Art. 7.5.21 Wetboek van Strafvordering
1. De rechtbank kan, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, de officier van justitie op zijn vordering machtigen te beslissen dat het dwangmiddel gijzeling wordt toegepast bij de tenuitvoerlegging van:
a. een in een strafbeschikking opgelegde geldboete;
b. een ontnemingsmaatregel.
2. In het geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete is bevoegd over de vordering te oordelen de rechtbank in het rechtsgebied van het adres van de veroordeelde. Als adres wordt aangemerkt het in de basisregistratie personen vermelde adres. Indien de veroordeelde niet als ingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, is de rechtbank Noord-Nederland bevoegd.
3. In het geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete wordt de vordering ingediend bij de kantonrechter.
4. Indien de veroordeelde bekend is met de strafbeschikking, wordt de oproeping in afwijking van artikel 7.1.22, derde lid, toegezonden aan het in de basisregistratie personen vermelde adres. Indien de veroordeelde niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen en geen adres heeft opgegeven bij het indienen van een bezwaarschrift tegen verhaal overeenkomstig de artikelen 7.5.23 en 7.5.26, vindt de oproeping plaats in de Staatscourant.
5. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling, die ten minste één dag beloopt. In geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete is de duur ten hoogste een week per strafbaar feit. In geval van een ontnemingsmaatregel is de duur ten hoogste wat is bepaald bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel. Voor elke volle € 25 van het verschuldigde bedrag wordt niet meer dan één dag gijzeling bepaald. Voorts houdt de rechtbank rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeelde zijn verricht en met al genomen verhaal.
6. Artikel 7.5.20, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.