurrentiedruk op Servier kan worden verklaard door de wens van Krka om, ondanks de risico’s op gedingen waarmee zij rekening hield, haar positie te versterken tijdens de onderhandelingen die zij mogelijk met Servier ging voeren om tot een schikkingsovereenkomst te komen.

117 Deze redenering is slechts begrijpelijk als men aanneemt dat het Gerecht noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld dat Krka’s perindopril, bestaande uit de door dat octrooi beschermde alfa-kristallijne vorm van erbumine, na de bevestiging van de geldigheid van het 947-octrooi door het EOB niet meer kon concurreren met Serviers perindopril, waardoor er tussen die ondernemingen geen potentiële mededinging meer bestond. Vanuit dat perspectief kan de schikkingsovereenkomst met Krka, waarbij die onderneming ervan heeft afgezien tot de markten van Servier toe te treden, slechts de uit dat octrooi voortvloeiende rechten weerspiegelen en kan die overeenkomst dus niet worden beschouwd als de werkelijke tegenprestatie voor de verlening door Servier van een licentie voor dat octrooi op de belangrijkste markten van Krka. Het Gerecht heeft in punt 1234 van het bestreden arrest uitdrukkelijk uiteengezet dat artikel 4 van het litigieuze besluit nietig moest worden verklaard „zonder dat het nodig is […] het middel betreffende de kwalificatie van Krka als potentiële concurrent te onderzoeken”. Uit de gronden waarop de nietigverklaring van dat besluit is gebaseerd, blijkt echter dat het Gerecht in werkelijkheid een aantal grieven van dat middel en meerdere overwegingen van dat besluit heeft onderzocht die betrekking hebben op de kwestie van de potentiële mededinging tussen Krka en Servier.

118 Uit de beoordelingen in met name de punten 943 tot en met 1032 en 1140 tot en met 1233 van het bestreden arrest volgt immers dat voor het Gerecht bij de kwalificatie van de Krka-overeenkomsten als zowel een mededingingsbeperking naar strekking als een mededingingsbeperking naar gevolg, doorslaggevend was dat Krka de geldigheid van het 947-octrooi na de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 en die van de High Court van 3 oktober 2006 zou hebben erkend. Aangezien het Gerecht om te beginnen heeft geoordeeld dat de vraag of Krka de mogelijkheid had om tot de belangrijkste markten van Servier toe te treden om met haar te concurreren, in wezen ervan afhing of Krka ten tijde van de Krka-overeenkomsten de geldigheid van het 947-octrooi erkende, en voorts dat Krka de hoedanigheid van potentiële concurrent van Servier had, als zij de mogelijkheid had om tot die markten toe te treden, moet worden geoordeeld dat er een nauw verband bestaat tussen die vermeende erkenning en de hoedanigheid van Krka als potentiële concurrent van Servier.

119 In deze omstandigheden en anders dan Servier stelt, betekent het feit dat het Gerecht, na het betoog van die onderneming inzake het bestaan van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU te hebben aanvaard, in punt 1234 van het bestreden arrest heeft uiteengezet dat geen uitspraak hoefde te worden gedaan over „het middel betreffende de kwalificatie van Krka als potentiële concurrent” dus niet dat het eerste middel van de Commissie is gericht tegen overwegingen die geen invloed hebben op het dictum van dat arrest, aangezien met name uit de punten 967, 968 en 970 tot en met 972 daarvan volgt dat het Gerecht noodzakelijkerwijs bepaalde door Servier in eerste aanleg aangevoerde grieven inzake potentiële mededinging heeft onderzocht.

120 Hieruit volgt dat het eerste middel ter zake dienend is.

b) Eerste tot en met derde onderdeel

1) Argumenten van partijen

121 Met het eerste onderdeel van haar eerste middel bekritiseert de Commissie punt 1026 van het bestreden arrest. Volgens haar heeft het Gerecht niet het juiste criterium toegepast bij zijn schijnbaar gegeven oordeel dat Krka na de beslissing van het EOB van 27 juli 2006, omdat het geen prikkel meer had om tot de markt toe te treden, niet langer een potentiële concurrent was. In dit verband moet ten eerste worden nagegaan of er zonder overeenkomsten reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest om tot de markt toe te treden en met de gevestigde ondernemingen te concurreren. Ten tweede heeft het Gerecht zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van de Commissie door te oordelen dat Krka na die beslissing van het EOB slechts concurrentiedruk op Servier is blijven uitoefenen om haar positie in de onderhandelingen met die onderneming te versterken zonder uiteen te zetten waarom Krka zonder de betrokken overeenkomst niet tot de markt kon toetreden.

122 Met het tweede onderdeel van haar eerste middel bekritiseert de Commissie de punten 970 en 1028 van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft in essentie geoordeeld dat de Commissie er niet in was geslaagd te bewijzen dat de reden waarom Krka de schikkingsovereenkomst met Krka had gesloten een andere was dan dat zij door de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 overtuigd was van de geldigheid van het 947-octrooi. Het Gerecht heeft echter nagelaten de daartegeningaande bewijzen en redenering in de overwegingen 1686 tot en met 1690 van het litigieuze besluit te onderzoeken. Volgens de Commissie heeft het Gerecht aldus de regels inzake de bewijsvoering geschonden en tevens de omvang miskent van de rechtmatigheidstoetsing die het krachtens artikel 263 VWEU moet verrichten ten aanzien van de besluiten van de Commissie in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU.

123 Met het derde onderdeel van haar eerste middel beroept de Commissie zich op een tegenstrijdigheid tussen punt 361 en punt 970 van het bestreden arrest. In dit punt 361 is vastgesteld dat de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 op zich niet volstond om potentiële mededinging tot stand te brengen, terwijl Krka volgens dat punt 970 door die beslissing van het EOB overtuigd was van de geldigheid van het 947-octrooi en zij zo werd gestimuleerd een schikking met Servier aan te gaan.

124 Servier betoogt om te beginnen dat het eerste onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht de hoedanigheid van potentiële concurrent van Krka niet heeft uitgesloten. Het Gerecht heeft zijn beoordeling niet in de plaats gesteld van die van de Commissie, maar vastgesteld dat het voor Krka na de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 niet meer relevant was om de geschillen voort te zetten. Vervolgens voert Servier aan dat het tweede onderdeel niet-ontvankelijk is, aangezien de Commissie het Hof verzoekt de feiten opnieuw te onderzoeken in het licht van de bewijzen die in het litigieuze besluit, met name in de overwegingen 1680 tot en met 1700 ervan, zijn vermeld. Ten slotte stelt zij dat het derde onderdeel ongegrond is.

2) Beoordeling door het Hof

125 Vooraf moet de stelling van Servier worden afgewezen dat het betoog van de Commissie in de eerste drie onderdelen van het eerste middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Zoals blijkt uit de punten 114 tot en met 119 van het onderhavige arrest, heeft het Gerecht, door met name in punt 970 van het bestreden arrest te oordelen dat er ten tijde van de sluiting van de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden waaruit Servier en Krka konden opmaken dat het 947-octrooi geldig was, uit die aanwijzingen immers afgeleid dat mededinging tussen die ondernemingen op de nationale markten binnen de Unie inmiddels was uitgesloten en dat er dus geen potentiële concurrentie tussen hen meer bestond.

126 In de eerste plaats moet het derde onderdeel van het eerste middel worden onderzocht, aangezien het betrekking heeft op een vermeende ontoereikende motivering van het bestreden arrest. Hoewel er een zekere spanning bestaat tussen enerzijds de punten 970 en 1154 van het bestreden arrest en anderzijds punt 361 van dat arrest, is dit laatste punt in voorzichtige bewoordingen geformuleerd, die niet kunnen worden geacht rechtstreeks in tegenspraak te zijn met deze twee andere punten. In dat punt 361 heeft het Gerecht immers uiteengezet dat de „enkele” geldigverklaring van het 947-octrooi bij de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 niet volstaat om de ontwikkeling van potentiële mededinging te verhinderen. Deze vaststelling is niet onverenigbaar met de vaststelling die, zoals in punt 125 van het onderhavige arrest is geoordeeld, voortvloeit uit punt 970 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat Servier en Krka vóór de sluiting van de Krka-overeenkomsten geen potentiële concurrenten waren, met name gelet op de „onderling overeenstemmende aanwijzingen” waaruit die ondernemingen konden opmaken dat het 947-octrooi geldig was.

127 Aangaande de ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het eerste middel moet in herinnering worden gebracht dat in hogere voorziening grieven inzake de vaststelling en de beoordeling van de feiten in het bestreden besluit ontvankelijk zijn wanneer wordt gesteld dat de bevindingen van het Gerecht blijkens de processtukken materieel onjuist zijn of dat het Gerecht de overgelegde bewijselementen onjuist heeft opgevat (arrest van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 35).

128 Een onjuiste opvatting moet duidelijk uit de stukken van het dossier blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 28 januari 2021, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, C‑466/19 P, EU:C:2021:76, punt 43). Een dergelijke onjuiste opvatting kan weliswaar bestaan in een uitlegging van een document die in strijd is met de inhoud ervan, maar zij moet duidelijk blijken uit het dossier en onderstelt dat het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van dit bewijsmateriaal kennelijk heeft overschreden. In dit verband volstaat het niet aan te tonen dat een document kan worden opgevat op een wijze die verschilt van die van het Gerecht (arrest van 17 oktober 2019, Alcogroup en Alcodis/Commissie, C‑403/18 P, EU:C:2019:870, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

129 Anders dan Servier betoogt, beoogt de Commissie met het tweede onderdeel van haar eerste middel niet een nieuwe beoordeling van het bewijs te verkrijgen, waartoe het Hof in het kader van de procedure in hogere voorziening immers niet bevoegd is. Met haar betoog voert de Commissie in essentie aan dat het Gerecht artikel 101, lid 1, VWEU onjuist heeft toegepast doordat het bij zijn toetsing of het litigieuze besluit rechtmatig was, niet alle elementen in aanmerking heeft genomen die relevant waren om uit te maken of de Commissie op goede gronden kon oordelen dat de Krka-overeenkomsten als een, al was het maar potentiële, mededingingsbeperking konden worden aangemerkt. De Commissie betwist dus een onjuiste rechtsopvatting en die valt in het kader van een hogere voorziening onder de bevoegdheid van het Hof.

130 Ten gronde stond het, wat het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, aan het Gerecht om de in de punten 100 tot en met 103 van het onderhavige arrest uiteengezette criteria toe te passen om uitspraak te doen over het deel van het betoog dat Servier in het bijzonder in het kader van het negende middel in eerste aanleg had aangevoerd met betrekking tot de potentiële mededinging, en aldus te bepalen of de Commissie in het litigieuze besluit terecht tot de slotsom kon komen dat Krka, toen de Krka-overeenkomsten werden gesloten, een potentiële concurrent van Servier was.

131 Gelet op de kenmerken van de in het litigieuze besluit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU moest het Gerecht dus onderzoeken of deze overeenkomsten waren gesloten tussen ondernemingen met een onderlinge potentiële concurrentieverhouding en als mededingingsbeperking konden worden aangemerkt. Daartoe diende het Gerecht na te gaan of de Commissie terecht had vastgesteld dat Krka ten tijde van de sluiting van die overeenkomsten, op grond van voldoende voorbereidingsmaatregelen en het ontbreken van onoverkomelijke hindernissen voor toetreding tot de relevante markt, concrete mogelijkheden had om tot die markt tot te treden en de concurrentie met Servier aan te gaan, waarbij de vaststelling van potentiële mededinging in voorkomend geval kon worden bevestigd door aanvullende gegevens, zoals het bestaan van een waardeoverdracht aan Krka als tegenprestatie voor het uitstel van haar markttoetreding.

132 Indien de geldigheid van een octrooi ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen voor de vervaardiging daarvan definitief zou zijn vastgesteld voor alle rechterlijke instanties die met deze vraag zijn belast, zou het inderdaad moeilijk voorstelbaar zijn dat aan andere elementen van de economische en juridische context die objectief kenmerkend zijn voor de concurrentieverhoudingen tussen de houder van die octrooien en een fabrikant van generieke geneesmiddelen, de gevolgtrekking kan worden ontleend dat zij nog in een potentiële concurrentieverhouding met elkaar staan. Wanneer geschillen over de geldigheid van het betrokken octrooi nog aanhangig zijn, staat het evenwel aan de administratieve autoriteit of de bevoegde rechter om alle relevante gegevens te onderzoeken alvorens tot de slotsom te komen dat die houder en die fabrikant geen potentiële concurrenten zijn, zoals volgt uit de in punt 102 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

133 In plaats van de in de punten 100 tot en met 103, 131 en 132 van het onderhavige arrest uiteengezette criteria toe te passen om na te gaan of Krka een potentiële concurrent van Servier was, zoals het Gerecht had moeten doen, heeft het echter in essentie enkel – in met name de punten 970, 1026 en 1028 van het bestreden arrest – vastgesteld dat deze twee ondernemingen ervan overtuigd waren dat het 947-octrooi geldig was en tevens, zonder dit met een specifieke motivering of bewijzen te ondersteunen, dat het gedrag van Krka, dat concurrentiedruk op Servier bleef uitoefenen, kon worden verklaard door haar streven om haar positie te versterken tijdens de onderhandelingen die zij eventueel met Servier zou voeren om tot een schikkingsovereenkomst met daarbij een licentieovereenkomst te komen, aangezien zij het verkrijgen van een dergelijke licentie inmiddels als de beste commerciële oplossing op de perindoprilmarkt beschouwde.

134 Bijgevolg is het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond. Het Gerecht heeft immers de juridische relevantie van de op de betrokken markten vastgestelde octrooisituatie en de bedoelingen van de partijen miskend en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU door het begrip potentiële mededinging aan de hand van onjuiste criteria te beoordelen.

135 Omtrent het tweede onderdeel van het eerste middel moest het Gerecht, overeenkomstig het oordeel in punt 132 van het onderhavige arrest en de in punt 102 daarvan aangehaalde rechtspraak in aanmerking nemend, rekening houden met alle relevante elementen op basis waarvan de Commissie in het litigieuze besluit heeft vastgesteld dat Krka en Servier potentiële concurrenten waren. Door zijn analyse van de relatie zoals die tussen deze twee ondernemingen bestond toen de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka werden gesloten, in wezen te beperken tot de octrooirechtelijke situatie en, in het bijzonder, tot de perceptie die Krka van de geldigheid van het 947-octrooi kon hebben alsook tot de bedoelingen van partijen – meer bepaald gelet op de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 en die van de High Court van 3 oktober 2006 – heeft het Gerecht deze verplichting geschonden.

136 Het Gerecht heeft immers niet alleen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de door het Gerecht te verrichten toetsing van besluiten van de Commissie in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU. Het heeft bovendien niet voldaan aan zijn uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeiende verplichting om arresten te motiveren – welk artikel krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht – aangezien het Gerecht in punt 970 van het bestreden arrest niet heeft uiteengezet op welke gronden het zich heeft gebaseerd om in datzelfde punt impliciet vast te stellen dat Servier en Krka geen potentiële concurrenten meer waren, terwijl de gegevens in met name de overwegingen 1686 tot en met 1690 van het litigieuze besluit ertoe strekten het tegendeel aan te tonen. Het feit dat het Gerecht niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat het het bestaan van potentiële mededinging tussen Krka en Servier had uitgesloten, kan niet afdoen aan deze vaststelling inzake een motiveringsgebrek. Het kan immers niet worden aanvaard dat het Gerecht zich, door de vermelding van een wezenlijke stap in zijn eigen redenering achterwege te laten, kan onttrekken aan zijn verplichting om zijn arresten te motiveren en aldus het Hof kan beletten zijn toezicht in hogere voorziening uit te oefenen.

137 Hieruit volgt dat het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel moeten worden aanvaard. Het derde onderdeel van het eerste middel moet daarentegen worden afgewezen.

c) Vierde en zesde onderdeel

1) Argumenten van partijen

138 Met het vierde onderdeel van haar eerste middel verwijt de Commissie het Gerecht dat het in de punten 967, 968 en 970 van het bestreden arrest de daarin genoemde bewijzen betreffende de beslissing van het EOB van 27 juli 2006 en de beslissing van de High Court van 3 oktober 2006 onjuist heeft opgevat.

139 Met het zesde onderdeel van dit middel beroept de Commissie zich om te beginnen op een onjuiste opvatting door het Gerecht van de bewijzen die in de punten 968, 1017 en 1024 van het bestreden arrest zijn bedoeld en waaruit volgens het Gerecht blijkt dat die beslissingen leidden tot een aanzienlijke wijziging van de context waarin de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka werden gesloten, en dan in het bijzonder wat betreft de perceptie die Krka en Servier van de geldigheid van het 947-octrooi konden hebben.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in