HvJ EU 6 maart 2025, C-395/23, ECLI:EU:C:2025:142
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
6 maart 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) 2019/1111 – Werkingssfeer – Artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder e) – Maatregel inzake de beschikking over het vermogen van een kind – Artikel 7 – Bevoegdheid op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid – Artikel 10 – Forumkeuze – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Werkingssfeer – Artikel 1, lid 2, onder a) – Uitsluiting van de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen – Regels inzake rechterlijke bevoegdheid in een bilaterale overeenkomst tussen de Republiek Bulgarije en de Russische Federatie van vóór de toetreding van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie – Verschillen tussen deze regels en de regels van verordening 2019/1111 – Artikel 351 VWEU – Begrip ‚onverenigbaarheid’”
In zaak C‑395/23 [Anikovi] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski Rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 24 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 29 juni 2023, en aangevuld bij beschikking van 6 februari 2024, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
E. M. A.,
E. M. A.,
M. I. A.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, C. Lycourgos, president van de Derde kamer, M. L. Arastey-Sahún, president van de Vijfde kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2024,
gelet op de opmerkingen van:
– E. M. A., E. M. A. en M. I. A., vertegenwoordigd door L. S. Tsoncheva, advokat,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door I. Herranz Elizalde en P. Pérez Zapico als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë, W. Wils en I. Zaloguin als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 november 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6; hierna: „Rome I-verordening”), van artikel 24, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: „Brussel I bis-verordening”) alsook van artikel 1, lid 2, onder e), en van artikel 7, lid 1, van verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (PB 2019, L 178, blz. 1; hierna: „Brussel II ter-verordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een niet-contentieuze procedure die namens twee minderjarige kinderen, E. M. A. en E. M. A., is ingeleid om van een rechtbank goedkeuring te verkrijgen voor de verkoop, met de instemming van hun moeder M. I. A., van hun eigendomsaandelen in drie in Bulgarije gelegen onroerende goederen.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Het verdrag tussen de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken en de Volksrepubliek Bulgarije inzake rechtshulp in burgerlijke, familie‑ en strafzaken, ondertekend te Moskou op 19 februari 1975 (United Nations Treaty Series, deel 1015, nr. 14855, blz. 41; hierna: „Russisch‑Bulgaars verdrag”), is in Bulgarije geratificeerd bij decreet nr. 784 van 15 april 1975 (DV nr. 33/1975) en bekendgemaakt op 10 februari 1976 (DV nr. 12/1976, met rectificatie in DV nr. 17/2014). Artikel 25 van het Russisch-Bulgaarse verdrag bepaalt: „1. De rechtsbetrekkingen tussen ouders en kinderen worden beheerst door het recht van de verdragspartij op het grondgebied waarvan zij hun gemeenschappelijke woonplaats hebben. […] 6. Wat de in de leden 1, 2, 3, 4 en 5 vermelde rechtsbetrekkingen betreft, komt bevoegdheid toe aan de gerechten van de verdragspartij waarvan het kind de nationaliteit bezit of op het grondgebied waarvan het kind zijn woon‑ of verblijfplaats heeft.”
4 Artikel 30, lid 2, van het Russisch-Bulgaarse verdrag stelt dat de vorm van een rechtshandeling met betrekking tot een onroerend goed wordt beheerst door het recht van de verdragspartij op het grondgebied waarvan het onroerend goed gelegen is.
Unierecht
Rome I-verordening
5 Artikel 4 van de Rome I-verordening, met als opschrift „Het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door de partijen toepasselijk is”, bepaalt in lid 1, onder c): „Bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3 en onverminderd de artikelen 5 tot en met 8, wordt het op de overeenkomst toepasselijke recht als volgt vastgesteld: […] c) de overeenkomst die een zakelijk recht op een onroerend goed of de huur van een onroerend goed tot onderwerp heeft, wordt beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen; […]”
Brussel I bis-verordening
6 Artikel 1 van de Brussel I bis-verordening bepaalt: „1. Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. […] 2. Deze verordening is niet van toepassing op: a) de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, […]; […]”
7 Artikel 24, punt 1, van de Brussel I bis-verordening luidt als volgt: „Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd: 1. voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. […]”
Brussel II ter-verordening
8 De overwegingen 10, 19, 20 en 91 van de Brussel II ter-verordening bepalen: „(10) Wat betreft de vermogensbestanddelen van het kind dient deze verordening uitsluitend van toepassing te zijn op de maatregelen ter bescherming van het kind, namelijk op de aanwijzing en de taken van personen of organen belast met het beheer van het vermogen van het kind of die het kind vertegenwoordigen of bijstaan, en op maatregelen betreffende het beheer, de instandhouding van of de beschikking over het vermogen van het kind. In dit verband dient deze verordening bijvoorbeeld van toepassing te zijn in gevallen waarin het geschil betrekking heeft op de aanwijzing van de persoon die of het orgaan dat het vermogen van het kind beheert. Maatregelen inzake het vermogen van het kind die niet de bescherming van het kind betreffen moeten ook in de toekomst vallen onder [de Brussel I bis-verordening]. De bepalingen van deze verordening betreffende de bevoegdheid inzake incidentele vorderingen moeten evenwel kunnen worden toegepast in dergelijke gevallen. […] (19) De bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn zodanig opgezet dat zij in het belang van het kind zijn, en moeten worden toegepast met inachtneming van dat belang. […] (20) Om de belangen van het kind te beschermen moet de bevoegdheid in de eerste plaats worden bepaald op basis van het criterium van de nauwe verbondenheid. Bijgevolg moet de bevoegdheid bij de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind berusten, behalve in bepaalde gevallen die in deze verordening zijn vastgesteld, bijvoorbeeld wanneer het kind van verblijfplaats is veranderd of er een overeenkomst bestaat tussen de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen. […] (91) Er zij aan herinnerd dat artikel 351 [VWEU] van toepassing is op overeenkomsten die lidstaten vóór hun toetreding tot de Unie hebben gesloten met een of meer derde landen.”
9 Artikel 1 van deze verordening heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en bepaalt: „1. Deze verordening is van toepassing op burgerlijke zaken betreffende: a) echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk; b) de toekenning, uitoefening, overdracht, beperking of beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid. 2. De in lid 1, onder b), bedoelde aangelegenheden kunnen met name het volgende omvatten: […] e) maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van een kind. […]”
10 Artikel 7 van die verordening, met als opschrift „Algemene bevoegdheid”, luidt: „1. Ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. 2. Het bepaalde in lid 1 van dit artikel geldt onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10.”
11 Artikel 10 van de Brussel II ter-verordening, met als opschrift „Forumkeuze”, bepaalt in lid 1: „De gerechten van een lidstaat zijn bevoegd ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid indien aan onderstaande voorwaarden is voldaan: a) het kind heeft een nauwe band met die lidstaat, met name omdat: i) minstens een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft; ii) het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; of iii) het kind onderdaan van die lidstaat is; b) de partijen, evenals alle andere personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, hebben: i) uiterlijk op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, vrijwillig overeenstemming bereikt over de bevoegdheid; of ii) de bevoegdheid uitdrukkelijk aanvaard in de loop van de procedure en het gerecht heeft ervoor gezorgd dat alle partijen in kennis zijn gesteld van hun recht om de bevoegdheid van het gerecht niet te aanvaarden; en c) de bevoegdheidsuitoefening wordt gerechtvaardigd door het belang van het kind.”
12 Hoofdstuk VIII van deze verordening, dat de artikelen 94 tot en met 99 omvat, regelt de verhouding van deze verordening tot andere rechtsinstrumenten, waaronder bepaalde bilaterale verdragen die gesloten zijn tussen de lidstaten en de Heilige Stoel.
Bulgaars recht
13 Volgens artikel 18 van de Zakon za zadalzheniata i dogovorite (wet inzake verbintenissen en overeenkomsten), moeten overeenkomsten betreffende eigendomsoverdracht of vestiging van andere zakelijke rechten op onroerende goederen bij notariële akte worden verleden.
14 Overeenkomstig artikel 130, lid 3, van de Semeen kodeks (wetboek familierecht) kunnen onder andere beschikkingshandelingen ter zake van onroerende goederen die aan een kind toebehoren, enkel worden verricht met goedkeuring van de Rayonen sad (rechter in eerste aanleg) van het arrondissement van de huidige woonplaats van het kind en zolang de beschikkingshandeling niet in strijd is met het belang van het kind.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 In 2023 werd bij de verwijzende rechter, de Sofiyski Rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), een verzoek ingediend namens twee minderjarige kinderen met de Russische nationaliteit, van wie de gewone verblijfplaats in Duitsland is, om goedkeuring te verkrijgen voor de verkoop van hun eigendomsaandelen in drie in Bulgarije gelegen onroerende goederen die zij hebben geërfd na het overlijden van hun vader.
16 Overeenkomstig artikel 130, lid 3, van het wetboek familierecht moet een verkoop van onroerende goederen van een kind, gelet op het belang van het kind, namelijk worden goedgekeurd door de territoriaal bevoegde Rayonen sad, alvorens de verkoop notarieel kan worden verleden op grond van artikel 18 van de wet inzake verbintenissen en overeenkomsten.
17 De verwijzende rechter vraagt zich af of de Bulgaarse gerechten bevoegd zijn in een situatie als die van het hoofdgeding. Hij merkt in de eerste plaats op dat de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije) de bevoegdheid van de Bulgaarse gerechten in een dergelijke situatie baseert op nationale rechtsbepalingen alsmede op artikel 30, lid 2, van het Russisch-Bulgaarse verdrag, en een andere nationale rechter zich ook beroept op artikel 4, lid 1, onder c), van de Rome I‑verordening. De verwijzende rechter is echter van oordeel dat deze laatste bepaling niet relevant is, in tegenstelling tot artikel 24, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.
18 In de tweede plaats merkt deze rechter op dat een situatie zoals die in het hoofdgeding ook binnen de werkingssfeer van de Brussel II ter-verordening kan vallen, tenzij een internationaal verdrag zoals het Russisch-Bulgaarse verdrag hiervan afwijkt. In dat laatste geval en overeenkomstig artikel 7, lid 1, van deze verordening zijn de bevoegde gerechten de gerechten van de lidstaat waarin het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, in casu de Duitse gerechten.
19 Tegen deze achtergrond heeft de Sofiyski Rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Strekt de werkingssfeer van artikel 1, [lid 2,] onder e), van [de Brussel II ter-verordening] zich ook uit tot niet-contentieuze procedures betreffende de verlening van rechterlijke goedkeuring voor een beschikkingshandeling, zoals een verkoop, ter zake van onroerende goederen of mede-eigendomsrechten hierin die toebehoren aan een [minderjarig] kind? 2) Welke verordening bepaalt de internationale bevoegdheid van een gerecht van een lidstaat van de Europese Unie in niet-contentieuze procedures betreffende de verlening van rechterlijke goedkeuring voor een beschikkingshandeling, zoals een verkoop, ter zake van onroerende goederen of mede-eigendomsrechten hierin die toebehoren aan een [minderjarig] kind? Komt internationale bevoegdheid toe – overeenkomstig artikel 7, lid 1, van [de Brussel II ter-verordening] – aan het gerecht van de plaats waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft dan wel – overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van [de Rome I-verordening] of artikel 24, punt 1, van [de Brussel I bis-verordening] – aan het gerecht van de plaats waar het onroerend goed gelegen is? 3) Worden de bepalingen van [de Brussel II ter-verordening] betreffende de internationale bevoegdheid in procedures betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid buiten werking gesteld door een bilaterale internationale overeenkomst tussen een lidstaat (de Republiek Bulgarije) en een derde staat (de Sovjet‑Unie of de Russische Federatie) die is gesloten vóór de toetreding van deze lidstaat tot de Europese Unie, wanneer die internationale overeenkomst niet is vermeld in hoofdstuk VIII van [die verordening]?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
20 Vooraf moet worden opgemerkt dat hoewel de tweede vraag artikel 4, lid 1, onder c), van de Rome I-verordening vermeldt, de verwijzende rechter toelicht dat hij enkel naar deze bepaling heeft verwezen omdat een Bulgaarse rechter zijn bevoegdheid hierop heeft gebaseerd, maar er niet aan twijfelt dat deze bepaling, die eigenlijk betrekking heeft op het toepasselijke recht en niet op de rechterlijke bevoegdheid, niet relevant is voor de beantwoording van de vraag, in tegenstelling tot artikel 24, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.
21 Daarnaast moet erop worden gewezen dat, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en door de advocaat van de moeder en de twee betrokken kinderen is bevestigd tijdens de hoorzitting, een van deze kinderen tijdens de procedure meerderjarig is geworden.
22 In deze omstandigheden moet worden overwogen dat de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden behandeld, in essentie wenst te vernemen of een verzoek om rechterlijke goedkeuring voor de verkoop van eigendomsaandelen van een minderjarig kind in onroerende goederen die in een andere lidstaat zijn gelegen, namens dit kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat, valt binnen de werkingssfeer van de Brussel II ter-verordening of die van de Brussel I bis-verordening.
23 Volgens artikel 1 van de Brussel II ter-verordening is deze verordening van toepassing op burgerlijke zaken betreffende onder meer de ouderlijke verantwoordelijkheid. Krachtens artikel 1, lid 2, onder e), van deze verordening omvatten de bedoelde aangelegenheden met name „maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van een kind”.
24 De Brussel I bis-verordening is krachtens artikel 1, lid 1, ervan van toepassing op burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het aangezochte gerecht, met dien verstande dat met name uit artikel 24, punt 1, blijkt dat burgerlijke en handelszaken ook „zakelijke rechten op onroerende goederen” omvatten. In artikel 1, lid 2, onder a), van de Brussel I bis-verordening worden „|de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen” uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening.
25 Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing gaat het bij een rechterlijke goedkeuring zoals die in het hoofdgeding om een maatregel die wordt genomen ten aanzien van de staat en bevoegdheid van het minderjarige kind, waarmee wordt beoogd het belang van dat kind te beschermen. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat, aangezien het vereiste om deze goedkeuring te verkrijgen rechtstreeks voortvloeit uit deze staat en bevoegdheid, die goedkeuring, ongeacht de materie van de rechtshandeling waarop de goedkeuring betrekking heeft, een maatregel ter bescherming van het kind vormt in verband met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over zijn vermogen in het kader van de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 2, onder e), van de Brussel II ter-verordening, en rechtstreeks verband houdt met de bevoegdheid van de betrokken natuurlijke persoon in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de Brussel I bis-verordening (zie in die zin arresten van 3 oktober 2013, Schneider, C‑386/12, EU:C:2013:633, punt 26, en 6 oktober 2015, Matoušková, C‑404/14, EU:C:2015:653, punten 28‑31).
26 In het licht van deze elementen en de in overweging 10 van de Brussel II ter-verordening uiteengezette intentie van de Uniewetgever, valt een rechterlijke goedkeuring zoals die in het hoofdgeding, in beginsel binnen de werkingssfeer van deze verordening en niet binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening.
27 Krachtens artikel 7, lid 1, van de Brussel II ter-verordening zijn in deze omstandigheden, voor het verlenen van een dergelijke goedkeuring, in beginsel de gerechten bevoegd van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak aanhangig wordt gemaakt.
28 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat de Brussel II ter-verordening aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke goedkeuring waar om wordt verzocht namens een minderjarig kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat, voor de verkoop van de eigendomsaandelen van dat kind in onroerende goederen die in een andere lidstaat zijn gelegen, valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening, aangezien dit een maatregel ter bescherming van het kind zoals bedoeld in lid 2, onder e), van dit artikel betreft, waardoor krachtens artikel 7, lid 1, van deze verordening, voor het verlenen van een dergelijke goedkeuring, in beginsel de gerechten bevoegd zijn van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak aanhangig wordt gemaakt.
Derde vraag
29 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een bilateraal verdrag tussen een lidstaat en een derde staat van vóór de toetreding van die lidstaat tot de Unie, kan afwijken van de bepalingen van de Brussel II ter-verordening ondanks dat het niet is vermeld in hoofdstuk VIII van deze verordening.
Ontvankelijkheid
30 In haar schriftelijke opmerkingen uit de Spaanse regering twijfels over de ontvankelijkheid van de derde vraag op grond dat deze geen verband houdt met het voorwerp van de zaak en de verwijzende rechter niet heeft aangetoond dat er een band bestaat tussen het Russisch-Bulgaarse verdrag en enige bepaling van het Unierecht.
31 In dit verband zij eraan herinnerd dat het uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing), C‑564/19, EU:C:2021:949, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32 Volgens vaste rechtspraak, waaraan uiting wordt gegeven in artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dient de nationale rechter, wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Het is voorts onontbeerlijk dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing de redenen worden uiteengezet die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van specifieke bepalingen van het Unierecht, alsook het verband wordt aangegeven tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling, zoals is bepaald in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In casu en zoals de Spaanse regering in essentie heeft aangegeven in haar schriftelijke opmerkingen, vermeldt de verwijzende rechter in zijn derde prejudiciële vraag niet uitdrukkelijk welke bepaling van het Russisch‑Bulgaarse verdrag mogelijk in strijd is met de in artikel 7, lid 1, van de Brussel II ter-verordening vastgestelde regel inzake rechterlijke bevoegdheid, welke regel de enige is waar deze rechter naar verwijst voor het geval dat de verordening van toepassing is.
34 In de motivering van de verwijzingsbeslissing met betrekking tot het rechtskader in casu, citeert de verwijzende rechter echter de artikelen 25 en 30 van dit verdrag. Ten eerste zet hij uiteen dat uit de nationale rechtspraak volgt dat – volgens nationaal recht en artikel 30, lid 2, van dat verdrag – de Bulgaarse gerechten, als gerecht van de lidstaat waar het onroerende goed zich bevindt, bevoegd zijn om de goedkeuring bedoeld in artikel 130, lid 3, van het wetboek familierecht te verlenen.
35 Ten tweede zou uit artikel 25, lid 6, van het Russisch-Bulgaarse verdrag volgen dat, rekening houdend met het feit dat het minderjarige kind in het hoofdgeding zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat die geen partij is bij het Russisch‑Bulgaarse verdrag, te weten de Bondsrepubliek Duitsland, de gerechten van de contractpartij waarvan dit kind staatsburger is, in casu de Russische gerechten, op grond van deze verdragsbepaling ook bevoegd kunnen zijn om de gevraagde goedkeuring te verlenen, hetgeen de Commissie ook heeft opgemerkt in haar schriftelijke opmerkingen.
36 De bevoegdheidsregel van artikel 7, lid 1, van de Brussel II ter-verordening bepaalt, zoals is aangegeven in punt 27 van dit arrest, dat in beginsel de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd zijn, in casu de Duitse gerechten.
37 Aangezien deze bepaling voorziet in een andere rechterlijke bevoegdheid dan die welke kan voortvloeien uit artikel 25, lid 6, van het Russisch-Bulgaarse verdrag en die welke volgens de in het verzoek om een prejudiciële beslissing geciteerde nationale rechtspraak voortvloeit uit artikel 30, lid 2, van dit verdrag, komt uit de derde vraag, de motivering daarvan en het door de verwijzende rechter uiteengezette rechtskader voldoende duidelijk naar voren dat deze vraag verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding vanwege de verschillende rechterlijke bevoegdheidsregels in het Unierecht en in dat verdrag, en dat het hieruit voortvloeiende vraagstuk niet louter hypothetisch van aard is.
38 In deze omstandigheden moet de derde vraag ontvankelijk worden geacht.
Ten gronde
39 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 31).
40 Dat een nationale rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel gesproken heeft gerefereerd aan bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er namelijk niet aan in de weg dat het Hof die rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of hij naar die voorschriften heeft verwezen in zijn vragen. In dit verband staat het aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die – gelet op het voorwerp van het geding – uitlegging behoeven [arrest van 22 december 2022, Ministre de la Transition écologique en Premier ministre (Staatsaansprakelijkheid voor luchtverontreiniging), C‑61/21, EU:C:2022:1015, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Het is van belang te benadrukken dat de verwijzende rechter zijn derde vraag in essentie heeft gemotiveerd door te stellen dat hoofdstuk VIII van de Brussel II ter-verordening weliswaar overeenkomstig het opschrift ervan de verhouding van deze verordening „tot andere instrumenten” regelt, maar de in dit hoofdstuk genoemde instrumenten geen betrekking hebben op enig bilateraal verdrag tussen een lidstaat en een derde staat, zoals het Russisch-Bulgaarse verdrag, afgezien van bilaterale verdragen tussen bepaalde lidstaten en de Heilige Stoel, welke in casu niet relevant zijn.
42 Dit gezegd zijnde volgt uit overweging 91 van de Brussel II ter-verordening dat op overeenkomsten die lidstaten vóór hun toetreding tot de Unie hebben gesloten met een of meer derde landen, artikel 351 VWEU van toepassing is.
43 In deze omstandigheden moet worden overwogen dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 351 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het de verhouding regelt tussen enerzijds een bilateraal verdrag dat een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Unie heeft gesloten met een derde staat en anderzijds de Brussel II ter-verordening, wanneer een dergelijk verdrag niet wordt vermeld in hoofdstuk VIII van deze verordening, en, zo ja in welke omstandigheden dit verdrag kan afwijken van deze verordening.
44 Artikel 351, eerste alinea, VWEU bepaalt dat de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, die zijn gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, niet worden aangetast door de bepalingen van de Verdragen. De tweede alinea van dit artikel preciseert dat, voor zover dergelijke overeenkomsten niet verenigbaar zijn met de Verdragen, de betrokken lidstaat gebruikmaakt of de betrokken lidstaten gebruikmaken van alle passende middelen om de vastgestelde onverenigbaarheid op te heffen. Indien nodig verlenen de lidstaten elkaar bijstand teneinde dat doel te bereiken en volgen zij in voorkomende gevallen een gemeenschappelijke gedragslijn.
45 Uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 351 VWEU volgt dat die bepaling ertoe strekt de lidstaten de mogelijkheid te bieden om de rechten te eerbiedigen die derde staten overeenkomstig het internationale recht ontlenen aan overeenkomsten die vóór de toetreding van deze lidstaten tot de Unie gesloten zijn, en om hun overeenkomstige verplichtingen na te komen [zie in die zin met name arresten van 9 februari 2012, Luksan, C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 61, 13 januari 2022, MIUR en Ufficio Scolastico Regionale per la Campania, C‑282/19, EU:C:2022:3, punt 55, en 14 maart 2024, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Arrest van de Supreme Court), C‑516/22, EU:C:2024:231, punt 60].
46 Bovendien is artikel 351, eerste alinea, VWEU, een regel die, wanneer aan de toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan, de mogelijkheid biedt om af te wijken van de toepassing van om het even welke bepaling van de Verdragen, ongeacht of het gaat om primair of afgeleid recht [zie in die zin arrest van 28 oktober 2022, Generalstaatsanwaltschaft München (Uitlevering en ne bis in idem), C‑435/22 PPU, EU:C:2022:852, punten 119 en 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47 Het Hof heeft echter gepreciseerd dat een internationale overeenkomst weliswaar krachtens artikel 351, eerste alinea, VWEU in de weg kan staan aan een Unierechtelijke regel, maar daarvoor wel moet zijn voldaan aan een dubbele voorwaarde: het moet gaan om een overeenkomst die vóór de inwerkingtreding van de Unieverdragen in de betrokken lidstaat is gesloten, en de betrokken derde staat moet er rechten aan ontlenen waarvan hij de nakoming door die lidstaat kan eisen [arrest van 14 maart 2024, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Arrest van de Supreme Court), C‑516/22, EU:C:2024:231, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48 Het Hof heeft eveneens aangegeven dat de gerechten van de lidstaten moeten nagaan of een eventuele onverenigbaarheid tussen het Unierecht en een internationaal verdrag zoals bedoeld in artikel 351 VWEU, kan worden voorkomen door daaraan zo veel mogelijk en met inachtneming van internationaal recht een uitlegging te geven die met het Unierecht in overeenstemming is. Wanneer een conforme uitlegging van het verdrag niet mogelijk is, moeten de lidstaten krachtens artikel 351, tweede alinea, VWEU de maatregelen nemen die nodig zijn om de onverenigbaarheid van dit verdrag met het Unierecht op te heffen, zo nodig door opzegging van het verdrag. Totdat de onverenigbaarheid is opgeheven, machtigt artikel 351, eerste alinea, VWEU de staten evenwel om het betrokken verdrag te blijven toepassen (arrest van 22 oktober 2020, Ferrari, C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punten 68 en 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Uit de punten 44 tot en met 48 van het onderhavige arrest volgt dat wanneer een verdrag tussen een lidstaat en een of meerdere derde staten is gesloten vóór de toetreding van deze lidstaat tot de Unie en dit verdrag niet wordt vermeld in een Unierechtelijke handeling, artikel 351 VWEU – zoals met betrekking tot de Brussel II ter-verordening in herinnering wordt gebracht in overweging 91 daarvan – als algemene bepaling van primair recht de verhouding tussen deze handeling en dit verdrag regelt. Mits een derde staat die partij is bij een dergelijk verdrag er rechten aan ontleent waarvan hij de nakoming door de lidstaat in kwestie kan eisen, staat artikel 351 VWEU die lidstaat echter toe om de regels van dit verdrag toe te passen, zelfs als deze niet in overeenstemming met het Unierecht kunnen worden uitgelegd en daar dus onverenigbaar mee zijn. In geval van onverenigbaarheid kan deze lidstaat de regels van dit verdrag blijven toepassen totdat de nodige maatregelen voor het opheffen van de onverenigbaarheid in werking zijn getreden.
50 In casu moet de verwijzende rechter in de eerste plaats nagaan of het Russisch-Bulgaarse verdrag dat de Republiek Bulgarije heeft gesloten vóór haar toetreding tot de Unie, regels bevat waarvan de Russische Federatie nakoming door die lidstaat kan eisen.
51 Als dit het geval is moet de verwijzende rechter in de tweede plaats nagaan of het Russisch-Bulgaarse verdrag onverenigbaar is met de Brussel II ter-verordening, in die zin dat beide juridische instrumenten in de omstandigheden van het hoofdgeding niet hetzelfde bevoegde forum aanwijzen.
52 In het kader van dit onderzoek moet niet alleen rekening worden gehouden met artikel 7, lid 1, van de Brussel II ter-verordening, maar ook met artikel 7, lid 2, ervan, dat bepaalt dat lid 1 van dit artikel geldt „onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10” van deze verordening. Deze formulering weerspiegelt, net zoals overweging 20 van deze verordening, de wil van de Uniewetgever om in bepaalde situaties andere gerechten bevoegd te verklaren dan de gerechten van de gewone verblijfplaats van het kind, die worden aangewezen op basis van het criterium van de nauwe verbondenheid.
53 In dit verband bepaalt artikel 10, lid 1, van de Brussel II ter-verordening dat de gerechten van een lidstaat bevoegd zijn ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid indien aan drie voorwaarden is voldaan.
54 Volgens punt a) van deze bepaling moet het betrokken kind een nauwe band hebben met die lidstaat, waarbij moet worden opgemerkt dat de uitdrukking „met name” erop duidt dat de drie onder punt a) genoemde gevallen niet uitputtend zijn, zodat het bestaan van een nauwe band ook kan worden vastgesteld op basis van een andere relevante factor in het kader van de procedure waarvoor om de in artikel 10 van de Brussel II ter-verordening vastgestelde forumkeuze wordt gevraagd en die een concrete en aanzienlijke band creëert tussen deze lidstaat en de persoonlijke belangen van dit kind.
55 Deze bepaling bepaalt dat de partijen of alle andere personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen ofwel overeenkomstig punt b), i), uiterlijk op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt, vrijwillig overeenstemming moeten hebben bereikt over de bevoegdheid, ofwel, overeenkomstig punt b), ii), de bevoegdheid uitdrukkelijk moeten hebben aanvaard in de loop van de procedure. In dit laatste geval moet het gerecht ervoor zorgen dat alle partijen in kennis zijn gesteld van hun recht om zijn bevoegdheid niet te aanvaarden.
56 Vervolgens wordt onder punt c), van die bepaling vermeld dat de bevoegdheid van het betrokken gerecht moet worden uitgeoefend in het belang van het kind. Dit is in overeenstemming met overweging 19 van de Brussel II ter-verordening, waarin met name wordt aangegeven dat de bevoegdheidsregels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zodanig zijn opgezet dat zij in het belang van het kind zijn. Bijgevolg moet de rechterlijke bevoegdheid in de eerste plaats worden bepaald op basis van dit belang. Dit kan alleen worden gewaarborgd indien per geval wordt nagegaan of de op basis van artikel 10, lid 1, van die verordening verlangde forumkeuze dat belang dient (zie in die zin arrest van 1 oktober 2014, E., C‑436/13, EU:C:2014:2246, punten 45 en 47).
57 De verwijzende rechter kan zich dus bevoegd verklaren op grond van de Brussel II ter-verordening indien hij zich ervan vergewist, ten eerste, dat er in het kader van de bij hem ingeleide procedure een concrete en aanzienlijke band bestaat tussen de Republiek Bulgarije en de persoonlijke belangen van het betrokken kind, zoals het geval kan zijn omdat dit kind eigendomsaandelen heeft in onroerende goederen in die lidstaat, ten tweede, dat – gelet op de afwezigheid van de verwerende partij gedurende een niet-contentieuze procedure zoals die in het hoofdgeding – de moeder van het minderjarige kind, als enige drager van de ouderlijke verantwoordelijkheid, tijdens de procedure uitdrukkelijk de bevoegdheid van deze rechter heeft aanvaard na op de hoogte te zijn gesteld van haar recht om deze bevoegdheid niet te aanvaarden, en, ten derde, dat deze bevoegdheid wordt uitgeoefend in het belang van het kind.
58 Indien de verwijzende rechter in het hoofdgeding tot het oordeel moet komen dat het Russisch-Bulgaarse verdrag onverenigbaar is met de Brussel II ter-verordening in die zin dat op basis van dit verdrag andere gerechten bevoegd zijn dan de in de artikelen 7 tot en met 10 van deze verordening aangewezen gerechten, dan moet hij in de derde plaats en overeenkomstig de in punt 48 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, onderzoeken of deze onverenigbaarheid kan worden opgeheven middels een met deze verordening conforme uitlegging van het verdrag. Als dit niet het geval is en de verwijzende rechter niet in staat is om deze onverenigbaarheid zelf op te heffen, kan hij in de vierde plaats de regels van dit verdrag toepassen en voorbijgaan aan de regels van de Brussel II ter-verordening.
59 Evenwel moet worden benadrukt dat de gerechten van de lidstaten weliswaar zeker verplicht zijn om na te gaan of een eventuele onverenigbaarheid tussen het Unierecht en een eerder bilateraal verdrag, zoals het Russisch-Bulgaarse verdrag, kan worden voorkomen door aan dit verdrag zo veel mogelijk en met inachtneming van internationaal recht een uitlegging te geven die in overeenstemming is met het Unierecht, maar niet van hen wordt vereist om na te gaan of een eventuele onverenigbaarheid tussen het Unierecht en een dergelijk verdrag kan worden vermeden door het Unierecht uit te leggen of toe te passen op een manier die in overeenstemming is met het verdrag.
60 Bijgevolg kan de verwijzende rechter geen gebruikmaken van de in punt 57 van het onderhavige arrest bedoelde mogelijkheid om zich op grond van artikel 10, lid 1, onder a), onder b), ii), en onder c), van de Brussel II ter-verordening bevoegd te verklaren, in plaats van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 7, lid 1, van deze verordening toe te passen, teneinde het Unierecht in overeenstemming te brengen met het Russisch-Bulgaarse verdrag en aldus – in de omstandigheden van het hoofdgeding – vast te stellen dat dit verdrag verenigbaar is met het Unierecht omdat zij hetzelfde forum als bevoegd beschouwen in deze zaak.
61 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 351 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het de verhoudingen regelt tussen, enerzijds, een verdrag dat een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Unie heeft gesloten met een of meerdere derde staten en, anderzijds, de Brussel II ter-verordening, omdat dit verdrag, hoewel het niet wordt vermeld in hoofdstuk VIII van deze verordening, rechten verleent waarvan de derde staat die partij is bij dit verdrag de nakoming door de betrokken lidstaat kan eisen. In het geval dat een dergelijk verdrag onverenigbaar is met de Brussel II ter-verordening en een gerecht van deze lidstaat die onverenigbaarheid niet kan vermijden in het kader van een bij hem aanhangige procedure die betrekking heeft op een aangelegenheid die wordt geregeld door zowel dat verdrag als die verordening, kan dit gerecht de regels van het verdrag toepassen in plaats van die van de verordening, totdat de nodige maatregelen voor het opheffen van de onverenigbaarheid in werking zijn getreden, met dien verstande dat de betrokken lidstaat gebruik moet maken van alle passende middelen om dergelijke maatregelen vast te stellen en ten uitvoer te leggen.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering moet aldus worden uitgelegd dat dat de rechterlijke goedkeuring waar om wordt verzocht namens een minderjarig kind dat zijn gewone verblijfplaats heeft in een lidstaat, voor de verkoop van de eigendomsaandelen van dat kind in onroerende goederen die in een andere lidstaat zijn gelegen, valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 1, lid 1, onder b), van deze verordening, aangezien dit een maatregel ter bescherming van het kind zoals bedoeld in lid 2, onder e), van dit artikel betreft, waardoor krachtens artikel 7, lid 1, van deze verordening, voor het verlenen van een dergelijke goedkeuring, in beginsel de gerechten bevoegd zijn van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak aanhangig wordt gemaakt.
2) Artikel 351 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het de verhoudingen regelt tussen, enerzijds, een verdrag dat een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Europese Unie heeft gesloten met een of meerdere derde staten en, anderzijds, verordening 2019/1111, omdat dit verdrag, hoewel het niet wordt vermeld in hoofdstuk VIII van deze verordening, rechten verleent waarvan de derde staat die partij is bij dit verdrag de nakoming door de betrokken lidstaat kan eisen. In het geval dat een dergelijk verdrag onverenigbaar is met verordening 2019/1111 en een gerecht van deze lidstaat die onverenigbaarheid niet kan vermijden in het kader van een bij hem aanhangige procedure die betrekking heeft op een aangelegenheid die wordt geregeld door zowel dat verdrag als die verordening, kan dit gerecht de regels van het verdrag toepassen in plaats van die van de verordening, totdat de nodige maatregelen voor het opheffen van de onverenigbaarheid in werking zijn getreden, met dien verstande dat de betrokken lidstaat gebruik moet maken van alle passende middelen om dergelijke maatregelen vast te stellen en ten uitvoer te leggen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 14 maart 2024, C-516/22, ECLI:EU:C:2024:231
- HvJ EU 21 december 2023, C-333/21, ECLI:EU:C:2023:1011
- HvJ EU 22 december 2022, C-61/21, ECLI:EU:C:2022:1015
- HvJ EU 28 oktober 2022, C-435/22, ECLI:EU:C:2022:852
- HvJ EU 13 januari 2022, C-282/19, ECLI:EU:C:2022:3
- HvJ EU 23 november 2021, C-564/19, ECLI:EU:C:2021:949
- HvJ EU 15 juli 2021, C-742/19, ECLI:EU:C:2021:597
- HvJ EU 22 oktober 2020, C-720/18, ECLI:EU:C:2020:854
- HvJ EU 6 oktober 2015, C-404/14, ECLI:EU:C:2015:653
- HvJ EU 1 oktober 2014, C-436/13, ECLI:EU:C:2014:2246
- HvJ EU 3 oktober 2013, C-386/12, ECLI:EU:C:2013:633
- HvJ EU 9 februari 2012, C-277/10, ECLI:EU:C:2012:65