Art. 7.6.1 Wetboek van Strafvordering
1. De termijn waarbinnen een taakstraf moet worden verricht, bedraagt achttien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis of het arrest dan wel negen maanden na het onherroepelijk worden van de strafbeschikking.
2. De termijn waarbinnen een taakstraf moet worden verricht, loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.