Art. 7.1.18 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De invrijheidstelling vindt plaats door de directeur van de inrichting:

a. op de laatste dag van de straftijd;

b. zodra het bevel tot vrijheidsbeneming door tijdsverloop zijn geldigheid verliest;

c. na verlening van voorwaardelijke invrijheidstelling;

d. na een opdracht tot invrijheidstelling van Onze Minister.

2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid vindt de invrijheidstelling in alle gevallen uiterlijk plaats op het moment waarop de straftijd verstrijkt of het bevel tot vrijheidsbeneming door tijdsverloop zijn geldigheid verliest.

3. In gevallen waarin is bepaald dat een gedeelte van de straf niet zal worden tenuitvoergelegd, wordt dat gedeelte alleen meegerekend voor zover de tenuitvoerlegging daarvan is gelast.

4. Invrijheidstelling vindt plaats binnen drie uur na het tijdstip waarop de opdracht tot invrijheidstelling van Onze Minister de directeur van de inrichting heeft bereikt. Indien de verdachte of veroordeelde op dat tijdstip nog niet is teruggekeerd in de inrichting, begint de termijn van drie uur te lopen vanaf het moment van terugkeer in de inrichting.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen