Gerecht EU 18 september 2024, T-334/19, ECLI:EU:T:2024:634

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

18 september 2024 ( *1 )

„Mededinging – Misbruik van machtspositie – Markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER – Besluit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst – Verplichting tot exclusieve afname – Contractuele beperkingen”

In zaak T‑334/19,

Google LLC, gevestigd te Mountain View, Californië (Verenigde Staten),

Alphabet Inc., gevestigd te Mountain View,

vertegenwoordigd door C. Jeffs, advocaat, J. Holmes, KC, en J. Williams, barrister,

verzoeksters,

ondersteund door

Surfboard Holding BV, gevestigd te Zeist (Nederland), vertegenwoordigd door E. Batchelor, solicitor, en G. de Vasconcelos Lopes, advocaat,

en door

Vinden.NL BV, gevestigd te Rijssen (Nederland), vertegenwoordigd door B. Nijhof en N. Strous, advocaten,

interveniëntes,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Khan, A. Dawes, T. Franchoo en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, E. Buttigieg, K. Kowalik-Bańczyk (rapporteur), G. Hesse en D. Petrlík, rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 2, 3 en 4 mei 2022,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, Google LLC, voorheen Google Inc., en haar moedervennootschap, Alphabet Inc. (hierna samen: „Google”), primair, nietigverklaring van besluit C(2019) 2173 final van de Commissie van 20 maart 2019 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [Zaak AT.40411 – Google Search (AdSense)] (hierna: „bestreden besluit”) en, subsidiair, intrekking of vermindering van de hun bij dit besluit opgelegde geldboete.

I. Voorgeschiedenis van het geding

2 Google is een informatie- en communicatietechnologiebedrijf dat gespecialiseerd is in internetproducten en -diensten en actief is binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Deze onderneming is met name bekend om haar algemene zoekmachine, waarmee internetgebruikers met behulp van de door hen gekozen browser, via hyperlinks, websites kunnen vinden en bezoeken die in hun behoeften voorzien.

3 De zoekmachine van Google, die beschikbaar is op www.google.com of op soortgelijke adressen met een nationale extensie, levert zoekresultaten op die worden gepresenteerd op pagina’s die op de schermen van internetgebruikers verschijnen. Deze resultaten worden door genoemde zoekmachine geselecteerd hetzij op basis van algemene criteria en zonder dat de desbetreffende websites Google betalen om te verschijnen, hetzij volgens een gespecialiseerde logica naargelang het specifieke type uitgevoerde zoekopdracht, waarbij deze laatste resultaten ook onafhankelijk kunnen zijn van betaling door de websites waarnaar wordt verwezen.

4 De resultatenpagina’s van Google tonen ook resultaten die gekoppeld zijn aan betaling door de websites waarnaar wordt verwezen. Deze resultaten, doorgaans „advertenties” of kortweg, in het Engels, „ads” genoemd, houden eveneens verband met de door de internetgebruiker uitgevoerde zoekopdracht en onderscheiden zich van de natuurlijke resultaten van de algemene of gespecialiseerde zoekopdracht, bijvoorbeeld door vermelding van de woorden „advertentie” of „gesponsord”. Het verschijnen ervan is gekoppeld aan betalingsverbintenissen die adverteerders zijn aangegaan in het kader van veilingen via het veilingplatform van Google.

A. Intermediatiediensten en -overeenkomsten van Google voor onlinezoekadvertenties

5 Sinds 2003 beheert Google ook een intermediatieplatform voor advertenties genaamd AdSense. In dit verband heeft Google verschillende diensten ontwikkeld, waaronder met name een intermediatiedienst voor onlinezoekadvertenties genaamd AdSense for Search (hierna: „AFS”). Via AFS kunnen uitgevers van websites van derden die onafhankelijk zijn van Google en wiens websites geïntegreerde zoekmachines bevatten, onlinezoekadvertenties van Google weergeven wanneer gebruikers op deze websites zoekopdrachten uitvoeren.

6 Zo stellen aanbieders van intermediatiediensten voor onlinezoekadvertenties (hierna: „intermediairs”) uitgevers van websites in staat om advertenties weer te geven in verband met onlinezoekopdrachten die door gebruikers worden uitgevoerd op websites met een geïntegreerde zoekmachine. Op deze manier kunnen intermediairs en uitgevers de inkomsten uit de weergave van deze advertenties onder elkaar verdelen.

7 Wat AFS betreft, moesten adverteerders hun advertenties koppelen aan trefwoorden die gebruikers van de betrokken websites mogelijk zouden gebruiken bij een onlinezoekopdracht. Om te bepalen van welke adverteerders de advertenties zouden worden weergeven in antwoord op een onlinezoekopdracht, hield Google hoofdzakelijk rekening met de prijs die elk van deze adverteerders in het kader van een daartoe georganiseerde veiling had aangegeven te willen betalen, en met de relevantie van deze advertenties ten aanzien van die zoekopdracht en dus de waarschijnlijkheid dat de gebruiker op genoemde advertenties zou klikken. In beginsel betaalde de adverteerder enkel de prijs voor de weergave van zijn advertentie wanneer de gebruiker er daadwerkelijk op klikte, zodat de door een dergelijke weergave gegenereerde advertentie-inkomsten niet uitsluitend afhingen van het bedrag van het betrokken bod.

8 Om gebruik te kunnen maken van AFS, hadden uitgevers met name de keuze uit twee soorten overeenkomsten met Google.

9 Zij konden voor een of meer van hun websites een „onlineovereenkomst”, te weten een niet-onderhandelbare standaardovereenkomst, sluiten. Google kwalificeerde uitgevers die een dergelijke overeenkomst aangingen als „onlinepartners”.

10 Daarnaast konden uitgevers voor een of meer van hun websites een „Google Services Agreement” (Google-dienstenovereenkomst; hierna: „GSA”) aangaan. Anders dan onlineovereenkomsten werden GSA’s individueel met elke uitgever onderhandeld. Google verwees naar uitgevers die ervoor hadden gekozen een GSA aan te gaan als „rechtstreekse partners”.

11 Hoewel GSA’s individueel onderhandelde overeenkomsten met rechtstreekse partners waren, heeft Google model‑GSA’s opgesteld. Deze modellen zijn verschillende keren gewijzigd, onder meer in maart 2009. Verder moesten rechtstreekse partners, voordat zij een GSA konden sluiten, een bestelbon invullen waarin zij vermeldden of zij AFS of een andere AdSense-dienst wensten te gebruiken, en een lijst opgaven van websiteadressen waarvoor zij de gevraagde diensten wensten te gebruiken.

12 Tot maart 2009 bevatte de model-GSA met name twee clausules. De eerste clausule (hierna: „exclusiviteitsclausule”) bepaalde dat de rechtstreekse partner op de in de bestelbon vermelde websites geen dienst mocht gebruiken die identiek of in wezen gelijksoortig was aan de door Google krachtens de GSA aangeboden diensten of die rechtstreeks met deze diensten concurreerde. De tweede clausule (hierna: „Engelse clausule”) bepaalde dat, behoudens de exclusiviteitsclausule, de rechtstreekse partner en Google moesten trachten te onderhandelen over een nieuwe bestelbon alvorens een andere aanbieder van onlinezoekdiensten of advertenties werd benaderd. Voor het geval dat de rechtstreekse partner en Google het niet eens konden worden over een nieuwe bestelbon en eerstgenoemde besloot met een dergelijke aanbieder contact op te nemen, bepaalde deze clausule bovendien dat Google een aanbod kon doen dat overeenkwam met de door die aanbieder aangeboden voorwaarden.

13 Vanaf maart 2009 bevatte de model-GSA niet langer de exclusiviteitsclausule noch de Engelse clausule. In de plaats daarvan kwamen twee nieuwe clausules. De eerste clausule (hierna: „plaatsingsclausule”) bepaalde dat, met betrekking tot websites die AFS gebruikten, de rechtstreekse partner verplicht was om een minimumaantal van Google afkomstige onlinezoekadvertenties te tonen en geen dergelijke advertenties van andere intermediairs (hierna: „concurrerende advertenties”) boven of direct naast die van Google te tonen. De tweede clausule (hierna: „clausule inzake voorafgaande toestemming”) verplichtte de rechtstreekse partner om toestemming van Google te verkrijgen alvorens de weergave van alle onlinezoekadvertenties, met inbegrip van concurrerende advertenties, op hun resultatenpagina’s te wijzigen. Tevens werd gespecificeerd dat Google haar toestemming enkel op bepaalde gronden kon weigeren en dat zij geacht werd toestemming te geven indien zij niet binnen vijftien werkdagen antwoordde.

14 Alle GSA’s die de clausule inzake voorafgaande toestemming bevatten, bevatten ook de plaatsingsclausule. Daarentegen bevatten niet alle GSA’s met een plaatsingsclausule noodzakelijkerwijs de clausule inzake voorafgaande toestemming.

15 Ten slotte voorzag de bestelbon van de model-GSA van maart 2009 in de opname van schermafbeeldingen van de resultatenpagina’s van de in deze bestelbon vermelde websites met het oog op het gebruik van AFS (hierna: „modellen”). De modellen moesten het aantal, het formaat en de plaatsing van de van Google afkomstige onlinezoekadvertenties op deze pagina’s weerspiegelen.

B. Administratieve procedure

16 In januari 2010 heeft het Bundeskartellamt (Duitse mededingingsautoriteit) een klacht van Ciao GmbH tegen Google overgedragen aan de Europese Commissie.

17 Op 30 november 2010 heeft de Commissie tegen Google een procedure ingeleid krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18).

18 Respectievelijk op 31 maart 2011, 30 maart 2012 en 30 januari 2013 hebben Microsoft Corporation, Expedia Inc. en Initiative for a Competitive Online Marketplace een klacht ingediend tegen Google.

19 Op 13 maart 2013 heeft de Commissie een voorlopige beoordeling vastgesteld in de zin van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), die met name zag op de contractuele verplichtingen die Google had opgelegd met betrekking tot aan onlinezoekopdrachten gekoppelde advertentiecampagnes.

20 Op 3 april 2013, 21 oktober 2013 en 31 januari 2014 heeft Google aan de Commissie toezeggingen gedaan om tegemoet te komen aan de bezorgdheden die laatstgenoemde in haar voorlopige beoordeling had geuit.

21 Respectievelijk op 16 mei 2014 en 2 juli 2015 hebben Deutsche Telekom AG alsmede [vertrouwelijk] ( 1 ) en haar dochteronderneming [vertrouwelijk] een klacht tegen Google ingediend.

22 Op 21 april 2016 werden de klachten van Microsoft en Ciao tegen Google ingetrokken.

23 Op 14 juli 2016 heeft de Commissie krachtens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 773/2004 een procedure ingeleid met betrekking tot de in de GSA’s opgenomen exclusiviteitsclausule, plaatsingsclausule en clausule inzake voorafgaande toestemming. Diezelfde dag heeft zij overeenkomstig artikel 10 van deze verordening een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld waarin zij Google meedeelde dat de genoemde clausules konden neerkomen op misbruik van machtspositie en bijgevolg een inbreuk op artikel 102 VWEU konden vormen.

24 Op 9 september 2016 heeft Google de Commissie meegedeeld dat zij alle rechtstreekse partners een brief had gestuurd waarin zij hen informeerde dat zij afzag van de toepassing van de exclusiviteitsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming in hun geheel, alsmede van een aantal bepalingen van de plaatsingsclausule.

25 Op 20 maart 2019 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.

C. Bestreden besluit

26 Bij het bestreden besluit heeft de Commissie vastgesteld dat Google drie afzonderlijke inbreuken op artikel 102 VWEU had gepleegd, die samen één enkele en voortdurende inbreuk op deze bepaling vormden. Daarom heeft zij Google LLC veroordeeld tot betaling van een geldboete, waarvan een deel hoofdelijk met Alphabet Inc.

1. Bepaling van de markt

27 De Commissie was van mening dat de nationale markten voor onlinezoekadvertenties en de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER aparte relevante markten vormden in het kader van haar analyse.

a) Nationale markten voor onlinezoekadvertenties

1) Productmarkt

28 De Commissie was van oordeel dat het aanbieden van onlinezoekadvertenties, te weten onlineadvertenties die worden weergegeven naar aanleiding van zoekopdrachten op trefwoorden die gebruikers op websites met een zoekmachine uitvoeren, een aparte productmarkt vormde.

29 Zij heeft verduidelijkt dat op deze markt zoekopdrachten van gebruikers werden verbonden met relevante advertenties die aan deze zoekopdrachten waren gekoppeld door advertentieplatforms voor onlinezoekopdrachten. Zij heeft ook opgemerkt dat op deze markt de vraagkant werd gevormd door de gebruikers en de adverteerders en de aanbodkant door de exploitanten van advertentieplatforms voor onlinezoekopdrachten. Volgens de uitleg van de Commissie hadden deze platforms behoefte aan een algemene zoekdienst, de technologie om zoekopdrachten van gebruikers te koppelen aan relevante zoekadvertenties en een adverteerdersbestand dat groot genoeg was om te kunnen concurreren met andere platforms voor onlinezoekadvertenties.

30 Om te concluderen dat de markt voor onlinezoekadvertenties een aparte productmarkt was, heeft de Commissie een onderscheid gemaakt tussen onlinezoekadvertenties enerzijds en drie andere soorten advertenties anderzijds.

31 Ten eerste was de Commissie van mening dat offlineadvertenties, zoals advertenties op de televisie, op de radio of in kranten, niet substitueerbaar waren met onlineadvertenties.

32 Ten tweede heeft de Commissie geoordeeld dat onlinezoekadvertenties niet substitueerbaar waren met andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties, dat wil zeggen advertenties die rechtstreeks op een pagina van een website worden geplaatst zonder te zijn gekoppeld aan zoekopdrachten op trefwoord van gebruikers.

33 Ten derde was de Commissie van oordeel dat onlinezoekadvertenties niet substitueerbaar waren met gespecialiseerde onlinezoekresultaten, waarbij producten en diensten van adverteerders tegen betaling worden vermeld, bijvoorbeeld op de algemene zoeksites van Google via de diensten „Google Shopping” en „Google Hotel Finder”.

2) Geografische markt

34 Vanuit geografisch oogpunt heeft de Commissie geoordeeld dat de markt voor onlinezoekadvertenties nationaal was, waarbij zij nationale markten binnen de EER heeft geïdentificeerd.

b) Markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER

1) Productmarkt

35 De Commissie heeft opgemerkt dat het aanbieden van intermediatiediensten voor onlinezoekadvertenties, dat wil zeggen diensten die, zoals AFS, uitgevers in staat stellen om advertentieruimte op hun sites te „verkopen” aan adverteerders die onlinezoekadvertenties willen tonen, een aparte productmarkt vormt.

36 Ten eerste was de Commissie van oordeel dat er slechts een beperkte substitueerbaarheid bestond tussen, in de woorden van het bestreden besluit, de „verkoop” van onlineadvertenties via intermediatie en de rechtstreekse verkoop van onlineadvertenties door uitgevers.

37 Ten tweede heeft de Commissie geoordeeld dat er slechts een beperkte substitueerbaarheid was tussen intermediatiediensten voor onlinezoekadvertenties en die voor andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties.

2) Geografische markt

38 Vanuit geografisch oogpunt was de Commissie van mening dat de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties de gehele EER omvatte.

2. Machtspositie

39 De Commissie heeft vastgesteld dat Google een machtspositie had op 30 van de 31 nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER gedurende verschillende perioden tussen 2006 en 2016, alsmede op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER van 2006 tot en met 2016.

a) Nationale markten voor onlinezoekadvertenties

40 De Commissie was van oordeel dat Google gedurende verschillende perioden tussen 2006 en 2016 een machtspositie had op alle nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, gelet op de marktaandelen van Google, de belemmeringen voor toetreding en uitbreiding en het gebrek aan compenserende afnemersmacht van adverteerders.

1) Marktaandelen

41 Ten eerste heeft de Commissie de marktaandelen van Google berekend op basis van zowel de bruto- als de netto-inkomsten van deze onderneming. Zij heeft vastgesteld dat Google van 2006 tot en met 2016 een marktaandeel van meer dan [vertrouwelijk] % had op alle nationale markten in de EER waarover zij informatie had, met uitzondering van Tsjechië, Portugal, Slovenië, Finland, Zweden en Noorwegen. Zij heeft hieraan toegevoegd dat Google in 2016 over een marktaandeel beschikte van meer dan [vertrouwelijk] % op basis van bruto‑inkomsten en meer dan [vertrouwelijk] % op basis van netto-inkomsten op alle nationale markten in de EER waarover zij informatie had, met inbegrip van Tsjechië, Slovenië, Finland en Zweden.

42 Ten tweede heeft de Commissie de marktaandelen van Google berekend op basis van het aantal onlinezoekopdrachten. Zij heeft vastgesteld dat Google tussen 2010 en 2013 een marktaandeel van meer dan [vertrouwelijk] % had op alle nationale markten in de EER waarover zij informatie had.

43 Ten derde was de Commissie van oordeel dat Google van 2006 tot en met 2016 slechts beperkte mededinging had ondervonden van andere aanbieders van onlinezoekadvertenties waaronder Microsoft en Yahoo!, ondanks de overname door laatstgenoemde in 2003 van Overture Services Inc., die toen een voorloper en leider op dit gebied was.

2) Belemmeringen voor toetreding en uitbreiding

44 De Commissie was van oordeel dat er talrijke belemmeringen voor toetreding en uitbreiding bestonden op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties.

45 Zij heeft, ten eerste, opgemerkt dat een aanbieder van onlinezoekadvertenties aanzienlijke investeringen moest doen om zich te vestigen en dat dit ook gold voor aanbieders van andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties.

46 Ten tweede was de Commissie van oordeel dat de nationale markten voor onlinezoekadvertenties werden gekenmerkt door netwerkeffecten.

47 De Commissie heeft opgemerkt dat hoe meer adverteerders gebruikmaakten van de dienst van een aanbieder van onlinezoekadvertenties, hoe groter het aantal onlinezoekadvertenties was waaruit deze aanbieder kon kiezen en hoe groter dus de relevantie was van de advertenties die hij toonde in antwoord op de onlinezoekopdracht van een gebruiker.

48 Verder heeft de Commissie vastgesteld dat hoe groter het aantal gebruikers van een algemene zoekdienst was, hoe waarschijnlijker het was dat een onlinezoekadvertentie werd getoond aan een hierin geïnteresseerde gebruiker.

49 Ten derde was de Commissie van oordeel dat de „kracht” van de algemene zoekdienst van Google en de „interactie” van deze dienst met onlinezoekadvertenties niet gemakkelijk kon worden geëvenaard door concurrerende aanbieders van onlinezoekadvertenties. In dit verband heeft zij opgemerkt dat de algemene zoekdienst van Google in 2016 in elk van de EER‑lidstaten een marktaandeel van meer dan [vertrouwelijk] % had, met uitzondering van Tsjechië, waar het marktaandeel niettemin boven [vertrouwelijk] % bleef.

50 Ten vierde heeft de Commissie vastgesteld dat bijna alle adverteerders gebruikmaakten van het veilingplatform van Google, AdWords, dat is verbonden met de algemene zoekdienst van Google.

51 Ten vijfde heeft de Commissie opgemerkt dat er sinds 2006, toen Microsoft adCenter lanceerde, geen significante toetreding tot een van de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER had plaatsgevonden.

52 Ten zesde heeft de Commissie erop gewezen dat Google haar machtspositie had versterkt door in oktober 2015 een overeenkomst te sluiten met Yahoo! Inc. om aan deze laatste onlinezoekadvertenties, algemene zoekdiensten en gespecialiseerde zoekdiensten voor afbeeldingen te verstrekken.

3) Gebrek aan compenserende afnemersmacht

53 De Commissie was van oordeel dat de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER werden gekenmerkt door een gebrek aan compenserende afnemersmacht van adverteerders.

54 Ten eerste heeft de Commissie vastgesteld dat elke adverteerder een klein deel van de vraag op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER vertegenwoordigde en dat adverteerders niet eenvoudigweg hun toevlucht konden nemen tot de advertentieplatforms van de concurrenten van Google.

55 Ten tweede heeft de Commissie opgemerkt dat adverteerders niet konden onderhandelen over de voorwaarden van hun overeenkomsten met Google voor de verstrekking van advertentiediensten in verband met onlinezoekopdrachten en dat Google hun hoge prijzen oplegde.

b) Markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER

56 De Commissie was van oordeel dat Google van 2006 tot en met 2016 een machtspositie had op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER, gelet op de marktaandelen van Google, de belemmeringen voor toetreding en uitbreiding en het gebrek aan compenserende afnemersmacht van uitgevers.

1) Marktaandelen

57 Ten eerste heeft de Commissie, uitgaande van de bruto-inkomsten van Google, op basis van door Google zelf verstrekte gegevens vastgesteld dat het marktaandeel van Google tussen 2006 en 2016 steeds boven [vertrouwelijk] % had gelegen en in 2016 [vertrouwelijk] % had bereikt, en op basis van door Google, Microsoft en Yahoo! verstrekte gegevens dat Google in 2006 een marktaandeel van meer dan [vertrouwelijk] % had, dat tussen 2007 en 2014 steeds meer dan [vertrouwelijk] % was geweest.

58 Ten tweede heeft de Commissie, uitgaande van de netto-inkomsten van Google, op basis van door Google zelf verstrekte gegevens vastgesteld dat het marktaandeel van Google in 2006 boven [vertrouwelijk] % had gelegen en tussen 2007 en 2016 boven [vertrouwelijk] %, en op basis van door Google en Yahoo! verstrekte gegevens dat het marktaandeel van Google tussen 2006 en 2011 steeds boven [vertrouwelijk] % had gelegen en in 2011 meer dan [vertrouwelijk] % had bereikt.

59 Ten derde heeft de Commissie uit de marktaandelen van Google afgeleid dat deze laatste slechts beperkte mededinging had ondervonden van andere intermediairs.

2) Belemmeringen voor toetreding en uitbreiding

60 De Commissie was van oordeel dat er talrijke belemmeringen voor toetreding en uitbreiding bestonden op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER.

61 Ten eerste heeft de Commissie opgemerkt dat er aanzienlijke investeringen nodig waren om een „platform voor onlinezoekadvertenties” te creëren, te onderhouden en voortdurend te verbeteren.

62 Ten tweede was de Commissie van oordeel dat de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties werd gekenmerkt door netwerkeffecten. In dit verband heeft zij opgemerkt dat het succes van een intermediair afhing van het aantal adverteerders en uitgevers dat hij kon aantrekken en van de omvang van zijn portefeuille van onlinezoekadvertenties. Volgens haar waren deze verschillende elementen met elkaar verbonden, zodat een intermediair die niet genoeg uitgevers aantrok, ook niet genoeg adverteerders zou aantrekken. Verder heeft zij vastgesteld dat hoe meer adverteerders gebruikmaakten van een intermediatiedienst voor onlinezoekadvertenties, hoe groter het aantal onlinezoekadvertenties was waaruit deze intermediair kon kiezen en hoe groter dus de relevantie was van de advertenties die hij toonde in antwoord op de onlinezoekopdracht van een gebruiker.

63 Ten derde heeft de Commissie opgemerkt dat er sinds december 2009, toen Microsoft en Yahoo! een partnerschap hebben gesloten, geen significante toetreding tot de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER had plaatsgevonden. Zij heeft hieraan toegevoegd dat sinds 2007 „verscheidene” met Google concurrerende intermediairs waren gemarginaliseerd of deze markt hadden verlaten.

3) Gebrek aan compenserende afnemersmacht

64 De Commissie was van oordeel dat de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER werd gekenmerkt door een gebrek aan compenserende afnemersmacht van de kant van de uitgevers.

65 Ten eerste heeft de Commissie vastgesteld dat elke uitgever een klein deel van de vraag op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER vertegenwoordigde en dat uitgevers niet eenvoudigweg hun toevlucht konden nemen tot de diensten van concurrerende intermediairs, aangezien AFS voor hen de hoogste inkomsten genereerde.

66 Ten tweede heeft de Commissie vastgesteld dat Google sinds 2013 uitgevers geen minimuminkomsten meer garandeerde en dat zij tussen 2007 en 2016 het deel van de inkomsten dat aan uitgevers werd uitgekeerd gemiddeld genomen had verminderd.

3. Exclusiviteitsclausule in de GSA’s waarin de rechtstreekse partners „over het algemeen” al hun websites hadden opgenomen

67 De Commissie was van oordeel dat de exclusiviteitsclausule van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2016 misbruik van machtspositie had opgeleverd, voor zover deze clausule was vervat in GSA’s waarin de rechtstreekse partners „over het algemeen” al hun websites hadden opgenomen waarop onlinezoekadvertenties werden getoond. Zij was primair van opvatting dat deze clausule in die omstandigheden een verplichting tot exclusieve afname aan deze rechtstreekse partners oplegde die als zodanig in strijd was met artikel 102 VWEU. Subsidiair heeft zij vastgesteld dat genoemde clausule, voor zover daarin een dergelijke verplichting werd opgelegd, in strijd was met genoemde bepaling, omdat zij de mededinging kon beperken. Zij heeft rechtstreekse partners die over het algemeen al hun websites in ten minste één van hun GSA’s hadden opgenomen, omschreven als „rechtstreekse partners voor alle websites”.

a) Exclusiviteitsclausule in de met rechtstreekse partners voor alle websites gesloten GSA’s, voor zover deze een verplichting tot exclusieve afname vormde die als zodanig in strijd was met artikel 102 VWEU

68 De Commissie heeft verwezen naar de rechtspraak van het Hof in zijn arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie (85/76, EU:C:1979:36, punt 89), waarin is bepaald dat, „[a]ls een onderneming op een markt een machtspositie inneemt, [...] een binding der kopers, in dier voege dat zij zich, zij het op eigen wens, verplichten – dan wel beloven – zich voor al hun behoeften dan wel voor een groot gedeelte van hun behoeften uitsluitend bij bedoelde onderneming te bevoorraden, misbruik van een machtspositie [vormt] in de zin van artikel [102 VWEU]”.

69 Verder heeft de Commissie vastgesteld dat, in de onderhavige zaak, de exclusiviteitsclausule een verplichting tot exclusieve afname vormde, aangezien zij de rechtstreekse partners voor alle websites verplichtte om de totaliteit of een aanzienlijk deel van de door hen benodigde intermediatiediensten voor onlinezoekadvertenties bij Google af te nemen. In dit verband heeft zij opgemerkt dat de exclusiviteitsclausule in de met deze rechtstreekse partners gesloten GSA’s „over het algemeen” van toepassing was op al hun websites waarop onlinezoekadvertenties werden getoond, dat de genoemde rechtstreekse partners vóór afloop van hun GSA’s niet van deze clausule konden afwijken en dat de GSA’s die met twee van deze rechtstreekse partners waren gesloten, namelijk [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], hen verplichtten om al hun websites waarop dergelijke advertenties werden getoond, aan de genoemde clausule te onderwerpen.

70 In deze omstandigheden was de Commissie primair van oordeel dat de exclusiviteitsclausule in de met de rechtstreekse partners voor alle websites gesloten GSA’s, in strijd was met artikel 102 VWEU, zonder dat hoefde te worden nagegaan of deze clausule de mededinging kon beperken in het licht van alle omstandigheden van de zaak.

b) Exclusiviteitsclausule in de met rechtstreekse partners voor alle websites gesloten GSA’s, voor zover deze een verplichting tot exclusieve afname vormde die de mededinging kon beperken in de zin van artikel 102 VWEU

71 De Commissie was subsidiair van oordeel dat de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met rechtstreekse partners voor alle websites waren gesloten, een verplichting tot exclusieve afname vormde die de mededinging kon beperken, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak.

72 De Commissie heeft opgemerkt dat de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met rechtstreekse partners voor alle websites waren gesloten, ten eerste deze rechtstreekse partners ervan had weerhouden om bij met Google concurrerende intermediairs in te kopen, ten tweede had verhinderd dat deze intermediairs toegang kregen tot een aanzienlijk deel van de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties, ten derde de innovatie kon hebben geschaad, ten vierde Google had geholpen haar machtspositie op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, te handhaven en te versterken, en ten vijfde de consument kon hebben benadeeld. Bovendien heeft zij vastgesteld dat het vermogen van die clausule om de mededinging te beperken, was vergroot door de Engelse clausule.

73 De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat zij bij het onderzoek van de relevante omstandigheden rekening had gehouden met het belang van de machtspositie van Google op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, en op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER, alsmede met het aandeel van deze laatste markt dat wordt bestreken door de exclusiviteitsclausule in de met de rechtstreekse partners voor alle websites gesloten GSA’s, en met de „duur van [deze] clausule”.

c) Geen objectieve rechtvaardigingen

74 De Commissie heeft de objectieve rechtvaardigingen die Google tijdens de administratieve procedure naar voren had gebracht, verworpen.

75 Ten eerste had Google tijdens de administratieve procedure aangevoerd dat de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met de rechtstreekse partners voor alle websites waren gesloten, noodzakelijk was om haar voldoende inkomsten te garanderen ter ondersteuning van de investeringen die nodig waren om haar intermediatiediensten voor onlinezoekadvertenties te beheren en te verbeteren, en van de specifieke investeringen die ten behoeve van deze rechtstreekse partners werden gedaan.

76 Ten tweede had Google betoogd dat AFS mededingingsbevorderende effecten had doordat deze dienst de kwaliteit van de gebruikerservaring, de advertentie‑inkomsten, het nut van zoekpagina’s voor uitgevers en de blootstelling van adverteerders aan gebruikers die in hun producten geïnteresseerd waren, verhoogde.

77 De Commissie was van oordeel dat Google niet had aangetoond dat de investeringen waarop zij zich beriep, niet zouden zijn gedaan bij afwezigheid van de exclusiviteitsclausule in de met de rechtstreekse partners voor alle websites gesloten GSA’s. In dit verband heeft zij in wezen opgemerkt dat het feit dat Google deze clausule had vervangen door de plaatsingsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming, aantoonde dat laatstgenoemde deze investeringen had kunnen doen met minder beperkende clausules. Verder heeft zij vastgesteld dat de door Google aangevoerde concurrentiebevorderende effecten irrelevant waren om te bepalen of de exclusiviteitsclausule objectief gerechtvaardigd was.

4. Plaatsingsclausule

78 De Commissie was van oordeel dat de plaatsingsclausule van 31 maart 2009 tot en met 6 september 2016 misbruik van machtspositie had opgeleverd, op grond dat deze clausule de mededinging kon beperken, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, en dat Google niet had aangetoond dat genoemde clausule objectief gerechtvaardigd was.

a) Reikwijdte van de plaatsingsclausule

79 In de eerste plaats was de Commissie van oordeel dat de plaatsingsclausule de meest zichtbare ruimte op de websites van de onder deze clausule vallende partners reserveerde voor onlinezoekadvertenties die van Google afkomstig waren.

80 In de tweede plaats was de Commissie van oordeel dat de plaatsingsclausule de rechtstreekse partners verplichtte om op de meest zichtbare plaatsen van de websites waarop deze clausule van toepassing was, een „blok” van drie van Google afkomstige onlinezoekadvertenties „in groot formaat” weer te geven wanneer de zoekopdracht vanaf een computer werd uitgevoerd, en ten minste één van Google afkomstige onlinezoekadvertentie wanneer de zoekopdracht vanaf een mobiel apparaat werd uitgevoerd.

b) Beperking van de mededinging als gevolg van de plaatsingsclausule

81 De Commissie heeft opgemerkt dat de plaatsingsclausule ten eerste de rechtstreekse partners ervan had weerhouden om bij met Google concurrerende intermediairs in te kopen, ten tweede had verhinderd dat deze intermediairs toegang kregen tot een aanzienlijk deel van de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties, ten derde de innovatie kon hebben geschaad, ten vierde Google had geholpen haar machtspositie op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, te handhaven en te versterken, en ten vijfde de consument kon hebben benadeeld. Bovendien heeft zij vastgesteld dat het dwingende karakter van de modellen het vermogen van deze clausule om de mededinging te beperken, had vergroot.

82 De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat zij bij het onderzoek van de relevante omstandigheden rekening had gehouden met het belang van de machtspositie van Google op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, en op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER, alsmede met het aandeel van deze laatste markt dat wordt bestreken door de plaatsingsclausule, en met de „duur van [deze] clausule”.

c) Geen objectieve rechtvaardigingen

83 De Commissie heeft de objectieve rechtvaardigingen die Google tijdens de administratieve procedure naar voren had gebracht, verworpen.

84 Ten eerste had Google tijdens de administratieve procedure aangevoerd dat de plaatsingsclausule noodzakelijk was om haar tot op zekere hoogte voldoende inkomsten te garanderen om de investeringen ten gunste van de rechtstreekse partners te rechtvaardigen en hun inkomsten te maximaliseren (zie punt 75 hierboven).

85 Ten tweede had Google gesteld dat een zekere mate van stabiliteit in de weergave van onlinezoekadvertenties noodzakelijk was om de relevantie van deze advertenties te handhaven.

86 De Commissie heeft opgemerkt dat Google niet had aangetoond dat de investeringen waarop zij zich beriep, niet zouden zijn gedaan bij afwezigheid van de plaatsingsclausule. Bovendien heeft zij vastgesteld dat het door Google aangevoerde feit dat deze clausule het mogelijk zou hebben gemaakt om de advertentie-inkomsten van de rechtstreekse partners te verhogen, irrelevant was om te bepalen of er sprake was van een inbreuk op artikel 102 VWEU. Ten slotte was zij van oordeel dat Google de relevantie van onlinezoekadvertenties had kunnen handhaven door minder beperkende middelen te gebruiken, zoals aanbevelingen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat het feit dat Google in 2016 had afgezien van de toepassing van sommige bepalingen van de betrokken clausule (zie punt 24 hierboven) bevestigde dat zij minder beperkende middelen had kunnen vaststellen.

5. Clausule inzake voorafgaande toestemming

87 De Commissie was van oordeel dat de clausule inzake voorafgaande toestemming van 31 maart 2009 tot en met 6 september 2016 misbruik van machtspositie had opgeleverd, op grond dat deze clausule de mededinging kon beperken, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, en dat Google niet had aangetoond dat genoemde clausule objectief gerechtvaardigd was.

a) Beperking van de mededinging als gevolg van de clausule inzake voorafgaande toestemming

88 De Commissie heeft opgemerkt dat de clausule inzake voorafgaande toestemming ten eerste de rechtstreekse partners ervan had weerhouden om bij met Google concurrerende intermediairs in te kopen, ten tweede had verhinderd dat deze intermediairs toegang kregen tot een aanzienlijk deel van de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties, ten derde de innovatie kon hebben geschaad, ten vierde Google had geholpen haar machtspositie op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, te handhaven en te versterken, en ten vijfde de consument kon hebben benadeeld.

89 De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat zij bij het onderzoek van de relevante omstandigheden rekening had gehouden met het belang van de machtspositie van Google op de nationale markten voor onlinezoekadvertenties in de EER, met uitzondering van Portugal, en op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER, alsmede met het aandeel van deze laatste markt dat wordt bestreken door de clausule inzake voorafgaande toestemming, en met de „duur van [deze] clausule”.

b) Geen objectieve rechtvaardigingen

90 De Commissie heeft de objectieve rechtvaardigingen die Google tijdens de administratieve procedure naar voren had gebracht, verworpen.

91 Google had tijdens de administratieve procedure aangevoerd dat de clausule inzake voorafgaande toestemming noodzakelijk was om rechtstreekse partners in staat te stellen concurrerende advertenties weer te geven die aan haar kwaliteitseisen voldeden, met name om te voorkomen dat advertenties werden weergegeven die zich voordeden als Google-advertenties en die ongepaste inhoud promootten of leidden tot de installatie van kwaadaardige software op de computer van de gebruiker.

92 De Commissie was van oordeel dat Google niet had uitgelegd waarom rechtstreekse partners concurrerende advertenties moesten tonen die aan haar kwaliteitseisen voldeden of hoe de clausule inzake voorafgaande toestemming misleidende praktijken op de betrokken websites kon tegenhouden. Bovendien heeft zij geoordeeld dat Google haar kwaliteitseisen had kunnen afdwingen en haar merk had kunnen beschermen met minder beperkende middelen. In dit verband heeft zij er overigens op gewezen dat het feit dat Google in 2016 had afgezien van de toepassing van genoemde clausule (zie punt 24 hierboven) bevestigde dat zij minder beperkende middelen had kunnen vaststellen.

6. Eén enkele en voortdurende inbreuk

93 De Commissie was van oordeel dat de drie gevallen van misbruik van machtspositie, die respectievelijk voortvloeiden uit de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met de rechtstreekse partners voor alle websites waren gesloten, de plaatsingsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming, samen één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU vormden, die duurde van 1 januari 2006 tot en met 6 september 2016.

94 In dit verband was de Commissie ten eerste van oordeel dat de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met de rechtstreekse partners voor alle websites waren gesloten, de plaatsingsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming hetzelfde doel hadden, namelijk de uitsluiting van met Google concurrerende intermediairs teneinde de positie van Google op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER en de markten voor onlinezoekadvertenties, en bijgevolg haar positie op de algemene zoekmarkt, te handhaven en te versterken.

95 Ten tweede was de Commissie van oordeel dat de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met de rechtstreekse partners voor alle websites waren gesloten, de plaatsingsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming complementair waren voor zover deze clausules de rechtstreekse partners ervan weerhielden om concurrerende advertenties in te kopen en verhinderden dat met Google concurrerende intermediairs toegang kregen tot een aanzienlijk deel van de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER. In dit verband heeft de Commissie er met name op gewezen dat Google zelf de plaatsingsclausule had omschreven als een „versoepelde exclusiviteitsclausule”, en dat alle GSA’s die de clausule inzake voorafgaande toestemming bevatten, ook de plaatsingsclausule bevatten.

7. Gevolgen voor de handel tussen lidstaten

96 De Commissie was van oordeel dat de exclusiviteitsclausule in de GSA’s met de rechtstreekse partners voor alle websites, de plaatsingsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming, zowel afzonderlijk als samen beschouwd, de handel tussen lidstaten merkbaar ongunstig konden beïnvloeden.

8. Geldboete

97 De Commissie heeft Google LLC veroordeeld tot een geldboete van 1494459000 EUR, waarvan 130135475 EUR hoofdelijk met Alphabet Inc.

II. Conclusies van partijen

98 Google verzoekt het Gerecht: – primair, het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair, de geldboete in te trekken of te verminderen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

99 Surfboard Holding BV (hierna: „Surfboard”) en Vinden.NL BV (hierna: „Vinden.NL”) verzoeken het Gerecht, gelet op de opmerkingen van laatstgenoemde over het rapport ter terechtzitting: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

100 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – Google te verwijzen in de kosten; – Surfboard en Vinden.NL te verwijzen in de kosten van hun respectieve interventies.

III. In rechte

101 Ter ondersteuning van haar beroep voert Google vijf middelen aan, die eraan zijn ontleend dat, ten eerste, de Commissie de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER onjuist heeft afgebakend en bijgevolg de machtspositie van Google op deze markt niet heeft aangetoond, ten tweede, de exclusiviteitsclausule in de GSA’s die met de rechtstreekse partners voor alle websites zijn gesloten, geen misbruik van machtspositie vormde, ten derde en ten vierde, de plaatsingsclausule en de clausule inzake voorafgaande toestemming geen dergelijk misbruik vormden, en ten vijfde, de Commissie haar ten onrechte een geldboete heeft opgelegd.

A. Opmerkingen vooraf

102 Volgens artikel 102 VWEU is het onverenigbaar met de interne markt en verboden, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

103 Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord ten nadele van het algemeen belang, de individuele ondernemingen en de consument door het bestraffen van gedragingen van ondernemingen met een machtspositie die de op verdienste gebaseerde mededinging beperken en consumenten aldus direct kunnen benadelen of die deze mededinging verhinderen of vervalsen en hen aldus indirect kunnen benadelen (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 124; zie in die zin ook arrest van 27 maart 2012, Post Danmark,C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 20). Het begrip „misbruik maken van” in de zin van deze bepaling ziet dus op de bestraffing van gedragingen van een onderneming met een machtspositie die, op een markt waar de mededinging door de aanwezigheid van deze onderneming reeds is verzwakt, afbreuk doen aan de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging (zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Aan ondernemingen met een machtspositie, ongeacht de oorzaken van die positie, komt dus een bijzondere verantwoordelijkheid toe om door hun gedrag geen afbreuk te doen aan daadwerkelijke, onvervalste mededinging op de interne markt (zie arresten van 6 september 2017, Intel/Commissie,C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 135, en 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 38).

105 Daarentegen heeft artikel 102 VWEU niet tot doel te beletten dat ondernemingen op basis van hun eigen verdiensten een machtspositie op een of meer markten innemen, noch om ervoor te zorgen dat minder efficiënte concurrerende ondernemingen dan ondernemingen met een dergelijke positie op de markt aanwezig blijven (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 126; zie ook in die zin arrest van 27 maart 2012, Post Danmark,C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 21). Niet elk uitsluitingseffect tast immers noodzakelijkerwijs de mededinging aan, want op verdienste gebaseerde mededinging kan er per definitie toe leiden dat minder efficiënte concurrenten, die dus op het punt van de prijs, de keuze, de kwaliteit of de innovatie voor de consument minder interessant zijn, van de markt verdwijnen of daarop een marginale plaats krijgen (zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie,C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 133 en 134).

106 Zo kan met name misbruik van een machtspositie worden vastgesteld wanneer de verweten gedraging een uitsluitingseffect heeft gehad ten aanzien van concurrenten die qua kostenstructuur, innovatiecapaciteit of kwaliteit even efficiënt zijn als degene die de laakbare gedraging heeft verricht, of wanneer die gedraging berustte op het gebruik van andere middelen dan die welke vallen onder de „normale” mededinging, dat wil zeggen mededinging op basis van verdienste (zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

107 In dit verband is het aan de Commissie om aan te tonen dat een gedraging misbruik oplevert in het licht van alle relevante feitelijke omstandigheden van die gedraging, met inbegrip van die welke naar voren komen uit het bewijs dat de onderneming met een machtspositie als verweer heeft aangedragen (zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

108 Het is juist dat de Commissie, om vast te stellen dat een gedraging misbruik oplevert, niet noodzakelijkerwijs hoeft aan te tonen dat die gedraging daadwerkelijk mededingingsverstorende effecten heeft gehad. Artikel 102 VWEU beoogt namelijk het feit te bestraffen dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan, ongeacht of het misbruik al dan niet succesvol is gebleken. Bijgevolg kan de Commissie een inbreuk op artikel 102 VWEU vaststellen door aan te tonen dat, in de omstandigheden van het geval, de betrokken gedraging tijdens de desbetreffende periode de mededinging op basis van verdienste kon beperken, zelfs al heeft zij geen effect gehad (zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Deze vaststelling moet echter in beginsel berusten op tastbare bewijzen die verder gaan dan een loutere hypothese en die aantonen dat de betrokken praktijk daadwerkelijk dergelijke gevolgen kan hebben, aangezien het bestaan van twijfel dienaangaande in het voordeel moet spelen van de onderneming die een dergelijke praktijk hanteert (zie arrest van 19 januari 2023, Unilever Italia Mkt. Operations,C‑680/20, EU:C:2023:33, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110 Anders dan bijvoorbeeld bij een prospectieve analyse, die vereist is voor het onderzoek van een voorgenomen concentratie en waarbij moet worden ingeschat hoe waarschijnlijk toekomstige gebeurtenissen zich zullen voordoen indien er geen besluit wordt vastgesteld dat de geplande concentratie verbiedt of de voorwaarden daarvoor vaststelt, moet de Commissie bij het bestraffen van misbruik van een machtspositie meestal gebeurtenissen uit het verleden onderzoeken, waarvoor doorgaans talrijke gegevens voorhanden zijn die toelaten de oorzaken ervan te begrijpen en de gevolgen ervan voor een daadwerkelijke mededinging te beoordelen (zie in die zin arrest van 15 februari 2005, Commissie/Tetra Laval,C‑12/03 P, EU:C:2005:87, punt 42).

111 Daartoe kan de Commissie met name, krachtens artikel 18 van verordening nr. 1/2003, ondernemingen verzoeken alle inlichtingen te verstrekken die zij voor haar onderzoek nodig heeft. Zoals de Commissie aanvoert, moet grote bewijskracht worden toegekend aan uitputtende antwoorden op rechtstreekse vragen die krachtens deze bepaling worden verstrekt, aangezien aan ondernemingen die in antwoord op een dergelijke vraag onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken, krachtens artikel 23, lid 1, onder a), van de verordening een geldboete kan worden opgelegd (zie in die zin arresten van 16 september 2013, Galp Energía España e.a./Commissie, T‑462/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:459, punt 123, en 26 januari 2022, Intel Corporation/Commissie, T‑286/09 RENV, onder hogere voorziening, EU:T:2022:19, punt 376).

112 Verder kan de betrokken onderneming, tijdens de administratieve procedure, onder overlegging van bewijs betogen dat haar gedrag de mededinging niet kon beperken en met name niet de verweten uitsluitingseffecten kon hebben (zie in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie,C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 138). Het staat dan aan het Gerecht om alle argumenten van de verzoekende partij te onderzoeken waarmee de gegrondheid wordt betwist van de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot de aan de betrokken praktijk inherente mogelijkheid om minstens even efficiënte concurrenten uit te sluiten [arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – exclusiviteitsbetalingen), T‑235/18, EU:T:2022:358, punt 356; zie in die zin ook arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie,C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 141].

113 Wat de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betreft, heeft het Hof erop gewezen dat zij betrekking heeft op alle aspecten van de met name in procedures op grond van artikel 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, die door het Gerecht zowel juridisch als feitelijk grondig worden getoetst op basis van de door de verzoeker aangevoerde middelen en rekening houdend met alle door hem aangedragen relevante informatie, ongeacht of het gaat om informatie van vóór of na het vastgestelde besluit en of die informatie reeds vooraf in de administratieve procedure dan wel pas voor het eerst in het bij het Gerecht ingestelde beroep is overgelegd, voor zover sprake is van informatie die relevant is voor de toetsing van de wettigheid van het besluit van de Commissie (zie arresten van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie,C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72, en 25 juli 2018, Orange Polska/Commissie,C‑123/16 P, EU:C:2018:590, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

B. Eerste middel: onjuiste vaststelling door de Commissie van de betrokken relevante markten en van de machtspositie van Google

114 Met haar eerste middel betoogt Google, ondersteund door Surfboard en Vinden.NL, dat de Commissie de markt voor onlinezoekadvertenties en die voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties onjuist heeft afgebakend. Deze fout brengt met zich mee dat de Commissie de machtspositie van Google op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties in de EER niet heeft aangetoond, zodat zij in het bestreden besluit niet op goede gronden tot de conclusie kon komen dat er op deze markt sprake was van misbruik in de zin van artikel 102 VWEU.

115 De argumentatie van Google bestaat uit twee onderdelen.

116 In het eerste onderdeel van haar eerste middel stelt Google dat de Commissie in het kader van de bepaling van de nationale markten voor onlinezoekadvertenties ten onrechte heeft geconcludeerd dat andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties niet substitueerbaar zijn met onlinezoekadvertenties.

117 In het tweede onderdeel van haar eerste middel betoogt Google dat de Commissie in het kader van de bepaling van de Europese markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van substitueerbaarheid tussen de verkoop van onlineadvertenties via intermediatie en de verkoop van onlineadvertenties rechtstreeks door de uitgevers.

1. Eerste onderdeel van het eerste middel: substitueerbaarheid van onlinezoekadvertenties en andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties

118 Zoals in punt 27 hierboven is opgemerkt, heeft de Commissie in het bestreden besluit twee relevante markten afgebakend. De eerste van deze markten was de markt voor onlinezoekadvertenties, die is beschreven in de punten 28 en 29 hierboven. Het in het bestreden besluit vastgestelde misbruik van machtspositie heeft weliswaar plaatsgevonden op de tweede in dit besluit afgebakende relevante markt, namelijk die voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties, maar de Commissie heeft ter terechtzitting uiteengezet dat de bepaling van de eerste markt een noodzakelijke stap was voor de bepaling van de tweede, die pas na afbakening van die eerste markt als een afzonderlijke markt kon worden afgebakend.

119 In het bestreden besluit was de Commissie met name van oordeel dat onlinezoekadvertenties niet substitueerbaar zijn met andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties, zoals beschreven in punt 32 hierboven.

120 In de overwegingen 135 tot en met 169 van het bestreden besluit heeft de Commissie haar analyse waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen onlinezoekadvertenties en andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties (hierna: „twee betrokken soorten advertenties”) gebaseerd op, ten eerste, de activering en de positionering van de betrokken advertenties, ten tweede, hun format, ten derde, hun vermogen om in te spelen op de onmiddellijke belangstelling van de gebruiker, ten vierde, hun vermogen om tot een aankoop door de gebruiker te leiden, ten vijfde, hun doorklik- en conversiepercentages, ten zesde, hun vermogen om het rendement op investering van de adverteerders te meten, ten zevende, de opmerkingen van een vereniging die adverteerders vertegenwoordigt (World Federation of Advertisers), ten achtste, de antwoorden van adverteerders, uitgevers en media-agentschappen op de verzoeken van de Commissie om informatie over het effect van een prijsstijging voor onlinezoekadvertenties, ten negende, een brancheverslag opgesteld door een exploitant van onlinedatabases met statistische gegevens en onderzoeken (Statista), en ten tiende, de investeringen die nodig zijn om diensten voor onlinezoekadvertenties aan te bieden.

121 Google is van mening dat de Commissie in het bestreden besluit ten onrechte heeft geconcludeerd dat de twee betrokken soorten advertenties geen deel uitmaakten van dezelfde markt.

122 Haar argumenten ter zake kunnen als volgt worden samengevat. Ten eerste merkt zij op dat de Commissie zich ten onrechte heeft geconcentreerd op de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties uit het oogpunt van de adverteerders in plaats van uit het oogpunt van de uitgevers. Ten tweede heeft de Commissie niet alle relevante factoren in aanmerking genomen, maar heeft zij zich toegespitst op vermeende verschillen in de kenmerken van de twee betrokken soorten advertenties. Ten derde heeft de Commissie nagelaten een adequate prijsanalyse te verrichten, bijvoorbeeld door middel van een test waarbij het effect van een significante, duurzame verhoging van 5 à 10 % van de prijs van onlinezoekadvertenties wordt geanalyseerd (hierna: „SSNIP-test”), en heeft zij de antwoorden van uitgevers, adverteerders en media‑agentschappen in het kader van de door haar uitgevoerde analyse onjuist uitgelegd. Ten vierde zijn deze vermeende verschillen in de kenmerken van de twee betrokken soorten advertenties niet bewezen en zijn zij bovendien niet toereikend om te concluderen dat deze twee soorten advertenties niet substitueerbaar zijn. Ten vijfde heeft de Commissie geen rekening gehouden met voorbeelden van uitgevers die de twee betrokken soorten advertenties afwisselen of hebben afgewisseld. Ten zesde heeft de Commissie de verklaringen van bepaalde vertegenwoordigers van Google onjuist uitgelegd. Ten zevende is de in het bestreden besluit verrichte analyse van de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties in wezen strijdig met eerdere besluiten van de Commissie.

123 Surfboard en Vinden.NL steunen de argumenten van Google en stellen ook dat de Commissie onvoldoende rekening heeft gehouden met het standpunt van de uitgevers.

a) Opmerkingen vooraf

124 Vooraf zij eraan herinnerd dat de bepaling van de relevante markt voor de toepassing van artikel 102 VWEU in beginsel een voorwaarde is voor de beoordeling van het eventuele bestaan van een machtspositie van de betrokken onderneming, en als doel heeft om het kader te bepalen waarbinnen moet worden beoordeeld of de betrokken onderneming in staat is om zich jegens haar concurrenten, afnemers en consumenten in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen [zie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a.,C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

125 Uit de rechtspraak blijkt dat het begrip „relevante markt” inhoudt dat tussen de van die markt deel uitmakende producten of diensten daadwerkelijke mededinging mogelijk is, hetgeen veronderstelt dat alle producten of diensten die deel uitmaken van een en dezelfde markt, elkaar voor hetzelfde gebruik in voldoende mate kunnen substitueren. Het onderzoek of producten of diensten onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn, mag niet alleen uitgaan van de objectieve kenmerken van de betrokken producten of diensten. Daarbij moeten eveneens de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt in aanmerking worden genomen (zie arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a.,C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Voorts blijkt uit de bekendmaking van de Commissie inzake de bepaling van de relevante markt voor het gemeenschappelijke mededingingsrecht (PB 1997, C 372, blz. 5; hierna: „bekendmaking inzake de bepaling van de markt”) dat „[e]en [...] productmarkt [...] alle producten en/of diensten [omvat] die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling verwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd”. Vanuit economisch standpunt is voor de bepaling van de relevante markt substitutie aan de vraagzijde de directste en effectiefste disciplinerende factor voor de aanbieders van een bepaald product, inzonderheid met betrekking tot hun prijsbeleid. Bij de marktbepaling kan eveneens rekening worden gehouden met de substitueerbaarheid aan de aanbodzijde wanneer de gevolgen ervan in doelmatigheid en directheid vergelijkbaar zijn met die van de substitueerbaarheid aan de vraagzijde. Dit vergt dat aanbieders in antwoord op geringe maar duurzame wijzigingen van de betrokken prijzen kunnen overschakelen op de productie van de relevante producten en deze op korte termijn op de markt kunnen brengen zonder aanzienlijke bijkomende kosten te maken of risico’s te lopen (arrest van 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, T‑336/07, EU:T:2012:172, punt 113).

127 Verder moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 25 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt en uit de rechtspraak, de Commissie voor de bepaling van de relevante markt geen starre hiërarchie van verschillende informatiebronnen of typen bewijs hoeft te volgen (arrest van 11 januari 2017, Topps Europe/Commissie, T‑699/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:2, punt 82), daar de vraag inzake de substitueerbaarheid van producten kan worden beantwoord op basis van een uit verschillende, vaak empirische beoordelingselementen bestaande reeks bewijselementen en de Commissie rekening dient te houden met alle relevante gegevens waarover zij beschikt (arrest van 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie,T‑321/05, EU:T:2010:266, punt 85).

b) Inaanmerkingneming van het standpunt van de uitgevers

128 Google stelt dat de Commissie in het bestreden besluit niet heeft aangetoond dat de twee betrokken soorten advertenties uit het oogpunt van de uitgevers deel uitmaakten van verschillende markten. Volgens Google had de Commissie de substitueerbaarheid van deze twee soorten advertenties aan de vraagzijde nader moeten onderzoeken, aangezien het door de Commissie in het bestreden besluit gestelde misbruik betrekking heeft op de beperking van de mogelijkheid voor uitgevers om alternatieven te kiezen voor de intermediatiedienst van Google, namelijk AFS. De Commissie heeft in het bestreden besluit haar aandacht dus ten onrechte gericht op de substitueerbaarheid uit het oogpunt van de adverteerders en niet uit het oogpunt van de uitgevers.

129 Surfboard en Vinden.NL steunen deze argumenten.

130 De Commissie betwist de argumenten van Google.

131 In de eerste plaats zij opgemerkt dat de substitueerbaarheid in het algemeen moet worden onderzocht uit het oogpunt van de vraag (zie punt 126 hierboven).

132 Google heeft ter terechtzitting erkend dat de vraagkant voor de twee betrokken soorten advertenties niet bestond uit de uitgevers. Bovendien is Google niet opgekomen tegen de stelling van de Commissie in overweging 121 van het bestreden besluit, dat op de markt voor onlinezoekadvertenties de vraagkant bestond uit de gebruikers en de adverteerders en de aanbodkant uit de exploitanten van advertentieplatforms. Hieruit volgt dat Google niet heeft aangetoond dat het standpunt van de uitgevers, die geen deel uitmaken van de vraagkant, in aanmerking moest worden genomen bij de analyse van de substitueerbaarheid aan de vraagkant.

133 In deze omstandigheden kunnen Google, Surfboard en Vinden.NL de Commissie niet verwijten dat zij bij haar analyse met het oog op de bepaling van de relevante markt meer elementen in aanmerking heeft genomen die betrekking hebben op de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties uit het oogpunt van de adverteerders dan uit het oogpunt van de uitgevers, louter gelet op het feit dat het in het bestreden besluit vastgestelde misbruik de keuze van de uitgevers op de markt voor intermediatie voor onlinezoekadvertenties, die overigens een afzonderlijke markt vormt, beperkte.

134 In de tweede plaats, en hoe dan ook, moet worden benadrukt dat de Commissie in het bestreden besluit rekening heeft gehouden met het standpunt van de uitgevers bij haar analyse van de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties.

135 De Commissie heeft zich dus gebaseerd op de antwoorden van de uitgevers op haar verzoeken om inlichtingen in het kader van haar beoordeling inzake de bepaling van de relevante markt om haar conclusies over de verschillen in kenmerken en gebruik tussen de twee betrokken soorten advertenties te ondersteunen. Dit blijkt uit de overwegingen van de Commissie met betrekking tot de positionering en het format van onlinezoekadvertenties (zie overwegingen 136 en 137 van het bestreden besluit), het intrinsieke vermogen van dergelijke advertenties om in te spelen op de onmiddellijke belangstelling van de gebruiker (zie overwegingen 138 en 139 van het bestreden besluit) en hun superieure vermogen om een bestaande vraag om te zetten in een aankoop (zie met name overwegingen 142 en 143 van het bestreden besluit). Hieruit volgt dat de analyse van de kenmerken en het gebruik van deze advertenties zowel de uitgevers als de adverteerders betrof. Daarnaast heeft de Commissie verwezen naar de opmerkingen van de uitgevers om te concluderen dat het weinig waarschijnlijk is dat laatstgenoemden de onlinezoekadvertenties die zij op hun websites tonen, geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties indien de inkomsten uit onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % zouden verminderen (zie in die zin overweging 148 van het bestreden besluit). De standpunten en het gedrag van uitgevers die op hun websites onlinezoekadvertenties weergeven, worden eveneens aangehaald in de overwegingen 156 tot en met 158, 160, 162 en 164 van het bestreden besluit.

136 Bijgevolg heeft Google niet aangetoond dat de Commissie de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties uit het oogpunt van de uitgevers onvoldoende heeft onderzocht.

c) Inaanmerkingneming van alle relevante factoren

137 Google stelt dat de Commissie zich ten onrechte heeft geconcentreerd op vermeende verschillen in de kenmerken tussen de twee betrokken soorten advertenties en heeft nagelaten rekening te houden met alle factoren die relevant zijn voor de uitgevers zoals vereist door de bekendmaking inzake de bepaling van de markt. Google verwijt de Commissie met name, op grond van de punten 38 tot en met 43 van deze bekendmaking, dat zij zich in het bestreden besluit niet heeft gebaseerd op reële voorbeelden van productsubstitutie, op kwantitatieve testen om de prijselasticiteit te meten, op geïnformeerde opmerkingen van afnemers en concurrenten en op de belemmeringen en de kosten voor uitgevers in verband met de overschakeling op een ander product.

138 De Commissie betwist de argumenten van Google.

139 Zoals blijkt uit de in de punten 125 en 126 hierboven aangehaalde rechtspraak wordt de substitueerbaarheid niet uitsluitend beoordeeld op basis van de objectieve kenmerken van de betrokken producten en diensten. De kenmerken van de betrokken producten en diensten zijn weliswaar relevant voor deze beoordeling, maar ook de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt moeten in aanmerking worden genomen (zie arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a.,C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De bekendmaking inzake de bepaling van de markt, waarop Google zich beroept, herhaalt in wezen dit beginsel in punt 36 ervan, waarin wordt gesteld dat „[d]e productkenmerken en het gebruik waarvoor het product is bestemd [...] evenwel niet [volstaan] om vast te stellen of twee producten vervangingsproducten aan de vraagzijde zijn”.

140 Anders dan Google in haar schriftelijke opmerkingen lijkt te suggereren, is de Commissie bij de bepaling van een productmarkt evenwel niet verplicht om alle in de bekendmaking inzake de bepaling van de markt opgesomde beoordelingselementen te onderzoeken of om een strikte hiërarchie van bewijsmiddelen te volgen, zoals blijkt uit punt 25 van deze bekendmaking zelf en uit de in punt 127 hierboven aangehaalde rechtspraak.

141 Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de Commissie in het bestreden besluit weliswaar een groot deel van haar analyse heeft gewijd aan de kenmerken en het gebruik van de twee betrokken soorten advertenties en de verschillen daartussen, maar dat zij zich bij haar conclusie dat deze advertenties niet substitueerbaar waren, niet tot deze factoren heeft beperkt en in een algemene beoordeling rekening heeft gehouden met een reeks andere factoren, waaronder die welke door Google zijn genoemd en in punt 137 hierboven zijn uiteengezet.

142 Zo heeft de Commissie in het bestreden besluit ook factoren onderzocht zoals de prijs van de betrokken advertenties (overwegingen 148 en 149), de investeringen die nodig zijn om diensten voor onlinezoekadvertenties aan te bieden (overwegingen 150‑154) en, in haar antwoord op de argumenten die Google tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd, het gedrag van uitgevers die minder gebruik zouden hebben gemaakt van onlinezoekadvertenties (overwegingen 162, 164 en 165), alsmede de marktperceptie van de vertegenwoordigers van Google (overwegingen 156 en 169). Bovendien is, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen aanvoert, de kwestie van de belemmeringen voor uitgevers en adverteerders om onlinezoekadvertenties te vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties, impliciet ook behandeld in het bestreden besluit. In overweging 148 merkt de Commissie immers op dat alle uitgevers en de meeste adverteerders in antwoord op de verzoeken om inlichtingen van de Commissie hebben aangegeven dat het weinig waarschijnlijk is dat zij onlinezoekadvertenties zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in geval van hetzij een duurzame vermindering van 5 à 10 % van de inkomsten uit onlinezoekadvertenties, wat de uitgevers betreft, hetzij een equivalente verhoging van de prijs van dergelijke advertenties, wat de adverteerders betreft.

143 Bovendien heeft de Commissie, anders dan Google lijkt aan te voeren, wel degelijk geïnformeerde opmerkingen van marktdeelnemers ingewonnen, met name naar aanleiding van verzoeken om inlichtingen die waren gericht aan uitgevers, adverteerders en media-agentschappen die advertentiecampagnes voor bedrijven organiseren. De Commissie heeft zich op deze opmerkingen gebaseerd om de relevante markt te bepalen, zoals blijkt uit de voetnoten 105, 109, 110, 112 tot en met 115, 119, 120, 122 tot en met 125, 128, 132 tot en met 138, 140, 141, 145, 169, 171, 172 en 176 van het bestreden besluit.

144 Hieruit volgt dat Google niet heeft aangetoond dat de Commissie bepaalde relevante factoren heeft genegeerd bij haar algemene beoordeling van de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties, noch dat zij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een groot deel van haar analyse te wijden aan de verschillen in kenmerken en gebruik tussen deze respectieve advertenties.

d) Argumenten van Google met betrekking tot de SSNIP-test

145 Google stelt dat het bijzonder belangrijk was dat door de Commissie zou worden onderzocht, bijvoorbeeld via een SSNIP-test, of uitgevers en adverteerders ervoor hadden gekozen om andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties te gebruiken in het geval van een substantiële verandering in de prijs van onlinezoekadvertenties. In een dergelijk geval zouden de twee betrokken soorten advertenties concurrentiedruk op elkaar uitoefenen, zodat zij één enkele markt zouden vormen. Volgens Google vormt de door de Commissie uitgevoerde prijsanalyse, zoals beschreven in overweging 148 van het bestreden besluit, geen echte SSNIP-test en heeft de Commissie bovendien onjuiste conclusies uit die analyse getrokken.

146 Eerst moeten de argumenten van Google ter betwisting van de toereikendheid van de door de Commissie uitgevoerde prijsanalyse worden onderzocht, en vervolgens haar argumenten met betrekking tot de conclusies die de Commissie uit deze analyse heeft getrokken.

1) Toereikendheid van de prijsanalyse van de Commissie

147 In overweging 148 van het bestreden besluit heeft de Commissie, ten eerste, opgemerkt dat „de meeste adverteerders, alle uitgevers en de helft van de media‑agentschappen hebben aangegeven dat het weinig waarschijnlijk is dat zij onlinezoekadvertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een duurzame prijsstijging van 5 à 10 % voor onlinezoekadvertenties”. Ten tweede heeft de Commissie in dezelfde overweging toegevoegd dat sommige uitgevers ook hadden aangegeven dat dit het geval was omdat de inkomsten uit onlinezoekadvertenties aanzienlijk hoger waren dan de inkomsten uit andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties.

148 Google voert aan dat de Commissie geen echte SSNIP-test heeft uitgevoerd. In dit verband stelt zij dat de Commissie niet heeft onderzocht of het voor een onderneming in een hypothetische monopoliepositie winstgevend zou zijn om de prijs van onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % te verhogen. Met andere woorden, de Commissie had moeten onderzoeken of genoeg marginale klanten hun vraag voldoende zouden veranderen om een prijsstijging weinig winstgevend te maken. Verder merkt zij op dat de Commissie zich niet uitsluitend kon baseren op de antwoorden van uitgevers, adverteerders en media-agentschappen op een vraag die hun in de verzoeken om inlichtingen was gesteld, temeer daar deze antwoorden niet door feitelijk bewijs werden gestaafd.

149 De Commissie betwist de argumenten van Google.

150 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit overweging 148 van het bestreden besluit in wezen blijkt dat de Commissie adverteerders, uitgevers en media-agentschappen heeft gevraagd hoe zij zouden reageren in geval van een verhoging van de prijs van onlinezoekadvertenties of, in het geval van uitgevers, een daling van de inkomsten uit dergelijke advertenties. Dit lijkt te worden bevestigd door de voetnoten 135 tot en met 138, waarin de antwoorden zijn opgesomd die bepaalde ondernemingen hebben gegeven op vraag 2.2 van het verzoek om inlichtingen betreffende AdWords van 22 december 2010, vraag 2 van het verzoek om inlichtingen van de Commissie aan de uitgevers van 26 juli 2013, vraag 12 van het verzoek om inlichtingen aan de adverteerders van 11 januari 2016 en vraag 9 van het verzoek om inlichtingen aan de media‑agentschappen van diezelfde datum.

151 In dit verband moet allereerst de inhoud van de in de verzoeken om inlichtingen van de Commissie vervatte vragen (hierna samen: „vraag met betrekking tot de prijzen”) worden onderzocht.

152 Zo blijkt, wat de adverteerders betreft, uit vraag 2.2 van het verzoek om inlichtingen betreffende AdWords van 22 december 2010 en vraag 12 van het verzoek om inlichtingen aan de adverteerders van 11 januari 2016 (een aantal antwoorden op deze vragen zijn opgenomen in de bijlagen B.3 en B.4 van het verweerschrift) dat de Commissie hun heeft gevraagd of zij, indien zij gebruikmaakten van onlinezoekadvertenties, deze advertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties indien de prijs van onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % zou stijgen door de werking van het geldende prijsmechanisme en niet door een verschil in conversiepercentage, terwijl de prijs van andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties stabiel zou blijven, en of zij bij deze beslissing rekening zouden houden met andere factoren dan de prijs.

153 Wat de media-agentschappen betreft, blijkt uit vraag 9 van het verzoek om inlichtingen aan de media-agentschappen van 11 januari 2016 (een aantal antwoorden op deze vragen zijn opgenomen in de bijlagen B.3 en B.4 van het verweerschrift) dat de Commissie hun heeft gevraagd of zij, indien zij onlinezoekadvertenties voor hun afnemers plaatsten, deze advertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties indien de prijs van onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % zou stijgen door de werking van het geldende prijsmechanisme en niet door een verschil in conversiepercentage, terwijl de prijs van andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties stabiel zou blijven, en of zij bij deze beslissing rekening zouden houden met andere factoren dan de prijs.

154 Wat de uitgevers betreft, blijkt uit vraag 2, tweede volzin, van het verzoek om inlichtingen aan de uitgevers van 26 juli 2013 (een aantal antwoorden op deze vragen zijn opgenomen in bijlage B.6 van het verweerschrift) dat de Commissie hun heeft gevraagd of zij de onlinezoekadvertenties op hun websites geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties indien de inkomsten uit het tonen van onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % zouden dalen, terwijl de inkomsten uit het tonen van andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties stabiel zouden blijven.

155 In de eerste plaats moet, wat de argumenten van Google in dit verband betreft, eraan worden herinnerd dat, volgens punt 17 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt, een SSNIP-test erin bestaat dat wordt nagegaan of de afnemers van de partijen, in het geval van een lichte (5 à 10 %) maar duurzame stijging van de relatieve prijzen van de betrokken producten in de betrokken gebieden, zouden overschakelen op gemakkelijk beschikbare substitutieproducten of op elders gevestigde aanbieders. Wanneer substitutie volstaat om een prijsstijging onrendabel te maken wegens de eruit voortvloeiende daling van de afzet, worden de substitutieproducten en de bijkomende gebieden in de relevante markt opgenomen.

156 In de onderhavige zaak stelt het Gerecht vast dat de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit geen SSNIP-test in de zin van punt 17 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt heeft uitgevoerd, aangezien zij niet heeft onderzocht of het voor een onderneming rendabel zou zijn om de prijs van onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % te verhogen. In plaats daarvan heeft zij de in de punten 150 tot en met 154 hierboven beschreven prijsanalyse uitgevoerd.

157 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de Commissie niet verplicht is om stelselmatig een SSNIP-test uit te voeren bij het bepalen van de markt in een besluit waarin de mededingingsregels worden toegepast, ook al is deze test een erkend instrument daartoe volgens de bekendmaking inzake de bepaling van de markt.

158 Het Gerecht heeft reeds geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was om de SSNIP-test toe te passen, door vast te stellen dat, hoewel dit type economische test inderdaad een erkende methode is om de relevante markt te bepalen, het niet de enige methode is waarover de Commissie beschikt. In dat verband heeft het geoordeeld dat de Commissie ook andere instrumenten in aanmerking kan nemen om de relevante markt te bepalen, zoals marktstudies of een beoordeling van de standpunten van afnemers en concurrenten (arrest van 11 januari 2017, Topps Europe/Commissie, T‑699/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:2, punt 82).

159 Dit beginsel wordt weerspiegeld in punt 15 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt, waarin wordt aangegeven dat het uitvoeren van een SSNIP-test slechts één manier is om de substitueerbaarheid van producten te beoordelen („[d]it kan geschieden als”). Evenzo wordt in punt 25 van deze bekendmaking gesteld dat er „een hele reeks bewijselementen [is] aan de hand waarvan kan worden beoordeeld in hoeverre substitutie zou plaatsvinden”, en dat de Commissie in dit verband „een open benadering [volgt] ten aanzien van empirisch bewijsmateriaal, welke erop is gericht een doelmatig gebruik te maken van alle beschikbare informatie die in afzonderlijke zaken relevant kan zijn [en] geen starre hiërarchie van verschillende informatiebronnen of typen bewijs [volgt]”.

160 Bovendien zijn er volgens de rechtspraak bepaalde gevallen waarin een SSNIP‑test zelfs ongeschikt blijkt, bijvoorbeeld in het geval van het zogenoemde „cellophane fallacy”-verschijnsel, een situatie waarin de betrokken onderneming zich reeds in een quasi-monopoliesituatie bevindt en de marktprijzen reeds op een hoger dan concurrerend niveau liggen, of in het geval van producten die gratis worden aangeboden of waarvan de kosten niet worden gedragen door degenen die de vraag bepalen (arrest van 11 januari 2017, Topps Europe/Commissie, T‑699/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:2, punt 82).

161 Hieruit volgt dat, hoewel de SSNIP-test zeker een erkend instrument is waarvan de resultaten, samen met andere elementen, in aanmerking kunnen worden genomen bij een algemene beoordeling met het oog op de bepaling van de markt, het stelselmatige gebruik van deze test voor een dergelijke marktbepaling niet verplicht is.

162 Het argument van Google volgens hetwelk, in wezen, de door de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit uitgevoerde prijsanalyse ontoereikend is omdat zij geen „echte” SSNIP-test vormt, moet dan ook worden verworpen.

163 In de tweede plaats moet worden nagegaan of de door de Commissie verrichte prijsanalyse niettemin een toereikend middel is om de relevante markt te bepalen, zoals door deze laatste wordt gesteld.

164 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens de Commissie uit de antwoorden van adverteerders, media-agentschappen en uitgevers op de vraag met betrekking tot de prijzen niet is gebleken dat door de enkele stijging van de prijs van onlinezoekadvertenties met 5 à 10 % voor adverteerders en media‑agentschappen of de enkele daling van de inkomsten uit dergelijke advertenties met 5 à 10 % voor uitgevers, deze marktdeelnemers er waarschijnlijk toe zouden worden gebracht onlinezoekadvertenties geheel of zelfs maar gedeeltelijk te vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties. De Commissie heeft in haar schriftelijke opmerkingen uiteengezet dat uit de antwoorden die zij had ontvangen op de vraag met betrekking tot de prijzen bleek dat een dergelijke verandering in prijs of inkomsten op zich niet doorslaggevend zou zijn voor de keuze die deze marktdeelnemers moesten maken tussen de twee betrokken soorten advertenties. Volgens de Commissie hechtten de responderende ondernemingen bij de keuze van de te gebruiken advertenties evenveel, zoniet meer belang aan andere factoren dan de prijs, zoals het doorklik- en het conversiepercentage, het totale rendement op investering van de advertentiecampagnes of de relevantie van de advertenties voor de gebruiker.

165 Ervan uitgaande dat de uitlegging door de Commissie van de inhoud van de antwoorden op de vraag met betrekking tot de prijzen gegrond is, hetgeen in de punten 168 en volgende hieronder zal worden onderzocht, moet echter, in navolging van de Commissie, en anders dan Google stelt, worden opgemerkt dat de door de Commissie uitgevoerde prijsanalyse een nuttig middel was om te begrijpen hoe adverteerders, media-agentschappen en uitgevers zouden reageren in het geval van een stijging van de prijzen van onlinezoekadvertenties of, in het geval van de uitgevers, een daling van de inkomsten uit dergelijke advertenties, en dient dus te worden beoordeeld of de twee betrokken soorten advertenties door deze actoren als substitueerbaar kunnen worden beschouwd. Dergelijke antwoorden van marktdeelnemers, vergezeld van de redenen die aan deze antwoorden ten grondslag liggen, zoals in casu het geval is, maken immers deel uit van de elementen die uitdrukkelijk als relevant voor de bepaling van de markt worden beschouwd, aangezien zij een beoordeling van de standpunten van afnemers en concurrenten mogelijk maken en derhalve, overeenkomstig de in punt 158 hierboven en punt 40 van de bekendmaking inzake de bepaling van de markt aangehaalde rechtspraak, een instrument vormen dat bij de bepaling van de relevante markt in aanmerking kan worden genomen.

166 Dergelijke vaststellingen kunnen dus in beginsel nuttig zijn bij de beoordeling van de substitueerbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties uit het oogpunt van adverteerders, media-agentschappen en uitgevers, met name wanneer zij, zoals in casu, het standpunt van een groot aantal van deze adverteerders, uitgevers en media-agentschappen weerspiegelen. Overeenkomstig de argumenten van de Commissie kunnen zij dus, in het kader van een algemene beoordeling met het oog op de bepaling van de markt, een van de indicatoren vormen van het feit dat deze twee soorten advertenties niet onderling substitueerbaar zijn.

167 Derhalve dient, in het licht van de argumenten van Google, te worden onderzocht of de conclusies die de Commissie uit haar prijsanalyse heeft getrokken, juist zijn.

2) Juistheid van de conclusies die de Commissie uit haar prijsanalyse heeft getrokken

168 In de eerste plaats voert Google aan dat de conclusies die de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit heeft getrokken uit haar analyse met betrekking tot de prijzen, berusten op een onjuiste uitlegging van de antwoorden van de ondernemingen op de vraag met betrekking tot de prijzen. De Commissie heeft immers een aantal van de in de voetnoten bij deze overweging vermelde antwoorden onjuist uitgelegd en heeft geen rekening gehouden met door andere ondernemingen gegeven antwoorden waarin een standpunt werd ingenomen dat tegen de in genoemde overweging opgenomen conclusies van de Commissie inging en die in het bestreden besluit niet zijn vermeld.

169 In de tweede plaats stelt Google dat de betrokken conclusies van de Commissie in wezen zijn gebaseerd op een misleidende voorstelling van de antwoorden van de ondernemingen op de vraag met betrekking tot de prijzen.

170 De Commissie betwist de argumenten van Google.

171 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit heeft verklaard dat de „meeste” adverteerders, „alle” uitgevers en de „helft” van de media-agentschappen hadden aangegeven dat het weinig waarschijnlijk was dat zij onlinezoekadvertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een duurzame prijsstijging van 5 à 10 % voor onlinezoekadvertenties.

172 Ter ondersteuning van deze vaststelling met betrekking tot de uitgevers heeft de Commissie in voetnoot 136 van het bestreden besluit de antwoorden van zes uitgevers op vraag 2 van de verzoeken om inlichtingen van 26 juli 2013 opgenomen. Wat de adverteerders betreft, worden in voetnoot 135 van het bestreden besluit de antwoorden van vijf adverteerders op vraag 12 van het verzoek om inlichtingen van 11 januari 2016 en die van tien andere adverteerders op vraag 2.2 van het verzoek om inlichtingen van 22 december 2010 betreffende AdWords opgesomd. Wat de media-agentschappen betreft, worden in voetnoot 137 van dit besluit de antwoorden van vier media-agentschappen op vraag 9 van het verzoek om inlichtingen van 11 januari 2016 en die van zes andere op vraag 2.2 van het verzoek om inlichtingen van 22 december 2010 betreffende AdWords vermeld.

173 In de eerste plaats moeten de argumenten van Google betreffende de vermeend onjuiste uitlegging door de Commissie van de antwoorden van de ondernemingen worden onderzocht door haar argumenten te beoordelen met betrekking tot, ten eerste, de uitgevers, ten tweede, de adverteerders en, ten derde, de media‑agentschappen. In de tweede plaats zal het Gerecht de argumenten van Google onderzoeken met betrekking tot de beweerdelijk misleidende voorstelling van deze antwoorden in overweging 148 van het bestreden besluit.

i) Uitlegging van de antwoorden op de vraag met betrekking tot de prijzen

– Uitlegging van de antwoorden van de uitgevers

174 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat wat de antwoorden betreft die in voetnoot 136 van het bestreden besluit zijn vermeld ter ondersteuning van de verklaring van de Commissie in overweging 148 van dit besluit, Google in haar schriftelijke opmerkingen alleen de uitlegging van het antwoord van [vertrouwelijk] (hierna: „[vertrouwelijk]”) betwist. Google levert dus geen kritiek op de uitlegging van de overige vijf antwoorden van de in deze voetnoot genoemde uitgevers, namelijk [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], de groep [vertrouwelijk] (die eigenaar is van de websites van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]), noch op de betrouwbaarheid van deze antwoorden, maar merkt alleen op dat twee ervan afkomstig zijn van de eisers in de procedure. Dit enkele feit is echter geenszins relevant om aan te tonen dat de Commissie deze antwoorden onjuist heeft uitgelegd. Google legt niet uit waarom de twee antwoorden in kwestie minder betrouwbaar of minder geloofwaardig zouden zijn louter omdat ze van de klagers afkomstig zijn, met name in het licht van de in punt 111 hierboven aangehaalde rechtspraak.

175 Wat betreft het antwoord van [vertrouwelijk], waarvan de volledige versie is opgenomen in stuk nr. 4 van bijlage B.6 van het verweerschrift, blijkt dat de uitgever in kwestie heeft uiteengezet dat de twee betrokken soorten advertenties in meerdere opzichten van elkaar verschilden, dat hij alleen onlinezoekadvertenties op zijn websites liet zien, omdat zij meer waarde voor hem genereerden (zijn activiteit bestaat in de exploitatie van een zoekmachine) en dat hij niet wist of een „meer typische” uitgever advertentieruimte zou verschuiven naar andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een daling van de inkomsten uit onlinezoekadvertenties met 5 à 10 %. Gezien de inhoud van dit antwoord kon de Commissie er redelijkerwijs uit afleiden dat de betrokken onderneming waarschijnlijk niet van soort advertenties zou veranderen in geval van een daling van de inkomsten uit onlinezoekadvertenties met 5 à 10 %.

176 Wat in de tweede plaats het argument van Google betreft dat de Commissie de antwoorden van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] heeft genegeerd, moet worden vastgesteld dat deze antwoorden evenmin de conclusie van de Commissie ontkrachten die in overweging 148 van het bestreden besluit is uiteengezet en waarnaar in punt 171 hierboven wordt verwezen, wat betreft de reactie van uitgevers in het geval van een daling van de inkomsten uit onlinezoekadvertenties met 5 à 10 %.

177 De opmerkingen van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] (uittreksels van deze opmerkingen zijn opgenomen in respectievelijk bijlage A.13 en stuk nr. 24 van bijlage A.12 bij het verzoekschrift) zijn immers ingediend in antwoord op de verzoeken om inlichtingen van 22 december 2010 betreffende AdWords. De antwoorden van deze marktdeelnemers betreffen dus niet het aan de uitgevers gerichte verzoek om inlichtingen van 26 juli 2013, anders dan alle antwoorden die in voetnoot nr. 136 van het bestreden besluit worden vermeld. Deze marktdeelnemers hebben dus geantwoord op een vraag over hun reactie in het geval van een prijsstijging voor onlinezoekadvertenties, die gevolgen zou hebben voor adverteerders, en niet in het geval van een daling van de inkomsten, die gevolgen zou hebben voor uitgevers. Wat [vertrouwelijk] betreft, moet bovendien worden opgemerkt dat deze onderneming in haar antwoord weliswaar ook specifieke ontwikkelingen heeft vermeld met betrekking tot een dochteronderneming die als uitgever een GSA met Google had gesloten, zoals vermeld in de overwegingen 348 en 355 van het bestreden besluit, maar dat dit antwoord niettemin het standpunt van een adverteerder weergeeft en bovendien laat verstaan dat een prijsstijging van 5 à 10 % niet noodzakelijkerwijs tot een verschuiving van het advertentiebudget naar andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties zou leiden.

178 Uit het voorgaande volgt dat Google geen bewijs heeft aangeleverd dat de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit de antwoorden van de uitgevers op de vraag met betrekking tot de prijzen onjuist heeft uitgelegd.

– Uitlegging van de antwoorden van de adverteerders

179 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat Google de uitlegging betwist van slechts vier van de vijftien antwoorden die de Commissie in voetnoot 135 van het bestreden besluit vermeldt ter ondersteuning van haar verklaring in overweging 148 van dit besluit, namelijk de antwoorden van [vertrouwelijk], „[vertrouwelijk]”, [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk]. Zij levert dus geen kritiek op de uitlegging die de Commissie heeft gegeven aan de antwoorden van de elf andere daarin genoemde ondernemingen, namelijk [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], noch op de betrouwbaarheid van deze antwoorden.

180 Wat betreft de vier antwoorden die door Google worden betwist, moet ten eerste worden vastgesteld dat [vertrouwelijk] en „[vertrouwelijk]” weliswaar hebben gesteld dat zij eventueel zouden overwegen een deel van hun budget over te hevelen naar andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een prijsstijging van 5 à 10 % voor onlinezoekadvertenties, maar dat deze adverteerders niet hebben aangeven dat een dergelijke overheveling waarschijnlijk was. In haar antwoord, waarvan de volledige versie te vinden is in stuk nr. 2 van bijlage B.3 bij het verweerschrift, heeft [vertrouwelijk] immers verduidelijkt dat de twee betrokken soorten advertenties niet „volledig substitueerbaar” waren en dat zij het rendement op investering van onlinezoekadvertenties zou beoordelen alvorens investeringen in dit soort advertenties te schrappen. Van haar kant heeft „[vertrouwelijk]” er aan het begin van haar antwoord op de vraag met betrekking tot de prijzen, dat is opgenomen in stuk nr. 3 van bijlage A.12 bij het verzoekschrift, op gewezen dat andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties niet op dezelfde manier het belang van de consument dienden als onlinezoekadvertenties, hetgeen suggereert dat een dergelijke overheveling door deze onderneming in het geval van een prijsstijging niet waarschijnlijk zou zijn. Ten tweede heeft [vertrouwelijk] in haar antwoord op de vraag met betrekking tot de prijzen, dat te vinden is in stuk nr. 4 van bijlage A.12 bij het verzoekschrift, weliswaar aangegeven dat zij haar investeringen in onlinezoekadvertenties waarschijnlijk zou verminderen, maar zij heeft ook duidelijk gemaakt dat zij haar gebruik van andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties daarom niet „noodzakelijkerwijs” zou verhogen, hetgeen de indruk wekt dat een dergelijke overheveling door deze onderneming evenmin waarschijnlijk zou zijn. Ten derde heeft [vertrouwelijk] in haar antwoord, waarvan een volledige versie is opgenomen in stuk nr. 1 van bijlage B.3 bij het verweerschrift, duidelijk gesteld dat, zelfs indien zij haar strategie bij elke prijswijziging opnieuw zou beoordelen, een prijsstijging van 5 à 10 % voor onlinezoekadvertenties niet significant genoeg zou zijn om haar van soort advertenties te doen veranderen.

181 Hieruit volgt dat deze antwoorden niet ingaan tegen de conclusie van de Commissie dat deze ondernemingen hebben aangegeven dat het weinig waarschijnlijk is dat zij hun onlinezoekadvertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een duurzame prijsstijging van 5 à 10 % voor onlinezoekadvertenties, aangezien geen van deze adverteerders heeft verklaard dat een dergelijke verschuiving waarschijnlijk zou zijn.

182 In de tweede plaats wijst Google erop dat een aantal adverteerders die op de vraag met betrekking tot de prijzen hebben geantwoord en van wie de antwoorden in het bestreden besluit niet worden vermeld, zich op een standpunt hebben gesteld dat in strijd is met de conclusie van de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit, en dat de Commissie deze antwoorden eenvoudigweg heeft genegeerd.

183 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit heeft vastgesteld dat de „meeste” adverteerders hadden aangegeven dat het weinig waarschijnlijk was dat zij onlinezoekadvertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een duurzame prijsstijging van 5 à 10 % voor eerstgenoemde advertenties. Dit betekent dat de Commissie zelf impliciet heeft erkend dat bepaalde antwoorden de mogelijkheid van een verschuiving in het geval van een prijsstijging niet volledig hadden uitgesloten.

184 Bovendien moet worden vastgesteld dat uit de door Google in tabel nr. 4 van bijlage A.12 bij het verzoekschrift aangehaalde antwoorden, die zowel adverteerders als media-agentschappen betreffen en die moeten aantonen dat de standpunten van de marktdeelnemers in het kader van de door de Commissie uitgevoerde analyse verdeeld waren, niet kan worden afgeleid dat de marktdeelnemers die deze antwoorden hebben ingediend, waarschijnlijk hun onlinezoekadvertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties in het geval van een prijsstijging van 5 à 10 % voor eerstgenoemde soort advertenties.

185 Ten eerste blijkt uit de inhoud van de door Google aangehaalde antwoorden van ondernemingen dat geen van deze ondernemingen duidelijk heeft aangegeven dat zij onlinezoekadvertenties zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties enkel en alleen vanwege een prijsstijging van 5 à 10 % voor onlinezoekadvertenties.

186 Ten tweede heeft de meerderheid van de genoemde ondernemingen weliswaar aangegeven – in sommige gevallen slechts impliciet – dat zij bij een dergelijke prijsstijging de mogelijkheid zouden overwegen om over te schakelen op een ander soort advertenties, maar zij hebben er duidelijk op gewezen dat deze beslissing zou afhangen van andere factoren dan de prijs, zoals de prestaties van de advertenties, de doelstellingen van de betrokken advertentiecampagnes, het conversiepercentage en het rendement op investering. Deze bevinding wordt geïllustreerd door de antwoorden van [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], waarvan uittreksels zijn opgenomen in bijlage A.12 bij het verzoekschrift.

187 Ten derde hebben [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], van wie de volledige antwoorden zijn opgenomen in respectievelijk stuk nr. 6 van bijlage B.3 en stuk nr. 1 van bijlage B.4 bij het verweerschrift, weliswaar aangegeven dat zij waarschijnlijk van soort advertenties zouden veranderen, maar zij hebben hun verklaringen ook genuanceerd door te stellen dat een dergelijke eventuele wijziging ook van andere factoren zou afhangen. Verder moet worden opgemerkt dat [vertrouwelijk] heeft verklaard dat, aangezien zij ten tijde van haar antwoord geen gebruik maakte van onlinezoekadvertenties, de prijsstijging daarvan geen gevolgen zou hebben voor haar advertentie-uitgaven, hetgeen de relevantie van haar antwoord beperkt.

188 Ten vierde hebben [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], waarvan uittreksels van de antwoorden zijn opgenomen in respectievelijk de stukken nr. 24 en nr. 27 van bijlage A.12 bij het verzoekschrift, weliswaar de onderlinge verwisselbaarheid van de twee betrokken soorten advertenties onderstreept, maar zij hebben niet expliciet geantwoord op de vraag naar het effect van een prijsstijging voor onlinezoekadvertenties. Bovendien heeft [vertrouwelijk] opgemerkt dat de prijs van onlinezoekadvertenties geen invloed had op de substitueerbaarheid ervan met andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties.

189 Uit het voorgaande volgt dat de door Google aangehaalde antwoorden lijken te bevestigen dat een prijsstijging van onlinezoekadvertenties op zich er waarschijnlijk niet toe zou leiden dat adverteerders dergelijke advertenties geheel of gedeeltelijk zouden vervangen door andere onlineadvertenties dan zoekadvertenties. Deze elementen kunnen dus niet opwegen tegen de inhoud van de antwoorden van de adverteerders die door de Commissie in voetnoot 135 van het bestreden besluit worden vermeld.

190 Google heeft dan ook geen bewijs aangeleverd dat de Commissie in overweging 148 van het bestreden besluit de antwoorden van de adverteerders op de vraag met betrekking tot de prijzen onjuist heeft uitgelegd.

– Uitlegging van de antwoorden van de media-agentschappen

191 Wat de uitlegging van de antwoorden van de media-agentschappen betreft, bekritiseert Google, in de eerste plaats, de uitlegging door de Commissie van zeven van de tien antwoorden die laatstgenoemde in voetnoot 137 van het bestreden besluit heeft vermeld ter ondersteuning van haar verklaring in overweging 148, namelijk de antwoorden van [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en „[vertrouwelijk]”. Zij betwist dus noch de uitlegging van de antwoorden van de drie andere media-agentschappen die daarin worden vermeld, namelijk [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], noch de betrouwbaarheid van deze antwoorden.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken