HvJ EU 10 september 2024, C-48/22, ECLI:EU:C:2024:726
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
10 september 2024 ( *1 )
„Hogere voorziening – Mededinging – Misbruik van een machtspositie – Markten voor algemene en gespecialiseerde zoekopdrachten naar producten op het internet – Besluit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) – Misbruik door hefboomwerking – Op verdienste gebaseerde mededinging of mededingingsbeperkende praktijk – Bevoorrechte weergave door de onderneming met een machtspositie van de resultaten van haar eigen gespecialiseerde zoekdienst – Potentiële mededingingsbeperkende gevolgen – Causaal verband tussen misbruik en gevolgen – Bewijslast – Contrafeitelijk scenario – Mogelijkheid van uitsluiting – Criterium van de even efficiënte concurrent”
In zaak C‑48/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 januari 2022,
Google LLC, gevestigd te Mountain View (Verenigde Staten),
Alphabet Inc., gevestigd te Mountain View,
vertegenwoordigd door A. Bray, avocate, T. Graf, Rechtsanwalt, D. Gregory, H. Mostyn, barristers, M. Pickford, KC, R. Snelders, advocaat, en C. Thomas, avocat,
rekwirantes,
ondersteund door:
Computer & Communications Industry Association, gevestigd te Washington (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door J. Killick, advocaat, A. Komninos, dikigoros, en A. Lamadrid de Pablo, abogado,
interveniënte in eerste aanleg,
andere partijen in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, A. Dawes, N. Khan, H. Leupold en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
ondersteund door:
PriceRunner International AB, gevestigd te Stockholm (Zweden), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Jonson, K. Ljungström, F. Norburg, P. Scherp en H. Selander, advokater, vervolgens door K. Ljungström, F. Norburg, P. Scherp en H. Selander, advokater,
interveniënte in hogere voorziening,
Bondsrepubliek Duitsland,
Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Simpson, M. Sánchez Rydelski en M.‑M. Joséphidès, vervolgens door C. Simpson, M. Sánchez Rydelski, I. O. Vilhjálmsdóttir en M.‑M. Joséphidès als gemachtigden,
Bureau européen des unions de consommateurs (BEUC), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Fratini, avvocata,
Infederation Ltd, gevestigd te Crowthorne (Verenigd Koninkrijk), aanvankelijk vertegenwoordigd door S. Gartagani, K. Gwilliam, L. Hannah, solicitors, en A. Howard, KC, vervolgens door S. Gartagani, K. Gwilliam, L. Hannah, solicitors, A. Howard, KC, en T. Vinje, advocaat,
Kelkoo SAS, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door W. Leslie, solicitor, en B. Meyring, Rechtsanwalt,
Verband Deutscher Zeitschriftenverleger eV, gevestigd te Berlijn (Duitsland),
Ladenzeile GmbH, voorheen Visual Meta GmbH, gevestigd te Berlijn,
BDZV – Bundesverband Digitalpublisher und Zeitungsverleger eV, voorheen Bundesverband Deutscher Zeitungsverleger eV, gevestigd te Berlijn,
vertegenwoordigd door T. Höppner en P. Westerhoff, Rechtsanwälte,
Twenga SA, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door L. Godfroid, M. Gouraud en S. Hautbourg, avocats,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, E. Regan, F. Biltgen en O. Spineanu-Matei (rapporteur), kamerpresidenten, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Longar, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 september 2023,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun hogere voorziening verzoeken Google LLC en Alphabet Inc., om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 november 2021, Google en Alphabet/Commissie (Google Shopping) (T‑612/17, EU:T:2021:763; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht artikel 1 van besluit C(2017) 4444 final van de Commissie van 27 juni 2017 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.39740 – Google Search (Shopping)] (hierna: „litigieus besluit”) nietig heeft verklaard, doch slechts voor zover de Europese Commissie daarin op dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten binnen de Europese Economische Ruimte (EER) een inbreuk op die bepalingen door Google en Alphabet heeft vastgesteld op grond van het bestaan van mededingingsbeperkende gevolgen op die markten, en hun beroep heeft verworpen voor het overige.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze in de punten 1 tot en met 78 van het bestreden arrest is beschreven, kan als volgt worden samengevat:
A. Context
3 Google is een Amerikaanse onderneming die gespecialiseerd is in aan internetgebruik gerelateerde producten en diensten. Zij is vooral bekend om haar zoekmachine, die internetgebruikers (hierna ook, afhankelijk van de context: „gebruikers” of „consumenten”) in staat stelt om met de door hen gebruikte browser en door middel van hyperlinks websites te vinden en te bereiken die aan hun behoeften voldoen. Sinds 2 oktober 2015 is Google een volledige dochteronderneming van Alphabet.
4 Googles zoekmachine levert zoekresultaten op die worden gepresenteerd op pagina’s die op de schermen van de internetgebruikers verschijnen. Deze resultaten worden door die zoekmachine geselecteerd ofwel op grond van algemene criteria en zonder dat de sites waarnaar zij verwijzen Google betalen om te verschijnen (hierna: „algemene zoekresultaten”), ofwel volgens een gespecialiseerde logica voor het specifieke type zoekopdracht dat wordt uitgevoerd (hierna: „gespecialiseerde zoekresultaten”). Naargelang het geval kunnen gespecialiseerde zoekresultaten op dezelfde pagina als de algemene zoekresultaten [hierna: „algemene resultatenpagina(’s)”] verschijnen, namelijk indien de internetgebruiker geen specifieke actie onderneemt, dan wel afzonderlijk verschijnen als gevolg van een verzoek van de internetgebruiker vanaf een gespecialiseerde pagina van Googles zoekmachine of na het activeren van links in bepaalde delen van haar algemene resultatenpagina’s. Google heeft verschillende gespecialiseerde zoekdiensten ontwikkeld, bijvoorbeeld voor nieuws, voor lokale informatie en commerciële aanbiedingen, voor vliegreizen of voor de aankoop van producten. Het is laatstgenoemde categorie die in de onderhavige zaak aan de orde is.
5 Gespecialiseerde zoekdiensten voor de aankoop van producten (hierna: „productvergelijkingsdiensten” of „productvergelijkers”) verkopen zelf geen producten, maar vergelijken en selecteren aanbiedingen van onlineverkopers die het gezochte product aanbieden. Net als bij algemene zoekresultaten het geval is kan het bij gespecialiseerde zoekresultaten gaan om resultaten, soms „natuurlijke” resultaten genoemd, die onafhankelijk zijn van betalingen van de websites waarnaar zij verwijzen, zelfs wanneer het webshops betreft. De volgorde van presentatie van deze natuurlijke resultaten op de resultatenpagina’s staat eveneens los van betalingen.
6 Googles algemene resultatenpagina’s tonen, net als die van andere zoekmachines, ook resultaten, doorgaans „advertenties” genoemd, die wél gekoppeld zijn aan betalingen van de websites waarnaar zij verwijzen. Deze resultaten houden eveneens verband met de door de internetgebruiker uitgevoerde zoekopdracht en onderscheiden zich van de natuurlijke algemene of gespecialiseerde zoekresultaten, bijvoorbeeld door de woorden „advertentie” of „gesponsord”.
7 Googles algemene resultatenpagina’s kunnen alle in de punten 4 tot en met 6 van het onderhavige arrest besproken soorten resultaten bevatten of hebben deze bevat.
8 Andere zoekmachines dan Google bieden algemene zoekdiensten en gespecialiseerde zoekdiensten aan of hebben dit gedaan. Ook bestaan er specifieke zoekmachines voor productvergelijking.
9 Vanaf eind 2002 is Google in de Verenigde Staten een productvergelijkingsdienst voor internetgebruikers beginnen aan te bieden die zij ongeveer twee jaar later geleidelijk heeft uitgebreid naar bepaalde landen in Europa. De resultaten van productvergelijkingen (hierna: „productresultaten”) werden aanvankelijk verstrekt via een gespecialiseerde zoekpagina, Froogle genaamd, die gescheiden was van de algemene zoekpagina van de zoekmachine, en vervolgens, vanaf 2003 in de VS en 2005 in sommige Europese landen, ook via de algemene zoekpagina van de zoekmachine. In het laatste geval verschenen de productresultaten gebundeld binnen de algemene resultatenpagina’s in wat de Product OneBox werd genoemd, onder of naast de advertenties aan de boven- of zijkant van de pagina en boven de algemene zoekresultaten.
10 Google heeft verklaard dat zij vanaf 2007 de manier had veranderd waarop productresultaten werden samengesteld. Zij heeft meer bepaald de naam van haar gespecialiseerde zoek- en resultatenpagina’s voor productvergelijking veranderd van Froogle in Product Search.
11 Wat de op de algemene resultatenpagina’s getoonde productresultaten betreft, heeft Google ten eerste de inhoud van de Product OneBox, die later werd omgedoopt tot Product Universal (hierna: „Product Universal”), verrijkt door er foto’s aan toe te voegen. Google heeft ook gediversifieerd waar de internetgebruiker terechtkomt na het klikken op een aldaar getoonde zoekresultaatlink: naargelang van het geval werd hij zoals voorheen rechtstreeks doorverwezen naar de relevante pagina van de website van de verkoper van het gezochte product of werd hij doorverwezen naar de gespecialiseerde resultatenpagina Product Search om meer aanbiedingen van hetzelfde product te ontdekken. Ten tweede heeft Google een mechanisme ingevoerd, Universal Search genaamd, dat het mogelijk maakt om, wanneer een zoekopdracht voor de aankoop van een product wordt geïdentificeerd, op de algemene resultatenpagina aan de producten die vallen onder de Product Universal, voorrang te geven boven de algemene zoekresultaten.
12 Wat betreft de aan betalingen gekoppelde productresultaten die op haar resultatenpagina’s verschijnen, heeft Google vanaf september 2010 in Europa een verbeterde opmaak ingevoerd in vergelijking met de zuivere tekstadvertenties (hierna: „tekstadvertenties”) die tot dan verschenen. Vanaf november 2011 heeft Google dit systeem aangevuld met de rechtstreekse presentatie op haar algemene resultatenpagina’s van groepen advertenties van verschillende adverteerders, met foto’s en prijzen (hierna: „productadvertenties”), en die hetzij rechts hetzij bovenaan de resultatenpagina verschenen.
13 In 2013 heeft Google in Europa een einde gemaakt aan Product Universal en uitgebreide tekstadvertenties op haar algemene resultatenpagina’s. Als gevolg daarvan werden alleen nog gebundelde productadvertenties, omgedoopt tot „Shopping Commercial Units” of „Shopping Units” (hierna: „Shopping Units”), tekstadvertenties en algemene zoekresultaten weergegeven. Internetgebruikers die op een advertentie in een Shopping Unit klikten, werden dus altijd naar de verkoopwebsite van de adverteerder geleid. Alleen als zij op een specifieke link bovenaan de Shopping Unit of op een link in het algemene navigatiemenu (Shopping-tabblad) klikten, kregen zij via de algemene resultatenpagina toegang tot de gespecialiseerde zoek- en resultatenpagina met Googles productvergelijking en meer advertenties. Op hetzelfde moment dat Google Product Universal van haar algemene resultatenpagina heeft verwijderd, is zij ook gestopt met de weergave van natuurlijke productresultaten op haar gespecialiseerde resultatenpagina Product Search, die is geëvolueerd tot een pagina met alleen advertenties, genaamd Google Shopping.
B. Administratieve procedure
14 Op 30 november 2010 heeft de Commissie tegen Google een procedure ingeleid krachtens artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102] VWEU (PB 2004, L 123, blz. 18).
15 Op 13 maart 2013 heeft de Commissie een voorlopige beoordeling vastgesteld overeenkomstig artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), met het oog op de eventuele aanvaarding van toezeggingen van Google die tegemoet zouden komen aan haar bezwaren.
16 Op 4 september 2014 heeft de Commissie Google te kennen gegeven dat zij geen besluit in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1/2003 kon vaststellen waarbij toezeggingen werden aanvaard.
17 Op 15 april 2015 heeft de Commissie de inbreukprocedure van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voortgezet en heeft zij een aan Google gerichte mededeling van punten van bezwaar vastgesteld waarin zij tot de voorlopige slotsom kwam dat de betrokken praktijken misbruik van een machtspositie vormden en derhalve inbreuk maakten op artikel 102 VWEU.
18 Op 14 juli 2016 heeft de Commissie tegen Alphabet een procedure ingeleid krachtens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 773/2004 en heeft zij een aan Google en Alphabet gerichte aanvullende mededeling van punten van bezwaar vastgesteld.
C. Litigieus besluit
19 Op 27 juni 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.
20 De Commissie stelt zich daarin in de eerste plaats op het standpunt dat voor de vaststelling van een mogelijke machtspositie van Google de relevante markten met een nationaal bereik de markt voor algemene onlinezoekdiensten en de markt voor onlineproductvergelijkingsdiensten waren.
21 In de tweede plaats stelt de Commissie vast dat Google sinds 2008 in elk EER-land een machtspositie op de algemene zoekmarkt innam, behalve in Tsjechië, waar dat pas sinds 2011 het geval was. Om tot die vaststelling te komen, baseert zij zich met name op Googles zeer hoge en stabiele marktaandelen, zoals vastgesteld in verschillende studies. Voorts benadrukt zij de lage marktaandelen van Googles concurrenten, het bestaan van toetredingsdrempels op die markt en het feit dat weinig internetgebruikers meerdere algemene zoekmachines gebruikten. Zij wijst erop dat Google een sterke reputatie had en dat van elkaar onafhankelijke internetgebruikers geen compenserende afnemersmacht vormden.
22 In de derde plaats meent de Commissie dat Google vanaf verschillende tijdstippen die teruggaan tot uiterlijk januari 2008, misbruik heeft gemaakt van haar bestaande machtspositie op dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten binnen de EER, door het verkeer van haar algemene resultatenpagina’s naar concurrerende productvergelijkers af te remmen en dat verkeer naar haar eigen productvergelijker te bevorderen, hetgeen mogelijk of waarschijnlijk mededingingsbeperkende gevolgen teweegbracht op niet alleen de overeenkomstige dertien nationale markten voor gespecialiseerde zoekopdrachten voor productvergelijkingen, maar ook de dertien markten voor algemene zoekopdrachten. De betrokken landen waren België, Tsjechië, Denemarken, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland, Oostenrijk, Polen, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen.
23 Dienaangaande verklaart de Commissie ten eerste in punt 7.2 van het litigieuze besluit dat het in casu vastgestelde misbruik erin bestond dat Googles productvergelijker op haar algemene resultatenpagina’s prominenter werd gepositioneerd en aantrekkelijker werd gepresenteerd dan concurrerende productvergelijkers.
24 Meer bepaald bestond het door de Commissie als bron van het misbruik aangewezen gedrag er in wezen in dat Google haar productvergelijker op haar algemene resultatenpagina’s prominent en aantrekkelijk weergaf in speciale „boxes” zonder de voor algemene zoekopdrachten gebruikte aanpassingsalgoritmen, zoals het zogenaamde Panda-algoritme, erop toe te passen, terwijl concurrerende productvergelijkers op die pagina’s alleen konden verschijnen in de vorm van algemene zoekresultaten (blauwe links) en nooit in een verrijkt formaat, en zij door die zogenaamde aanpassingsalgoritmen in de rangschikking van de generieke resultaten op een lagere plaats konden terechtkomen. De Commissie wijst erop dat zij als zodanig niet de verschillende door Google gekozen – als relevantiecriteria aangemerkte – selectiecriteria ter discussie stelt, maar wel het feit dat niet dezelfde criteria inzake positionering en presentatie werden toegepast op zowel Googles productvergelijker als die van haar concurrenten. Voorts geeft de Commissie aan dat zij niet zozeer de opwaardering van de door Google relevant geachte gespecialiseerde resultaten voor productvergelijkingen aan de kaak stelt, als wel het feit dat concurrerende productvergelijkers niet op dezelfde wijze werden opgewaardeerd als Googles eigen productvergelijker.
25 Ten tweede onderzoekt de Commissie in punt 7.2.2 van het litigieuze besluit de waarde van het verkeersvolume voor productvergelijkingsdiensten. Zij merkt dienaangaande op dat het verkeersvolume in vele opzichten belangrijk was voor het concurrentievermogen van productvergelijkers.
26 Ten derde zet de Commissie in punt 7.2.3 van het litigieuze besluit uiteen dat de betrokken praktijken het verkeer vanuit Googles algemene resultatenpagina’s naar concurrerende productvergelijkers afremden en het verkeer vanuit die pagina’s naar Googles productvergelijker bevorderden. De Commissie onderbouwt die bevinding met drie elementen. Om te beginnen komt zij op basis van een analyse van het gebruikersgedrag tot het besluit dat generieke resultaten veel verkeer naar een website op gang brengen wanneer zij binnen de eerste drie tot vijf resultaten van de eerste algemene resultatenpagina gerangschikt staan, waarbij gebruikers weinig of geen aandacht besteden aan de daaropvolgende resultaten, die vaak niet meteen op het scherm verschijnen. Vervolgens merkt de Commissie op dat de betrokken praktijken over een aanzienlijke periode hebben geleid tot een daling van het verkeer vanuit Googles algemene resultatenpagina’s naar bijna alle concurrerende productvergelijkers in elk van de dertien EER-landen waar zij werden toegepast. Ten slotte komt de Commissie tot het besluit dat die praktijken hebben geleid tot een stijging van Googles verkeer naar haar productvergelijker.
27 Ten vierde voert de Commissie in punt 7.2.4 van het litigieuze besluit aan dat het verkeer dat door de betrokken praktijken werd verlegd een groot deel van het verkeer naar concurrerende productvergelijkers uitmaakte en niet daadwerkelijk kon worden vervangen door de andere verkeersbronnen waarover concurrerende productvergelijkers op dat moment beschikten, namelijk mobiele apps, rechtstreeks verkeer, verwijzingen van andere partnerwebsites, sociale netwerken en andere algemene zoekmachines.
28 Ten vijfde geeft de Commissie in punt 7.3 van het litigieuze besluit aan dat de betrokken praktijken potentieel mededingingsbeperkende gevolgen hadden op de dertien nationale markten voor gespecialiseerde zoekopdrachten naar productvergelijkingen en op de dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten, waarnaar in punt 22 van het onderhavige arrest wordt verwezen. Wat de markten voor gespecialiseerde zoekopdrachten naar productvergelijkingen betreft, tracht de Commissie aan te tonen dat de betrokken praktijken concurrerende productvergelijkers ertoe konden aanzetten hun activiteiten te beëindigen, dat zij een negatieve invloed konden hebben op innovatie en dat zij dus de kansen van consumenten om toegang te krijgen tot de meest performante diensten konden beperken. De mededingingsstructuur van deze markten werd derhalve beïnvloed. Wat de markten voor algemene zoekopdrachten betreft, vloeiden de mededingingsbeperkende gevolgen van de betrokken praktijken voort uit het feit dat de extra middelen die Google via de algemene resultatenpagina’s uit haar productvergelijker haalde, haar in staat stelden om haar algemene zoekdienst te versterken.
29 Het betoog van rekwirantes tegen die analyse dat niet de juiste rechtscriteria zijn gehanteerd, wijst de Commissie in punt 7.4 van het litigieuze besluit van de hand. Tevens verwerpt zij in punt 7.5 van dat besluit de rechtvaardigingsgronden die rekwirantes aanvoeren om aan te tonen dat de betrokken praktijken geen misbruik opleverden omdat dit gedrag objectief noodzakelijk was dan wel omdat de eventuele daaruit voortvloeiende mededingingsbeperkingen werden gecompenseerd door efficiëntieverbeteringen die de consument ten goede kwamen.
30 In artikel 1 van het litigieuze besluit verklaart de Commissie derhalve dat Google, en Alphabet sinds de verwerving van de zeggenschap over eerstgenoemde, in de dertien in punt 22 van het onderhavige arrest genoemde landen inbreuk hebben gemaakt op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst vanaf verschillende tijdstippen die samenvallen met de invoering van gespecialiseerde productresultaten of productadvertenties op Googles algemene resultatenpagina.
31 De Commissie gelast Google met name om een einde te maken aan de betrokken praktijken. Zij benadrukt dat Google weliswaar op verschillende manieren aan dit bevel kon voldoen, maar dat niettemin bepaalde beginselen in acht dienden te worden genomen, ongeacht of Google ervoor zou kiezen om de Shopping Units of andere groepen zoekresultaten voor productvergelijking al dan niet te handhaven op haar algemene resultatenpagina’s. Een van die beginselen was in wezen dat zij haar eigen productvergelijker en concurrerende productvergelijkers gelijk zou behandelen. Ten slotte legt de Commissie Google bij artikel 2 van het litigieuze besluit een geldboete op van 2424495000 EUR, waarvan 523518000 EUR hoofdelijk met Alphabet.
II. Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 september 2017, heeft Google beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en, subsidiair, tot intrekking of verlaging van de opgelegde geldboete.
33 Bij beschikking van de president van de Negende kamer van het Gerecht van 17 december 2018 is Computer & Communications Industry Association (hierna: „CCIA”) toegelaten tot interventie aan de zijde van rekwirantes. Bij beschikkingen van dezelfde dag zijn de Bondsrepubliek Duitsland, de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), het Bureau européen des unions de consommateurs (BEUC) (Europees Bureau van consumentenverenigingen), Infederation Ltd (hierna: „Foundem”), Kelkoo SAS, het Verband Deutscher Zeitschriftenverleger eV (hierna: „VDZ”), Ladenzeile GmbH, voorheen Visual Meta GmbH, het BDZV – Bundesverband Digitalpublisher und Zeitungsverleger eV, voorheen het Bundesverband Deutscher Zeitungsverleger eV (hierna: „BDZV”) en Twenga SA toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie.
34 Bij beschikking van de president van de Negende kamer van het Gerecht van 11 april 2019 is vertrouwelijke behandeling toegestaan van met name bijlage A.1 bij het inleidend verzoekschrift.
35 Bij beslissing van 10 juli 2019 heeft het Gerecht de zaak verwezen naar een uitgebreide kamer.
36 Ter ondersteuning van haar beroep heeft Google zes middelen aangevoerd, die zij als volgt heeft uiteengezet: „Uit het eerste en het tweede middel blijkt dat in het [litigieuze] besluit ten onrechte tot de slotsom wordt gekomen dat Google haar productvergelijkingsdienst bevoordeelt door de weergave van de Product Universals en de Shopping Units. Met het derde middel wordt uitgelegd waarom het [litigieuze] besluit onjuist is, voor zover daarin wordt aangenomen dat de positionering en de weergave van de Product Universals en de Shopping Units Googles zoekverkeer hebben verlegd Met het vierde middel zal worden aangetoond dat de speculaties in het [litigieuze] besluit over mededingingsbeperkende gevolgen ongegrond zijn. Uit het vijfde middel blijkt dat het [litigieuze] besluit kwalitatieve verbeteringen die een op verdienste gebaseerde mededinging vormen, ten onrechte als misbruiken kwalificeert. Met het zesde middel wordt aangetoond dat de redenen waarom bij het [litigieuze] besluit een geldboete is opgelegd, ongegrond zijn.”
37 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep op de voornaamste punten verworpen en daarbij de analyse van de Commissie met betrekking tot de gespecialiseerde zoekmarkt voor productvergelijking gevalideerd.
38 Het Gerecht heeft er meteen op gewezen dat Google niet betwist dat zij een machtspositie inneemt op de dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten die overeenkomen met de landen waar zij volgens de Commissie misbruik van die positie heeft gemaakt. Het heeft gepreciseerd dat alle verdere analysen op dit uitgangspunt waren gebaseerd.
39 In de eerste plaats heeft het Gerecht het vijfde middel en het eerste onderdeel van het eerste middel, betreffende de vraag of de betrokken praktijken strookten met een op verdienste gebaseerde mededinging, onderzocht. Ten eerste heeft het rekwirantes’ betoog verworpen dat die praktijken kwalitatieve verbeteringen inhielden die vielen onder een op verdienste gebaseerde mededinging en niet als misbruik konden worden aangemerkt. Ten tweede heeft het rekwirantes’ argumenten van de hand gewezen, dat de Commissie van Google had verlangd om concurrerende productvergelijkers toegang tot haar verbeterde diensten te verlenen, zonder dat was voldaan aan de voorwaarden van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569). Ten derde heeft het rekwirantes’ betoog verworpen dat de Commissie de feiten onjuist had voorgesteld daar Google de productresultaatgroepen had ingevoerd om de kwaliteit van haar dienst te verbeteren en niet om verkeer naar haar eigen productvergelijkingsdienst te leiden.
40 In de tweede plaats is het Gerecht ingegaan op het tweede onderdeel van het eerste middel en het eerste, het tweede en, ten dele, het derde onderdeel van het tweede middel, betreffende het niet-discriminerende karakter van de betrokken praktijken. Dienaangaande heeft het Gerecht rekwirantes’ grieven, dat de Commissie ten onrechte tot de slotsom was gekomen dat Google door de weergave van de Product Universals en de Shopping Units haar productvergelijkingsdienst had bevoordeeld, afgewezen, net zoals hun grieven volgens welke concurrerende productvergelijkers reeds in de Shopping Units waren opgenomen en er van bevoordeling bijgevolg geen sprake kon zijn.
41 In de derde plaats heeft het Gerecht het derde en het vierde middel onderzocht, waarmee wordt aangevoerd dat de betrokken praktijken geen mededingingsbeperkende gevolgen hadden. Ten eerste heeft het Gerecht rekwirantes’ betoog verworpen dat de Commissie niet had aangetoond dat de betrokken praktijken hadden geleid tot een daling van het verkeer vanuit Googles algemene resultatenpagina’s naar concurrerende productvergelijkers en omgekeerd tot een toename van het verkeer vanuit Googles algemene resultatenpagina’s naar haar eigen productvergelijker. Ten tweede was het Gerecht van oordeel dat rekwirantes’ betoog dat de Commissie had gespeculeerd over de mededingingsbeperkende gevolgen van de betrokken praktijken, diende te worden verworpen als het ging om de markten voor productvergelijkingsdiensten en te worden aanvaard als het ging om de nationale markten voor algemene zoekopdrachten. Ten derde heeft het Gerecht rekwirantes’ betoog verworpen dat bij de analyse van de gevolgen van de betrokken praktijken is voorbijgegaan aan de rol van de shoppingplatforms. Ten vierde heeft het Gerecht rekwirantes’ betoog verworpen dat de Commissie niet had aangetoond dat de betrokken praktijken mededingingsbeperkende gevolgen hadden op de nationale markten voor productvergelijkingsdiensten.
42 In de vierde plaats heeft het Gerecht het derde onderdeel van het eerste middel en, ten dele, het derde onderdeel van het tweede middel, betreffende het bestaan van objectieve rechtvaardigingsgronden voor de weergave van de Product Universals en de Shopping Units, afgewezen.
43 Wat daarentegen de nationale markten voor algemene zoekopdrachten betreft, had de Commissie zich volgens het Gerecht gebaseerd op overwegingen die te vaag waren om er zelfs maar potentiële mededingingsbeperkende gevolgen uit te kunnen afleiden, zodat het eerste onderdeel van rekwirantes’ vierde middel, betreffende het louter speculatieve karakter van de analyse van de mededingingsbeperkende gevolgen van de betrokken praktijken, wat die markten betreft, is aanvaard.
44 Het Gerecht heeft het litigieuze besluit derhalve nietig verklaard, doch enkel voor zover de Commissie daarin op dertien nationale markten voor algemene zoekopdrachten binnen de EER een inbreuk op die bepalingen door Google en Alphabet had vastgesteld op grond van het bestaan van mededingingsbeperkende gevolgen op die markten, en heeft het beroep verworpen voor het overige. In het kader van de uitoefening van zijn volle rechtsmacht heeft het Gerecht het volledige bedrag van de door de Commissie aan rekwirantes opgelegde geldboete gehandhaafd.
III. Procedure bij het Hof
45 Bij beschikking van de president van het Hof van 22 maart 2022, Google en Alphabet/Commissie (C‑48/22 P, EU:C:2022:207), is ten aanzien van CCIA, de Bondsrepubliek Duitsland, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het BEUC, Foundem, Kelkoo, het VDZ, Ladenzeile, het BDZV en Twenga, interveniënten in eerste aanleg, vertrouwelijke behandeling toegekend aan bijlage 2 bij het verzoekschrift in hogere voorziening, die door rekwirantes op 2 februari 2022 ter griffie van het Hof is neergelegd, met dien verstande dat aan die interveniënten slechts een niet-vertrouwelijke versie van die bijlage mag worden betekend.
46 Bij beschikking van de president van het Hof van 1 september 2022, Google en Alphabet/Commissie (C‑48/22 P, EU:C:2022:667), is PriceRunner International AB (hierna: „PriceRunner”) toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij die beschikking is aan bijlage 2 bij het verzoekschrift in hogere voorziening ook ten aanzien van PriceRunner vertrouwelijke behandeling toegekend.
47 Bij beschikking van de president van het Hof van 1 september 2022, Google en Alphabet/Commissie (C‑48/22 P, EU:C:2022:668), is het verzoek van FairSearch AISBL tot interventie aan de zijde van de Commissie afgewezen.
IV. Conclusies van partijen in hogere voorziening
48 Met hun hogere voorziening verzoeken rekwirantes het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het litigieuze besluit nietig te verklaren of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht; – de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening, en – PriceRunner te verwijzen in de kosten van haar interventie.
49 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirantes te verwijzen in de kosten.
50 PriceRunner verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirantes te verwijzen in haar kosten.
51 CCIA verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen voor zover het litigieuze besluit daarbij is bevestigd; – het litigieuze besluit in zijn geheel nietig te verklaren of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de Commissie te verwijzen in haar kosten.
52 De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirantes te verwijzen in de kosten.
53 Het BEUC verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwirantes te verwijzen in zijn kosten van de hogere voorziening.
54 Foundem verzoekt het Hof: – de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk of volledig ongegrond te verklaren, en – rekwirantes te verwijzen in haar kosten.
55 Kelkoo verzoekt het Hof: – de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren voor zover zij is gericht tegen feitelijke vaststellingen van het Gerecht en ongegrond te verklaren voor het overige, en – rekwirantes te verwijzen in haar kosten.
56 Het VDZ, Ladenzeile en het BDZV verzoeken het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen, en – rekwirantes te verwijzen in de kosten, met inbegrip van hun kosten.
57 Twenga verzoekt het Hof: – rekwirantes’ middelen af te wijzen; – het bestreden arrest te bevestigen; – het litigieuze besluit te bevestigen, en – rekwirantes te verwijzen in de kosten.
58 Ter terechtzitting van 19 september 2023 hebben rekwirantes in antwoord op een vraag van het Hof gepreciseerd dat zij enkel vernietiging van het bestreden arrest vorderen voor zover het Gerecht hun beroep in eerste aanleg heeft verworpen, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Rekwirantes hebben hun hogere voorziening derhalve ingetrokken voor zover deze is gericht tegen het deel van het bestreden arrest waarin het Gerecht hun vorderingen heeft toegewezen.
V. Hogere voorziening
59 Ter onderbouwing van hun hogere voorziening voeren rekwirantes vier middelen aan. Volgens het eerste middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit te bevestigen terwijl het niet voldoet aan het vereiste rechtscriterium voor de vaststelling van een verplichting om productvergelijkers toegang te verlenen. Volgens het tweede middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit te bevestigen terwijl daarin geen gedragingen zijn vastgesteld die afwijken van een op verdienste gebaseerde mededinging. Het derde middel betreft fouten van het Gerecht bij zijn onderzoek van het causale verband tussen het gestelde misbruik en de waarschijnlijke gevolgen. Volgens het vierde middel heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat de Commissie niet hoefde te onderzoeken of de gedragingen ertoe konden leiden dat even efficiënte concurrenten werden uitgesloten.
A. Ontvankelijkheid
60 Foundem stelt dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij betoogt in wezen dat rekwirantes, zonder de in het bestreden arrest vastgestelde feiten openlijk te betwisten, deze willen vervangen door hun eigen, met de vaststellingen van het Gerecht strijdige versie van die feiten. Die misleidende en verdraaide voorstelling van de feiten tast elk van de vier middelen van de hogere voorziening aan, aangezien de tot staving van die middelen aangevoerde juridische argumenten op feitelijke onjuistheden berusten.
61 In dat verband zij eraan herinnerd dat de hogere voorziening op grond van artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie beperkt is tot rechtsvragen. Het Gerecht is bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijzen te beoordelen. De beoordeling van die feiten en bewijzen levert dus, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in hogere voorziening (arrest van 12 januari 2023, Lietuvos geležinkeliai/Commissie, C‑42/21 P, EU:C:2023:12, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 De omstandigheid dat rekwirantes hun juridisch betoog in hogere voorziening zouden baseren op een onjuiste voorstelling van de in het bestreden arrest vastgestelde feiten, moet dus worden beoordeeld in het kader van het onderzoek van de gegrondheid van dat arrest. Daarnaast is de kritiek van een misleidende voorstelling van de in het bestreden arrest vastgestelde feiten, wanneer de waarachtigheid van die feiten niet wordt betwist, niet van dien aard dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zelfs niet indien die kritiek gegrond is.
63 In het onderhavige geval blijkt uit de hogere voorziening bovendien voor elk van de middelen ervan voldoende duidelijk welke punten uit het bestreden arrest worden betwist en waarom daarin volgens rekwirantes blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het Hof zijn rechtmatigheidstoetsing kan uitoefenen.
64 Uit het voorgaande volgt dat de onderhavige hogere voorziening ontvankelijk is.
B. Ten gronde
1. Eerste middel
a) Argumenten van partijen
65 Met hun eerste middel, dat uit twee onderdelen bestaat, verwijten rekwirantes, ondersteund door CCIA, het Gerecht dat het het litigieuze besluit heeft bevestigd terwijl de Commissie niet had aangetoond dat voldaan was aan de in de rechtspraak gestelde en in de punten 213, 215 en 216 van het bestreden arrest in herinnering gebrachte voorwaarden voor het bewijs dat er sprake is van een leveringsverplichting.
66 Dienaangaande voeren rekwirantes aan dat Google in wezen wordt verweten dat zij concurrerende productvergelijkers geen toegang heeft verleend tot speciale „boxes” die een prominente plaats innamen op haar resultatenpagina’s, voorzien waren van verrijkte weergavefuncties en niet door algoritmen als Panda op een lagere plaats konden terechtkomen.
67 Met het eerste onderdeel van hun eerste middel verwijten rekwirantes het Gerecht dat het in de punten 224 tot en met 228 van het bestreden arrest op ontoelaatbare wijze zijn eigen beoordeling dat aan de voorwaarden voor de vaststelling van een leveringsverplichting was voldaan, in de plaats heeft gesteld van de beoordeling van de Commissie in het litigieuze besluit. Het Gerecht heeft namelijk verklaard dat Googles algemene resultatenpagina kenmerken vertoonde waardoor deze veel weg had van een essentiële faciliteit (punt 224), dat Googles verkeer volgens de Commissie onontbeerlijk was voor concurrerende productvergelijkers (punt 227) en dat die instelling had vastgesteld dat er een risico bestond dat elke mededinging zou worden uitgeschakeld (punt 228). Het litigieuze besluit bevat evenwel geen dergelijke vaststellingen, zoals het Gerecht overigens zelf heeft bevestigd in punt 223 van het bestreden arrest, waarin het heeft verklaard dat de Commissie niet naar de criteria van de leveringsverplichting had verwezen.
68 Met het tweede onderdeel van hun eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 229 tot en met 249 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie het in punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), vastgestelde criterium niet hoefde toe te passen om het gestelde misbruik aan te tonen.
69 Dienaangaande voeren rekwirantes aan dat het Gerecht in de punten 220, 229 en 287 van het bestreden arrest het gestelde misbruik in wezen heeft aangemerkt als een niet-nakoming door Google van haar verplichting tot het verlenen van toegang. In punt 229 van dat arrest was het Gerecht echter van oordeel dat de betrokken praktijken in hun bestanddelen verschilden van de leveringsweigering die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569).
70 Met de eerste grief verwijten rekwirantes het Gerecht dat het in de punten 237 tot en met 240 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak moest worden onderscheiden van een zaak betreffende een leveringsweigering omdat zij betrekking had op een „verschil in behandeling”. Een zaak betreffende een leveringsweigering is evenwel slechts een specifiek soort zaak over een verschil in behandeling omdat zij voor de betrokken onderneming inhoudt dat deze een vermogensbestanddeel ten eigen bate behoudt en weigert om het te leveren aan haar concurrenten.
71 Volgens rekwirantes was het in casu geconstateerde probleem het bestaan van een faciliteit, namelijk de „boxes”, waartoe concurrerende productvergelijkers geen toegang hadden, en het feit dat die faciliteit prominenter werd gepositioneerd en, doordat zij niet op een lagere plaats kon terechtkomen, aantrekkelijker was dan de faciliteit waartoe die productvergelijkers – in de bewoordingen van het Gerecht in de punten 219 en 243 van het bestreden arrest – daadwerkelijk „toegang” hadden, namelijk de presentatie van de generieke resultaten. De omschrijving van het gestelde misbruik als een combinatie van meerdere praktijken, te weten de weergave van de resultaten van Googles productvergelijker in prominent gepositioneerde „boxes” en een weergave van de resultaten van concurrerende productvergelijkers in generieke resultaten die op een lagere plaats konden terechtkomen, is slechts een andere manier om te zeggen dat Google de resultaten van haar productvergelijker en die van concurrerende productvergelijkers verschillend heeft behandeld doordat zij die productvergelijkers geen toegang heeft verleend tot de „boxes”. Anders dan het Gerecht in punt 232 van het bestreden arrest heeft verklaard, vormt de betrokken verschillende behandeling dus geen „extrinsieke praktijk”, die losstaat van de toegang.
72 Met de tweede grief stellen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 177, 219 en 243 van het bestreden arrest het litigieuze besluit per vergissing en op onrechtmatige wijze heeft omschreven als een besluit dat ziet op de voorwaarden waaronder Google haar algemene zoekdienst aanbiedt via toegang tot de algemene resultatenpagina’s, in plaats van op een verplichting om toegang te verlenen tot een afzonderlijke faciliteit.
73 Ten eerste heeft het Gerecht het litigieuze besluit „herschreven” door in punt 219 van het bestreden arrest vast te stellen dat het „anders dan de Commissie stelt, [in casu gaat] om de voorwaarden waaronder Google haar algemene zoekdienst aanbiedt via [toegang] tot haar algemene resultatenpagina’s”, terwijl dat besluit geen dergelijke vaststelling bevat.
74 Ten tweede heeft het Gerecht de onderhavige zaak, door deze te omschrijven als een zaak die ziet op leveringsvoorwaarden, juridisch onjuist gekwalificeerd. Deze zaak ziet immers niet op leveringsvoorwaarden, dat wil zeggen commerciële voorwaarden waaronder een onderneming die ervoor heeft gekozen aan een ander te leveren, vervolgens haar producten of diensten beschikbaar stelt. Bovendien ziet de betrokken infrastructuur niet op Googles algemene resultatenpagina in haar geheel. Integendeel, uit het litigieuze besluit volgt dat de „boxes” een afzonderlijke faciliteit met een eigen technische infrastructuur vormen en dat het verwijt aan Google ziet op het feit dat zij concurrerende productvergelijkers geen toegang heeft verleend tot die „boxes”. Daaraan wordt niet afgedaan door de toegang die Google concurrerende productvergelijkers heeft verleend tot haar generieke resultaten. Zoals in alle zaken betreffende een leveringsverplichting, is de vraag in casu dus of een onderneming kan kiezen wie toegang krijgt tot een bepaalde faciliteit. De verwijzing in de punten 234 tot en met 236 en 239 van het bestreden arrest naar de rechtspraak inzake marge-uitholling, is derhalve irrelevant.
75 Met de derde grief betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 232 en 233 van het bestreden arrest het criterium van de leveringsverplichting ten onrechte van de hand heeft gewezen op grond dat concurrenten niet uitdrukkelijk om toegang hadden verzocht en de onderneming met een machtspositie die toegang niet uitdrukkelijk had geweigerd. Ten eerste heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de rechtspraak niet vereist dat uitdrukkelijk om toegang wordt verzocht en die toegang uitdrukkelijk wordt geweigerd. Ten tweede strookt de formalistische benadering van het Gerecht niet met de juridische en economische logica van de leveringsverplichting. Er moet worden nagegaan of de onderhavige zaak voldoet aan de juridische voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke verplichting, die een inmenging inhoudt in de fundamentele vrijheden en een uitzondering vormt op mededinging in een markteconomie. Het al dan niet bestaan van een uitdrukkelijk verzoek is evenwel irrelevant. Ten derde wijkt de redenering van het Gerecht af van het litigieuze besluit, waarin is vastgesteld dat om toegang tot de Shopping Units was verzocht en dat die toegang was geweigerd.
76 Met de vierde grief verwijten rekwirantes het Gerecht dat het in punt 240 van het bestreden arrest het criterium van de leveringsverplichting van de hand heeft gewezen op grond dat het de betrokken gedraging, namelijk de verschillende behandeling door Google van de resultaten van haar productvergelijker en die van concurrerende productvergelijkers, als „actief” heeft aangemerkt. Het litigieuze besluit verzet zich evenwel tegen het „passieve” verzuim om andere productvergelijkers dezelfde toegang te verlenen als Googles productvergelijker. Volgens rekwirantes is de kwalificatie van de gedraging als „actief” of „passief” irrelevant om de onderhavige zaak te onderscheiden van zaken betreffende een leveringsweigering in het algemeen.
77 Met de vijfde grief komen rekwirantes op tegen de overwegingen van het Gerecht in punt 246 van het bestreden arrest, waarin het heeft geoordeeld dat de corrigerende maatregelen van het litigieuze besluit irrelevant waren om de aard van het gestelde misbruik te beoordelen. De Commissie heeft slechts twee maatregelen aangewezen om een einde te maken aan het misbruik, waarbij Google ofwel met concurrerende productvergelijkers overeenkomsten kon sluiten om hun dezelfde toegang tot haar „boxes” te verlenen als haar productvergelijker, ofwel kon beslissen om de „boxes” niet langer weer te geven. Het litigieuze besluit was dus duidelijk bedoeld om de bezorgdheid weg te nemen die voortvloeide uit de weigering van Google om toegang tot een faciliteit te verlenen, terwijl zij daar rechtens toe verplicht was.
78 De Commissie, PriceRunner, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, het BEUC, Foundem, Kelkoo, het VDZ, Ladenzeile, het BDZV en Twenga betwisten rekwirantes’ betoog en stellen dat het eerste middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk, niet ter zake dienend of ongegrond moet worden verklaard. Dit middel berust met name op de onjuiste premisse dat het gelaakte gedrag volgens het litigieuze besluit, zoals bevestigd door het bestreden arrest, uitsluitend bestond in de opvallende weergave door Google van de resultaten van haar productvergelijker en in haar weigering om concurrerende productvergelijkers toegang te verlenen tot een afzonderlijke faciliteit die volgens hen bestond uit de „boxes”, namelijk de Product Universals en later de Shopping Units.
b) Beoordeling door het Hof
1) Tweede onderdeel van het eerste middel
79 Met het tweede onderdeel van het eerste middel, dat als eerste moet worden onderzocht, bekritiseren rekwirantes de punten 229 tot en met 249 van het bestreden arrest op grond dat het Gerecht, door te weigeren de voorwaarden van punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), op de onderhavige zaak toe te passen, een onjuist rechtscriterium heeft gehanteerd om te beoordelen of er sprake was van misbruik van een machtspositie.
80 Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 229 van het bestreden arrest geoordeeld dat de betrokken praktijken, ook al stonden zij niet volledig los van de kwestie van de verlening van toegang, in hun bestanddelen toch verschilden van de leveringsweigering die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), hetgeen de beslissing van de Commissie rechtvaardigde om die praktijken te beoordelen aan de hand van andere dan de in dat arrest opgenomen criteria.
81 In de punten 230 en 231 van het bestreden arrest heeft het Gerecht gepreciseerd dat namelijk niet elke gehele of gedeeltelijke toegangskwestie, zoals die in casu, noodzakelijkerwijs impliceerde dat de in dat arrest geformuleerde voorwaarden van toepassing waren, in het bijzonder wanneer de betrokken praktijk, zoals de Commissie in het litigieuze besluit aangeeft, bestaat in autonome gedragingen die weliswaar dezelfde uitsluitingseffecten kunnen hebben, maar in hun bestanddelen verschillen van een leveringsweigering.
82 In de punten 232 en 233 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in wezen uiteengezet dat een leveringsweigering die de toepassing van de voorwaarden van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), rechtvaardigt, ten eerste impliceert dat deze uitdrukkelijk geschiedt, namelijk na een verzoek daartoe of in elk geval de uiting van de wens om toegang te krijgen en een daaropvolgende weigering, en ten tweede dat het gelaakte gedrag voornamelijk gelegen is in de weigering als zodanig en niet in een extrinsieke praktijk, zoals met name een andere vorm van misbruik door hefboomwerking. Volgens het Gerecht staat het ontbreken van een dergelijke uitdrukkelijke weigering in de weg aan de kwalificatie als leveringsweigering van praktijken die uiteindelijk weliswaar tot een impliciete toegangsweigering zouden kunnen leiden maar die, doordat hun bestanddelen naar hun aard verschillen van op verdienste gebaseerde mededinging, een autonome inbreuk op artikel 102 VWEU opleveren.
83 In punt 234 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat, ofschoon alle – of althans de meeste – „afschermingspraktijken” impliciete leveringsweigeringen kunnen vormen, aangezien zij de toegang tot een markt doorgaans bemoeilijken, het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), niet op al deze praktijken kan worden toegepast omdat anders zou worden voorbijgegaan aan de geest en de letter van artikel 102 VWEU, waarvan de draagwijdte niet kan worden beperkt tot misbruikpraktijken met betrekking tot goederen en diensten die „onontbeerlijk” zijn in de zin van dat arrest.
84 In punt 235 van het bestreden arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat in verschillende zaken waarin de kwestie van de toegang tot een dienst aan de orde was, zoals praktijken van marge-uitholling, niet hoefde te worden aangetoond dat was voldaan aan het onontbeerlijkheidsvereiste. In dit verband was het Gerecht in punt 236 van het bestreden arrest van oordeel dat uit het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), niet kan worden afgeleid dat de voor het bewijs van een onrechtmatige leveringsweigering te vervullen voorwaarden noodzakelijkerwijs ook moeten worden toegepast bij de beoordeling van het misbruikkarakter van een gedraging waarbij de verlening van diensten of de verkoop van producten afhankelijk wordt gesteld van voorwaarden die nadelig zijn of waarin de koper mogelijkerwijs niet is geïnteresseerd, aangezien dergelijke gedragingen op zich een autonome vorm van misbruik kunnen vormen die verschilt van een leveringsweigering.
85 In de punten 237 tot en met 241 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat het in casu niet ging om een louter eenzijdige weigering van Google om concurrerende ondernemingen een dienst te verstrekken die noodzakelijk was om op een verwante markt te concurreren, maar om een verschil in behandeling dat in strijd is met artikel 102 VWEU. Het heeft opgemerkt dat de betrokken praktijken een „actief” karakter vertoonden in de vorm van positieve discriminatie tussen Googles productvergelijkingsdienst en concurrerende productvergelijkingsdiensten en dat die praktijken een autonome vorm van misbruik door hefboomwerking vormden op een gedomineerde markt die wordt gekenmerkt door hoge toetredingsdrempels, namelijk de markt voor algemene zoekdiensten. Volgens het Gerecht hoefde de Commissie dus niet het bewijs te leveren dat de voorwaarden van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), waren vervuld om vast te stellen dat er sprake was van misbruik van een machtspositie.
86 In de punten 242 tot en met 247 van het bestreden arrest heeft het Gerecht met name Googles argument afgewezen dat het litigieuze besluit haar in wezen verplichtte om een kostbaar vermogensbestanddeel over te dragen, namelijk de ruimte die is bestemd voor de zoekresultaten. Het heeft uiteengezet dat de verplichting voor een onderneming die misbruik maakt van een machtspositie om activa af te stoten, overeenkomsten te sluiten of toegang tot haar dienst te verlenen op niet-discriminerende voorwaarden, niet noodzakelijkerwijs de toepassing impliceert van de criteria die zijn vastgesteld in het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569). Er kan namelijk geen sprake zijn van een automatisch verband tussen de criteria voor de juridische kwalificatie van het misbruik en de corrigerende maatregelen om dit te verhelpen. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat het feit dat een van de manieren om een einde te maken aan het misbruik erin bestond concurrenten te laten verschijnen in de „boxes” bovenaan Googles resultatenpagina, niet betekende dat de misbruikpraktijken zich beperkten tot de weergave van die „boxes” en dat de voorwaarden om misbruik aan te tonen uitsluitend in het licht van dat element moesten worden vastgesteld.
87 Om te beoordelen of deze overwegingen berusten op een onjuiste rechtsopvatting, zoals rekwirantes aanvoeren, dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 102 VWEU verbiedt dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed. Dit artikel beoogt te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord ten nadele van het algemeen belang, de individuele ondernemingen en de consumenten door het bestraffen van gedragingen van ondernemingen met een machtspositie die de op verdienste gebaseerde mededinging beperken en consumenten aldus direct kunnen benadelen of die deze mededinging verhinderen of vervalsen en hen aldus indirect kunnen benadelen (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Van een dergelijke gedraging is er sprake wanneer deze op een markt waar de mededinging juist door de aanwezigheid van een of meer ondernemingen met een machtspositie reeds is verzwakt, de instandhouding of de ontwikkeling van de nog op deze markt aanwezige mededinging verhindert door het gebruik van andere middelen dan die welke bij een op verdienste gebaseerde mededinging tussen ondernemingen gebruikelijk zijn (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Met betrekking tot praktijken bestaande in een weigering om toegang te verlenen tot infrastructuur die door een onderneming met een machtspositie is ontwikkeld ten behoeve van haar eigen activiteiten en waarvan zij eigenaar is, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een dergelijke weigering misbruik van een machtspositie kan opleveren wanneer niet alleen deze weigering elke mededinging op de betrokken markt door degene die om toegang heeft verzocht kan uitsluiten en niet objectief kan worden gerechtvaardigd, maar de infrastructuur op zich bovendien onontbeerlijk is voor de uitoefening van diens activiteit, in die zin dat er geen reëel of potentieel alternatief voor deze infrastructuur bestaat (zie in die zin arresten van 26 november 1998, Bronner, C‑7/97, EU:C:1998:569, punt 41, en 12 januari 2023, Lietuvos geležinkeliai/Commissie, C‑42/21 P, EU:C:2023:12, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 Dat deze voorwaarden in punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569) zijn opgelegd, werd gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van die zaak, waarin alleen sprake was van een weigering door een onderneming met een machtspositie om een concurrent toegang te verlenen tot infrastructuur die zij ten behoeve van haar eigen werkzaamheid had ontwikkeld, en niet van andere gedragingen (arresten van 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie, C‑152/19 P, EU:C:2021:238, punt 45, en 12 januari 2023, Lietuvos geležinkeliai/Commissie, C‑42/21 P, EU:C:2023:12, punt 80).
91 De vaststelling dat een onderneming met een machtspositie misbruik heeft gemaakt van haar positie door te weigeren met een concurrent een overeenkomst te sluiten, heeft immers tot gevolg dat die onderneming gedwongen wordt met die concurrent een overeenkomst te sluiten. Een dergelijke verplichting vormt een ernstige inbreuk op de contractvrijheid en het recht op eigendom van de onderneming met een machtspositie, aangezien het een onderneming – zelfs een onderneming met een machtspositie – in beginsel vrijstaat om te weigeren overeenkomsten te sluiten en de door haar opgebouwde infrastructuur voor eigen doeleinden te gebruiken (arrest van 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie, C‑152/19 P, EU:C:2021:238, punt 46).
92 In casu betogen rekwirantes dat het Gerecht, ondanks dat het in de punten 220, 229 en 287 van het bestreden arrest het gestelde misbruik heeft omschreven in termen waaruit blijkt dat het in werkelijkheid gaat om de vraag of Google verplicht is om concurrerende productvergelijkers toegang tot een dergelijke infrastructuur te verlenen, in de punten 229 en 240 van dat arrest ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat Googles praktijken in hun bestanddelen verschilden van een toegangsweigering als aan de orde in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), en dat de in dat arrest vastgestelde voorwaarden dus niet op die praktijken van toepassing waren.
93 Met hun eerste en tweede grief verwijten rekwirantes het Gerecht met name dat het heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak ziet op een „verschil in behandeling” met betrekking tot de voorwaarden waaronder Google haar algemene zoekdienst aanbood via toegang tot de algemene resultatenpagina’s in plaats van op een verplichting om toegang te verlenen tot een afzonderlijke faciliteit, bestaande uit de speciale „boxes” die een prominente plaats innamen op haar resultatenpagina’s, voorzien waren van verrijkte weergavefuncties en niet door algoritmen als Panda op een lagere plaats konden terechtkomen.
94 Dienaangaande moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat rekwirantes de punten 220, 229 en 287 van het bestreden arrest onjuist opvatten.
95 Het Gerecht heeft in punt 220 van het bestreden arrest opgemerkt dat „Google [wordt] verweten concurrerende productvergelijkers niet dezelfde positionering en weergave te bieden als haar eigen productvergelijker”. In punt 229 van dat arrest heeft het erop gewezen dat „de litigieuze praktijken, […], zoals Google stelt, niet volledig [losstaan] van de kwestie van de verlening van toegang”. In punt 287 van dat arrest heeft het vastgesteld dat „de resultaten van concurrerende productvergelijkers, ook al zijn zij bijzonder relevant voor de internetgebruiker, nooit op dezelfde wijze worden behandeld als de resultaten van Googles productvergelijker, noch wat hun positionering betreft, aangezien zij door de kenmerken zelf ervan op een lagere plaats kunnen terechtkomen door de aanpassingsalgoritmen en de ‚boxes’ zijn voorbehouden aan de resultaten van Googles productvergelijker, noch wat hun presentatie betreft, aangezien de verrijkte tekens en afbeeldingen eveneens zijn voorbehouden aan Googles productvergelijker”.
96 Anders dan rekwirantes betogen, heeft het Gerecht in die punten 220, 229 en 287 van het bestreden arrest het gestelde misbruik echter geenszins omschreven in termen waaruit blijkt dat het uiteindelijk ging om de vraag of Google verplicht was toegang te verlenen tot de „boxes”, te weten de Product Universals en later de Shopping Units.
97 Uit de formulering van die punten en uit een lezing ervan in hun context, met name de punten 219 tot en met 229 en 288 van het bestreden arrest, blijkt namelijk dat Google wordt verweten dat zij de met haar productvergelijker concurrerende productvergelijkers niet de mogelijkheid biedt op haar algemene resultatenpagina’s een vergelijkbare zichtbaarheid te genieten als de hare, en dus geen gelijke behandeling waarborgt van haar productvergelijker en concurrerende productvergelijkers. Zoals ook het Gerecht in de punten 187 en 261 van dat arrest in herinnering heeft gebracht, bestond het aan Google verweten gedrag met name in de combinatie van twee praktijken, namelijk, ten eerste, de gunstigere positionering en presentatie op de algemene resultatenpagina’s van haar eigen gespecialiseerde resultaten vergeleken met die van de resultaten van concurrerende productvergelijkers en, ten tweede, de gelijktijdige lagere rangschikking door aanpassingsalgoritmen van de resultaten van concurrerende productvergelijkers.
98 Aangezien rekwirantes zich ook beroepen op de relevantie van de in het litigieuze besluit genoemde corrigerende maatregelen, volstaat het voorts erop te wijzen dat die maatregelen Google niet verplichtten om toegang te verlenen tot de „boxes”. Uit de punten 71 en 221 van het bestreden arrest blijkt immers dat de Commissie Google heeft gelast aan het gelaakte gedrag een einde te maken en er daarbij op heeft gewezen dat die onderneming weliswaar op verschillende wijzen aan dat bevel kon voldoen, maar dat de handhavingsmaatregelen er hoe dan ook voor moesten zorgen dat Google concurrerende productvergelijkingsdiensten op haar algemene resultatenpagina’s niet „minder gunstig” zou behandelen dan haar eigen productvergelijkingsdienst en dat die maatregelen Googles productvergelijkingsdienst aan „dezelfde processen en methoden” van positionering en presentatie dienden te onderwerpen als die welke voor concurrerende productvergelijkingsdiensten werden gebruikt.
99 Uit de beschrijving van de in het bestreden arrest aan de orde zijnde gedraging blijkt dus dat deze betrekking had op de discriminerende positionering en presentatie op de algemene resultatenpagina’s van Googles algemene zoekdienst en niet op de toegang tot de „boxes”.
100 Zo heeft het Gerecht in punt 177 van het bestreden arrest met name verklaard dat de infrastructuur waarover het ging, overeenkwam met Googles algemene resultatenpagina’s die verkeer genereerden naar andere websites, met name die van concurrerende productvergelijkers, en dat het in beginsel een open infrastructuur betrof.
101 Voorts heeft het Gerecht er in de punten 219 en 243 van het bestreden arrest op gewezen dat het ging om de voorwaarden waaronder Google haar algemene zoekdienst aanbood via toegang voor concurrerende productvergelijkers tot de algemene resultatenpagina’s.
102 Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 220 en 221 van het bestreden arrest de inhoud van de overwegingen 662 en 699 alsook overweging 700, onder c), van het litigieuze besluit samengevat en vervolgens in punt 222 van dat arrest vastgesteld dat met dit besluit werd beoogd aan Googles productvergelijker en concurrerende productvergelijkers gelijke toegang tot Googles algemene resultatenpagina’s te geven, ongeacht het soort resultaten in kwestie (generieke resultaten, Product Universals of Shopping Units), en dat het er dus wel degelijk toe strekte concurrerende productvergelijkers toegang te verlenen tot Googles algemene resultatenpagina’s met een even zichtbare positionering en presentatie als die van Googles productvergelijker.
103 Het staat dus vast dat het Gerecht, wanneer het er in punt 229 van het bestreden arrest op wijst dat de betrokken praktijken „niet volledig [losstaan] van de kwestie van de verlening van toegang”, niet heeft verwezen naar de toegang van concurrerende productvergelijkers tot de „boxes”, maar naar hun toegang tot Googles algemene resultatenpagina’s onder niet-discriminerende voorwaarden.
104 In de tweede plaats kan het Gerecht niet worden verweten dat het in punt 219 van het bestreden arrest zijn beoordeling in de plaats heeft gesteld van die in het litigieuze besluit. De omschrijving die het Gerecht van de betrokken gedraging geeft, is namelijk slechts een manier om aan te geven dat Google wordt verweten dat zij haar productvergelijker op de algemene zoekresultatenpagina’s prominenter heeft gepositioneerd en aantrekkelijker heeft gepresenteerd dan concurrerende productvergelijkers, hetgeen in het litigieuze besluit en in het bestreden arrest herhaaldelijk wordt vermeld zonder grote verschillen in de gebruikte formulering.
105 In de derde plaats kan rekwirantes’ argument niet worden aanvaard dat de „boxes” een afzonderlijke faciliteit naast Googles algemene resultatenpagina’s vormen en dat het Gerecht derhalve had moeten oordelen dat het in casu ging om de vraag of het gerechtvaardigd was dat Google werd verplicht concurrerende productvergelijkers toegang tot die faciliteit te verlenen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 114 en 115 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, vormen de „boxes”, ook al worden zij op Googles algemene resultatenpagina prominent weergegeven, immers geen van die pagina onderscheiden infrastructuur in de zin van een onafhankelijke resultatenpagina.
106 Bovendien staat vast dat de concurrerende productvergelijkers toegang hadden tot Googles algemene zoekdienst en tot de algemene resultatenpagina’s. Google wordt dus geenszins verweten dat zij die toegang zou hebben geweigerd.
107 Het nadeel dat voor de concurrerende productvergelijkers voortvloeit uit de combinatie van de twee betrokken praktijken, namelijk, ten eerste, de gunstigere positionering en presentatie op de algemene resultatenpagina’s van Googles eigen gespecialiseerde resultaten vergeleken met die van de resultaten van concurrerende productvergelijkers en, ten tweede, de gelijktijdige lagere rangschikking van de resultaten van concurrerende productvergelijkers door aanpassingsalgoritmen, ziet dus op de voorwaarden voor toegang tot Googles algemene resultatenpagina en niet op de toegang tot een beweerdelijk afzonderlijke infrastructuur bestaande uit de „boxes”.
108 In de vierde plaats heeft de Commissie, zoals het Gerecht in de punten 223, 237 en 240 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, in het litigieuze besluit het standpunt ingenomen dat Google, door de combinatie van die twee praktijken, en dus door de discriminatie tussen haar eigen productvergelijker en de concurrerende productvergelijkers op haar algemene zoekpagina’s, haar machtspositie op de algemene zoekmarkt, die wordt gekenmerkt door hoge toetredingsdrempels, gebruikte om haar eigen productvergelijker te bevoordelen op de markt voor productvergelijkingsdiensten en dat die gedraging leidde tot een potentiële of daadwerkelijke verstoring van de mededinging op laatstgenoemde downstreammarkt.
109 Gelet op deze omstandigheid heeft het Gerecht in de punten 229 en 240 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie niet het bewijs hoefde te leveren dat voldaan was aan de in punt 89 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), om op basis van de vastgestelde praktijken tot de bevinding te komen dat het daarbij ging om een inbreuk, aangezien die praktijken in hun bestanddelen verschilden van een toegangsweigering als die welke aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, en een autonome vorm van misbruik met hefboomwerking uitmaakten.
110 Zoals in punt 90 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, blijkt uit de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), dat het opleggen van de in punt 41 van dat arrest genoemde voorwaarden werd gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van de zaak die tot dat arrest heeft geleid, waarin alleen sprake was van een weigering door een onderneming met een machtspositie om een concurrent toegang te verlenen tot infrastructuur die zij ten behoeve van haar eigen werkzaamheid had ontwikkeld, en niet van andere gedragingen.
111 Wanneer een onderneming met een machtspositie toegang tot haar infrastructuur verleent, maar onbillijke voorwaarden stelt voor die toegang, de levering van diensten of de verkoop van producten, zijn de door het Hof in punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), uiteengezette voorwaarden daarentegen niet van toepassing. Indien de toegang tot die infrastructuur of zelfs tot een dienst of input onontbeerlijk is voor de concurrenten van de onderneming met een machtspositie om winstgevend actief te zijn op een downstreammarkt, is het ongetwijfeld des te waarschijnlijker dat onbillijke praktijken op die markt ten minste potentieel de mededinging verstoren en misbruik in de zin van artikel 102 VWEU vormen. Bij praktijken die geen toegangsweigering vormen, is het ontbreken van die onontbeerlijkheid evenwel als zodanig niet doorslaggevend voor het onderzoek van het potentieel als misbruik aan te merken gedrag van een onderneming met een machtspositie (arresten van 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie, C‑152/19 P, EU:C:2021:238, punt 50, en 25 maart 2021, Slovak Telekom/Commissie, C‑165/19 P, EU:C:2021:239, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
112 Hoewel zulke gedragingen een vorm van misbruik kunnen zijn wanneer zij de mededinging ten minste potentieel kunnen verstoren, of zelfs potentiele uitsluitingseffecten kunnen hebben op de betrokken markten, kunnen zij niet worden gelijkgesteld aan een regelrechte weigering om een concurrent toegang te verlenen tot een infrastructuur, aangezien de bevoegde nationale mededingingsautoriteit of de bevoegde nationale rechter de onderneming met een machtspositie niet zal dwingen om een toegang tot haar infrastructuur te verlenen die reeds verleend is. De maatregelen die in dergelijke gevallen zullen worden genomen, zullen de contractvrijheid en het recht op eigendom van de onderneming met een machtspositie derhalve minder inperken dan de verplichting om toegang te verlenen tot haar infrastructuur die zij uitsluitend voor haar eigen werkzaamheden gebruikte (arresten van 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie, C‑152/19 P, EU:C:2021:238, punt 51, en 25 maart 2021, Slovak Telekom/Commissie, C‑165/19 P, EU:C:2021:239, punt 51).
113 Aangezien Google, zoals in de punten 105 tot en met 107 van het onderhavige arrest is opgemerkt, concurrerende productvergelijkers toegang verleent tot haar algemene zoekdienst en tot de algemene resultatenpagina’s, maar die toegang afhankelijk stelt van discriminerende voorwaarden, zijn de in punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), vastgestelde voorwaarden niet van toepassing op de betrokken gedraging.
114 Het Gerecht heeft in de punten 229 en 240 van het bestreden arrest dan ook terecht geoordeeld dat de Commissie geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te toetsen of de betrokken gedraging aan die voorwaarden voldeed.
115 Uit het voorgaande vloeit voort dat de eerste en de tweede grief moeten worden afgewezen.
116 Dientengevolge zijn de derde tot en met de vijfde grief, die de punten 232, 233, 240 en 246 van het bestreden arrest betreffen, niet ter zake dienend.
117 Rekwirantes betogen met deze grieven namelijk dat het Gerecht de toepasselijkheid van die voorwaarden ten onrechte van de hand heeft gewezen op grond dat niet om toegang was verzocht en die toegang niet uitdrukkelijk was geweigerd (punten 232 en 233 van het bestreden arrest) en op grond dat de betrokken gedraging, te weten de verschillende behandeling door Google van de resultaten van haar productvergelijker en die van concurrerende productvergelijkers, een „actieve” en geen „passieve” gedraging was (punt 240 van dat arrest). In punt 246 van het bestreden arrest heeft het Gerecht volgens hen ten onrechte geoordeeld dat de corrigerende maatregelen van het litigieuze besluit niet relevant waren om de aard van het gestelde misbruik te beoordelen.
118 Zelfs indien deze overwegingen van het Gerecht zouden berusten op onjuiste rechtsopvattingen, hoeven zij echter niet te worden geanalyseerd aangezien het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de betrokken gedraging geen toegangsweigering vormde waarvoor de voorwaarden van punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), golden.
119 Derhalve moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
2) Eerste onderdeel van het eerste middel
120 Met het eerste onderdeel van hun eerste middel verwijten rekwirantes het Gerecht dat het in de punten 224 tot en met 228 van het bestreden arrest op onrechtmatige wijze de beoordeling van de Commissie in het litigieuze besluit heeft vervangen door zijn eigen beoordeling dat was voldaan aan de voorwaarden van punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), terwijl het litigieuze besluit geen dergelijke conclusie bevatte.
121 Dit eerste onderdeel van het eerste middel moet evenwel niet ter zake dienend worden verklaard aangezien het Gerecht, zoals in punt 118 van het onderhavige arrest is opgemerkt, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de aan Google verweten gedraging niet aan die voorwaarden moest worden getoetst.
122 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.
2. Tweede middel
a) Argumenten van partijen
123 Met hun tweede middel, dat uit drie onderdelen bestaat, betogen rekwirantes, ondersteund door CCIA, dat indien het gestelde misbruik geen toegangsweigering was, het litigieuze besluit dan voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU een andere „extrinsieke praktijk” had moeten identificeren en het bewijs had moeten bevatten dat die praktijk afweek van op verdienste gebaseerde mededinging. Zoals het Gerecht met name in de punten 162 tot en met 164 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht, volstaat het dienaangaande niet om enkel vast te stellen dat een machtspositie op een markt door hefboomwerking is uitgebreid tot een verwante markt, ook al leidt die uitbreiding ertoe dat concurrenten verdwijnen of worden gemarginaliseerd.
124 Met het eerste onderdeel van het tweede middel stellen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 175 en 197 van het bestreden arrest te oordelen dat op grond van de omstandigheden betreffende de waarschijnlijke gevolgen van Googles gedrag, die in de punten 169 tot en met 174 van dat arrest zijn samengevat, kon worden achterhaald of Google concurreerde op basis van verdienste.
125 Rekwirantes wijzen er met name op dat het Gerecht in de punten 195 en 196 van het bestreden arrest heeft erkend dat overweging 341 van het litigieuze besluit niet volstond om de gegrondheid van het betrokken gedrag te beoordelen, omdat die overweging „uitsluitend op de afschermingseffecten” van Googles gedrag betrekking had. Het Gerecht heeft echter verklaard dat die overweging moest worden gelezen in samenhang met overweging 342 van dat besluit, waarin wordt verwezen naar drie omstandigheden die het Gerecht in de punten 169, 175, 196, 197, 219 en 283 van dat arrest relevant heeft geacht om het verschil in behandeling tussen Google en haar concurrenten te kwalificeren als een afwijking van een op verdienste gebaseerde mededinging.
126 Volgens rekwirantes houden die drie omstandigheden geen verband met de aard van Googles gedrag, maar met het belang en de bronnen van het zoekverkeer en zien zij op de gestelde waarschijnlijke gevolgen van dat gedrag. Zij vormen dus geen geldige grondslag om uitspraak te doen over de vraag of Google door zichzelf anders te behandelen dan haar concurrenten niet op basis van verdienste zou hebben geconcurreerd.
127 In hun repliek preciseren rekwirantes dat, ofschoon de factoren die in aanmerking worden genomen om een afwijking van een op verdienste gebaseerde mededinging aan te tonen niet uitsluitend betrekking hoeven te hebben op de aard van het betrokken gedrag, die aard niettemin aan de hand van die factoren moet kunnen worden omschreven. Anders dan de Commissie stelt, kunnen factoren louter rondom die gedraging dus niet volstaan.
128 Met het tweede onderdeel van het tweede middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het litigieuze besluit op ontoelaatbare wijze te „herschrijven”. Het heeft namelijk drie aanvullende, niet in dat besluit opgenomen gronden opgeworpen om een leemte in de motivering ervan op te vullen en uiteen te zetten waarom het betrokken gedrag afweek van op verdienste gebaseerde mededinging. Die drie aanvullende gronden zijn, ten eerste, een strenger rechtscriterium voor „superdominante” ondernemingen (punten 180, 182 en 183 van het bestreden arrest), ten tweede, het feit dat het voor Google onnatuurlijk is om „de reikwijdte van haar resultaten tot haar eigen resultaten” te beperken omdat zij voor alle content resultaten wil weergeven (punten 176 tot en met 184) en, ten derde, de omschrijving van de verweten gedraging als een discriminerende behandeling (punten 124, 237, 240, 279 en 284 tot en met 289).
129 In hun repliek spreken rekwirantes in de eerste plaats de vaststelling van de Commissie tegen dat het Gerecht twee van die gronden slechts ten overvloede zou hebben opgeworpen, namelijk die betreffende het onnatuurlijke karakter van Googles gedrag (punten 176 tot en met 179 van het bestreden arrest), en die betreffende de toepassing van een strenger rechtscriterium wegens Googles „superdominantie” (punt 180). In de tweede plaats verwerpen zij de idee, die ook door de Commissie zou zijn geopperd, dat de verklaring van het Gerecht dat Google haar gedrag heeft gewijzigd (punten 181 tot en met 184), slechts een „aanvullende uitleg” vormt.
130 Met het derde onderdeel van het tweede middel betogen rekwirantes dat de in het tweede onderdeel van het tweede middel uiteengezette aanvullende gronden die door het Gerecht zijn opgeworpen om uit te leggen waarom Google niet op basis van verdienste had geconcurreerd, hoe dan ook berusten op een onjuiste rechtsopvatting.
131 Met hun eerste grief stellen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 180, 182 en 183 van het bestreden arrest een onjuist rechtscriterium heeft toegepast door zich voor de beoordeling van de deugdelijkheid van Googles gedrag te baseren op het begrip „superdominante” positie. Ten eerste is de mate van machtspositie irrelevant voor de vaststelling als zodanig van misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU. Ten tweede heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat wegens Googles „superdominante” positie bij de toetsing van haar gedrag aan artikel 102 VWEU rekening moest worden gehouden met de regel dat internetproviders gelijk moeten worden behandeld, zoals neergelegd in verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen inzake open-internettoegang en tot wijziging van richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB 2015, L 310, blz. 1). De toepassing van die regel van gelijke behandeling kan door de omschrijving van Google als „superdominant” of „toegangspoort tot het internet” niet zodanig worden uitgebreid dat uit hoofde van artikel 102 VWEU verdergaande verplichtingen worden ingevoerd.
132 Met hun tweede grief betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 176 tot en met 179 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het onnatuurlijk is voor een zoekdienst om enkel zijn eigen resultaten weer te geven. Ook komen zij op tegen de verklaringen van het Gerecht in de punten 181 tot en met 184 van dat arrest omdat van een wijziging van Googles gedrag waardoor dit nog duidelijker zou afwijken van op verdienste gebaseerde mededinging, geen sprake is.
133 Met de derde grief betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 71, 124, 237, 240, 279 en 284 tot en met 288 van het bestreden arrest Googles gedrag ten onrechte als discriminerend heeft aangemerkt.
134 Ten eerste heeft het Gerecht geen coherente benadering gevolgd bij de omschrijving van de twee elementen die discriminerend zouden zijn behandeld. In punt 285 van het bestreden arrest heeft het Gerecht zich bij zijn analyse van de gestelde discriminatie verzet tegen het feit dat Google de resultaten verschillend behandelde naargelang deze afkomstig waren van haar productvergelijker dan wel van concurrerende productvergelijkers. In punt 575 van het bestreden arrest heeft het bij zijn analyse van de objectieve rechtvaardigingsgronden daarentegen geoordeeld dat de Commissie in het litigieuze besluit een gelijke behandeling wilde verzekeren van twee soorten resultaten van Google, namelijk generieke en gespecialiseerde resultaten.
135 Ten tweede heeft het Gerecht een fout gemaakt door niet aan te tonen dat de verschillende behandeling door Google willekeurig was, aangezien het enkele feit van een verschillende behandeling niet volstaat om tot het bestaan van discriminatie te besluiten. Het feit dat een zoekdienst uitsluitend eigen resultaten produceert op basis van eigen gegevens en algoritmen, getuigt volgens rekwirantes niet van willekeur. Googles onvermogen om gespecialiseerde resultaten van derden met dezelfde betrouwbaarheid en kwaliteit als haar eigen resultaten weer te geven, vormt bovendien een relevant objectief verschil. De kritiek die het Gerecht in de punten 287, 291 en 292 van het bestreden arrest formuleert dat gespecialiseerde productresultaten van derden niet op dezelfde wijze werden behandeld als Googles resultaten, zelfs niet wanneer deze bijzonder relevant waren, is om dezelfde redenen ongegrond. Als producent van zoekresultaten geeft Google de beste resultaten weer die zij kan produceren. Voorts betogen rekwirantes dat ofschoon hun wordt verweten dat zij twee soorten resultaten van Google verschillend hebben behandeld, zoals blijkt uit punt 575 van het bestreden arrest, dit verschil ook op objectieve en redelijke overwegingen berustte.
136 Zij preciseren in hun repliek dat een onderneming met een machtspositie niet op basis van verdienste concurreert wanneer zij afbreuk doet aan de kwaliteit van haar dienst en tegen haar belang handelt.
137 De Commissie, PriceRunner, het BEUC, Foundem, Kelkoo, het VDZ, Ladenzeile, het BDZV en Twenga verwerpen rekwirantes betoog en stellen dat het tweede middel van de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond moet worden verklaard.
b) Beoordeling door het Hof
138 Met hun tweede middel verwijten rekwirantes het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie had aangetoond dat het betrokken gedrag niet viel onder een op verdienste gebaseerde mededinging.
139 In dit verband heeft het Gerecht er in de punten 166 en 167 van het bestreden arrest aan herinnerd dat de Commissie voor de vaststelling dat artikel 102 VWEU was geschonden, niet louter naar hefboompraktijken had verwezen, maar had geoordeeld dat Google door een dergelijke hefboomwerking haar machtspositie op de algemene zoekmarkt had gebruikt om haar eigen productvergelijkingsdienst op de gespecialiseerde zoekmarkt voor productvergelijking te bevoordelen door de positionering en de presentatie van haar productvergelijker op haar algemene resultatenpagina’s en de resultaten ervan te bevorderen ten opzichte van de diensten van concurrerende productvergelijkers.
140 In punt 168 van het bestreden arrest heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie in overweging 344 van het litigieuze besluit had opgemerkt dat terwijl de resultaten van concurrerende productvergelijkers slechts als generieke resultaten konden verschijnen, namelijk als eenvoudige blauwe links die bovendien door aanpassingsalgoritmen op Googles algemene resultatenpagina’s op een lagere plaats konden terechtkomen, de resultaten van Googles productvergelijker prominent bovenaan die algemene resultatenpagina’s werden geplaatst, in een verrijkt formaat werden gepresenteerd en niet door die algoritmen op een lagere plaats konden terechtkomen. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat die praktijken volgens de Commissie leidden tot een verschil in behandeling in de vorm van bevoordeling door Google van haar productvergelijker.
141 In de punten 169 tot en met 173 van het bestreden arrest heeft het Gerecht erop gewezen dat de Commissie in de punten 7.2.2 tot en met 7.2.4 van het litigieuze besluit met name had aangegeven dat die bevoordeling tot een verzwakking van de mededinging op de markt kon leiden als gevolg van de combinatie van drie specifieke omstandigheden. Het heeft de analyse van de Commissie uiteengezet met betrekking tot deze drie, eveneens in punt 169 van dat arrest genoemde omstandigheden, te weten, ten eerste, het belang van het door Googles algemene zoekmachine gegenereerde verkeer voor productvergelijkers, ten tweede, het gebruikersgedrag bij het zoeken op internet en, ten derde, het feit dat het verlegde verkeer dat van Googles algemene resultatenpagina’s afkomstig was, een groot deel van het verkeer naar concurrerende productvergelijkers uitmaakte en niet daadwerkelijk kon worden vervangen door andere bronnen.
142 In punt 174 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie het recht niet verkeerd had toegepast door zich in het licht van de in de punten 168 tot en met 173 van dat arrest in herinnering gebrachte contextuele elementen op het standpunt te stellen dat het belang van het van Googles algemene zoekpagina’s afkomstige verkeer en het feit dat dit verkeer niet daadwerkelijk kon worden vervangen, relevante omstandigheden vormden die erop konden wijzen dat het ging om praktijken die afweken van een op verdienste gebaseerde mededinging.
143 In punt 175 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie zich niet had beperkt tot de vaststelling dat er sprake was van een hefboomwerking, en dat zij Googles daarmee gepaard gaande praktijken juridisch op basis van relevante criteria had gekwalificeerd. Het Gerecht was derhalve van oordeel dat de Commissie, voor zover zij de bevoordeling en de in het licht van de specifieke omstandigheden van de relevante markten vastgestelde gevolgen ervan dienstig had aangetoond, hetgeen nadien door het Gerecht werd getoetst, terecht had geoordeeld dat die bevoordeling afweek van een op verdienste gebaseerde mededinging.
144 In punt 189 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat die vaststelling niet op losse schroeven werd gezet door het argument van CCIA dat het ontbreken van een duidelijk rechtscriterium in het litigieuze besluit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. In dat verband is in punt 195 van dat arrest opgemerkt dat in overweging 341 van het litigieuze besluit de redenen zijn uiteengezet waarom de betrokken praktijken afweken van op verdienste gebaseerde mededinging, waarbij in wezen is aangegeven dat die praktijken het verkeer hadden verlegd en tevens mededingingsbeperkende gevolgen konden hebben. Met die overweging, op zichzelf beschouwd, heeft de Commissie haar vaststelling dat die praktijken afweken van een op verdienste gebaseerde mededinging dus blijkbaar afgeleid uit het feit dat die praktijken afschermingseffecten teweegbrachten.
145 In punt 196 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat overweging 341 moest worden gelezen in samenhang met overweging 342 van het litigieuze besluit, waarin de Commissie, „ten bewijze van het feit dat het gedrag misbruik oplevert en niet beantwoordt aan op verdienste gebaseerde mededinging”, stelt dat de betrokken praktijken erin bestonden dat Google haar productvergelijker bevoordeelde ten koste van concurrerende productvergelijkers en dat die bevoordeling in een specifieke context plaatsvond. In laatstgenoemde overweging worden de talrijke elementen opgesomd die de Commissie in aanmerking heeft genomen om aan te tonen waarom de betrokken praktijk afweek van op verdienste gebaseerde mededinging, en met name de drie specifieke omstandigheden die in de punten 7.2.2 tot en met 7.2.4 van het litigieuze besluit zijn uiteengezet en in de punten 170 tot en met 173 van dat arrest in herinnering zijn gebracht.
146 In punt 197 van het bestreden arrest heeft het Gerecht derhalve geoordeeld dat de Commissie aan de hand van haar analyse die tot de vaststelling van misbruik door hefboomwerking had geleid, tot de slotsom heeft kunnen komen dat er sprake was van een inbreuk wegens, ten eerste, uit mededingingsrechtelijk oogpunt verdachte elementen die ontbreken bij een toegangsweigering, met name een ongerechtvaardigd verschil in behandeling, en ten tweede, specifieke omstandigheden met betrekking tot de aard van de infrastructuur waaruit dat verschil in behandeling voortvloeide, in casu het belang van het verkeer dat van Googles algemene zoekpagina’s afkomstig was en het feit dat dit verkeer niet daadwerkelijk kon worden vervangen.
1) Eerste onderdeel van het tweede middel
147 Met het eerste onderdeel van hun tweede middel verwijten rekwirantes het Gerecht in wezen dat het in de punten 175 en 197 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de drie in de punten 169 tot en met 174 en 196 van dat arrest genoemde specifieke omstandigheden relevant waren om vast te stellen of het betrokken gedrag onder een op verdienste gebaseerde mededinging viel.
i) Ontvankelijkheid
148 De Commissie betoogt dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is. Rekwirantes kunnen namelijk niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren dat deze drie in punt 7.2 van het litigieuze besluit uiteengezette omstandigheden veeleer betrekking hadden op de mogelijkheid dat het betrokken gedrag de mededinging zou beperken dan op het feit dat dit gedrag niet zou beantwoorden aan op verdienste gebaseerde mededinging.
149 Voor een uitspraak over het aldus door de Commissie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid zij opgemerkt dat rekwirantes met dit eerste onderdeel van het tweede middel opkomen tegen een deel van het antwoord dat het Gerecht in de punten 169 tot en met 175 en 197 van het bestreden arrest heeft gegeven op het vijfde middel van het beroep in eerste aanleg.
150 Volgens de samenvatting in punt 136 van dat arrest betoogden rekwirantes met het eerste onderdeel van dat vijfde middel dat in het litigieuze besluit, wat de wijze betreft waarop Google kwalitatieve verbeteringen aan haar onlinezoekdienst aanbrengt, geen elementen worden aangegeven die afwijken van op verdienste gebaseerde mededinging.
151 Met het eerste onderdeel van het tweede middel van de hogere voorziening komen rekwirantes op tegen de uitlegging en de toepassing van het Unierecht door het Gerecht op grond waarvan het in de punten 175 en 197 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie zich niet louter had gebaseerd op het bestaan van uit de betrokken praktijken voortvloeiende afschermingseffecten om tot de vaststelling te komen dat deze afweken van op verdienste gebaseerde mededinging.
152 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat wanneer een partij zou worden toegestaan voor het eerst voor het Hof een middel aan te voeren dat zij niet voor het Gerecht heeft aangevoerd, dit er volgens de rechtspraak van het Hof op zou neerkomen dat deze partij bij het Hof een geding aanhangig kan maken dat ruimer is dan het geding waarvan het Gerecht moest kennisnemen. In hogere voorziening is de bevoegdheid van het Hof in beginsel beperkt tot het onderzoek van de beoordeling door het Gerecht van de middelen waarover voor het Gerecht verweer is gevoerd. Een argument dat niet in eerste aanleg is aangevoerd, vormt echter geen nieuw middel dat in hogere voorziening niet-ontvankelijk is wanneer het slechts een nadere uitwerking is van een argument dat reeds is ontwikkeld in het kader van een middel dat is aangevoerd in het verzoekschrift voor het Gerecht (arrest van 9 december 2020, Groupe Canal +/Commissie, C‑132/19 P, EU:C:2020:1007, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
153 Bovendien mag een middel in hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid, niet zijn gericht op nietigverklaring van het in eerste aanleg bestreden besluit, maar moet het de vernietiging van het arrest van het Gerecht beogen en een betoog omvatten dat er specifiek toe strekt de onjuiste rechtsopvatting aan te wijzen waarop dat arrest berust. Een verzoeker kan dus een hogere voorziening instellen waarin hij middelen aanvoert die uit het bestreden arrest zelf voortvloeien en ertoe strekken de gegrondheid van het arrest in rechte te betwisten (arrest van 25 januari 2022, Commissie/European Food e.a., C‑638/19 P, EU:C:2022:50, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
154 Anders dan de Commissie stelt, houden de argumenten die door rekwirantes in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel worden aangevoerd in casu nauw verband met het in het verzoekschrift in eerste aanleg uiteengezette vijfde middel waarmee werd opgekomen tegen de vaststellingen in overwegingen 341 en volgende van het litigieuze besluit volgens welke die praktijken niet beantwoorden aan een op verdienste gebaseerde mededinging, en vormen die argumenten, voor zover daarmee wordt beoogd aan te tonen dat het Gerecht in de punten 175 en 197 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie de met hefboomwerking gepaard gaande praktijken van Google juridisch op basis van relevante criteria had gekwalificeerd, de nadere uitwerking van dat middel en geen nieuw middel dat voor het eerst in het kader van de hogere voorziening is aangevoerd.
155 Bovendien herhalen rekwirantes de in eerste aanleg aangevoerde argumenten niet gewoon, maar betogen zij dat het Gerecht met zijn antwoord op die argumenten in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ofschoon dus een deel van rekwirantes’ argumenten, zoals de Commissie opmerkt, voor het eerst voor het Hof is aangevoerd, zijn die argumenten niettemin uit het arrest zelf geput.
156 Het eerste onderdeel van het tweede middel is derhalve ontvankelijk.
ii) Ten gronde
157 Het Gerecht heeft, na er in de punten 164 en 165 van het bestreden arrest aan te hebben herinnerd dat artikel 102 VWEU een onderneming met een machtspositie als zodanig niet verbiedt om gebruik te maken van hefboomwerking en dat de materiële werkingssfeer van de bijzondere verantwoordelijkheid die op een onderneming met een machtspositie rust, moet worden beoordeeld met inachtneming van de specifieke omstandigheden van iedere zaak waarin een verflauwde mededingingssituatie tot uiting komt, in de punten 166 tot en met 175 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie zich in het litigieuze besluit niet heeft beperkt tot de vaststelling van een dergelijke hefboomwerking en de daarmee gepaard gaande praktijken van Google juridisch heeft gekwalificeerd op basis van relevante criteria, zodat zij het recht niet verkeerd heeft toegepast door het standpunt in te nemen dat Googles gedrag, dat bestond in het bevoordelen van haar productvergelijker, niet viel onder een op verdienste gebaseerde mededinging.
158 Voorts heeft het Gerecht in de punten 195 tot en met 197 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie het misbruik door hefboomwerking niet had afgeleid uit het bestaan van afschermingseffecten als gevolg van die praktijken, maar haar analyse had gebaseerd op, ten eerste, uit mededingingsrechtelijk oogpunt verdachte elementen, met name een ongerechtvaardigd verschil in behandeling, en ten tweede, relevante specifieke omstandigheden met betrekking tot de aard van de infrastructuur waaruit dat verschil in behandeling voortvloeide, waardoor zij daadwerkelijk tot de slotsom heeft kunnen komen dat er sprake was van een inbreuk op artikel 102 VWEU.
159 Wat de specifieke omstandigheden betreft die de Commissie in het litigieuze besluit in aanmerking heeft genomen en die in de punten 169 tot en met 173 van het bestreden arrest zijn uiteengezet, had de eerste van die omstandigheden betrekking op het belang van het verkeer dat door Googles algemene zoekmachine werd gegenereerd voor productvergelijkers. Het Gerecht heeft er met name op gewezen dat de Commissie had uiteengezet dat met dit verkeer voordeel kon worden gehaald uit positieve netwerkeffecten, omdat, naarmate een productvergelijker door meer internetgebruikers wordt geraadpleegd, de diensten ervan relevanter en nuttiger worden en meer webshops geneigd zijn om er gebruik van te maken. Het heeft eraan toegevoegd dat het verlies van dit verkeer een neerwaartse spiraal op gang kon brengen en op termijn ertoe kon leiden dat de markt werd verlaten.
160 De tweede omstandigheid was het gebruikersgedrag bij het zoeken op internet. Het Gerecht heeft er met name op gewezen dat de Commissie had verklaard dat die gebruikers zich in de regel op de eerste drie tot vijf zoekresultaten richten, weinig of geen aandacht besteden aan de resultaten die daarop volgen, en met name die onder het onmiddellijk zichtbare deel van het scherm, en dat zij de neiging hebben ervan uit te gaan dat de meest zichtbare resultaten de meest relevante zijn, ongeacht wat de reële relevantie ervan is.
161 De derde omstandigheid was de impact van verlegd verkeer. Volgens het Gerecht had de Commissie benadrukt dat dit verkeer een groot deel van het verkeer naar concurrerende productvergelijkingsdiensten uitmaakte en niet daadwerkelijk kon worden vervangen door andere bronnen, daaronder begrepen tekstadvertenties, mobiele toepassingen, rechtstreeks verkeer, verwijzingen naar partnersites, sociale netwerken of andere zoekmachines.
162 Zoals voortvloeit uit de punten 174 en 197 van het bestreden arrest, heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie het recht niet verkeerd had toegepast door vast te stellen dat het belang van het verkeer van Googles algemene zoekpagina’s en het feit dat dit verkeer niet daadwerkelijk kon worden vervangen, gelet op de in de punten 168 tot en met 173 van dat arrest in herinnering gebrachte contextuele elementen, relevante omstandigheden waren die erop konden wijzen dat het ging om praktijken die niet onder een op verdienste gebaseerde mededinging vielen.
163 Voor de beoordeling of de aldus uiteengezette overwegingen van het Gerecht berusten op een onjuiste rechtsopvatting, zoals rekwirantes stellen, zij eraan herinnerd dat terwijl artikel 102 VWEU ondernemingen met een machtspositie een bijzondere verantwoordelijkheid oplegt om door hun gedrag geen afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt, het geen sanctie verbindt aan het bestaan zelf van een machtspositie, maar enkel aan het misbruik ervan (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
164 Artikel 102 VWEU heeft namelijk niet tot doel te beletten dat ondernemingen op basis van hun eigen verdiensten een machtspositie op een of meer markten innemen, noch om ervoor te zorgen dat minder efficiënte concurrerende ondernemingen dan ondernemingen met een dergelijke positie op de markt aanwezig blijven. Integendeel, een op verdienste gebaseerde mededinging kan er per definitie toe leiden dat minder efficiënte concurrerende ondernemingen, die dus op het punt van de prijs, de keuze, de kwaliteit of de innovatie voor de consument minder interessant zijn, van de markt verdwijnen of daar een marginale plaats op krijgen (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 126 en 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 december 2023, C-333/21, ECLI:EU:C:2023:1011
- HvJ EU 12 januari 2023, C-42/21, ECLI:EU:C:2023:12
- HvJ EU 12 mei 2022, C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379
- HvJ EU 25 januari 2022, C-638/19, ECLI:EU:C:2022:50
- Gerecht EU 10 november 2021, T-612/17, ECLI:EU:T:2021:763
- HvJ EU 25 maart 2021, C-152/19, ECLI:EU:C:2021:238
- HvJ EU 25 maart 2021, C-165/19, ECLI:EU:C:2021:239
- HvJ EU 9 december 2020, C-132/19, ECLI:EU:C:2020:1007
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632
- HvJ EU 11 september 2014, C-382/12, ECLI:EU:C:2014:2201
- HvJ EU 27 maart 2012, C-209/10, ECLI:EU:C:2012:172
- HvJ EU 26 november 1998, C-7/97, ECLI:EU:C:1998:569
Aangehaald in
- HvJ EU 25 februari 2025, C-233/23, ECLI:EU:C:2025:110
- HvJ EU 18 december 2025, C-136/24, ECLI:EU:C:2025:977
- HvJ EU 18 december 2025, C-245/24, ECLI:EU:C:2025:987
- Rb. Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8356
- Rb. Amsterdam 26 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1123
- CBb 18 februari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:81
- HvJ EU 3 april 2025, C-686/23, ECLI:EU:C:2025:240